← Nederland

ECLI:NL:PHR:2022:628

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/04318 Zitting 28 juni 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, hierna: de verdachte. Inleiding De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 4 primair “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, feit 5 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 6 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 10 subsidiair “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 12 “medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en feit 13 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,- bij gebreke van betaling 365 dagen vervangende hechtenis. Er bestaat samenhang met de zaken 20/04319, 20/04320, 20/04316, 20/04317, 20/04321 en 20/04090. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft negen middelen van cassatie voorgesteld. Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom, is het volgende van belang. In het eerste middel heeft de steller aangevoerd dat uit de processtukken blijkt dat de verdediging zich bij het verzoek tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft beroepen op een bijzondere omstandigheid. Deze getuigen zijn weliswaar reeds eerder bij de rechter-commisssaris en in het bijzijn van de verdediging gehoord, maar gelet op deze bijzondere omstandigheid die tijdens deze verhoren niet aan de orde is kunnen komen terwijl de verdediging de getuigen daarover wilde ondervragen, kon de oproeping van deze getuigen niet worden geweigerd, aldus de steller van het middel. De processtukken waarnaar de steller van het middel verwijst betreft een conclusiewisseling tussen de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal naar aanleiding van de in de appelschriftuur vermelde getuigenverzoeken van de verdediging. De steller van het middel heeft in een aanvullende schriftuur een negende middel voorgesteld, bevattende de klacht dat deze conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, terwijl deze conclusiewisseling van belang is voor de toelichting dan wel onderbouwing van de in het eerste middel aangevoerde klacht. Vanwege deze processuele kwestie kom ik eerst toe aan een bespreking van dit negende middel, alvorens de klachten in de overige middelen te bespreken. Het negende middel 5. Het negende middel behelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel. 5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2016 heeft de voorzitter medegedeeld dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van 18 april 2016. 5.2. De steller van het middel heeft bij de rolraadsheer tijdig verzocht om deze conclusiewisseling. Uit de in het digitaal portaal geplaatste berichten van de strafgriffie van de Hoge Raad van 29 april 2021 en 1 december 2021 volgt dat deze door de verdediging opgevraagde stukken niet zijn aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Op 23 november 2021 is namens de strafgriffie van de Hoge Raad aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om deze stukken verzocht. De griffier van het hof heeft in antwoord op dit verzoek medegedeeld dat deze stukken zich niet in het digitale dossier van het hof bevinden en dat alle papieren stukken waarover het hof beschikte ten behoeve van de cassatieprocedure reeds aan de Hoge Raad zijn verzonden. Dit brengt mee, zoals terecht door de steller van het middel wordt aangevoerd, dat moet worden aangenomen dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt. 5.3. De vraag is of dit tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen op grond van het volgende dat dat niet het geval is. Blijkens de appelschriftuur heeft de verdediging aangevoerd dat zij de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] wenst te horen, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is, maar dat hij wel een korte toelichting op het verzoek wil geven en iets wil zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang. Door de verdediging is dus tijdens de terechtzitting niet gewezen op de conclusiewisseling. 5.4. De verdediging heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 voorts aangegeven dat het hof het zal “moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd” omtrent het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] . Hiermee doelt de verdediging kennelijk op de in de appelschriftuur aangegeven redenen voor de wens deze getuigen te horen. De verdediging heeft verder niet nader geconcretiseerd waarom deze getuigen moeten worden gehoord, noch heeft zij verwezen naar de conclusiewisseling. Dat deze nadere concretisering, zoals de steller van het middel in cassatie aangevoerd, zou blijken uit de conclusiewisseling doet hier mijns inziens niet aan af. Het had in mijn ogen op de weg van de verdediging gelegen om ter terechtzitting nader te motiveren waarom er nieuwe feiten of omstandigheden bestonden die het horen van deze getuigen noodzakelijk doet zijn in plaats van enkel te verwijzen naar “hetgeen de verdediging heeft aangevoerd”. Bovendien heeft de verdediging zelf expliciet aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is. Deze strekking is, zo blijkt uit de appelschriftuur, het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] alsmede het daarin verwerken van de boekhouding. 5.5. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Het eerste middel 6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het eerste middel dat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen. 6.1. Bij appelschriftuur heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] en is een verzoek gedaan tot het horen van de ontlastende getuige [betrokkene 6] . De namens de verdachte op 26 juni 2013 ingediende appelschriftuur houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “11. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [d-straat 1] , [plaats] , België. De rechtbank heeft in het vonnis, pagina 32 noot 93, de verklaring van [getuige 4] afgelegd als getuige bij de politie, voor het bewijs gebruikt. In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. 12. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum] 1952, wonende op het adres [e-straat 1] te [plaats] (België).De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis. In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. (…)22. [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [l-straat 1] te [plaats] . “11. [betrokkene 6] is op 22 januari 2009 als getuige gehoord. Hij heeft in opdracht de firma [H] het transport van de vijf containers verzorgd. Omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, wenst de verdediging [betrokkene 6] te bevragen.” 6.2. Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van d.d. 18 april 2016. De strekking van ons verzoek is duidelijk. Ik wil wel een korte toelichting daarop geven en iets zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang, omdat ik dat niet heb vermeld in mijn brieven. Dat is van belang omdat uw hof langs die criteria zult beoordelen of er wel of niet bepaalde getuigen moeten worden gehoord. Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven. (…)De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.(…) Het tweede belangrijke onderdeel waaronder veel getuigen gevangen zitten is de meldingsplicht. Het gaat erom dat als je met een vrachtwagen met daarop een container met vuurwerk Nederland binnenrijdt, je dat moet melden. Mijn cliënt aan mijn linkerzijde (het hof begrijpt medeverdachte [verdachte] ) heeft dat vaak gedaan. Op zichzelf genomen wordt dat niet betwist, maar wat moet je doen als een vervoerder niet de weg neemt waarvan jij denkt dat hij die zou nemen? Dat is in deze zaak meermalen gebeurd. Er moesten bijvoorbeeld containers worden verplaatst van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland, maar men neemt een andere weg dan dat op enig moment mijn cliënten denken dat ze nemen. De rechtbank heeft daarover gezegd dat dat een soort risico-aansprakelijkheid is die je hebt, althans zo lees ik dat, en het openbaar ministerie zegt: dan moet je maar wat weten wat de kortste weg is. Ik wil een aantal mensen horen die specifiek te maken hebben gehad met dat transport en met die meldingen, bijvoorbeeld [betrokkene 6] . Waarom is deze weg nou gekozen en wisten mijn cliënten dat die weg was gekozen? Ik denk dat dat wel degelijk van belang is en zou kunnen zijn voor een eventuele beantwoording van de vragen van de rechtbank dan wel voor een eventueel op te leggen straf.(…)Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op. Uw hof moet niet denken dat ik hiervoor betoogd heb dat de verzoeken betreffende deze getuigen ook dienen te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. Zij zijn gehoord door de rechter-commissaris in eerste aanleg, dus het noodzaakscriterium is van toepassing. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat hij in het onderzoeksdossier op zoek is gegaan naar hetgeen de verdediging heeft betoogd ten aanzien van beide getuigen, omdat dat een novum is waarmee de getuigen nog niet zijn geconfronteerd. Dat kan nu juist een reden voor het hof zijn om deze getuigen wel toe te wijzen, maar zolang die doos van de advocaat-generaal geen deel uitmaakt van het procesdossier kunt u daar geen oordeel over geven. U zult het moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Wij vinden het van belang de getuigen daarmee te confronteren. In zijn algemeenheid proef ik bij deze advocaat-generaal, zijnde ook de officier van justitie in eerste aanleg, - en daar heb ik wel begrip voor omdat de persoon hetzelfde is en het standpunt niet is veranderd - dat er wel erg gekeken wordt met de bril van de opsporing van eerste aanleg. Hij heeft een beetje de houding van: ‘we hebben het zo geconstateerd en het is niet anders en wat willen we nu eigenlijk in hoger beroep?’ Dat is niet helemaal de bedoeling van het hoger beroep. Ik hoor de advocaat-generaal ook zeggen dat hij in de administratie van de bedrijven ook inkoopfacturen heeft aangetroffen. Die zijn van groot belang om eens te kijken wat er nu allemaal ingekocht en verkocht is. Hoe is dat verantwoord? Welke kosten werden in de ondernemingen nog meer gemaakt? Dat zijn allemaal relevante omstandigheden waarmee de getuigen nogmaals kunnen worden geconfronteerd.(…)Het hof overweegt als volgt. Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gegaan. In beginsel dienen de verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium. Zulks zou uitzondering kunnen lijden indien er sprake is van een geval waarin de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, zodat de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijk verdediging is vereist – zou meebrengen dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium (zie Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496). In dat kader is van belang de omstandigheid dat de raadsman de verdachte reeds vanaf 2011 bijstaat en er voor hem geen enkel beletsel is geweest om tijdig meerdere getuigen op te geven bij appelschriftuur en die verzoeken ook te onderbouwen. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake van een uitzonderingsgeval zoals hiervoor omschreven. De verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, zullen derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium. De verdediging heeft verzocht om het horen van de volgende personen als getuige en/of deskundige: (…) 11. [getuige 4] 12. [getuige 5] (…) 20. [betrokkene 6](…) (ad. 11, 12 en 13:) De getuigen zijn reeds door de verdediging bij de rechter-commissaris in eerste aanleg bevraagd, zodat het noodzaakcriterium op de verzoeken van toepassing is. Er is niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Door de raadsman zijn geen vragen naar voren gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen. Het hof acht zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen, zijnde de noodzaak tot inwilliging daarvan niet gebleken. (…) (ad 20:) Op het verzoek is het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. [betrokkene 6] heeft verklaard in opdracht van de firma [H] het transport van vijf containers te hebben verzorgd. De verdediging wenst de getuige omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, te bevragen. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 6] reeds op 22 januari 2009 als getuige door de politie is gehoord (zie p. 4087 e.v. van het politiedossier). De verdediging heeft onvoldoende (…) onderbouwd waarom de verklaring van de getuige in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen; de verdachte wordt daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging niet geschaad.” 6.3. De steller van het middel klaagt – onder verwijzing naar de (post-)Keskin-jurisprudentie – allereerst dat ‘s hofs beslissing tot afwijzing van de oproeping van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] onbegrijpelijk is, nu van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij het belang van een belastende getuige aangeeft, terwijl het hof dit klaarblijkelijk wel heeft verlangd. 6.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad is in zijn arrest van HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes – waarnaar de steller van het middel verwijst – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt. 6.5. In de onderhavige zaak doet zich echter een dergelijk geval niet voor. De getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben weliswaar verklaringen afgelegd met een belastende strekking, maar ook heeft de verdediging reeds het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuigen toen zij zijn gehoord door de rechter-commissaris. Dit brengt mee dat het belang tot het horen van deze getuigen niet behoeft te worden verondersteld en de getuigenverzoeken op grond van art. 418 lid 2 Sv moeten worden getoetst aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. 6.6. De toepassing van dit criterium brengt mee dat bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang is of de rechter het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. 6.7. De verdediging heeft verzocht de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] opnieuw te horen om hen in het bijzonder vragen te stellen omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Zij waren aldus reeds bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [getuige 4] , afgelegd bij zowel de politie als de rechter-commissaris zijn door het hof voor het bewijs gebezigd, alsmede de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de politie. Een blik achter de ‘papieren muur’ maakt duidelijk dat zowel de getuige [getuige 4] als de getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris en de politie zijn gehoord over de boekhouding van [medeverdachte 4] en het verwerken van contante betalingen. 6.8. Het hof heeft in de onderhavige zaak met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium – over de toepassing hiervan wordt in cassatie niet geklaagd – geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en niet is gebleken van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Het hof overweegt voorts dat de raadsman van de verdachte geen vragen naar voren heeft gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen en dat het hof zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht acht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Gelet hierop wijst het hof het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] af, nu de noodzaak tot inwilliging van het verzoek niet is gebleken. 6.9. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuigen aldus afgewezen omdat de noodzakelijkheid van een dergelijk verhoor niet is gebleken, hetgeen mijns inziens gelet op de daaraan te stellen eisen ontoereikend noch onbegrijpelijk is gemotiveerd. 6.10. In het verlengde hiervan faalt ook de klacht van de steller van het middel dat de bewijsvoering onvoldoende met redenen is omkleed, doordat de verklaringen van deze getuigen – terwijl de verdediging niet in de gelegenheid zou zijn gesteld hen te horen – beslissend zouden zijn voor de bewezenverklaring en/of een significant gewicht hebben in de bewijsvoering van de feiten waarop die verklaring betrekking hebben. 6.11. Dit brengt mee dat ’s hofs afwijzing tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] niet ontoereikend en evenmin onbegrijpelijk is gemotiveerd. 6.12. Tot slot klaagt de steller van het middel dat het hof de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van de ontlastende getuige [betrokkene 6] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans de beslissing tot afwijzing onbegrijpelijk is. 6.13. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] als getuige, zoals door de verdediging bij appelschriftuur van 26 juni 2013 is verzocht en nader is toegelicht op de terechtzitting van 22 april 2016, heeft het hof terecht het criterium van het verdedigingsbelang toegepast. 6.14. Het criterium van het verdedigingsbelang noopt de rechter ertoe een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. De vraag of ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen begrijpelijk is, dient te worden beantwoord in het licht van – als ware het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Van de raadsman mag worden gevergd dat hij toelicht in welk opzicht het horen van een getuige relevant is voor de uitkomst van de zaak. 6.15. De verdediging heeft in de appelschriftuur aangevoerd dat zij [betrokkene 6] wil bevragen over het transport van vijf containers in opdracht van de firma [H] en in het bijzonder het transport van 23 december 2008. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 heeft de verdediging hieraan toegevoegd dat zij bijvoorbeeld [betrokkene 6] wenst te horen, omdat onder meer hij specifiek te maken heeft gehad met het transport van vuurwerk van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland. 6.16. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, omdat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de reeds bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 6] in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. 6.17. Dat oordeel acht ik, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd, zodat ook deze klacht faalt. 6.18. Het eerste middel faalt. Het tweede middel 7. Het tweede middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 6] en/of de verdachte sprake is geweest. 7.1. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 subsidiair bewezenverklaard dat: “ [medeverdachte 6] op 9 november 2007 in de gemeente [plaats] , opzettelijk, als degene die een of meer containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging, opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven” 7.2. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd): “Algemeen Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 en 10 september 2009 is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [verdachte] (hierna: [verdachte] ) enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen. Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [verdachte] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [verdachte] en [medeverdachte 3] . [verdachte] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] ., gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [medeverdachte 2] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [verdachte] en [medeverdachte 2] . In de periode van 2006 t/m 2008 worden door [medeverdachte 4] 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. Het vuurwerk werd opgeslagen in [plaats] en [plaats] in Duitsland. Door [medeverdachte 2] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [medeverdachte 5] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [medeverdachte 5] gewijzigd in [medeverdachte 5] [opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]]. Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd Lohmann de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [verdachte] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 7] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] bevestigt in haaf verklaring dat [medeverdachte 7] door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] genoemd) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [verdachte] en bij [medeverdachte 4] was dat [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [verdachte] de baas van [medeverdachte 6] [verdachte] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [verdachte] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [verdachte] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van de [verdachten] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [medeverdachte 2] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] .Ter zake feit 1 primair en subsidiair (zaak 2):Het hof, met de rechtbank, baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Op 9 november 2007 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) omstreeks 9:35 uur op de parkeerplaats ‘De Schaars’, gelegen aan de Rijksweg A12 in de gemeente Arnhem twee trekkers met oplegger gecontroleerd op de juiste naleving van de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven regels en voorschriften. Het betrof de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 3] en de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 4] . Op de ter inzage afgegeven vervoersdocumenten (CMR), zagen de rapporteurs [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden opsporingsfunctionaris van de IVW, dat de vervoerde lading van beide combinaties als volgt was aangeduid: - kenteken [kenteken 3] /Container nr. CCLU 710719-0 (CMR-nr. 327956) 835 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 126,92 kg, bruto 10.835 kgs kenteken [kenteken 4] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950) 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs. Blijkens de desbetreffende CMR was deze lading met vuurwerk afkomstig van [medeverdachte 5] in [plaats] in Duitsland en bestemd om te worden afgeleverd bij de vestigingen van [medeverdachte 6] in respectievelijk [plaats] en [plaats] . De chauffeurs [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat grensoverschrijdend vervoer werd verricht van Duitsland naar Nederland en dat de transporteenheden waren beladen met gevaarlijke stoffen, namelijk vuurwerk. Bij navraag door de rapporteurs bleken de volgens het Vuurwerkbesluit verplichte importmeldingen bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt voor beide transporten niet te zijn gedaan. Deze transporten van ladingen met vuurwerk waren daar niet aangemeld. Vervolgens is besloten beide transporten voor nader onderzoek naar het afleveradres van [medeverdachte 6] in [plaats] te laten rijden.Op 9 november 2007 werd [verbalisant 5] , inspecteur van politie gebeld door de hem bekende [medeverdachte 2] , die hem vertelde dat de containers per ongeluk niet waren gemeld. [medeverdachte 3] heeft verklaard: ‘wij willen geen verklaring afleggen, maar willen volstaan met het afgeven van een schriftelijke verklaring.’ Die verklaring, ondertekend door [medeverdachte 3] , betreft het transport van goederen van [medeverdachte 6] Duitsland naar [medeverdachte 6] te [plaats] en houdt onder meer in: ‘Wij hadden nog retourgoederen staan van onze klanten. [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ Chauffeur [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met drie andere chauffeurs op 8 november 2007 naar Antwerpen is gereden om containers met vuurwerk te laden en naar [plaats] te brengen. Hij wist al voordat hij in Antwerpen was dat hij op de terugreis ook vuurwerk vanuit [plaats] moest vervoeren naar [plaats] . De inhoud van de containers werd gelost in een loods waar hij met zijn vrachtwagen naast geparkeerd stond. Bij die loods was een Nederlands sprekende man met een Brabants accent aanwezig. Hij reed in een verschrikkelijk dikke auto. De volgende ochtend was zijn container weer geladen met vuurwerk. De man met de dikke auto had de leiding bij de laadwerkzaamheden. De CMR moest hij zelf schrijven. De man met die dikke auto gaf hem op wat er op de CMR moest staan. Alleen de zin over autorisatie heeft hijzelf, [getuige 2] , erop gezet. Hij herkent [medeverdachte 2] van foto’s als de man die bij de loods in [plaats] aanwezig was. Deze man was later aanwezig bij het lossen in [plaats] . [verdachte] heeft ter zake het in [plaats] onderzochte vuurwerk verklaard dat het gaat om overgebleven vuurwerk van klanten dat in Duitsland was opgeslagen. [medeverdachte 2] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd, dat het vuurwerk ‘door [medeverdachte 6] ’ was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. Verder heeft hij verklaard bij [medeverdachte 6] belast te zijn geweest met de inkoop en verkoop van vuurwerk. [medeverdachte 6] verkocht consumentenvuurwerk in Nederland.[medeverdachte 2] heeft op 9 november 2007 verklaard dat de meldingen nog zouden worden “aangevuld” door zijn moeder, [...] . [verdachte] heeft ter zake het in [plaats] onderzochte vuurwerk verklaard dat hij het vuurwerk dat bij de verkooppunten was overgebleven als service voor zijn klanten [het hof begrijpt: de klanten van [medeverdachte 6] ] begin dit jaar had op laten halen en naar Duitsland had getransporteerd en daar had opgeslagen. [medeverdachte 2] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd, dat het vuurwerk ‘door [medeverdachte 6] ’ [het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ] was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [verdachte] op de hoogte was van de invoer van het vuurwerk in Nederland. Conclusie feit 1 Daderschap van de rechtspersoon: Juridisch kader Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; - de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; - de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; - de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging. De gedragingen zijn verricht door bestuurders van de rechtspersoon en door [medeverdachte 2] , die in het bedrijf werkzaamheden verricht. Het gedragingen die vallen binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 6] op grond van de geldende criteria het onder 1 tenlastegelegde feit (niet melden van transporten) heeft begaan. Feitelijk leiding geven Juridisch kader Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen - al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat (vgl. Hoge Raad 10 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC1276, NJ 1987/662). Opdracht geven veronderstelt een uitdrukkelijke, een positieve aanwijzing. Toelaten of nalaten is daarvoor niet toereikend. Wanneer het gaat om meer feiten waartoe opdracht is gegeven is niet vereist dat de opdracht tot elk afzonderlijk feit bewezen wordt (HR 23 oktober 1984, NJ 1985/319). Overigens is de keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde (HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP8469, NJ 2006, 422, rov. 3.3.1). Naar het oordeel van het hof zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] als feitelijk leidinggevers aan te merken en [medeverdachte 2] deels ook als opdrachtgever van de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat [medeverdachte 2] - in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd - wel degelijk bemoeienis heeft gehad bij het vervoeren van de 70 dozen cakeboxen. [medeverdachte 2] is aanwezig geweest bij het laden en het lossen van de dozen en daarmee is hij zelf actief betrokken geweest bij het transport en heeft ter zake opdrachten gegeven aan degenen die voor [medeverdachte 6] werkten. Op deze wijze heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kunnen [verdachte] en [medeverdachte 3] tevens als feitelijk leidinggever worden aangemerkt aan de verboden gedraging door [medeverdachte 6] [verdachte] was aandeelhouder en iemand noemt hem “de baas” van [medeverdachte 6] . Uit zijn uitlatingen komt naar voren dat hij op de hoogte was van het transport. Hij heeft verklaard dat het om vuurwerk ging van klanten dat in Duitsland was opgeslagen, [medeverdachte 3] was bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] regelde alles met betrekking tot de administratie. [verdachte] en [medeverdachte 3] waren bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, maar zulke maatregelen hebben zij achterwege gelaten. Daarmee hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Dit betekent dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zullen worden vrijgesproken van feit 1 primair. Feit 1 subsidiair is ten aanzien van hen bewezen. Verweer De verdediging heeft, ook in hoger beroep, aangevoerd dat de meldingsplicht op de vervoerder rust en dat het verwijt verdachte daarom niet treft. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar het vonnis waarvan beroep, betoogd dat de meldingsplicht wel degelijk op de verdachte(

  1. n)rustte(n). Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof begrijpt dit verweer als bewijsverweer, te weten als ontkenning van het tenlastegelegde “degene die ...binnen het grondgebied van Nederland bracht”, welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit. Het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33, inwtr. 1 maart 2002), artikel 1.3.2 hield, voor zover voor de beoordeling van belang, tussen 22 september 2006 en 4 juli 2010 het volgende in: 1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan (...). (...) 4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt; b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht; c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt; d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding; e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd; f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland. In dit artikel en in de Nota van Toelichting bij het artikel ontbreekt een eenduidige aanwijzing van degene die moet melden. Wel bevat de NvT de volgende volzin: Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat de importeur van vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...) Voor het oordeel dat met ‘de importeur’ niet (louter) de vervoerder is bedoeld vindt het hof bovendien steun in het volgende. Het voorgaande Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Besluit van 4 februari 1993, Stb. 1993, 215) hield in artikel 6 een vrijwel gelijke meldingsplicht in bij invoer en uitvoer. Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen: Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen. Art. 24 van die wet, waarop de betreffende bepaling van het Vuurwerkbesluit en van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen is gebaseerd, hield tot 30 mei 2008 het volgende in: 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten. 2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende: i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; terwijl het overeenkomende artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer inhoudt: 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen, preparaten of organismen. 2 Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende (...) i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een voornemen tot het verrichten van die handelingen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; De betreffende artikelen noemen dus ‘vervoeren’ naast ‘invoeren’ en ‘uitvoeren’. Tenslotte is van belang dat de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk op de hoogte is. Het hof beschouwt op grond van het voorgaande de importeur, zijnde [medeverdachte 6] , als normadressaat van de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit opgenomen meldingsplicht en dus als ‘degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt’. Dat deze anderen kan inschakelen voor uitvoeringshandelingen of naar de voorziene plaats en tijdstippen bij de vervoerder moet informeren doet daar niet aan af. Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging.” 7.3. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2016 op hoofdlijnen een verduidelijking gegeven van het beslissingskader uit zijn arrest van 2003 met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. De voor deze zaak relevant zijnde overwegingen van de Hoge Raad houden het volgende in (met weglating van voetnoten): “3.3 Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoordt, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven. 3.4.1. In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan zijn sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
  2. a)het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  3. b)de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
  4. c)de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
  5. d)de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. 3.4.2. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.” 7.4. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging geen uitdrukkelijke overweging gewijd aan het opzet van [medeverdachte 6] of de verdachte. Het ontbreken van een dergelijke overweging betekent, anders dan de steller van het middel kennelijk veronderstelt, niet dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [medeverdachte 6] en de verdachte opzet hadden op het – kort gezegd – niet melden van twee vuurwerktransporten. In de bewijsvoering ligt mijns inziens immers het oordeel van het hof besloten dat zij opzettelijk hebben gehandeld. Daartoe is het volgende van belang. 7.5. Het hof heeft in de onderhavige zaak onder meer vastgesteld dat de verdachte aandeelhouder van [medeverdachte 6] was, dat iemand hem “de baas” van [medeverdachte 6] noemde, hij samen met [medeverdachte 2] verantwoordelijk was voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] en hij op de hoogte was van de invoer van het vuurwerk in Nederland. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de door [medeverdachte 6] begane verboden gedragingen, te weten het niet melden van de transporten. 7.6. Uit deze vaststellingen en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan in mijn ogen genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte als feitelijk leidinggever en opdrachtgever, opzet had op de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Bovendien heeft het hof gerespondeerd op een namens de verdachte gevoerd verweer en hiertoe vastgesteld dat de in artikel 1.3.2 van het Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk, zijnde [medeverdachte 6] , op de hoogte is. Ook hieruit blijkt mijns inziens het opzet van [medeverdachte 6] op het niet melden van de vuurwerktransporten. 7.7. Ten overvloede merk ik op dat de rechtbank tot dezelfde bewezenverklaring is gekomen en door de verdediging geen verweer is gevoerd omtrent het door de rechtbank bewezenverklaarde opzettelijke handelen van de verdachte en [medeverdachte 6] 7.8. Ook de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan blijken “dat sprake was van een binnen de onderneming bestaand beleid of feitelijke gang van zaken waarbij meldingen als de onderhavige structureel werden verzuimd, terwijl bewijs dat bij een van de binnen de onderneming functionerende natuurlijke personen opzet bestond dat aan [medeverdachte 6] als rechtspersoon kan worden toegerekend, ontbreekt”, slaagt niet. Het opzet van een rechtspersoon kan weliswaar worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon, maar de steller van het middel miskent dat het opzet van een rechtspersoon ook uit andere feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Bovendien blijkt uit ’s hofs overwegingen niet dat het kennelijk van oordeel is dat het opzet van de verdachte als natuurlijke persoon aan [medeverdachte 6] kan worden toegerekend, maar dat zowel de verdachte als [medeverdachte 6] opzettelijk hebben gehandeld. 7.9. Het tweede middel slaagt evenmin. Het derde middel 8. Het derde middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 5 en 6 subsidiair niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 4] en/of de verdachte en/of de medeverdachte(
  6. n)als opdracht- dan wel feitelijke leidinggevers sprake is. 8.1. Ten laste van de verdachte is onder feiten 5 en 6 bewezenverklaard dat: “5. subsidiair:[medeverdachte 4] op 10 december 2008 in Nederland, als degene die twee containers met vuurwerk, te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven; 6. subsidiair: [medeverdachte 4] op 16 december 2008 in Nederland, als degene die een container met vuurwerk, (te weten CCLU6670758), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven” 8.2. Het hof heeft deze bewezenverklaringen doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd): “Ter zake feit 5 primair en subsidiair en feit 6 primair en subsidiair (zaak 4): Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Op 10 december 2008 werden twee containers met vuurwerk, containernummers CCLU7201781 en CCLU6051619, gelost in de haven van Antwerpen. De invoice van deze containers was gericht aan [medeverdachte 4] . Het betreffende transport van de twee containers werd op 10 december 2008 door de Nederlandse politie gevolgd over Nederlands grondgebied. Gezien werd dat twee vrachtauto’s niet de genoemde containers Nederland binnen reden via de grensovergang Hazeldonk en in de omgeving van Enschede de Nederlands-Duitse grens passeerden. Uit navraag bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt van het Ministerie van VROM bleek voor deze transporten geen melding te zijn gedaan, zoals voorgeschreven in artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Op 15 of 16 december 2008 werd een container met nummer CCLU6670758 in de haven van Antwerpen gelost. Op de CMR staat [medeverdachte 4] vermeld als afzender. Op maandag 15 december werd voor deze container het FLITS-systeem van het Ministerie van VROM geraadpleegd op een melding ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Hieruit bleek dat er voor deze container in het geheel geen melding was gedaan. Op 16 december werd door leden van het Observatieteam van de politieregio Brabant Zuidoost gezien dat een trekker met oplegger, waarop container CCLU6670758 was geplaatst, vanuit België bij de grensovergang Hazeldonk Nederland binnenreed. Omdat nog steeds geen melding was gedaan ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 Vuurwerkbesluit werd de container gecontroleerd door de Vliegende Brigade Vuurwerk. Bij de controle werden twee soorten vuurwerk aangetroffen en beoordeeld, te weten artikelnummer 994 en 6634. Na de controle en het kopiëren van de begeleidende documenten werd de reis voortgezet en het transport gevolgd tot de grensovergang nabij Enschede. Uit de documenten bleek dat het in de container aanwezige vuurwerk allemaal zogenaamde flowerbeds betrof.Bij de documenten van de Belgische autoriteiten zat een blad waarop de contactgegevens van [medeverdachte 4] gedrukt waren. Op dit formulier was met pen de naam [betrokkene 11] , het hotmailaccount [e-mail 5] en het Duitse telefoonnummer [0006] vermeld.Dit telefoonnummer was afgegeven aan: Naam: [betrokkene 3] Voornamen: [...] Woonadres: [m-straat 1] Postcode: [...] Woonplaats: [plaats] (D) Ten aanzien van het adres [m-straat 1] , [plaats] (D) is op 14 januari 2009 tijdens een doorzoeking in het pand [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het vestigingsadres van de rechtspersoon [medeverdachte 6] , een aantal kassabonnen aangetroffen. Eén van deze kassabonnen betrof een aankoop op 26 mei 2008 van 4 stuks ‘Transact D2’ en 2 stuks ‘Motorola W180 Callya’ (GSM). Deze goederen zijn gekocht bij de firma [X] , [m-straat 1] , [plaats] (D). De getuige [betrokkene 6] , directeur van [Y] B.V., verklaarde dat hij begin december 2008 opdracht gekregen had van [betrokkene 8] van de firma [H] uit Antwerpen voor het transporteren van een aantal containers met vuurwerk vanaf de haven in Antwerpen, naar een bunkercomplex in het Duitse [plaats] . [betrokkene 8] gaf aan dat [medeverdachte 4] de afzender van het vuurwerk en tevens de losreferentie in Duitsland was. Aan de hand van de gegevens die hij van de firma [H] heeft gekregen, heeft zijn bedrijf de CMR’s ingevuld. Het vervoer van de containers met nummers CCLU7201781, CCLU6051619 en CCLU6670758 is door [Y] B.V. geregeld. De getuige [betrokkene 8] , directeur van de firma [H] , heeft op 24 april 2009 ten overstaan van de Belgische politie verklaard dat hij eind november 2008 gebeld werd door een man die zich voorstelde als [betrokkene 11] van de firma [medeverdachte 4] uit Luxemburg. Hij wilde een aantal containers met vuurwerk laten inklaren en transporteren naar Duitsland. Alle documenten van de containers heeft hij per fax ontvangen. De faxberichten waren afkomstig van [N] met het Nederlandse nummer [0007] . Hij had op een papier het telefoonnummer [0006] en het e-mailadres [e-mail 5] geschreven. Hij had deze gegevens telefonisch doorgekregen van [betrokkene 11] . [betrokkene 11] had hem het Nederlandse telefoonnummer [0008] gegeven waarop hij bereikbaar was. [betrokkene 11] heeft hem gebeld met gebruikmaking van het Nederlandse telefoonnummer [0009] . Er waren drie mannen namens [medeverdachte 4] , ieder afzonderlijk, bij hem geweest met papieren van de vuurwerkcontainers en met contant geld voor de betaling van de bewezen diensten. Geen van deze drie mannen had de stem van [betrokkene 11] . Toen aan de getuige foto's van een aantal personen werden getoond, herkende hij twee van de drie mannen, namelijk [verdachte] en [medeverdachte 7] . Hij herkende [medeverdachte 7] aan zijn rossig haar met paardenstaart. Hij herkende [verdachte] aan zijn imposante snor. Vergissing was uitgesloten. Er was tweemaal een derde persoon namens [medeverdachte 4] bij [H] geweest die zich had voorgesteld als Hendriks. Ook deze heeft betalingen verricht en documenten zoals een Bill of Lading gebracht. Alle gelden zijn door [medeverdachte 4] contant betaald aan het kantoor van [H] . Hij heeft via het opgegeven e-mailadres [e-mail 5] gecorrespondeerd met [medeverdachte 4] over de juiste afhandeling van de BTW in Luxemburg. De door de getuige genoemde rechtspersoon [N] en het gebruikte nummer [0007] , is gevestigd te [plaats] op het adres [a-straat 2] . Dit pand is direct gelegen naast dat van [medeverdachte 6] [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting van 31 oktober 2012 verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Hij heeft voorts verklaard dat het klopt dat hij zich tegenover de heer [betrokkene 8] van de firma [H] heeft uitgegeven voor [betrokkene 11] van [medeverdachte 4] en het zou kunnen dat hij een fax heeft verstuurd via de fax van de buren, te weten [N] . Als er iemand iets gefaxt heeft, is hij het geweest. Het klopt ook dat hij een Duitse mobiele telefoon heeft gekocht bij de firma [X] in [plaats] en daarbij de naam [betrokkene 3] heeft opgegeven. Verweer De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] niet als medepleger van feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van [medeverdachte 4] kan worden aangemerkt. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet wisten en niet konden hebben geweten dat het vervoer van de genoemde containers door Nederland zou gaan. [medeverdachte 2] was namens [medeverdachte 4] de opdrachtgever voor de genoemde transporten en het was hem niet bekend dat het vervoer door Nederland zou plaatsvinden. Daarmee kan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet worden aangenomen waardoor - naar het hof begrijpt - de opzetvariant van het onder feit 5 en 6 tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verplichting om de melding ex artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit te doen rust op de vervoerder. Verdachten waren niet de vervoerder. Voor het niet melden zijn verdachten daarom niet strafbaar en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman op grond van het volgende. Voor wat betreft het verweer ter zake van de tenlastegelegde meldplicht, verwijst het hof naar hetgeen ter zake feit 1 op pagina’s 18 t/m 20 van dit arrest is overwogen. De importeur, in casu [medeverdachte 4] , is primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, zoals hiervoor met betrekking tot feit 1 is overwogen (al kan deze de melding door een ander doen uitvoeren). Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [medeverdachte 4] de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. Deze gedraging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend. Ter zake van de andere verweren die zien op het ontbreken van opzet bij zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, stelt het hof het volgende. Indien een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) - in casu [medeverdachte 4] - kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit omdat de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend, volgt, indien tenlastegelegd, de zelfstandige beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft. Het opzet van de rechtspersoon kan daarbij op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2). Het hof acht dat in het geval van [medeverdachte 4] het geval. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [medeverdachte 4] verrichte verboden gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(
  7. s)met vuurwerk. [medeverdachte 2] heeft zoals eerder reeds aangegeven onder meer verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van [verdachte] merkt het hof nog op dat hij met het oog op de transporten de firma [H] heeft bezocht en dat hij als directeur bij [medeverdachte 4] mede verantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. [verdachte] heeft een zodanig initiatief genomen, dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedragingen van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Het hof acht ter zake van de verboden gedraging, zijnde een nalaten, dat beiden ook bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en zulke maatregelen achterwege hebben gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Dat beiden daarbij wetenschap hadden van het niet melden volgt zowel uit de reeds aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 2] , als de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als [verdachte] verondersteld dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van de vigerende regelgeving en derhalve moet hebben geweten dat hij [medeverdachte 4] meldingsplichtig was.Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het feitelijk leiding geven van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden als direct betrokkenen bij de rechtspersoon, waarbij beiden als feitelijke leidinggever een voldoende materiële bijdrage aan het delict hebben geleverd. Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging. Met betrekking tot de andere verweren die zijn gevoerd door de verdediging, overweegt het hof het volgende. [medeverdachte 2] heeft erkend dat hij namens [medeverdachte 4] opdracht heeft gegeven tot de tenlastegelegde transporten. Met betrekking tot het feit dat [medeverdachte 2] niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over het grondgebied van Nederland zouden rijden merkt het hof het volgende op. Ten eerste merkt het hof op dat geconstateerd is dat alle drie de transporten waar het in de feiten 5 en 6 om gaat, via het grondgebied van Nederland zijn gegaan en het land zijn binnengekomen via de grensovergang Meer/Hazeldonk. Met betrekking tot de te volgen route over het grondgebied van België staat in het proces-verbaal het volgende vermeld: Aan het lossen van een container met vuurwerk in de havens van Zeebrugge of Antwerpen is de verplichting verbonden om voor het transport tussen de terminal in de haven en het transporteren over Belgisch grondgebied, dit vuurwerk onder begeleiding van erkende (beëdigde) begeleiders dient te geschieden. De kosten daarvoor zijn voor de eigenaar/ontvanger van de goederen. Met betrekking tot het toepasselijke Belgische recht houdt het dossier het volgende in: In de brief van het Parket van Dendermonde waarin gevraagd wordt aan de Nederlandse autoriteiten om de strafvervolging over te nemen ter zake in Antwerpen aangekomen containers staat het volgende vermeld: “Heb ik de eer U bij onderhavig geschrift voormelde feiten te denonceren, feiten door het Belgisch Strafrecht strafbaar gesteld door artikel 66 van het Strafwetboek en de wetgeving betreffende springstoffen zijnde de Wet van 28 mei 1956 (Belgisch Staatsblad 9 juni 1956).” (die wordt bijgevoegd) In art. 1. van deze wet is het volgende opgenomen: De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen.De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. In het Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen van 23 september 1958 zijn nadere regels opgenomen. In verband met artikel 73 van dit besluit dient in de vergunningsaanvraag de te volgen weg te worden vermeld. In de artikelen 84 e.v. jo. 107 is de begeleiding door een transportbegeleider van de dienst springstoffen in het geval van spektakelvuurwerk geregeld. Op 12 december 2008 doet [betrokkene 8] van [H] per mail een verzoek aan [betrokkene 6] om het vervoer in te plannen en een voorlopige aanmelding aan [I] voor het transport van Spektakelvuurwerk, waarbij wordt gevraagd begeleiding conform voorschriften van de Dienst der Springstoffen te voorzien. Dit betreft container 687075 op 15 december 2008 en 681314 op 21 december 2008. Voorts is er een mail d.d. 16 december 2008 van [H] aan [betrokkene 6] betreffende container 6670758 met als beschrijving: spectakelvuurwerk. In december 2008 werden door [medeverdachte 4] vijf containers vervoerd naar dezelfde opslagplaats. De andere transporten vinden plaats op 19 december 2008 en 23 december 2008. Dat de containers CCLU7201781 en CCLU6051619 ook daadwerkelijk begeleiding hebben gehad blijkt uit een mail van [betrokkene 9] van [J] met het mailadres [e-mail 2] waarin onder andere het volgende is opgenomen. 09/12/2008 13:28 ALLE CTRS HEBBEN VERLENGD VERTOEF BEHALVE: CCLU7201781 – ONTVANGER: [C] VEILINGWEG - met begeleiding - zonder verlengd vertoef CCLU6051619 - ONTVANGER: [C] VEILINGWEG - met begeleiding - zonder verlengd vertoef Dat ook de container met het nummer 667075-8 met begeleiding uit de haven van Antwerpen is vervoerd blijkt uit een mail van [betrokkene 8] van het bedrijf [H] waarin hij naar [betrokkene 10] , werkzaam bij de Belgische inspectie mailt op 12/12/2008 te 15:46 uur: Beste [betrokkene 10] , Ref tel. onderhoud van zoeven - hebben [betrokkene 11] [medeverdachte 4] toch zoeven aan de telefoon gehad. Brengen maandag ochtend de papieren voor de ctr cclu 667075-8. Wij hebben vervoer en begeleiding reeds telefonisch besteld. Mvg [betrokkene 8] Dat het vuurwerk dat door [medeverdachte 4] vergunningplichtig spektakelvuurwerk betreft komt naar voren uit de zich in het dossier bevindende stukken. Het hof wijst hierbij bijvoorbeeld naar de mail van [betrokkene 8] naar [betrokkene 12] van 12 december 2008 waarin het volgende is opgenomen: bijlage de dokumenten te vinden voor 2 nieuwe ctrs spektakelvuurwerk voor [medeverdachte 4] 1) [L] ETA 15.12.08 20.00 UUR CCLU 687075-8 1.3.G/UN 0335 653 ctns 16.524 kgs brutto 2) [M] ETA 21.123.08 TE BEVESTIGEN CCLU 681314-4 1.3.G/UN UN 0335 630 CTNS 17.300 KGS brutto BEIDE EINDBESTEMMING WISSEN/ALLER Het hof merkt op dat niet van alle dossiers alle documenten in het dossier zijn opgenomen. Voor het vervoer van een container van [medeverdachte 4] op 2 december 2008 derhalve kort voor de transporten die in dit tenlastegelegde feit aan de orde zijn is een vervoersvergunning in de stukken opgenomen. Daarin staat onder andere het volgende vermeld: CONTAINER 1 X40 1-IC CCLU 6005330 MET VOLGENDE PARTIJ: 932 CTFIREWORKS 19526 KGS 1.3 G UN 0335 NEQ 963,30 KGS TREKKER KENTEKEN [kenteken 2] CHAUFFEUR [betrokkene 13]NA VRIJMAKING DOUANEVERTOLLINO METBEGELEIDING SEMS SECURITY ROND 09.00 UUR REIS WEG 1742-TEMSE-ANTWERPEN-HOOGSTRATEN-NAAR GRENSPOST MEER. AANKOMST TE MEER 10.30 UUR. MET BELEEFDE GROETEN. [betrokkene 14] REP.08003035 Naast deze drie transporten vinden er nog twee transporten plaats voor [medeverdachte 4] van de haven van Antwerpen naar [plaats] en wel op 19 en 23 december 2008. Met betrekking tot het transport van 23 december wordt in het dossier het volgende opgemerkt. Saillant detail is dat kort voor het transport van de vijfde container [betrokkene 10] van de Federale Overheidsdienst, afd. kwaliteit en veiligheid te Antwerpen was gebeld door [H] . De "opdrachtgever" had verzocht om een andere route te mogen rijden namelijk via Eynatten (Aken) want dat zou de kortste route zijn! Door [betrokkene 10] werd hen meteen gezegd dat ze volgens de vergunning de kortste route moesten nemen en dat was via de grensovergang Meer/Hazeldonk en verder via Nederland. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] S.a. de "opdrachtgever" was van dit transport. De documenten die het transport van 23 december 2008 vergezelden werden door de Nederlandse politie in beslag genomen. Het gaat om de volgende documenten. 1. De CMR (vrachtbrief met als expediteur vermeld " [medeverdachte 4] " 2. De Bill of Lading met als vermelding van notify party " [C] " 3. Een vervoersvergunning springstoffen voor België 4. Een formulier "Dangerous Goods Declaration" 5. Een packinglist van container CCLU6813144 6. Een viertal veiligheidsbladen in Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse taal 7. Een formulier "Container traktie baan - lossen" van firma [H] uit België 8. Twee pagina's mailwisseling tussen transportbedrijf [betrokkene 6] BV en voornoemd bedrijf [H] 9. Het meldingsformulier Import-Export. Uit de bovenstaande regelgeving en bewijsmiddelen leidt het hof af, dat er een vergunning en begeleiding met betrekking tot het vervoer over Belgisch grondgebied aanwezig was voor deze transporten, inhoudende dat de kortste route over Belgisch grondgebied zou moeten worden gevolgd naar de grensovergang Meer/Hazeldonk. Gezien deze vergunning was het voor de chauffeur (…) niet toegelaten een andere route te kiezen door België. Bovendien was er begeleiding voorzien voor de aangegeven route.Het hof verwerpt het verweer dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten. Ten eerste merkt het hof dat [medeverdachte 2] als bestuurder en gezien het voorgaande als feitelijk Ieidinggever van [medeverdachte 4] verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen. Immers, een ieder wordt geacht de wet te kennen maar zeker van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. Bij hem ligt er dan ook een taak om zich te vergewissen van de route en de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen. Het hof merkt tevens op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten en op 23 december tijdig een melding is gedaan. Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 — kort voor deze transporten - bevindt zich bij de stukken een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. Uit het dossier is procesdossier is niet naar voren gekomen dat in december via een andere route is gereisd. Dat het gebruikelijk was anders te rijden vindt dan ook geen steun in het procesdossier.Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen onder die omstandigheden dan ook zeer onaannemelijk en gaat hier aan voorbij. Daarbij wijst het hof nog op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking wordt gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] bij de Belgische autoriteiten. Een dergelijk verzoek kan slechts worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is. Degene die het vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt dient dit tijdig en correct te melden.” 8.3. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Voor opzet van een rechtspersoon is echter niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke persoon met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. 8.4. In de onderhavige zaak heeft het hof ten aanzien van de vuurwerktransporten op 10 december 2008 en 15 en 16 december 2008 vastgesteld – en daar wordt in cassatie niet over geklaagd – dat voor de transporten geen melding is gedaan bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt van het Ministerie van VROM zoals is voorgeschreven in art. 1.3.2 lid 1 en lid 2 van het Vuurwerkbesluit. Ook wordt in cassatie niet geklaagd over het oordeel van het hof dat [medeverdachte 4] , de importeur van de transporten en primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. 8.5. Ter zake van het opzet van zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, waaronder verdachte, heeft het hof met toepassing van het hierboven in paragraaf 8.3 uiteengezette toetsingskader geoordeeld dat in het geval van [medeverdachte 4] de situatie zich voordoet dat het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. 8.6. Het opzet van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte blijkt uit de volgende door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [medeverdachte 4] verrichte gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(
  8. s)met vuurwerk. [medeverdachte 2] heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van de verdachte merkt het hof op dat hij, met het oog op de transporten, de firma [H] heeft bezocht en dat hij als directeur bij [medeverdachte 4] medeverantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. Hij heeft, zo stelt het hof vast, een zodanig initiatief genomen dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedraging van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Zowel [medeverdachte 2] als de verdachte waren ter zake van het niet melden van de transporten bevoegd en redelijkerwijs gehouden om maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen en hebben zulke maatregelen achterwege gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Voorts stelt het hof vast dat uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als de verdachte veronderstelt dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van vigerende regelgeving en derhalve moet hebben gewezen dat [medeverdachte 4] meldingsplichtig was. 8.7. Op grond hiervan komt het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd tot het oordeel dat [medeverdachte 4] , de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] wetenschap hadden van het niet melden van de vuurwerktransporten en dus opzet hadden op het bewezenverklaarde. 8.8. De steller van het middel klaagt voorts dat het bewijs voor het bewezenverklaarde wordt gevormd door verwijzing naar de bij andere transporten gevormde gang van zaken, meer in het bijzonder het daaruit blijkende feit dat voor het transport van ‘spektakelvuurwerk’ in België een vergunning is vereist waarin de route is opgenomen en begeleiding van het transport moet plaatsvinden. 8.9. Ik meen dat deze opvatting getuigt van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft met deze verwijzing mijns inziens slechts gerespondeerd op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij en de (mede)verdachte(
  9. n)niet op de hoogte waren van het feit dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen en dat ook niet behoefde te weten. Het hof heeft dit verweer verworpen en onder meer overwogen dat [medeverdachte 2] als bestuurder en feitelijk leidinggever verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen en zeker van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. Hetzelfde geldt uiteraard voor de verdachte die door het hof eveneens als feitelijk leidinggever en als opdrachtgever wordt aangemerkt en van wie het hof heeft overwogen dat hij een ervaren vuurwerkhandelaar is. Ten overvloede heeft het hof overwogen dat ten aanzien van één van de transporten een afwijking is aangevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] , bij de Belgische autoriteiten; een verzoek dat slechts kan worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is. Welke route bij de in de bewezenverklaringen bedoelde transporten dan wel moest worden gevolgd, doet hier – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – niet ter zake. 8.10. Uit deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden – waar overigens in cassatie niet over wordt geklaagd – heeft het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte en in het verlengde hiervan [medeverdachte 4] opzet had op het niet melden van de vuurwerktransporten. 8.11. Dat het hof heeft overwogen dat de verdachte “moet hebben geweten” dat [medeverdachte 4] meldingsplichtig was, hetgeen volgens de steller van het middel hoogstens wijst op (bewuste) schuld doet hieraan mijns inziens niet af. Het hof heeft immers expliciet overwogen dat zowel [medeverdachte 2] als de verdachte wetenschap hadden van het niet melden, hetgeen zowel volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2] en de door het hof vastgestelde omstandigheid dat de verdachte een ervaren vuurwerkhandelaar is. Ook dat oordeel acht ik onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. 8.12. In zoverre faalt het middel. 8.13. De steller van het middel klaagt tot slot dat de verwijzing van het hof naar de gang van zaken bij andere vuurwerktransporten en de op die transporten betrekking hebbende, in België geldende, regels in het licht van hetgeen namens de verdediging in het kader van de aanmerkelijkheid van de kans dat chauffeurs rechtstreeks in plaats van via Nederland rijden heeft aangevoerd niet toereikend is voor de verwerping van het verweer. 8.14. Namens de verdachte is, zo blijkt uit de aan het proces-verbaal in hoger beroep van 10 december 2020 gehechte pleitnota, het volgende verweer gevoerd (met weglating van voetnoten): “97. Dat [medeverdachte 2] namens [medeverdachte 4] de opdracht heeft gegeven voor de transporten, wordt door de verdediging niet betwist. Wel wordt betwist dat [medeverdachte 2] en [verdachte] op de hoogte waren van de route die van Antwerpen naar Duitsland werd afgelegd of dat zij de kans op de koop toe hebben genomen dat de betreffende vrachtwagens over Nederland zouden rijden. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn er naar het oordeel van de verdediging terecht vanuit gegaan dat de vrachtwagens niet over Nederlands grondgebied zouden rijden, reden waarom zij van Feit 5 en Feit 6 dienen te worden vrijgesproken. (…) Geen wetenschap van de route 98. Eind november 2008 is door [medeverdachte 4] aan de firma [H] gevraagd om een aantal containers met vuurwerk te laten inklaren en te transporteren naar Duitsland, zo verklaart getuige [betrokkene 8] , directeur van [H] . Het wegvervoer van deze transporten is vervolgens uitbesteed aan [Y] B.V. 99. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij niet wist welke route [Y] B.V. zou gaan rijden en dat hij daarom ook niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden plaatsvinden: “Ik weet zijn route namelijk niet. Ik zou niet door Nederland rijden. Via België naar Nederland rijden is logischer. Ik weet niet waarom hij door Nederland is gereden.” 100. Dat [medeverdachte 2] niet wist van de route is ook niet vreemd, nu de betreffende chauffeurs de uiteindelijke route bepalen. Daarbij komt dat bij een transport van Antwerpen naar Duitsland goed is voor te stellen dat men niet over Nederlands grondgebied rijdt, nu in dat geval aan extra regels moet zijn voldaan (meldplicht). Eén en ander is af te leiden uit de verklaring van [betrokkene 8] bij de raadsheer-commissaris op 22 februari 2018: “U vraagt mij wie de route bepaalde van de chauffeurs. Dat doen de chauffeurs zelf als zij in Duitsland zijn.” en: “U vraagt mij hoe de route zal zijn als iemand van Antwerpen naar Noord-Duitsland moet. Normaal gesproken zou je dan de overgang bij Hazeldonk naar Nederland nemen als het om Noord-Duitsland gaat. Er moeten dan ook verplichtingen worden nageleefd in Nederland. U vraagt mij of het mogelijk is dat het transport alleen in België en Duitsland plaatsvindt en niet via Nederland. Dat is een mogelijkheid. Als de vervoerder die weg kiest of de klant dat vraagt dan kan dat .” 101.Ook getuige [getuige 16] - eigenaar van een expeditiebedrijf dat vuurwerktransporten over Belgisch grondgebied begeleidt - heeft bij de raadsheer-commissaris op 12 december 2018 verklaard dat de vervoerder de route bepaalt en dat ervoor kan worden gekozen om niet over Nederland te rijden: “De route kan, wanneer het transport over Duitsland gaat, over Nederland rijden of niet. U houdt mij voor dat dit een punt is in onderhavige zaak, omdat de route via Nederland korter is. Het kan dat de route via Duitsland is gegaan. (...) Het is aan de transporteur om te bepalen hoe hij precies rijdt. En op die wijze wordt het dan aangevraagd. ” 102. Voorts blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] - bestuurder bij [C] B.V. - dat het vermijden van Nederlands grondgebied aantrekkelijker is. Tussen [medeverdachte 4] en [C] zijn daarover dan ook afspraken gemaakt: “U vraagt mij wie besliste over de route die wordt gevolgd van Antwerpen naar [plaats] of [plaats] in Duitsland. Dat gebeurde in gezamenlijk overleg. Vanwege de administratieve rompslomp was het makkelijker om via België naar Duitsland te rijden, dan via Nederland. Om die reden vonden de transporten voor [medeverdachte 4] niet via Nederland plaats. Er zijn meer bedrijven die niet de mogelijkheid hebben om in Nederland op te slaan en die slaan in Duitsland op. Wanneer het vuurwerk in Antwerpen aankomt rijden zij ook rechtstreeks. In het begin is die beslissing genomen om zo te rijden samen met [medeverdachte 2] en dat is niet meer veranderd”. 103. Tot slot blijkt uit de verklaring van getuige Vanneste dat bij transporten die werden uitgevoerd door [Y] B.V. (het bedrijf dat ook de onderhavige transporten heeft uitgevoerd) vaker werd gekozen om niet over Nederlands grondgebied te rijden én dat het voorkomt dat chauffeurs door bepaalde onvoorziene omstandigheden (en dus niet gepland of vooraf afgesproken) toch de Nederlandse grens passeren: “Het was de bedoeling geweest om rechtstreeks naar Duitsland te rijden. Echter, ik had het extra slot ten behoeve van de overnachting niet bij mij. Hierdoor moest ik nog langs het bedrijf in [plaats] .” 104. Het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van Vanneste niet relevant is voor de Feit 5 en Feit 6 nu deze ziet op de transporten van 10 en 16 december 2008 deelt de verdediging niet. De verklaring zegt immers wel degelijk iets over hoe gangbaar het is voor [Y] B.V. om niet via Nederland te rijden en over de wijze waarop vrachtwagens toch onvoorzien in Nederland terecht kunnen komen, zónder dat de opdrachtgever van het transport daarvan op de hoogte hoeft te zijn. 105. Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] blijkt dat cliënten niet wisten dat de containers via Nederlands grondgebied naar Duitsland zouden worden gebracht. De vraag is vervolgens of cliënten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de vrachtwagens door Nederland zouden rijden. De verdediging is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 29 mei 2018 dat onder de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De Hoge Raad geeft in dit arrest aan geen algemeen regels te kunnen geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaalde type delict minimaal vereist zou moeten zijn. Allereerst is het door de omstandigheid dat het mogelijk én aantrekkelijker is om Nedérland te vermijden maar zeer de vraag of de kans dat de vrachtwagens toch over Nederlands grondgebied zouden rijden wel aanmerkelijk is te achten. De verdediging meent dan ook dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van zo een aanmerkelijke kans. Het feit dat de route via Nederland korter is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Voorts is de verdediging van oordeel dat cliënten de eventuele aanmerkelijke kans niet bewust hebben aanvaard. Daarbij is opnieuw van belang het feit dat de route om Nederland heen aantrekkelijker is, maar ook dat bijvoorbeeld tussen [medeverdachte 4] en de onderneming [C] B.V. de vaste afspraak bestaat dat vuurwerk vanuit België niet door Nederland wordt getransporteerd en dat het voor andere transporten uitgevoerd door [Y] B.V. ook niet het plan is geweest om via Nederland te rijden (zie verklaring Vanneste). Gelet daarop is het niet meer dan logisch dat cliënt ervan uit is gegaan dat de transporten van 10 en 16 december 2008 niet via Nederland zouden plaatsvinden. Van een bewuste aanvaarding van de kans daarop is daarom geen sprake. 106. Geconcludeerd moet daarom worden dat opzet, alsmede voorwaardelijk opzet ontbreekt en dat cliënten moeten worden vrijgesproken.” 8.15. Het hof heeft het verweer dat de verdachte niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten verworpen. Dat oordeel is gebaseerd op de volgende drie argumenten. Ten eerste merkt het hof op dat [medeverdachte 2] als bestuurder en feitelijk leidinggever van [medeverdachte 4] verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen. Immers, zo overweegt het hof, een ieder wordt geacht de wet te kennen maar van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informeren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. Bij hem ligt er dan ook een taak om zich te vergewissen van de route en de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen. Ten tweede merkt het hof op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december 2008 te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten op 23 december 2008 tijdig een melding is gedaan. Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 – dit betreft de bewezenverklaring onder feit 5 – zich bij de stukken bevindt een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. De opvatting dat het gebruikelijk was anders te rijden, vindt dan ook geen steun in het procesdossier, aldus het hof. Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] dan ook zeer onaannemelijk en gaat hieraan voorbij. Daarbij wijst het hof ten overvloede op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking is gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] , bij de Belgische autoriteiten; een verzoek dat slechts kan worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is. 8.16. Dit brengt mee dat het hof, anders dan de steller van het middel meent, het namens de verdachte in hoger beroep gevoerde verweer niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. 8.17. Het derde middel faalt in al zijn onderdelen. Het vierde middel 9. Het vierde middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring onder feit 10 subsidiair van het hof niet kan volgen dat sprake is van medeplegen en/of feitelijk leidinggeven dan wel opdrachtgeven door de verdachte. 9.1. Ten laste van de verdachte is onder feit 10 subsidiair bewezenverklaard dat: “ [medeverdachte 4] in de periode van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009 in Nederland en in België en in Luxemburg de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] , - zijnde die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, hebbende [medeverdachte 4] toen aldaar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen - 45 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [medeverdachte 4] , gericht aan [Q] Ltd. en - 3 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [medeverdachte 4] , gericht aan [E] Ltd. telkens ter zake van verkoop en levering van goederen tegen een op die facturen vermelde prijs zulks terwijl verkoop en levering van die goederen zoals op die facturen vermeld aan [Q] Ltd. en/of [E] Ltd. in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden of zouden plaatsvinden, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] opdracht heeft gegeven en/of aan welke boven omschreven verboden gedraging verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] feitelijk leiding heeft gegeven;” 9.2. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd): “Ter zake feit 10 primair en subsidiair (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.Op 14 januari 2009 werden door de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning en bedrijfspanden van de familie [verdachten] . Ook werden die dag doorzoekingen uitgevoerd bij de buitenlandse rechtspersonen [medeverdachte 4] te Luxemburg en [medeverdachte 5] te Duitsland. Er werden onder meer een aantal (boekhoudkundige) bescheiden in beslag genomen. Op het adres van [medeverdachte 4] , [h-straat 1] Luxemburg, is bedrijf ' [O] Sa’ gevestigd. Dit is een zo genaamd trustkantoor. In het kantoorpand van ‘ [O] Sa’ werd een summiere administratie van [medeverdachte 4] aangetroffen. De administratie van [medeverdachte 4] bevond zich in België, op het privéadres van de boekhouder van [medeverdachte 4] , te weten [getuige 5] , wonende te [plaats] in België. De boekhouding van [medeverdachte 4] had betrekking op de jaren 2004 tot en met 2008. Volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] had deze onderneming enkel twee debiteuren inzake de verkoop van vuurwerk. Dit betroffen [Q] Ltd. en [E] Ltd. De firma [E] Ltd. heeft twee directieleden te weten [getuige 6] en [getuige 7] . Deze getuigen hebben verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [E] Ltd. waren het importeren en exporteren van banktechniek. Zij hebben nooit in vuurwerk gehandeld en hebben nooit gehoord van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [C] B.V., [betrokkene 2] , [betrokkene 3] of iemand van de familie [verdachten] en hebben nooit zaken met hen gedaan. [Q] Ltd. is een bedrijf dat blanco kaarten en gerelateerde materialen verkoopt. [betrokkene 16] , de directeur van [Q] Ltd., heeft op 19 mei 2009 bij de Britse politie verklaard dat [Q] Ltd. nooit heeft gehandeld in vuurwerk of nooit vuurwerk heeft geïmporteerd. Zij had nooit van de bedrijven [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en de personen [verdachte] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 7] gehoord en nooit zaken met hen gedaan. Volgens de boekhouding (verkoopfacturen en verkoopboekingen) van [medeverdachte 4] werden de partijen vuurwerk uitsluitend verkocht en geleverd aan:Jaar afnemer verkoopprijs 2006: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) € 374.375,00 [E] Ltd. te [plaats] (GB) € 84.000,00 2007: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) € 405.494,002008: [Q] Ltd. te [plaats] (GB)€ 116.770,00 totaal: € 980.639,00 Deze facturen werden verwerkt in de grootboekrekening ‘Debiteuren [medeverdachte 4] ’. Door de getuige [getuige 4] werd onder meer verklaard dat zij van mei 2004 tot eind november 2008 in loondienst was bij [R] SA en dat door [R] SA onder meer Luxemburgse ondernemingen werden opgericht. [R] SA voerde de boekhoudingen voor die ondernemingen. [getuige 5] is de feitelijk leidinggevende binnen [R] SA. [O] Sa is een met een accountant vergelijkbare figuur. [R] SA betreft een onderaanneming van [O] SA. De getuige [getuige 4] verwerkte de boekhoudkundige stukken, waaronder verkoopfacturen, in de boekhoudsystemen voor de ondernemingen waarvoor [R] SA de boekhouding voert. Voorts verklaart de getuige het volgende. [medeverdachte 4] is een klant van [R] SA. [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn de natuurlijke personen achter [medeverdachte 4] en hun zoon [medeverdachte 2] ook als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [verdachten] gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [verdachte] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [verdachte] haar aanleverden. Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [medeverdachte 4] deze balans naar een buurbedrijf van de [verdachten] versturen. De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd. De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [medeverdachte 4] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [verdachte] of [medeverdachte 3] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt. Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [verdachte] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [verdachte] contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond. Door de verdachte [getuige 5] werd onder meer verklaard dat hij [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] kende. Hij verkoopt met zijn Luxemburgse bedrijf [R] SA, Luxemburgse rechtspersonen en Delaware (USA) bedrijven en werkt samen met [O] . Hij leerde de familie [verdachten] circa twee maanden voor de oprichting van [medeverdachte 4] kennen. De fysieke (boekhoudkundige) stukken, zoals in- en verkoopfacturen werden door [medeverdachte 2] dan wel [verdachte] aangeleverd. In de jaren 2004 t/m 2008 zijn vader en moeder [verdachten] (met wie de getuige kennelijk [verdachte] en [medeverdachte 3] bedoelt) een keer of 8 bij hem geweest om de stukken aan te leveren. Hiervan was een keer of vier ook [medeverdachte 2] aanwezig. Feitelijk deed hij dan zaken met [medeverdachte 2] . Naar zijn idee was [medeverdachte 2] de feitelijk leidinggevende bij [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers. [medeverdachte 2] was meer zakelijk bezig dus met betrekking tot de in- en verkoop, dus voor de commerciële uitvoering. De boekhouding werd in België gevoerd. De boekingen werden in zijn, getuiges, opdracht verricht door [getuige 4] , medewerkster van [R] SA. Het kasboek werd onder andere gevoerd op basis van aantekeningen op de verkoopfacturen. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige verklaard dat hij de zich in het dossier bevindende facturen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft opgemaakt. De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij de bedrijven [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent. Het oordeel van het hof over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] : Wie heeft de facturen feitelijk opgemaakt en ter opname in de bedrijfsadministratie aangeboden? Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] de in de tenlastelegging' genoemde facturen van [medeverdachte 4] feitelijk heeft opgemaakt. Vervolgens werden de facturen door [medeverdachte 3] en [verdachte] naar de boekhouder in België gebracht en aldaar door getuige [getuige 4] in de administratie van [medeverdachte 4] verwerkt. Tijdens de bezoeken van [verdachte] en [medeverdachte 3] aan de boekhouder was ook [medeverdachte 2] soms aanwezig. Zijn de facturen en de bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt en zo ia. wie hadden daarbij strafbare betrokkenheid? Het hof stelt het volgende voorop. De term ‘geschrift’ in art. 225 Sr dient ruim te worden opgevat en dient bestemd te zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (vgl. Kamerstukken II 2002/2003, 29 025, nr. 3, p. 3 en onder meer HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379). Een bedrijfsadministratie kan worden aangemerkt als een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Daartoe is niet vereist dat elk geschrift in die administratie afzonderlijk beschouwd die eigenschap heeft, noch hoeft de tenlastelegging zulke geschriften speciaal uit te zonderen (vgl. HR 29 mei 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AC8436 en HR 2 november 1993, ECLI:NL:PHR:1993:AB8155, rov. 5.2.2). Aldus kan het opnemen van valse facturen in een administratie worden getypeerd als het vals opmaken van die administratie. Blijkens de verklaringen van de directeuren van [E] Ltd. en [Q] Ltd. hebben deze bedrijven nooit in vuurwerk gehandeld en dus ook geen vuurwerk afgenomen van [medeverdachte 4] . Hiermee staat vast dat de in de administratie van [medeverdachte 4] opgenomen verkoopfacturen ten name van deze bedrijven onjuist zijn. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman gesuggereerd dat uit overeenkomsten in het handschrift geproduceerd bij gelegenheid van het verhoor door de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 6] en een notitie met telefoonnummers, aangetroffen in het politiedossier (polpol031) kan worden afgeleid dat [getuige 6] wel op enigerlei wijze betrokken was bij de vuurwerkleveranties. De advocaat-generaal heeft echter ter terechtzitting een e-mail overgelegd met de strekking . dat deze notitie afkomstig is van de Engelse politie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek ter zake, en dat dit dus een notitie is waarmee [getuige 6] in het kader van dit onderzoek meldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit. Verweer De verdediging heeft, onder verwijzing naar onder meer de verklaring van [medeverdachte 2] (naar het hof begrijpt: als getuige in deze zaak in eerste aanleg en bij de raadsheer-commissaris) aangevoerd dat geen sprake was van (medeplegen van) opzet gericht op het valselijk opmaken van de verkoopfacturen. [medeverdachte 2] ging er namelijk te goeder trouw vanuit dat hij, via zijn bedrijf [medeverdachte 4] , zaken deed met een vertegenwoordiger van [E] Ltd. respectievelijk [Q] Ltd. [medeverdachte 2] heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan [betrokkene 5] die zich uitgaf als vertegenwoordiger/tussenpersoon van deze bedrijven. De factuur werd steeds ter plekke opgemaakt met behulp van een laptop en een printer en direct contant door [betrokkene 5] voldaan. Dat [betrokkene 5] in werkelijkheid bovengenoemde bedrijven niet vertegenwoordigde wist [medeverdachte 2] niet en hoefde hij ook niet te vermoeden, aldus de verdediging. Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 5] inhoudende dat hij geen bemoeienis heeft gehad met vuurwerkhandel door of namens [Q] of [E] Ltd., niet betrouwbaar is. Daarbij wordt verwezen naar verklaring van [getuige 9] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris. Het hof overweegt hieromtrent als volgt, De handel in vuurwerk van [medeverdachte 4] beslaat diverse jaren. In het kader daarvan zijn grote hoeveelheden vuurwerk uit China is ingevoerd en verhandeld. Hoewel het gaat om facturen ten bedrage van in totaal bijna 1 miljoen euro, zijn gedurende het hele onderzoek enkel de facturen zelf aangetroffen. Andere bescheiden die betrekking hebben op de gestelde transacties, zoals afleverbonnen, transportdocumenten of (kopieën van) kwitanties werden niet gevonden en zijn ook niet door de verdediging in het geding gebracht. In het omvangrijke papieren procesdossier is geen spoor te vinden van handelingen van [betrokkene 5] . Er zijn geen bestellijsten, faxen of e-mails van [betrokkene 5] . Zijn naam komt niet voor op documenten, facturen of welk papieren spoor dan ook. Als de opsporingsdiensten hierin nalatig zouden zijn geweest, had het op de weg van de verdediging gelegen ter zake gegevens aan te leveren. Daarnaast zijn er ook geen telefoontaps met [betrokkene 5] en bevinden zich in de computer van [medeverdachte 2] geen e-mails of andere documenten waarin de naam van [betrokkene 5] voorkomt. Tevens is niet gebleken dat [medeverdachte 2] beschikte over het emailadres of over het telefoonnummer van [betrokkene 5] . Het enige spoor in de computer van [medeverdachte 2] is het feit dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ door [medeverdachte 2] is gegoogeld. De getuige [betrokkene 5] is meermalen gehoord en het hof is met de verdediging eens dat deze niet in elk opzicht betrouwbaar is, niet wat betreft de feiten waarover hij verklaart en niet wat betreft het door hem opgevoerde ‘geheugenverlies’. De door de verdediging gestelde betrokkenheid van [betrokkene 5] bij deze feiten wordt echter, zoals weergegeven, niet met enig ‘hard’ gegeven uit de periode van de feiten zelf ondersteund. De betekenis daarvan waardeert het hof hoger dan die van verklaringen achteraf van bij de [verdachten] betrokken getuigen. Daarom acht het hof [betrokkene 5] verklaring dat hij [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent wel betrouwbaar. In dit kader wijst het hof nog op hetgeen het heeft vastgesteld bij de bespreking van het onder 4 tenlastegelegde feit over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij een zogenaamd namens [E] Ltd. verzonden faxbericht naar aanleiding van de inbeslagname van twee containers met vuurwerk in de haven van Antwerpen. Ook deze vaststellingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] . Datzelfde doet de verklaring van [getuige 4] over de opgegeven reden voor communicatie via een beveiligde telefoon en naar een fax van de buren. Het hof verwerpt het verweer en acht de verklaring over betrokkenheid van [betrokkene 5] onaannemelijk en ongeloofwaardig. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 2] bij het opmaken van de facturen wist dat deze onjuist waren. Hij heeft de facturen derhalve valselijk opgemaakt. [medeverdachte 2] wist dat deze facturen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] zouden worden opgenomen en is ook enkele keren aanwezig geweest bij het afleveren van stukken, waaronder facturen, door zijn ouders aan de boekhouder. Hiermee staat strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij dit feit vast. Ook met betrekking tot [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van opzet. Voor zover dit verweer ziet op het te goeder trouw handelen van [medeverdachte 2] verwijst het hof naar het hiervoor overwogene, onder het kopje ‘Verweer’. Opzet bij [verdachte] en [medeverdachte 3] ontbreekt volgens de verdediging ook omdat zij niet betrokken waren bij [medeverdachte 4] . Zij brachten enkel incidenteel wat stukken naar de boekhouder in België, daar maakten zij dan een ‘dagje uit’ van. Het hof overweegt als volgt. [verdachte] was gedurende de gehele tenlastegelegde periode bestuurder van [medeverdachte 4] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. [medeverdachte 3] heeft sinds medio 2006 formeel geen positie meer binnen [medeverdachte 4] , maar feitelijk kwam de winst van [medeverdachte 4] nog steeds mede aan haar ten goede, dit gezien de betrokkenheid van haar echtgenoot bij deze vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] facturen hebben afgeleverd ter opneming in de administratie van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers aldus [getuige 5] en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij [verdachte] en [medeverdachte 3] . Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft [verdachte] de facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt verder dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van een ‘beveiligde telefoonlijn’ als het [medeverdachte 4] aangelegenheden betrof. Het totaalbedrag van alle facturen beloopt bijna 1 miljoen euro. De enige twee in de administratie opgenomen debiteuren ter zake verkoop van vuurwerk door [medeverdachte 4] zijn [E] Ltd. en [Q] Ltd. In het licht van het vorenstaande is de verklaring van [medeverdachte 3] en [verdachte] , die erop neerkomt dat ze misschien wel eens een keer wat papieren bij [getuige 5] hebben gebracht maar dat ze verder geen enkele betrokkenheid hebben gehad bij [medeverdachte 4] Onaannemelijk en ongeloofwaardig. Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden moeten [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben geweten dat de facturen die zij aan [getuige 5] aanboden valselijk waren opgemaakt. Door deze facturen vervolgens ter opneming in de bedrijfsadministratie aan de boekhouder aan te bieden, zijn ook zij in strafrechtelijke zin betrokken bij het ten laste gelegde feit. Welke strafbare betrokkenheid hebben de verschillende verdachten? Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 4] kan worden beschouwd als pleger van het feit. Het opmaken van de bedrijfsadministratie betreft immers een gedraging die binnen de sfeer van de vennootschap is verricht. Hierbij rekent het hof de gedragingen van haar bestuurders [verdachte] en [medeverdachte 2] toe aan de vennootschap. [verdachte] en [medeverdachte 2] kunnen gelet op hun formele positie binnen de vennootschap en de door hen verrichte feitelijke gedragingen zonder meer worden aangemerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever van het door [medeverdachte 4] gepleegde strafbare feit. Verdachte had gedurende de tenlastegelegde periode geen formele positie meer binnen de vennootschap. Zij was echter in zulke mate feitelijk betrokken bij het strafbare handelen van de vennootschap en stond hierbij in zodanig nauw contact met de bestuurders dat het hof ook haar aanmerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever. Het hof is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van het delict door de feitelijk leidinggevers, [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . Voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Daarbij is een belangrijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. In casu is er sprake van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking waarbij door de drie betrokkenen een voldoende materiële bijdrage wordt geleverd. [medeverdachte 2] is degene die gezien wordt als degene die het binnen [medeverdachte 4] 'voor het zeggen heeft', en is in zoverre verantwoordelijk voor de administratie. Zijn vader [verdachte] is directeur/medebestuurder en brengt de boekhouding naar België. [medeverdachte 3] zorgt voor de administratie en brengt mede de boekhouding naar België. Ook is zij daarvoor aanspreekpunt.” 9.3. De steller van het middel klaagt dat uit ‘s hofs bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte wist dat de facturen vals waren of op zijn minst de aanmerkelijke kans op valsheid bewust heeft aanvaard. Dat de verdachte wist dat [E] Ltd. en/of [Q] Ltd. op de facturen ten onrechte als afnemers stonden vermeld, dan wel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat dit het geval was, kan volgens de steller van het middel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijken. 9.4. Het hof heeft ten aanzien van het opzet van de verdachte onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte was gedurende de gehele tenlastegelegde periode, van 5 augustus 2006 tot en met 14 januari 2009, bestuurder van [medeverdachte 4] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat hij facturen heeft afgeleverd ter opneming in de administratie van [medeverdachte 4] en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij onder meer de verdachte. Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft de verdachte de (vals opgemaakte) facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Het hof overweegt dat de verdachte gelet op deze feiten en omstandigheden moet hebben geweten dat de facturen die [medeverdachte 3] en hij aan [getuige 5] aanboden valselijk waren opgemaakt. 9.5. Het hof brengt hiermee mijns i

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.