PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/04320 Zitting 28 juni 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. Inleiding De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 “medeplegen van opdracht geven of feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 2 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan”, feit 3 “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, feit 4 “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, feit 5 “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 6 “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon”, feit 10 “medeplegen van opdracht geven of feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 11 “feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon”, feit 12 “medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en feit 13 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de verdachte voorwaardelijk ontzet uit het recht om zich beroepsmatig bezig te houden met vuurwerk (consumentenvuurwerk dan wel professioneel vuurwerk), voor de duur van twee jaren, met een proeftijd van twee jaren. Er bestaat samenhang met de zaken 20/04319, 20/04318, 20/04316, 20/04317, 20/04321 en 20/04090. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft tien middelen van cassatie voorgesteld. Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom, is het volgende van belang. In het eerste middel heeft de steller aangevoerd dat uit de processtukken blijkt dat de verdediging zich bij het verzoek tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft beroepen op een bijzondere omstandigheid. Deze getuigen zijn weliswaar reeds eerder bij de rechter-commissaris en in het bijzijn van de verdediging gehoord, maar gelet op deze bijzondere omstandigheid die tijdens deze verhoren niet aan de orde is kunnen komen terwijl de verdediging de getuigen daarover wilde ondervragen, kon de oproeping van deze getuigen niet worden geweigerd, aldus de steller van het middel. De processtukken waarnaar de steller van het middel verwijst betreft een conclusiewisseling tussen de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal naar aanleiding van de in de appelschriftuur vermelde getuigenverzoeken van de verdediging. De steller van het middel heeft in een aanvullende schriftuur een tiende middel voorgesteld, bevattende de klacht dat deze conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, terwijl deze conclusiewisseling van belang is voor de toelichting dan wel onderbouwing van de in het eerste middel aangevoerde klacht. Vanwege deze processuele kwestie kom ik eerst toe aan een bespreking van dit tiende middel, alvorens de klachten in de overige middelen te bespreken. Het tiende middel 5. Het tiende middel behelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel. 5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2016 heeft de voorzitter medegedeeld dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van 18 april 2016. 5.2. De steller van het middel heeft bij de rolraadsheer tijdig verzocht om deze conclusiewisseling. Uit de in het digitaal portaal geplaatste berichten van de strafgriffie van de Hoge Raad van 29 april 2021 en 1 december 2021 volgt dat deze door de verdediging opgevraagde stukken niet zijn aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Op 23 november 2021 is namens de strafgriffie van de Hoge Raad aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om deze stukken verzocht. De griffier van het hof heeft in antwoord op dit verzoek medegedeeld dat deze stukken zich niet in het digitale dossier van het hof bevinden en dat alle papieren stukken waarover het hof beschikte ten behoeve van de cassatieprocedure reeds aan de Hoge Raad zijn verzonden. Dit brengt mee, zoals terecht door de steller van het middel wordt aangevoerd, dat moet worden aangenomen dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt. 5.3. De vraag is of dit tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen op grond van het volgende dat dat niet het geval is. Blijkens de appelschriftuur heeft de verdediging aangevoerd dat zij de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] wenst te horen, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is, maar dat hij wel een korte toelichting op het verzoek wil geven en iets wil zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang. Door de verdediging is dus tijdens de terechtzitting niet gewezen op de conclusiewisseling. 5.4. De verdediging heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 voorts aangegeven dat het hof het zal “moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd” omtrent het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] . Hiermee doelt de verdediging kennelijk op de in de appelschriftuur aangegeven redenen voor de wens deze getuigen te horen. De verdediging heeft verder niet nader geconcretiseerd waarom deze getuigen moeten worden gehoord, noch heeft zij verwezen naar de conclusiewisseling. Dat deze nadere concretisering, zoals de steller van het middel in cassatie aangevoerd, zou blijken uit de conclusiewisseling doet hier mijns inziens niet aan af. Het had in mijn ogen op de weg van de verdediging gelegen om ter terechtzitting nader te motiveren waarom er nieuwe feiten of omstandigheden bestonden die het horen van deze getuigen noodzakelijk doet zijn in plaats van enkel te verwijzen naar “hetgeen de verdediging heeft aangevoerd”. Bovendien heeft de verdediging zelf expliciet aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is. Deze strekking is, zo blijkt uit de appelschriftuur, het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] alsmede het daarin verwerken van de boekhouding. 5.5. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Het eerste middel 6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het eerste middel dat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen. 6.1. Bij appelschriftuur heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] , de ontlastende getuigen [betrokkene 6] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] en [betrokkene 23] en is een verzoek gedaan tot het horen van een deskundige. De namens de verdachte op 26 juni 2013 ingediende appelschriftuur houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “11. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [d-straat 1] , [plaats] , België. De rechtbank heeft in het vonnis, pagina 32 noot 93, de verklaring van [getuige 4] afgelegd als getuige bij de politie, voor het bewijs gebruikt. In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. 12. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum] 1952, wonende op het adres [e-straat 1] , [plaats] (België).De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis. In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Op pagina 34 van het vonnis overweegt de rechtbank dat de verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 26 oktober 2012 – kort samengevat – inhoudende dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan ene ‘ [betrokkene 24] ’ onaannemelijk en ongeloofwaardig acht. Voorts stelt de rechtbank dat de verdediging geen getuigen naar voren heeft gebracht die de verklaring van [verdachte] geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bevestigen. (…) Omtrent de classificatie in vuurwerkklasse en de verscheping van vuurwerk vanuit China naar Europa, wenst de verdediging als getuigen te horen: 18. [betrokkene 21] , werkzaam bij [AB] . Ltd, [o-straat 1] [plaats] , China. 19. [betrokkene 22] , werkzaam bij [AB] . Ltd, [o-straat 1] [plaats] , China. Email: [e-mailadres 6] , [e-mailadres 7] . tel: [0010] , mobile: [0011] , website [website] . Het onderzoek BRZ 71 is omvangrijk en technisch vaak ingewikkeld. Het is voor de verdediging haast ondoenlijk om binnen 14 dagen na vonnis een verdedigingsstrategie in hoger beroep te ontwikkelen en alle getuigen die zij in dit kader wenst te horen, binnen de gestelde termijn op te geven. De verdediging gaat er vanuit dat er in deze zaak eerst een regiezitting zal plaatsvinden, op welke zitting zij haar verzoeken nader kan onderbouwen en eventueel kan aanvullen. In ieder geval wenst de verdediging in het kader van het hoger beroep, nog de navolgende getuigen te horen: 20. [betrokkene 23] , telefonisch te bereiken op [0012] , werkzaam bij [AC] [p-straat 1] [plaats] , China. De aangetroffen goederen zijn in China geleverd door [AC] aan het bedrijf [E] Ltd. Omtrent de bestelling, levering en aflevering van de goederen, in het bijzonder de goederen met de CMR-nummers 571570, 571572, 571569, 571568 en 571571 wenst de verdediging deze getuige nadere vragen te stellen. Voorts kan deze getuige vragen beantwoorden betreffende mogelijke vervalsing van de rekeningen van de containers met de nummers CCLU6596060, CCLU6350380, CCLU7523772, CCLU6168924 eb CCLU7001063. 21. [betrokkene 20] , te [plaats] en werkzaam bij het [AD] te [plaats] . Blijkens pagina 6126 heeft er in juli 2009 een dienstreis plaatsgevonden naar China, bij welke gelegenheid verbalisant [verbalisant 1] contact heeft gelegd met [betrokkene 20] . De verdediging wenst deze getuige nader te bevragen omtrent de controle welke in China plaatsvindt alsmede eventuele controle van eerdergenoemde Chemical Compositions. 22. [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [i-straat 1] te [plaats] . [betrokkene 6] is op 22 januari 2009 als getuige gehoord. Hij heeft in opdracht de firma [H] het transport van de vijf containers verzorgd. Omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, wenst de verdediging [betrokkene 6] te bevragen. 24. Een deskundige omtrent de gevaarzetting en classificatie van het door de rechtbank in haar vonnis bedoelde vuurwerk.” 6.2. Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van d.d. 18 april 2016. De strekking van ons verzoek is duidelijk. Ik wil wel een korte toelichting daarop geven en iets zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang, omdat ik dat niet heb vermeld in mijn brieven. Dat is van belang omdat uw hof langs die criteria zult beoordelen of er wel of niet bepaalde getuigen moeten worden gehoord. Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven. (…)De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.(…) Het tweede belangrijke onderdeel waaronder veel getuigen gevangen zitten is de meldingsplicht. Het gaat erom dat als je met een vrachtwagen met daarop een container met vuurwerk Nederland binnenrijdt, je dat moet melden. Mijn cliënt aan mijn linkerzijde (het hof begrijpt medeverdachte [medeverdachte 1] ) heeft dat vaak gedaan. Op zichzelf genomen wordt dat niet betwist, maar wat moet je doen als een vervoerder niet de weg neemt waarvan jij denkt dat hij die zou nemen? Dat is in deze zaak meermalen gebeurd. Er moesten bijvoorbeeld containers worden verplaatst van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland, maar men neemt een andere weg dan dat op enig moment mijn cliënten denken dat ze nemen. De rechtbank heeft daarover gezegd dat dat een soort risico-aansprakelijkheid is die je hebt, althans zo lees ik dat, en het openbaar ministerie zegt: dan moet je maar wat weten wat de kortste weg is. Ik wil een aantal mensen horen die specifiek te maken hebben gehad met dat transport en met die meldingen, bijvoorbeeld [betrokkene 6] . Waarom is deze weg nou gekozen en wisten mijn cliënten dat die weg was gekozen? Ik denk dat dat wel degelijk van belang is en zou kunnen zijn voor een eventuele beantwoording van de vragen van de rechtbank dan wel voor een eventueel op te leggen straf.(…)Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op. Uw hof moet niet denken dat ik hiervoor betoogd heb dat de verzoeken betreffende deze getuigen ook dienen te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. Zij zijn gehoord door de rechter-commissaris in eerste aanleg, dus het noodzaakscriterium is van toepassing. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat hij in het onderzoeksdossier op zoek is gegaan naar hetgeen de verdediging heeft betoogd ten aanzien van beide getuigen, omdat dat een novum is waarmee de getuigen nog niet zijn geconfronteerd. Dat kan nu juist een reden voor het hof zijn om deze getuigen wel toe te wijzen, maar zolang die doos van de advocaat-generaal geen deel uitmaakt van het procesdossier kunt u daar geen oordeel over geven. U zult het moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Wij vinden het van belang de getuigen daarmee te confronteren. In zijn algemeenheid proef ik bij deze advocaat-generaal, zijnde ook de officier van justitie in eerste aanleg, - en daar heb ik wel begrip voor omdat de persoon hetzelfde is en het standpunt niet is veranderd - dat er wel erg gekeken wordt met de bril van de opsporing van eerste aanleg. Hij heeft een beetje de houding van: ‘we hebben het zo geconstateerd en het is niet anders en wat willen we nu eigenlijk in hoger beroep?’ Dat is niet helemaal de bedoeling van het hoger beroep. Ik hoor de advocaat-generaal ook zeggen dat hij in de administratie van de bedrijven ook inkoopfacturen heeft aangetroffen. Die zijn van groot belang om eens te kijken wat er nu allemaal ingekocht en verkocht is. Hoe is dat verantwoord? Welke kosten werden in de ondernemingen nog [plaats] gemaakt? Dat zijn allemaal relevante omstandigheden waarmee de getuigen nogmaals kunnen worden geconfronteerd.(…)Het hof overweegt als volgt. Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gegaan. In beginsel dienen de verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium. Zulks zou uitzondering kunnen lijden indien er sprake is van een geval waarin de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, zodat de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijk verdediging is vereist – zou meebrengen dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium (zie Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496). In dat kader is van belang de omstandigheid dat de raadsman de verdachte reeds vanaf 2011 bijstaat en er voor hem geen enkel beletsel is geweest om tijdig meerdere getuigen op te geven bij appelschriftuur en die verzoeken ook te onderbouwen. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake van een uitzonderingsgeval zoals hiervoor omschreven. De verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, zullen derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium. De verdediging heeft verzocht om het horen van de volgende personen als getuige en/of deskundige: (…) 11. [getuige 4] 12. [getuige 5] (…) 19. [betrokkene 20] 20. [betrokkene 6](…) 22. Deskundige M. Dirkse 23. [betrokkene 21] 24. [betrokkene 22] 25. [betrokkene 23] 26. [betrokkene 25](…) (ad. 11, 12 en 13:) De getuigen zijn reeds door de verdediging bij de rechter-commissaris in eerste aanleg bevraagd, zodat het noodzaakcriterium op de verzoeken van toepassing is. Er is niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Door de raadsman zijn geen vragen naar voren gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen. Het hof acht zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen, zijnde de noodzaak tot inwilliging daarvan niet gebleken. (…)(ad. 19:) Op het verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de getuige moet worden bevraagd omtrent een dienstreis naar China die in juli 2009 heeft plaatsgevonden, bij welke gelegenheid verbalisant [verbalisant 1] contact heeft gelegd met [betrokkene 20] . De verdediging wenst deze getuige nader te bevragen omtrent de controle die in China plaatsvindt. Het hof is van oordeel dat, wat er ook zij van deze controles, de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de verklaring van [betrokkene 20] noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens niet van die noodzaak is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen, zijnde de noodzaak tot inwilliging daarvan niet is gebleken. (ad 20:) Op het verzoek is het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. [betrokkene 6] heeft verklaard in opdracht van de firma [H] het transport van vijf containers te hebben verzorgd. De verdediging wenst de getuige omtrent dit transport en in het bijzonder het transport van 23 december 2008, te bevragen. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 6] reeds op 22 januari 2009 als getuige door de politie is gehoord (zie p. 4087 e.v. van het politiedossier). De verdediging heeft onvoldoende (…) onderbouwd waarom de verklaring van de getuige in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen; de verdachte wordt daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging niet geschaad. (…)(ad 22:) Op het verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd de kennelijke wens van de verdediging om het in deze zaak in beslag genomen / in de tenlastelegging vermelde vuurwerk nader te doen classificeren. Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging echter onvoldoende onderbouwd waarom een dergelijke nadere classificatie noodzakelijk zou zijn, gelet op de informatie die zich hieromtrent reeds in het procesdossier bevindt. Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier op dit punt voldoende ingelicht, zodat het horen van genoemde deskundige in redelijkheid niet van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing. Nu ook overigens dat belang niet is gebleken, wordt het verzoek afgewezen; de verdachte wordt daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging niet geschaad. (ad 23, 24, 25 en 26:) Op de verzoek om het horen van [betrokkene 21] , [betrokkene 22] en [betrokkene 23] is het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing. Op het verzoek om het horen van [betrokkene 25] is het noodzaakcriterium van toepassing. Kennelijk wenst de verdediging deze getuigen te bevragen omtrent de classificatieproblematiek. De verdediging huldigt kennelijk de stelling dat de verdachte mocht vertrouwen op de in China aan het onderhavige vuurwerk gegeven classificatie / etikettering. Naar het oordeel van het hof kan de Chinese regelgeving ten aanzien van de classificatie en de etikettering van vuurwerk niet afdoen aan de betreffende Nederlandse regelgeving. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd waarom de verklaringen van genoemde personen ten aanzien van dit punt van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. Het horen van deze getuigen is dan ook in redelijkheid niet van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing, zodat het verzoek wordt afgewezen; de verdachte wordt daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging niet geschaad” 6.3. De steller van het middel klaagt – onder verwijzing naar de (post-)Keskin-jurisprudentie – allereerst dat ‘s hofs beslissing tot afwijzing van de oproeping van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] onbegrijpelijk is, nu van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij het belang van een belastende getuige aangeeft, terwijl het hof dit klaarblijkelijk wel heeft verlangd. 6.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad is in zijn arrest van HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, m.nt. Reijntjes – waarnaar de steller van het middel verwijst – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt. 6.5. In de onderhavige zaak doet zich echter een dergelijk geval niet voor. De getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben weliswaar verklaringen afgelegd met een belastende strekking, maar ook heeft de verdediging reeds het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuigen toen zij zijn gehoord door de rechter-commissaris. Dit brengt mee dat het belang tot het horen van deze getuigen niet behoeft te worden verondersteld en de getuigenverzoeken op grond van art. 418 lid 2 Sv moeten worden getoetst aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. 6.6. De toepassing van dit criterium brengt mee dat bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang is of de rechter het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. 6.7. De verdediging heeft verzocht de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] opnieuw te horen om hen in het bijzonder vragen te stellen omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Zij waren aldus reeds bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [getuige 4] , afgelegd bij zowel de politie als de rechter-commissaris zijn door het hof voor het bewijs gebezigd, alsmede de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de politie. Een blik achter de ‘papieren muur’ maakt duidelijk dat zowel de getuige [getuige 4] als de getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris en de politie zijn gehoord over de boekhouding van [medeverdachte 4] en het verwerken van contante betalingen. 6.8. Het hof heeft in de onderhavige zaak met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium – over de toepassing hiervan wordt in cassatie niet geklaagd – geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en niet is gebleken van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Het hof overweegt voorts dat de raadsman van de verdachte geen vragen naar voren heeft gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen en dat het hof zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht acht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Gelet hierop wijst het hof het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] af, nu de noodzaak tot inwilliging van het verzoek niet is gebleken. 6.9. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuigen aldus afgewezen omdat de noodzakelijkheid van een dergelijk verhoor niet is gebleken, hetgeen mijns inziens gelet op de daaraan te stellen eisen ontoereikend noch onbegrijpelijk is gemotiveerd. 6.10. In het verlengde hiervan faalt ook de klacht van de steller van het middel dat de bewijsvoering onvoldoende met redenen is omkleed, doordat de verklaringen van deze getuigen – terwijl de verdediging niet in de gelegenheid zou zijn gesteld hen te horen – beslissend zouden zijn voor de bewezenverklaring en/of een significant gewicht hebben in de bewijsvoering van de feiten waarop die verklaring betrekking hebben. 6.11. Tot slot klaagt de steller van het middel dat het hof de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van de getuigen à décharge [betrokkene 6] , [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] en [betrokkene 25] respectievelijk deskundige à décharge Dirkse heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen, althans de beslissing tot afwijzing onbegrijpelijk is. 6.12. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] en [betrokkene 23] als getuigen, zoals door de verdediging bij appelschriftuur van 26 juni 2013 is verzocht en nader is toegelicht op de terechtzitting van 22 april 2016, heeft het hof terecht het criterium van het verdedigingsbelang toegepast. 6.13. Het criterium van het verdedigingsbelang noopt de rechter ertoe een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. De vraag of ’s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen begrijpelijk is, dient te worden beantwoord in het licht van – als ware het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Van de raadsman mag worden gevergd dat hij toelicht in welk opzicht het horen van een getuige relevant is voor de uitkomst van de zaak. 6.14. De verdediging heeft in de appelschriftuur aangevoerd dat zij de verzochte getuigen wil horen omtrent de classificatie in vuurwerkklasse en de verscheping van vuurwerk vanuit China naar Europa (zie hierboven onder 6.1). 6.15. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [betrokkene 6] heeft het hof overwogen dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de reeds bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 6] in redelijkheid van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. Met betrekking tot het verzoek tot het horen van deskundige Dirkse heeft het hof overwogen dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom een nadere classificatie van het vuurwerk noodzakelijk zou zijn, gelet op de informatie die zich hieromtrent reeds in het procesdossier bevindt. Het hof heeft eveneens de verzoeken tot het horen van [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [betrokkene 23] en [betrokkene 25] afgewezen en geoordeeld dat de Chinese regelgeving ten aanzien van de classificatie en de etikettering van vuurwerk niet kan afdoen aan de betreffende Nederlandse regelgeving en dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de verklaringen van deze getuigen ten aanzien van dit punt van belang zou zijn voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens dat belang niet is gebleken. 6.16. De afwijzing van het verzoek tot het horen van deze getuigen acht ik, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd, zodat het middel in zoverre faalt. 6.17. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 20] heeft het volgende te gelden. Het hof heeft met toepassing van het noodzaakcriterium het verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen. Nu de verdediging reeds bij appelschriftuur heeft verzocht tot het horen van deze getuige, heeft het hof – zoals terecht door de steller van het middel is opgemerkt – een verkeerde maatstaf gehanteerd, zodat in zoverre het middel slaagt. Toch meen ik dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. Daartoe is het volgende van belang. 6.18. De verdediging heeft verzocht [betrokkene 20] als getuige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in juli 2009 een dienstreis heeft plaatsgevonden naar China, waarbij verbalisant [verbalisant 1] contact heeft gelegd met [betrokkene 20] en dat de verdediging hem nader wenst te bevragen omtrent de controle die in China plaatsvindt en de eventuele controle van Chemical Compositions. Het hof heeft ten aanzien van dit getuigenverzoek geoordeeld dat, wat er ook zij van de controle die in China plaatsvindt, de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de verklaring van [betrokkene 20] noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing, terwijl ook overigens niet van die noodzaak is gebleken. 6.19. Met toepassing van het (juiste) criterium van het verdedigingsbelang had het hof zonder [plaats] tot een afwijzing van het verzoek tot het horen van deze getuige kunnen komen. Immers, van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van de door haar opgegeven getuige motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 te nemen beslissing. Dat heeft de verdediging, zoals het hof vaststelt, onvoldoende gedaan door enkel aan te voeren dat zij de getuige wil horen over niet nader gespecificeerde controles. De verdachte heeft aldus mijns inziens geen in cassatie rechtens te respecteren belang bij de klacht. 6.20. Dit brengt mee dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden. Het tweede middel 7. Het tweede middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van opzet bij [medeverdachte 6] en/of de verdachte sprake is geweest en uit de bewijsvoering ten aanzien van het onder feiten 2 en 3 primair bewezenverklaarde niet kan volgen dat van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander bij het binnenbrengen op het grondgebied van Nederland en het voorhanden hebben en/of gebruik maken van een valse CMR sprake is geweest. 7.1. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 bewezenverklaard dat: “1. subsidiair [medeverdachte 6] op 9 november 2007 in de gemeente [plaats] , opzettelijk, als degene die twee containers vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland bracht, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot welk strafbaar feit/aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging opdracht dan wel feitelijk leiding hebben gegeven; 2. hij op 9 november 2007, in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 70 dozen inhoudende cakeboxen (artikelnr. 8005) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers waren voornoemde cakeboxen (artikelnr. 8005) in strijd met artikel 5 lid 1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van twee lonten en bevatte de totale lading van de burst per compartiment van (een aantal van) deze cakeboxen in strijd met het bepaalde in Bijlage C2 behorende bij de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 [plaats] dan 2 gram perchloraat/metaal; 3. hij op 9 november 2007 in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse CMR - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat genoemde CMR werd gebruikt bij de invoer en transport van vuurwerk uit Duitsland naar Nederland en bij controle ter inzage werd afgegeven aan [betrokkene 26] en [betrokkene 27] , beiden opsporingsfunctionaris IVW, en bestaande die valsheid hierin dat op die CMR stond vermeld “1,4G Vuurwerk” terwijl een deel van het ingevoerde en getransporteerde vuurwerk geen 1,4G vuurwerk was;” 7.2. Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd): “Algemeen Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 en 10 september 2009 is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen. Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] , gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [verdachte] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [verdachte] . In de periode van 2006 t/m 2008 worden door [medeverdachte 4] 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. Het vuurwerk werd opgeslagen in [plaats] en [plaats] in Duitsland. Door [verdachte] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [medeverdachte 5] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [medeverdachte 5] gewijzigd in [medeverdachte 5] [opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]]. Ook gaf [verdachte] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [verdachte] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [verdachte] heeft bemiddeld in de koop van een lege [medeverdachte 5] en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [verdachte] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder [plaats] samen met haar man [medeverdachte 1] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 7] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] bevestigt in haar verklaring dat [medeverdachte 7] door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] B.V. genoemd) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [medeverdachte 1] en bij [medeverdachte 4] was dat [verdachte] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [medeverdachte 1] de baas van [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [medeverdachte 1] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [medeverdachte 1] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van de [medeverdachte 6] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [verdachte] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [verdachte] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [verdachte] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] . Ter zake feit 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair (zaak 2): Het hof, met de rechtbank, baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen. Op 9 november 2007 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) omstreeks 9:35 uur op de parkeerplaats ‘De Schaars’, gelegen aan de Rijksweg A12 in de gemeente Arnhem twee trekkers met oplegger gecontroleerd op de juiste naleving van de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven regels en voorschriften. Het betrof de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 2] en de combinatie voorzien van kenteken [kenteken 3] . Op de ter inzage afgegeven vervoersdocumenten (CMR), zagen de rapporteurs [betrokkene 26] en [betrokkene 27] , beiden opsporingsfunctionaris van de IVW, dat de vervoerde lading van beide combinaties als volgt was aangeduid: - kenteken [kenteken 2] /Container nr. CCLU 710719-0 (CMR-nr. 327956) 835 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 126,92 kg, bruto 10.835 kgs,- kenteken [kenteken 3] /Container nr. CCLU 673216-6 (CMR-nr. 327950) 637 Cartons UN 0336 Fireworks 1.4 G, NEQ 96,8 kg, bruto 8.281 kgs. Blijkens de desbetreffende CMR was deze lading met vuurwerk afkomstig van [verdachte] in [plaats] in Duitsland en bestemd om te worden afgeleverd bij de vestigingen van [medeverdachte 6] in respectievelijk [plaats] en [plaats] . De chauffeurs [betrokkene 28] en [betrokkene 29] hebben verklaard dat grensoverschrijdend vervoer werd verricht van Duitsland naar Nederland en dat de transporteenheden waren beladen met gevaarlijke stoffen, namelijk vuurwerk. Bij navraag door de rapporteurs bleken de volgens het Vuurwerkbesluit verplichte importmeldingen bij het Landelijk Meld- en Informatiepunt voor beide transporten niet te zijn gedaan. Deze transporten van ladingen met vuurwerk waren daar niet aangemeld. Vervolgens is besloten beide transporten voor nader onderzoek naar het afleveradres van [verdachte] in [plaats] te laten rijden.Op 9 november 2007 werd [verbalisant 2] , inspecteur van politie gebeld door de hem bekende [verdachte] , die hem vertelde dat de containers per ongeluk niet waren gemeld. [medeverdachte 3] heeft verklaard: ‘wij willen geen verklaring afleggen, maar willen volstaan met het afgeven van een schriftelijke verklaring.’ Die verklaring, ondertekend door [medeverdachte 3] , betreft het transport van goederen van [medeverdachte 6] B.V. Duitsland naar [verdachte] BV. te [plaats] en houdt onder [plaats] in: ‘Wij hadden nog retourgoederen staan van onze klanten. [medeverdachte 1] . [het hof begrijpt: [medeverdachte 1]] zou deze goederen, die op pallets stonden in een container laden. Onderweg naar Nederland werd deze staande gehouden door de IVW. Er zijn twee pallets in beslaggenomen. De gang van zaken is niet gebruikelijk en wordt betreurd.’ Bij nadere controle bij de vestiging van [medeverdachte 6] in [plaats] telden verbalisanten in de tweede container met nummer CCLU7107190 van vrachtauto [kenteken 2] , 462 dozen vuurwerk op 16 pallets. Achter in de container werden twee pallets aangetroffen met in totaal 70 dozen vuurwerk en de opschriften ‘WY Antwerpen’ en ‘8005 6/1’ en ‘ WY07-010HL’. Op de dozen stond niet de verplichte aanduiding: ‘Geschikt voor particulier gebruik.’ Na opening bleken deze dozen elk verpakt te zijn met zes zogenaamde batterijen, ook wel flowerbeds of cakeboxen genoemd, met het artikelnummer 8005, elk met 19 buizen met lading (shots). De artikelen 8005 waren allemaal verpakt in kartonnen dozen, zonder gaasverpakking en zonder een speciale binnenverpakking. Door verbalisanten werd één doos met 19 shots flowerbeds met artikelnummer 8005 meegenomen als monster (VBAN7012) om onderzocht te worden door het NFI. In het deskundigenrapport van het NFI d.d. 29 november 2007 is ter zake dat monster vermeld dat drie zogenaamde cakeboxen zijn aangeboden voor nader chemisch onderzoek. Dat betroffen de White Glittery Willow, de Color Peony & Silver Chrysanthemum en de Brocade Crown. In het rapport staat onder [plaats] dat de drie typen cakeboxen elk zijn voorzien van twee lonten, een zogenaamde ‘first fuse’ en een zogenaamde ‘spare fuse’. In 8 onderzochte compartimenten werd een burstlading aangetroffen die hoger was dan de maximale norm van 2 gram in cakeboxen van categorie C2 uit bijlage III in de RNEV 2004. De onderzochte burstladingen van de drie typen cakeboxen bestonden hoofdzakelijk uit kaliumperchloraat en zwavel. Daarnaast is aluminium (metaal) en mogelijk magnalium (metaallegering van aluminium en magnesium) aanwezig. De gemiddelde massa burstlading van de White Glittery Willow was 2,66 gram en van de Brocade Crown 2,40 gram. Door TNO zijn de chemical compositions van het vuurwerkartikel 8005 onderzocht. Volgens TNO zijn de zes verschillende cakeboxen nagenoeg identiek, alleen de kleuren/effecten zijn anders. Voor de classificatie maakt dit niet uit. De burst bestaat uit 2 gram flitspoeder, ofwel een percentage van 13,8% van de totale lading. Dit leidt tot de conclusie dat dit vuurwerkartikel moet worden geclassificeerd als 1.3G. Op beide hiervoor genoemde vervoersdocumenten: CMR-nr. 327956 en CMR-nr. 327950 staat over de aard van de getransporteerde goederen vermeld dat het ‘1,4G vuurwerk’ betreft. Verweer De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de 70 dozen cakeboxen eigendom waren van [verdachte] en [medeverdachte 6] Ook heeft [verdachte] niet de opdracht gegeven om deze dozen te vervoeren en was hij niet op de hoogte van de aanwezigheid van de dozen in de container. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het dossier tevens aanwijzingen bevat dat [verdachte] niet betrokken is geweest bij dit feit. Zo klopt de verklaring van chauffeur [betrokkene 29] niet, nu hij spreekt over iemand met krullend haar, 35 jaar oud en rijdend in een pick-up, en verklaart de andere chauffeur, [betrokkene 28] , die [verdachte] kent, dat [verdachte] niet aanwezig was bij het laden en lossen in [plaats] op 9 november 2007. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Chauffeur [betrokkene 29] heeft verklaard dat hij samen met drie andere chauffeurs op 8 november 2007 naar Antwerpen is gereden om containers met vuurwerk te laden en naar [plaats] te brengen. Hij wist al voordat hij in Antwerpen was dat hij op de terugreis ook vuurwerk vanuit [plaats] moest vervoeren naar [plaats] . De inhoud van de containers werd gelost in een loods waar hij met zijn vrachtwagen naast geparkeerd stond. Bij die loods was een Nederlands sprekende man met een Brabants accent aanwezig. Hij reed in een verschrikkelijk dikke auto. De volgende ochtend was zijn container weer geladen met vuurwerk. De man met de dikke auto had de leiding bij de laadwerkzaamheden. De CMR moest hij zelfschrijven. De man met die dikke auto gaf hem op wat er op de CMR moest staan. Alleen de zin over autorisatie heeft hijzelf, [betrokkene 29] , erop gezet. Hij herkent [verdachte] van foto’s als de man die bij de loods in [plaats] aanwezig was. Deze man was later aanwezig bij het lossen in [plaats] . [betrokkene 29] was ook samen met deze man en een ander in het kantoortje van het bedrijf in [plaats] . Hij hoorde dat die andere man tegen die uit [plaats] zei dat voorin zijn container twee pallets stonden met illegaal vuurwerk. Vervolgens hoorde hij dat die man uit [plaats] zei dat hij zou proberen de mensen van VROM weg te lokken met koffie, zodat de pallets uitgereden konden worden. Beide personen wisten dat de twee pallets voorin zijn, [betrokkene 29] , container niet goed waren. Ze wisten dat al voor de controle in [plaats] . Ze noemden daarbij een artikelnaam. [betrokkene 29] weet alleen niet [plaats] welke naam ze gebruikten. Ze besloten dat [betrokkene 29] als laatste gecontroleerd zou worden, zodat ze tijd hadden om die twee pallets aan de controle te proberen te onttrekken.Tegenover de rechter-commissaris heeft [betrokkene 29] deze verklaring bevestigd. Hij herkent de CMR-nr. 327950 en verklaart deze te hebben geschreven voor zijn collega en getekend in hokje 23. Het aantal kilo’s heeft hij niet gecontroleerd. De hoeveelheid was hem opgegeven door de man met het Brabantse accent. De verklaringen van getuige [betrokkene 29] , in onderling verband bezien, houden in dat hij beide vrachtbrieven heeft ingevuld aan de hand van informatie die hem door [verdachte] werd verstrekt, derhalve ook de CMR met nummer 327956, die ziet op de container waarin de 70 dozen zaten. Chauffeur [betrokkene 28] heeft verklaard dat [verdachte] niet aanwezig was bij het laden op 9 november 2007 in [plaats] . [betrokkene 28] verklaart verder dat hij zelf niet aanwezig is geweest bij het laden; hij heeft geen toezicht gehouden. Nu [betrokkene 28] zelf verklaart niet aanwezig te zijn geweest bij het laden en gelet op de omstandigheid dat chauffeur [betrokkene 29] [verdachte] heeft herkend op een foto als de persoon die aanwezig was bij het laden en lossen, gaat het hof er vanuit dat [verdachte] aanwezig was bij het laden en lossen en dat [betrokkene 28] hem niet heeft (kunnen) gezien. [verdachte] heeft tegenover [verbalisant 2] voornoemd, over de verschillen in aantallen dozen op de CMR en de door verbalisant aangetroffen dozen verklaard, dat hij de transportdocumenten voor wat betreft de aantallen maar een beetje op de gok had laten invullen. [medeverdachte 1] heeft ter zake het in [plaats] onderzochte vuurwerk verklaard dat het gaat om overgebleven vuurwerk van klanten dat in Duitsland was opgeslagen. [verdachte] heeft daarover hetzelfde gezegd en daaraan toegevoegd dat het vuurwerk ‘door [verdachte] ’ was getransporteerd en dat dit vuurwerk nu was teruggehaald naar Nederland. Verder heeft hij verklaard bij [medeverdachte 6] belast te zijn geweest met de inkoop en verkoop van vuurwerk. [medeverdachte 6] verkocht consumentenvuurwerk in Nederland.Het etiket van het vuurwerk met artikelnummer 8005, in de doos met aanduiding ‘WY Antwerpen’ en ‘8005 6/1’ en ‘WY07-010HL’ vermeldt: geschikt voor particulier gebruik. [verdachte] heeft op 9 november 2007 verklaard dat de meldingen nog zouden worden “aangevuld” door zijn moeder, [medeverdachte 3] . Conclusie feit 1 Daderschap van de rechtspersoon: Juridisch kader Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of [plaats] van de navolgende omstandigheden voordoen: - het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; - de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon; - de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; - de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging. De gedragingen zijn verricht door bestuurders van de rechtspersoon en door [verdachte] , die in het bedrijf werkzaamheden verricht. Het betreft gedragingen die vallen binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 6] op grond van de geldende criteria het onder 1 tenlastegelegde feit (niet melden van transporten) heeft begaan. Feitelijk leiding geven Juridisch kader Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Aan hetzelfde strafbare feit kan door [plaats] personen - al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn. Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht. Onder omstandigheden kan ook een [plaats] passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat (vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.1.2.-3.5.3.). Opdracht geven veronderstelt een uitdrukkelijke, een positieve aanwijzing. Toelaten of nalaten is daarvoor niet toereikend. Wanneer het gaat om [plaats] feiten waartoe opdracht is gegeven, is niet vereist dat de opdracht tot elk afzonderlijk feit bewezen wordt (HR 23 oktober 1984, NJ 1985/319). Overigens is de keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde (vgl. HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP8469, rov. 3.3.1.). Naar het oordeel van het hof zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] als feitelijk leidinggevers aan te merken en [verdachte] deels ook als opdrachtgever van de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat [verdachte] - in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd - wel degelijk bemoeienis heeft gehad bij het vervoeren van de 70 dozen cakeboxen. [verdachte] is aanwezig geweest bij het laden en het lossen van de dozen en daarmee is hij zelf actief betrokken geweest bij het transport en heeft ter zake opdrachten gegeven aan degenen die voor [verdachte] werkten. Op deze wijze heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kunnen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tevens als feitelijk leidinggevers worden aangemerkt aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] was aandeelhouder en iemand noemt hem ‘de baas’ van [medeverdachte 6] Uit zijn uitlatingen komt naar voren dat hij op de hoogte was van het transport. Hij heeft verklaard dat het om vuurwerk ging van klanten dat in Duitsland was opgeslagen, [medeverdachte 3] was bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] regelde alles met betrekking tot de administratie. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen, maar zulke maatregelen hebben zij achterwege gelaten. Daarmee hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging begaan door [medeverdachte 6] Dit betekent dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] zullen worden vrijgesproken van feit 1 primair. Feit 1 subsidiair acht het hof ten aanzien van hen bewezen. Verweer De verdediging heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de betrokken twee pallets vuurwerk het eigendom waren van [betrokkene 4] en per abuis zijn meegenomen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van het delict door de feitelijk leidinggevers, [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Daarbij is een belangrijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. In casu is er sprake van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking waarbij door de drie betrokkenen een voldoende materiële bijdrage wordt geleverd. [verdachte] is degene die gezien wordt als degene die het binnen [medeverdachte 4] ‘voor het zeggen heeft’, en is in zoverre verantwoordelijk voor de administratie. Zijn vader [medeverdachte 1] is medebestuurder en brengt de boekhouding naar België. [medeverdachte 3] zorgt voor de administratie en brengt mede de boekhouding naar België. Ook is zij daarvoor aanspreekpunt. In het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 3 maart 2008 door [verbalisant 2] is het volgende opgenomen. Begin december 2007 belde [verdachte] op en gaf mij de naam en telefoonnummer door van ene [betrokkene 4] , die eigenaar zou zijn van het inbeslaggenomen vuurwerk. Op 7 december 2007 belde een man naar het LMIP en vertelde aan de daar dienstdoende collega [verbalisant 3] dat hij had gehoord dat iemand zijn vuurwerk had inbeslaggenomen en dat hij contact met die ambtenaar wilde. Ik verbalisant [verbalisant 2] heb een afspraak voor een verhoor op 13 december 2007 op het politiebureau te Hengelo met deze [betrokkene 4] gemaakt. Van te voren had ik telefonisch afgesproken dat hij de eigendomspapieren en of rekeningen van het betreffende inbeslaggenomen vuurwerk mee zou nemen. Op 13 december 2007 omstreeks 10.00 uur hoorde ik op het politiebureau te Hengelo een man die mij opgaf te zijn: [betrokkene 4] . Hij begon toen een korte verklaring af te leggen maar toen ik door ging vragen en zei hij dat hij nu weinig tijd had en liever terug kwam in het volgende jaar. Hij zei ook dat gezien de ernst van de situatie hij voor de volgende afspraak een raadsman wilde meenemen. Hij verklaarde dat hij een vuurwerkbedrijf in [plaats] heeft en vuurwerk bunkers verhuurde o.a. bunker 7 tot eind van dit jaar aan de firma [verdachte] . Hij had een partij vuurwerk van een Pool gekocht voor 1000 Euro. Hij wilde nu nog niet vertellen wie die Pool was en ook verklaarde hij dat hij niet precies wist wat voor vuurwerk het betrof. Het zat volgens hem in zwart plastic verpakt. Het was door een domme fout van een personeelslid van [verdachte] uit [plaats] naar Nederland vervoerd. Hij had geen bewijsstukken zoals rekeningen of iets dergelijk. Het hof gaat aan de stelling dat het betrokken vuurwerk van bovengenoemde [betrokkene 4] zou zijn voorbij. Daartoe stelt het hof vast dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.