ECLI:NL:PHR:2022:635
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00324 CW Zitting 28 juni 2022 Vordering tot cassatie in het belang der wet E.J. Hofstee In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de betrokkene.
I. De vraag waar het in deze vordering om gaat Deze vordering tot cassatie in het belang der wet komt voort uit de vraag of in hoger beroep de beslissing op een ingekomen verzoek tot opheffing van de in eerste aanleg bevolen dadelijke uitvoerbaarheid van gestelde voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht door een reclasseringsinstelling bij een voorwaardelijk opgelegde straf respectievelijk van een daarvoor in aanmerking komende maatregel tot het exclusieve domein van de zittingsrechter behoort, of dat ook de raadkamer van het hof bevoegd is op zo een verzoek te beslissen.
De vordering wordt ingediend op verzoek van W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland, naar aanleiding van een beslissing van de raadkamer van het hof ’s-Hertogenbosch van 23 december 2019 (verder: de beslissing van de raadkamer van het hof). Deze beslissing betreft het verzoek tot opheffing van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2019 aan de maatregel van ISD (inrichting voor stelselmatige daders) gekoppelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht.
De beslissing van de raadkamer van het hof 3. Op 31 juli 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2019. Blijkens de beslissing van de raadkamer van het hof is op 18 oktober 2019 ter griffie van het hof een verzoekschrift binnengekomen van de raadsman waarin hij namens de verdachte verzoekt om opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de “bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2019 aan de ISD gekoppelde algemene en bijzondere voorwaarden”. Dit verzoekschrift is blijkens die beslissing behandeld op de openbare raadkamerzitting van het hof op 9 december 2019. De raadkamer van het hof verklaarde zich onbevoegd over dat verzoek te oordelen. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Beoordeling van het verzoek Naar het oordeel van het hof is de raadkamer van het hof ingevolge artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering niet bevoegd een oordeel te geven betreffende het ingekomen verzoekschrift dat strekt tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, welke zijn gekoppeld aan de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel. Een dergelijke beslissing is voorbehouden aan de strafkamer, die in hoger beroep over het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep zal oordelen. Om die reden zal het hof zich onbevoegd verklaren.”
III. Het wettelijk kader 5. In ons strafrechtelijk stelsel geldt als hoofdregel dat een rechterlijke beslissing pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. Dit uitgangspunt is per 1 januari 2020 vastgelegd in art. 6:1:16, eerste lid, Sv. Het wetboek van strafrecht bevat echter uitzonderingen op deze hoofdregel door onder omstandigheden te voorzien in de dadelijke uitvoerbaarheid van gestelde voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht bij een voorwaardelijke straf of van een bepaalde maatregel. Deze uitzonderingen zijn – wat het commune sanctierecht voor volwassenen betreft – neergelegd in art. 14e Sr (de voorwaardelijke straf), art. 38, zesde lid, Sr (de voorwaardelijke TBS) en art. 38v, vierde lid, Sr (de vrijheidsbeperkende maatregel), met dien verstande dat dan wel telkens voldaan moet zijn aan het gevaarscriterium dat al dan niet aanvullend van toepassing is.
Art. 14e Sr “De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
Art. 38, eerste en zesde lid, Sr “1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.[…] 6. De rechter kan op vordering van de officier van justitie of ambtshalve bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.”
Art. 38v, eerste lid aanhef en vierde lid, Sr “1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:[…]4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.”
Art. 21, eerste lid, Sv“In alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschiedt de behandeling door de raadkamer. Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten, aldaar gedaan.”
Art. 6:6:6 Sv“De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.”
IV. Enkele opmerkingen vooraf naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank 7. De dadelijke uitvoerbaarheid in deze zaak van de aan de voorwaardelijke ISD-maatregel gekoppelde algemene en een betrekkelijk groot aantal bijzondere voorwaarden, alsook van het toezicht op de naleving daarvan door de reclassering, is bepaald bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2019. Het dictum van het vonnis houdt overigens in dat de rechtbank “bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn”. Kennelijk is hier sprake van een verschrijving. Met “de voorwaardelijke straf” zal zijn bedoeld: de voorwaardelijke ISD-maatregel. De rechtbank had namelijk naast de voorwaardelijke ISD-maatregel geen voorwaardelijke (gevangenis)straf aan de verdachte opgelegd, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 64 dagen (met aftrek van het voorarrest).
Alles overwegende, hebben wij besloten om in het wetsvoorstel een uitzondering op artikel 557, lid 1, Sv. te maken, op een zodanige manier dat de rechter kan bepalen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van tbs met voorwaarden onmiddellijk mogelijk wordt en de reclassering kan starten met het uitoefenen van het toezicht.[…]De keuze of in het concrete geval een onmiddellijke tenuitvoerlegging gerechtvaardigd is, wordt in handen gelegd van de rechter. Het gaat daarmee om een modaliteit die uitsluitend door de rechter kan worden toegewezen, waardoor het op de meest zorgvuldige wijze in het strafproces is ingebed. Hij kan daarbij alle omstandigheden van het geval meewegen, waardoor een maatregel kan worden opgelegd die zoveel mogelijk is toegesneden op de betrokken persoon, in het belang van de veiligheid van de samenleving en een humane tenuitvoerlegging van de maatregel.”
Zoals is uiteengezet […] kunnen ook lichte delicten door hun aard of door de wijze waarop ze zijn gepleegd of door de omstandigheden van het geval een grote maatschappelijke impact hebben en een ruime kring van betrokkenen raken. Slachtoffers kunnen buitengewoon belast worden door het gedrag van verdachten en veroordeelden. Dit is juist de reden om in dit wetsvoorstel een maatregel te introduceren waarbij de omgeving wordt beschermd door een gerichte, relatief lichte vrijheidsbeperking.[…]Bij de keuze om de maatregel al dan niet onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren zal de rechter het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving of het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de verdachte zou kunnen begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen zou kunnen laten zien, afwegen tegen het belang van de veroordeelde om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met bepaalde personen.
Deze belangenafweging moet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste.”
Zo heeft blijkens de gepubliceerde rechtspraak het hof Arnhem-Leeuwarden zich tenminste tweemaal over deze kwestie uitgelaten, en wel op 6 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8235 betreffende het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij een voorwaardelijke gevangenisstraf gestelde voorwaarden en het toezicht daarop door de reclassering, en op 5 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9391 betreffende het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel. In beide gevallen stelde de advocaat-generaal bij het hof zich op het standpunt dat de raadkamer van het hof niet bevoegd was te beslissen op het verzoek tot opheffing van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid en dat, kennelijk met het oog op het belang van een spoedige behandeling van het verzoek, zo nodig de hoofdzaak eerder ter terechtzitting moest worden aangebracht.
De raadkamer van het hof ging in beide zaken niet in dat standpunt mee en oordeelde dat art. 21 Sr niet aan behandeling van het verzoekschrift door de raadkamer in de weg staat en er geen bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan de beslissing door het hof op de terechtzitting is voorgeschreven. Uitsluitsel over de bevoegdheid van de raadkamer van het hof is ook in dit opzicht wenselijk, omdat de formulering van met name art. 6:6:6 Sv daarin geen klaarheid schept. Het komt mij voor dat de rechtspraktijk belang heeft bij helderheid op dit punt.
V. Beroep tegen een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid 17. Alleen de zittingsrechter in eerste aanleg of de zittingsrechter in hoger beroep kan een daarvoor in aanmerking komende sanctie in zijn uitspraak dadelijk uitvoerbaar verklaren. Indien één van de procesdeelnemers wenst op te komen tegen het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, dient hoger beroep te worden ingesteld tegen het eindvonnis. Wordt het bevel in hoger beroep gegeven, dan kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen het eindarrest.
Dat de beroepsrechter de uitvoerbaarheid niet alleen kan opheffen, maar ook kan schorsen is nieuw ingevoegd ten opzichte van de genoemde bepalingen. Reden hiervoor is de rechter meer mogelijkheden te geven rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. Deze bepaling loopt samen met het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen (consultatie), waarin eveneens wordt voorzien in een mogelijkheid voor het gerechtshof dat kennisneemt van het hoger beroep om de dadelijke uitvoerbaarheid te schorsen. Een eventuele schorsing eindigt uiteraard op het moment dat in beroep over de zaak is beslist.”
VI. De instantie die in hoger beroep bevoegd is tot kennisneming van het verzoek tot opheffing of schorsing van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid 20. Art. 6:6:6 Sv spreekt van “de rechter die kennisneemt van het beroep”. Met deze formulering wordt niet precies aangegeven wie onder deze rechter is te verstaan: enkel de zittingsrechter in hoger beroep, die de zaak inhoudelijk behandelt, of ook de raadkamer van het hof?
En in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod) staat het volgende te lezen: “Indien de rechter in eerste aanleg de dadelijke tenuitvoerlegging heeft bevolen, beoordeelt het gerechtshof of de dadelijke tenuitvoerlegging moet worden voortgezet. Wanneer het gerechtshof al snel tot het oordeel komt dat de maatregel niet in stand kan blijven, kan het gerechtshof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. In andere gevallen bepaalt het gerechtshof bij de bevestiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of bij het opleggen van de (gewijzigde) maatregel of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet of moet worden bevolen.”
Hoewel beide memories van toelichting hier vermoedelijk doelen op de situatie dat de zittingsrechter vooruitlopend op de einduitspraak (in een tussenarrest) al een beslissing geeft ten aanzien van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, sluiten mijns inziens ook deze citaten de bevoegdheid van de raadkamer van het hof in dezen niet uit.
VII. Slotsom 26. Indien en voor zover in het onderhavige oordeel van het hof ‘s -Hertogenbosch besloten ligt dat de raadkamer van het hof ingevolge art. 21 Sv niet bevoegd is kennis te nemen van een ingekomen verzoekschrift tot opheffing of schorsing van een in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaarden of van een daarvoor in aanmerking komende sanctie, getuigt dit oordeel naar mijn inzicht van een onjuiste rechtsopvatting.
VIII. Het cassatiemiddel 27. Omdat de raadkamer van het hof ’s-Hertogenbosch zich naar mijn inzicht ten onrechte onbevoegd heeft verklaard een beslissing te geven op het ingekomen verzoek tot opheffing van de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, stel ik naar aanleiding daarvan in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor: “Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van art. 21 Sv en art. 6:6:6 Sv, doordat de raadkamer van hof zich onbevoegd heeft verklaard te beslissen op een verzoek tot opheffing van een bevel van de rechtbank tot dadelijke uitvoerbaarheid van gestelde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht en heeft geoordeeld dat een dergelijke beslissing enkel is voorbehouden aan de zittingsrechter die in hoger beroep over het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep zal oordelen.”
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met raadkamernummer 001161-19 en met parketnummer 20-002460-19. Op 18 maart 2020 heeft het hof onder hetzelfde parketnummer arrest gewezen.
Luidend: “Voor zover niet anders bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist”.
Ook het jeugdstrafrecht is bekend met de mogelijkheid tot dadelijke uitvoerbaarheid. Zie in dat verband de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (art. 77w, zesde lid, Sr) en de voorwaardelijke straf als bedoeld in art. 77x, eerste lid, Sr wat betreft de gestelde voorwaarden, de hulp- en steunverlening en het uit te oefenen toezicht (art. 77za Sr). Het aanvullende gevaarscriterium zonder hetwelk de dadelijke uitvoerbaarheid in het jeugdstrafrecht niet kan worden tenuitvoergelegd, houdt in dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen en de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de jeugdige is”, respectievelijk dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”.
De voorwaarden die bij een voorwaardelijke TBS worden gesteld staan sowieso in het teken van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen (art. 38, eerste lid, Sr). In art. 14e Sr houdt het gevaarscriterium in dat “er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”. De dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel kan op grond van art. 38v, vierde lid, Sr alleen worden bevolen “indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen”. Zie ook randnummer 6, waarin de genoemde wettelijke bepalingen zijn weergegeven, en de randnummers 12 en 13, waarin nader op de voorwaardelijke straf en de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ingegaan.
Het betreft telkens de thans geldende wettekst.
Met parketnummer 02/063176-19.
HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1161, NJ 2006/223 waarin de Hoge Raad verwees naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 38m Sr. Zie ook HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5952, NJ 2008/289, m.nt. Mevis, HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5990 en Rb. Haarlem 14 september 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ8166. Zie voorts F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, derde herziene druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 223.
Zie: Rb. Midden-Nederland 24 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5390; Rb. Midden-Nederland 6 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1233 ; Rb. Noord-Holland 25 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2910; Rb. Amsterdam 19 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5800; Rb. Den Haag 16 juni 2020, ECLI:RBDHA:2020:5312 . In Rb. Amsterdam 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6114 had de rechtbank de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd, maar afgezien van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de gestelde bijzondere voorwaarden omdat het recidiverisico zich nog niet had geopenbaard. Tegenover deze uitspraken staan ook vonnissen waarin (terecht) expliciet wordt overwogen dat de wettelijke grondslag ontbreekt voor een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid bij de (voorwaardelijke) ISD-maatregel. Zie bijvoorbeeld: Rb. Haarlem 21 september 2019, ECLI:NL:RBHAA:2012:CA0008; Rb. Noord-Holland 26 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:6534; Rb. Noord-Holland 2 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2020; Rb. Amsterdam 17 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5564; Rb. Overijssel 28 april 2020, ; en Rb. Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4759.
Zie daarvoor ook P.C. Vegter, ‘Voorwaardelijke sancties’, in: G. Knigge e.a. (red.), Gehoord de Procureur-Generaal. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.W. Fokkens ter gelegenheid van zijn afscheid als Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 307-318 (i.h.b. p. 315-316).
Zie voetnoot 8.
Bij wet van 1 juli 2010, Stb. 2010, 270.
Zie over dat eindrapport Kamerstukken II 2005/06, 30 250, nrs. 4-5.
Kamerstukken II 2008/09, 31 823, nr. 3, p. 7-8.
Bij wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545; zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 12.
Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 12-13.
Bij wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 546.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 12 en 24.
Voor zover ik heb kunnen nagaan is bij de parlementaire totstandkoming van de ISD-maatregel, en ook bij latere wetswijzigingen, de mogelijkheid van dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel in het geheel niet ter sprake geweest. De laatste wetswijziging in dit verband is van 1 juli 2010, dus nog voordat op 1 september 2010 de TBS met voorwaarden (als eerste sanctie) voor onmiddellijke tenuitvoerlegging vatbaar werd. Wel kondigden de toenmalige minister en de toenmalige staatsecretaris van Veiligheid en Justitie in een gezamenlijke brief van 6 februari 2012 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een onderzoek aan naar een ruimere regeling van de dadelijke uitvoerbaarheid van rechterlijke vonnissen (Kamerstukken II 2011-2012, 29 279, nr. 132 , maar of aan dit voornemen een concrete invulling is gegeven, heb ik niet kunnen achterhalen.
De raadkamer van het hof Leeuwarden boog zich op 29 oktober 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1616) over het verzoek tot de op grond van art. 14e Sr opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarde. De vraag naar de bevoegdheid van de raadkamer is toen niet (eens) aan de orde gesteld. Hetzelfde geldt voor: hof Arnhem-Leeuwarden, 6 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4455 (vrijheidsbeperkende maatregel); hof Amsterdam 18 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1692 (voorwaarden en toezicht bij voorwaardelijke gevangenisstraf); hof Den Haag 7 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:584 (voorwaardelijke plaatsing in inrichting voor jeugdigen). Zie voorts het arrest van de meervoudige strafkamer van hof Amsterdam 16 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:5030 (opheffing bevel dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel) en het tussenarrest van de meervoudige strafkamer van hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2015, ECLI:Nl:GHARL:2015:8976 (afwijzing verzoek opheffing dadelijke uitvoerbaarheid van maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige).
Stb. 2012, 410. Thans dus het zesde lid (zie randnummer 6).
Stb. 2017, 82 Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3 , p. 100-101.
Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 13.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 18.