ECLI:NL:PHR:2022:65
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03242 Zitting 1 februari 2022 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte.
Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 1 oktober 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 subsidiair “als ambtenaar ontucht plegen met een persoon aan zijn waakzaamheid toevertrouwd, waarbij hij als ambtenaar door het begaan van dat strafbare feit gebruik maakt van gelegenheid hem door zijn ambt geschonken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2 “medeplegen van valsheid in geschrift, waarbij hij als ambtenaar door het begaan van dat strafbare feit gebruik maakt van gelegenheid hem door zijn ambt geschonken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen 5. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat: “hij op 20 februari 2012 te [plaats] en te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, als ambtenaar ontucht heeft gepleegd met een persoon, te weten [aangeefster], die aan hun waakzaamheid was toevertrouwd, immers hebben hij en zijn mededader, werkzaam als opsporingsambtenaar/politieambtenaar, die [aangeefster], die kennelijk verkeerde onder invloed van een meer dan geringe hoeveelheid alcohol, tijdens een surveillance in hun dienstauto meegenomen, waarbij zij die [aangeefster] lieten weten haar naar haar verblijfsadres te brengen, en vervolgens die [aangeefster] gevingerd en hun penissen gebracht in respectievelijk haar mond en in haar vagina terwijl verdachte bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van gelegenheid hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken”.
Feit 1 Ontucht 1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen betreffende informatief gesprek zeden gevoerd op 20 februari 2012, d.d. 21 februari 2012, documentnummer 1, opgenomen op pagina 26 tot en met 28 van het dossier met nummer 20120021, voor zover inhoudende: als verklaring van [aangeefster] (...) Het was de bedoeling dat wij op zondagavond 20 februari carnaval zouden gaan vieren in [A]”. (...) Ik heb mij verkleed in carnavalskleding. Ik droeg een zwarte jurk, een huidkleurige panty, laarzen, en had een klein platzwart tasje. Ik droeg verder een groene jas (HM) en had een roze pruik, model Bobline, op mijn hoofd en droeg een roze boa met veertjes. (...) Vanuit de woning aan de [a-straat 1] ben ik omstreeks 21.00 uur, lopend naar “[A] ” gegaan. (...) Bij [A] heb ik 10 muntjes gekocht. Ik heb alle 10 munten opgemaakt. (...) Ik voelde mij niet lekker (...) Nadien had ik zoiets van ik blijf ook niet en besloot om naar huis te lopen. Ik had op dat moment wel het gevoel dat ik teveel alcohol had gedronken. Via de brug over het kanaal ben ik in de richting van het tankstation gelopen. (...) Onderweg heb ik nog wat berichtjes via de telefoon beantwoord. (...) Onderweg voelde ik mij weer niet goed worden en heb even tegen de gevel van een woning aangeleund. Ik kon niet tegelijkertijd lopen en berichten versturen. Gelijktijdig stopte er rechts van mij een auto. Dat was een grijze auto. Dat was om 00.10 uur. Toen ik in de auto keek zag ik dat er twee politieagenten in de auto zaten. Ik herkende de beide politiemannen als dezelfde die ik op 3 of 4 februari 2012 was tegen gekomen in “[A].” Zij vroegen aan mij of ik mij voelde en of het wel goed ging. Ik zei tegen hen: “Ja hoor, ik loop zo naar huis.” Kennelijk konden zij zien dat ik teveel had gedronken. Tevens vroegen zij aan mij of ik naar huis gebracht wilde worden.
Ik wilde wel gebruik maken van dit aanbod. Ik vond het wel fijn dat ik naar huis gebracht werd en het voelde ook wel goed dat het politie was waarin ik wel vertrouwen had. Per slot van rekening had ik anders alleen moeten lopen met mogelijke dronken carnaval gangers. Ik dacht dat het misschien wel verstandig was om met hen mee te gaan. De afstand vanaf daar naar mijn woning was ongeveer 1 kilometer. (...) Ik ben toen bij hen ingestapt. Ik moest op een gegeven moment lachen, want ze reden kats de verkeerde kant op. Ze reden namelijk rechtdoor richting de [b-straat], het gemeentehuis en nog verder. Ik weet niet meet waar we toen precies waren. De donkere man die rechts voorin zat, begon me toen vragen te stellen over seks en zo.
De andere politieagent reed en zei niet zoveel. Ik weet niet meer alles wat er gezegd is, maar ik weet nog wel dat die donkere man aan mij vroeg of ik wel eens geslikt had. Ik antwoordde hem dat ik dat wel een keer gedaan had. (...) Die politieagenten wisten nog dat ik bij mijn oma logeerde. Ik zei tegen hen dat ze verkeerd reden, maar ik hoorde toen dat zeiden: ‘We moeten onze ronde wel afmaken”. (...) Die donkere politie agent vroeg of ik haar had onder. Ik antwoordde dat ik dat niet had en dat ik daar een hekel aan heb. Hij vroeg toen aan mij of hij mocht voelen. Dat mocht van mij. Ik ben toen al omgevallen. Ik bedoel daarmee dat ik plat kwam te liggen op de achterbank van de auto. Op een gegeven moment is de auto gestopt.
Aan beide kanten gingen de portieren van de auto open. (...) Die donkere jongen stopte toen zijn penis in mijn mond. De andere man trok toen mijn laars uit en mijn panty. Volgens mij is hij toen wel even bij mij binnen geweest. Ik bedoel hiermee dat hij met zijn penis in mijn vagina is geweest. Dat voelde ik volgens mij. Ik hoorde die andere man ook nog zeggen dat het niet lukte zo en dat het veel te krap was in de auto. Ik hoorde toen ook nog zeggen dat ik wel mijn kleding weer aan moest trekken. (...) Als ik nuchter was geweest, was dit nooit gebeurd. Toen ik boven was bij oma thuis, toen kwam het besef. Toen moest ik heel hard huilen. Ik wist dat het politieagenten waren omdat ze dat eerder tegen mij hadden gezegd.
Ik hoorde ook de politie radio in de auto. Ik kon niet verstaan wat er gezegd werd op die politieradio. Het was een geen opvallende politieauto, het was volgens mij een zilverkleurige auto. Ik zat in eerste instantie achter de bestuurder in de auto. De seksuele handelingen zijn alleen in de auto gebeurd. Het zou goed kunnen dat er van mij nog iets in de auto is achtergebleven, Ik had namelijk allemaal veertjes aan mijn roze boa. (...) De donkere man stond buiten en ik heb hem alleen maar gevoeld. Ik had mijn ogen dicht de hele tijd. Ik was zo dronken. Ik weet niet zeker of hij klaargekomen is in mijn mond. Ik denk het wel, ik proefde op enig moment wel wat, hij stopte toen ook. (...) Later zag ik een vlek op mijn jas.
Die andere man trok zich terug en zei dat de auto te krap was. Die andere was bovenop mij gekropen. Hij deed zijn penis dus in mijn vagina, maar dat lukte niet zo goed. (...) Er werden geen condooms gebruikt. Toen ik thuis kwam, hoorde ik mijn oma vragen of ik er weer was. Ik zei dat ik het was en ik ben toen naar boven gegaan. Ik kwam oma tegen op de gang. (...) 2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen m.b.t. uitwerking van verhoor aangeefster [aangeefster], d.d. 1 maart 2012, documentnummer 2, opgenomen op pagina 43, 50 tot en met 55 en 57 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
De verhoorders worden aangegeven met [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Aangeefster wordt aangegeven met [aangeefster] (...) [verbalisant 1]: Hoe laat ben je daar weggegaan? [aangeefster]: Het was zo twaalf uur toen ik op de telefoon keek. [verbalisant 1]: Ok. Je zegt het was net na twaalf uur omdat je op je telefoon keek en je daar het tijdstip op zag. [aangeefster]: Ik zag daar het tijdstip op. Ik bedacht dat ik nog redelijk op tijd was, vond ik wel omdat want in principe als je uitgaat is twaalf uur op zich wel een mooie tijd om naar huis te gaan om het zo maar te zeggen. Ik weet dat die gedachte ergens door mijn hoofd is gegaan. Ik heb nog gereageerd op de berichtjes en daarom stond ik stil, het ging niet om het te doen en te lopen, het ging niet. (...) Ik was in ieder geval de brug over gelopen voorbij het benzinestation, dat weet ik zeker. (...) Ik was onvast ter been. (...) Toen stopte er een auto naast mij, die vroeg of alles ok was. (...) Ik heb gezegd dat alles prima was en dat ik zo naar huis zou lopen, weet je wel. (...) Ik zag dat het twee politieagenten waren. Ik herkende ze. [verbalisant 1]: Hoe weet je dat het politieagenten waren? [aangeefster]: Ze hadden kleding aan, uniform dus, en ik hoorde de radio in de auto. (...) En ik had ze al eerder ontmoet he. Ook in [A]. In de nacht van 3 op 4 februari.
Ze hadden mij aangeboden dat ze mij naar huis zouden brengen. Mijn vriendin zat achter de kassa. Die politiemensen waren daar voor in de hal.(...) Mijn vriendin is [betrokkene 1] Toen dacht ik ik vind het eigenlijk wel netjes dat ze het aanbieden, gewoon, een vrouw alleen over straat. Toen heb ik het niet aangenomen omdat ik niet naar huis toe wou. [verbalisant 1]: Beveiliging, politie, wat heeft dat voor invloed op jou? [aangeefster]: Meestal raak ik daar wel van onder de indruk zeg maar.(...) Het dwingt gewoon wel een stuk respect af. Ik heb wel eens dat ik wat aan de politie heb gevraagd en dat vond ik toch wel heel erg spannend zeg maar.(...) [verbalisant 1]: Nou gaan we weer terug naar zondagavond even. Je zegt je kwam eruit en op de brug heb je waarschijnlijk je telefoon gepakt toen ben je voorbij het tankstation gegaan en je zegt nou en je was onvast ter been en toen ben je gaan kijken... wat heb je toen gedaan? [aangeefster]: Ik heb berichtjes verstuurd. Naar [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Dat was na twaalf uur. (…) Ze kwamen naast mij. Ik stond geleund ergens tegenaan en toen vroegen ze of alles goed was. Ik heb toen gezegd dat alles goed was en dat ik naar huis ging omdat het maar een klein stukje lopen was. Toen is er iets van een herkenning geweest.
Ik heb toen mijn pruik afgehaald ook, toen zij mij vroegen of zij mij ook naar huis konden brengen. Toen liep ik volgens mij al naar de auto. Ik deed mijn pruik af en toen zei hij: “Dat is beter”. (...) En toen ben ik achterin gaan zitten. (...) Achter de bestuurder in eerste instantie. Dat is ook waar ik ingestapt ben. (...) Volgens mij ben ik wel iets meer naar midden geschoven. (...) [verbalisant 1]: Ja, ja ok. Dus eigenlijk als ik jou goed begrijp heb je zelf het portier opengedaan en ben je ingestapt. [aangeefster]: (Knikt met haar hoofd.) Ja. [verbalisant 1]: Dus daar kan ik uit opmaken dat het een auto is geweest met vier portieren. [aangeefster]: Ja. absoluut. Zilverkleurig (...) Ik was heel gammel. Toen begonnen ze te rijden. Ze reden de verkeerde kant op en daar moest ik om lachen. Ten zei ik: Jullie gaan de verkeerde kant op. Toen zeiden ze: ja, nee we moeten nog even onze ronde afmaken. (..) Toen we die kant opreden toen begon die donkere, te vragen, allemaal seksuele vragen. (...) Ik weet niet of de auto daar ergens gestopt is of dat wij de bocht omgingen. Ik weet in ieder geval, dat voordat ie ging voelen dat ik lag op de achterbank (gaat met haar bovenlichaam opzij naar rechts). (...) Hij voelde gelijk verder, zeg maar en hij stak zijn vinger naar binnen en zo. (...)Hij zat praktisch omgekeerd op de stoel. (..) Hij vroeg of hij mocht voelen en die andere zat met zijn handen aan het stuur. Daarom denk ik ook dat ik al lag omdat hij volgens mij mijn rok omhoog trok, ja dat moet haast wel. In ieder geval weet ik dat hij mijn panty wat naar beneden trok. Ik had een panty aan en een onderbroek. (...) Ik weet dat de auto gestopt is. Ze zijn gewoon uitgestapt. Aan beide kanten gingen de achterdeuren open. [verbalisant 1]: En wie stond er aan de kant van jouw hoofd. Je ligt dus op de achterbank.. [aangeefster]: Die donkere. (...) Die andere stond aan de andere kant. (...) Volgens mij lag ik bijna op mijn rug. (...) [verbalisant 2]: Even de volgorde. Je zegt beide achterdeuren gaan open, ik ben bijna op mijn rug met je hoofd...je benen waren al wat gespreid zegje, doordat hij al gevoeld had en dan voel je in een keer dat hij de penis in je mond stopt. Dan zegt ie: “Vind je wel goed. ” (...) [aangeefster]: Ja. (...) Volgens mij ging hij wat op en neer en zo en ik heb zelf het idee, want die andere trok mijn laarzen uit en mijn panty en mijn onderbroek dus van één been, de andere niet. Het kan best zijn dat hij mijn been verder omhoog heeft gedaan, weet ik niet. Ik weet alleen dat hij bovenop mij klom en dat ik voelde dat hij ook bij mij naar binnenkwam. En dan bedoel ik zijn penis in mijn vagina, (...) ik weet dat hij terugtrok en hij zei: “Dat is te krap.”, of iets in die richting: “Dat kan niet, het is te krap, hier in de auto.” Zo iets heeft ie gezegd. (...) en die andere die ging er toen mee door. (...) Ik weet alleen dat ik op een gegeven moment wel een raar smaakje had, van wat ik eigenlijk wel herkende van dat ik wel eerder heb geslikt (...)
(..) Ik wil naar binnen weet je wel. Toen mocht ik de auto niet uit want ik kon er niet uit. Ik moest de panty aandoen. Ik dacht: Hoe kan ik de panty aandoen ik ben veel te dronken om die panty goed aan te doen. Volgens mij heb ik dat nog gezegd: het gaat helemaal niet lukken om die panty aan te doen, ik heb mijn best gedaan, ik heb hem hartstikke kapot getrokken volgens mij. Mijn laars heb ik weer aangekregen en ik kon de auto uit. [verbalisant 1]: waarom mocht je de auto niet uit? [aangeefster]: Omdat ik mijn panty nog niet aanhad. (..) Dat is voor mijn oma’s huis. (...) [verbalisant 2]: Je zei over het algemeen uniformen dwingt mij wel respect af. [aangeefster]: Ja maar dan heb je toch geen respect voor als iemand (begint te huilen) zelf over seks begint. (..) Ze reden al de andere kant op, ik had iets in mijn achterhoofd dat klopt ook niet helemaal, ik dacht ik lach het maar weg, ik zit toch in de auto. (..) Nou sorry dat ik het zeg, maar de politie moet onder hun diensttijd geen seks gaan hebben met dronken meisjes. Vanuit die benadering denk ik: dat hadden zij niet mogen doen. (..) En dat ik geen nee heb gezegd, ja dat is mijn verantwoordelijkheid. Ik voel mij daar rot over omdat ik het eigenlijk niet wou. (...) Ik weet ook nog dat toen ik thuiskwam, dat moet ik wel zeggen dat kan ik mij heel goed herinneren dat ik in de spiegel keek en gehuild heb en dat ik dacht: dit wil ik helemaal niet.
De politiemannen hadden donkere kleding aan en een kogelvrij vest. Ik weet dat omdat ik dit bij beiden heb gevoeld. Ik voelde dat het niet hun eigen lichaam was. De donkere stond achter mij en die had zijn penis in mijn mond gestopt. Ik heb mijn beide handen boven mijn hoofd gebracht en voelde de blokjes van het kogelvrije vest van die donkere politieman. Het voelde niet als een lichaam. Die andere politieman is bovenop mij geklommen. Toen hij dat deed voelde ik het vest op me. Op mijn buik en met mijn handen.
Ik wist dat het om politieagenten ging omdat ik dat aan hun kleding zag. Ik was behoorlijk dronken. Ik had wel gelijk door dat ze niet de juiste route reden, die avond.
De donker getinte agent stapte uit aan de bijrijderskant. Hij vroeg of hij mij naar huis wilde brengen. Ik weet dat hij gezegd heeft dat toen ik de pruik had afgehaald dat hij zei: dat is beter. Ze zaten in een niet herkenbare politieauto, maar er zat wel een politieradio in. Ik weet niet wat de eerste vraag van de donkere man was. Een vraag is wel blijven hangen en dat is of ik wel eens seks had gehad met twee mannen. Mijn antwoord was dat ik daar wel eens over nagedacht had, maar dat ik het niet wou. Ik wilde ze niet het idee geven dat ik het zou willen, daar ben ik heel duidelijk in.
Er gebeurden toen allemaal dingen, dat voel je. Beide deuren gingen open. Volgens mij viel ik naar rechts. Ik zag de blanke man bij mijn voeten staan. Op een gegeven moment voelde ik een penis in mijn mond.
Toen de donkere man nog voor in de auto zat toen zei hij of hij mocht voelen. Tijdens het betasten is hij wel met een vinger in mij geweest.
Ik had wel de indruk dat hij klaar was gekomen. Ik was opgelucht omdat het aan de andere kant van de auto het snel stopte. Die man aan de andere kant klom bovenop me en ik weet dat hij snel stopte.
Ik kwam thuis die avond. Ik ben naar zolder gegaan, mijn oma had nog wel wat tegen mij gezegd. Mijn kleding had ik van me afgegooid. Ik wou doen alsof het niet gebeurd was. Ik heb via Google begrepen dat je HIV kunt krijgen van klaarkomen in de mond en daar schrok ik van. Het gesprek dat ik uiteindelijk met mijn oma heb gehad over wat er gebeurd was heeft ook bijgedragen om toch de politie te bellen.
De donkere man stond bij mijn hoofd, de andere bij mijn voeten. Ik lag op mijn rug met mijn hoofd naar achteren toen de penis in mijn mond kwam. Ik voelde dat de mannen een vest onder hun kleding aanhadden. Ik voelde harde blokjes, dat is blijven hangen. Toen de ene man was klaargekomen heb ik een deel doorgeslikt en een deel is op mijn jas gekomen. Ik weet dat het bitter in mijn mond was.
De volgende dag was een rare dag. Mijn oma merkte dat het niet goed met mij ging. Ik kan niet doen alsof. Ze zag aan mij dat ik niet goed in mijn vel zat. Ze vroeg me wat er toch was en ik heb alles er uit gegooid.
Ik schaam me voor wat er gebeurd is. Omdat ik het op een gegeven moment heb toegelaten.
Ik vond het erg wat er gebeurd was omdat ik als ik alles van te voren had geweten ik niet was ingestapt. Ik ben niet met die intentie ingestapt want ik wilde naar huis. Ik heb aangifte gedaan omdat de mannen misbruik maakten van mijn situatie op dat moment. Ik zou ook nooit bij vreemde mannen in de auto stappen. Ik waande me veilig omdat het politiemannen waren. […] 21. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 29 februari 2012, nummer 20129921 Vanuatu, documentnummer 41, opgenomen op pagina 190 tot en met 196 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van verdachte [verdachte]:
V: Welke dienst had je op zondag 19 februari 2012?
A: Ik had dienst van 20.00 uur tot 04.00 uur met [medeverdachte]. (...) V: Welke werkzaamheden verricht je tijdens die dienst?
A: Ik had toezicht op de carnaval. Dit was horecatoezicht en we behandelen dan alle zaken die ij het carnaval plaats vinden. (...) A: Een Vos dienst is een horecadienst. Je bent er dan speciaal voor de horeca meldingen.
V: Met wie had jij van zondag 19 februri 2012 op maandag 20 februari 2012 dienst gehad?
A: Met [verdachte]. Dat was de gehele dienst.
Ik droeg een politieuniform bestaande uit de blauwe broek en blauwe politietrui.
Onder mijn trui droeg ik mijn witte kogelwerende vest. [verdachte] droeg dezelfde kleding als ik.
Ik draaide een horecadienst.
V: Van welk voertuig heb je die avond gebruik gemaakt?
A: Een grijze Volkswagen Golf. Dat was een onopvallende Golf.
V: Wat was het roepnummer van deze dienstauto?
A: Dat was de 64.18.
Tussen 20.00 uur en 04:00 uur zijn [verdachte] en ik de enige geweest die gebruik hebben gemaakt van de Golf, de 64.18.
Ik bestuurde de auto, de gehele dienst.
Ik heb die avond [verbalisant 3] in de buurt van [A] gesproken.
Wij hebben [verbalisant 3] en [verbalisant 4] gesproken aan de [c-straat]. Dat moet voor de discotheek [A] zijn geweest of bij de parkeerplaats.
V: Wie van jullie heeft met de vrouw gesproken?
A:[verdachte] heeft met de vrouw gesproken.
Hij praatte naar achteren.
Ik was aan het auto rijden.
Feit 2. Valsheid in geschrift […] 25. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met bijlage van verbalisant [verbalisant 5], houdende een uitwerking meldkamergesprekken met bijlage d.d. 27 februari 2012, onderzoek Vanuatu, documentnummer 59, opgenomen op pagina 236 tot en met 239 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
A.
Als relatering van verbalisant, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
Door mij zijn berichten en mobilofoonverkeer uitgeluisterd vaan een aantal surveillanceauto’s van het district Zuid, team Raalte van de politie IJsselland.
In de auto met roepnummer 64-18 zitten de politiemensen [verdachte] en [medeverdachte].
1e uitgewerkte gesprek: 20022012-[…]-91775-01-00 Meldkamer 64:18 geef bericht 64-18 Kunt u voor ons even een melding aanmaken aan de [d-straat], in het kader van hulpverlening. We treffen een jongedame aan die redelijk beschonken is. Die brengen we even terug naar de [a-straat 1].
Meldkamer En u wilt hem onder de [d-straat] hebben staan?
64-18 Ja, graag, in [plaats] Meldkamer Ja, maak een melding aan Einde gesprek Bij dit proces-verbaal wordt gevoegd een overzicht van gevoerde gesprekken.
B.
Een schriftelijk bescheid, te weten een bij het proces-verbaal gevoegde bijlage, voor zover relevant:
20.02.2012 […] 64.18 [d-straat] [plaats] verzoek om melding aan te maken in het kader van hulpverlening ivm dronken dame. […] 27. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 15 maart 2012, nummer 1203151310.LINNS73, onderzoek Vanuatu, documentnummer 64, opgenomen op pagina 264 tot en met 274 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende: als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] V: Waarom heb je een mutatie opgemaakt van het thuisbrengen van de aangeefster [aangeefster] op de [a-straat]?
A: Omdat mijn collega [verdachte] daar naar gevraagd heeft. Hij heeft contact gezocht met de meldkamer om deze mutatie aan te maken.
Ik heb deze mutatie aangemaakt. Ik heb hem erin gezet en ik heb aan hem de gegevens gevraagd van degene die wij thuis hebben gebracht.
Opmaakdatum/tijdstip : maandag 20 februari 2012 te 02:55 uur Hoofdincident Datum/tijdstip kennisname : maandag 20 februari 2012 […] Pleegdatum/tijd : Op maandag 20 februari 2012 […] Plaats voorval : [d-straat], [plaats] Soort locatie : Openbare weg/-water Verbalisanten : [verdachte] ([001]) [medeverdachte] ([002]) Toelichting bij het incident Reden rapps op de [d-straat] en zagen daar een jonge dame (meerderjarig) met roze pruik tegen een woning aangeleund staan.
Gevraagd of het ging. Ze bleek zwaar onder invloed te zijn van de carnavalsalcohol. Bij de [A] voelde zich nog wel goed, echter nu draaide de wereld voor haar ogen.
Vermoedelijk door het temperatuurverschil binnen en buiten.
De dame was alleen en moest na doorvragen naar de [a-straat], alwaar ze bij haar oma sliep. In het kader van de hulpverlening de rozeharige dame naar de [a-straat 1] gebracht, alwaar ze op eigen kracht naar binnen is gegaan.
Plaats melder:
VROUWSPERSOON ONDER INVLOED, COLL. BRENGEN HAAR THUIS NAAR [a-straat].
INCIDENTLOCATIE GEWIJZIGD IN [d-straat] [plaats].
EENHEID 6418 VR.
Betrokkene : [aangeefster] (vrouw), geboren op [… ] 1978 te […], […].”
Het hof overweegt dat deze verklaring van aangeefster ondersteuning vindt in ander bewijs. […] Functionele relatie De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat geen sprake is geweest van een functionele afhankelijkheid die ervoor heeft gezorgd dat de wilsvrijheid van aangeefster werd beperkt, waardoor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
In de nacht van 19 op 20 februari 2012 draaide verdachte samen met de medeverdachte als politieagenten een horecadienst. Niet in discussie is dat verdachte tezamen met zijn medeverdachte als dienstdoend politieman toen was belast met de wettelijke taak de rechtsorde te handhaven en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Zij maakten tijdens hun werkzaamheden die nacht gebruik van een dienstauto en waren gekleed in politie-uniform. Zij spraken aangeefster tijdens hun surveillance aan vanuit hun dienstauto en informeerden of het wel ging. Vervolgens hebben zij aangeefster gevraagd of zij thuis gebracht wilde worden.
Het hof twijfelt niet aan de dronkenschap van aangeefster zoals door haarzelf beschreven. Aangeefster is op het aanbod ingegaan en vond het fijn dat zij naar huis kon worden gebracht en - aldus haar verklaring - het voelde goed dat het politie was waarin zij vertrouwen had.
De geformaliseerde relatie tussen verdachte en medeverdachte enerzijds en aangeefster anderzijds ziet op de manier waarop aangeefster werd meegenomen in de dienstauto. Zij heeft, zoals te lezen valt in de woordelijke uitwerking van het eerste verhoor, zelf verklaard dat zij bij verdachte en medeverdachte in de auto stapte omdat zij zag - en van een eerdere ontmoeting wist - dat het agenten waren. Hun kwaliteit als politiebeambten zorgde er dus voor dat aangeefster is ingestapt. Indachtig de idee dat de politie er is om hulp te bieden aan hen die die nodig hebben, is het gegeven dat aangeefster in haar beschonken en op dat moment door de nachtelijke straten alleengaande toestand bij verdachten instapte, begrijpelijkerwijs te koppelen aan het feit dat verdachten politieagenten waren.
Die omstandigheid maakt dan ook dat zij aan de waakzaamheid van verdachte en medeverdachte in hun hoedanigheid van politieagenten was toevertrouwd. Gelet op aangeefsters verklaring in het eerste verhoor was er voor wat betreft het seksuele contact dat weinig later plaats vond voorts geen sprake van een reële positieve beslissing dan wel van actieve vrijwilligheid van de kant van aangeefster om mee te doen. Uit het dossier volgt dat voor haar op dat moment de functionele relatie die zij met de agenten in de auto had een rol heeft gespeeld in haar handelen in de auto bij de seksuele handelingen die de agenten bij haar verrichtten. Zij verklaart dat zij na thuiskomst huilde en het helemaal niet heeft gewild.
Door te handelen zoals verdachte en zijn medeverdachte onder de gegeven omstandigheden van die nacht hebben gedaan, hebben zij dan ook misbruik gemaakt van een gelegenheid die hen door hun ambt als politieambtenaar was geschonken.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit […] De rechtbank heeft als volgt overwogen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde: "(...) nu wettig en overtuigend bewezen is dat de verklaring van aangeefster met betrekking tot de door haar genoemde tijdstippen juist is, volgt daar uit dat het door verdachte en zijn medeverdachte opgemaakte mutatierapport ten aanzien van de daarin genoemde tijdstippen onjuist is opgemaakt, ter verhulling van het door verdachten (onder 1 bewezenverklaarde) gepleegde strafbare feit. […]"
Het hof verenigt zich met bovenstaande overwegingen en neemt deze over.”
Eerste middel 8. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot feit 1 subsidiair dat de verdachte geen opzet had op het plegen van ontucht.
Van dat aanbod heeft de aangeefster – voor wie het duidelijk was dat de verdachte en de medeverdachte politieambtenaren waren – gebruik gemaakt en zij is op de achterbank van de auto van de politieagenten gaan zitten. Ze zijn vervolgens niet rechtstreeks naar het verblijfadres van de aangeefster gereden, zogenaamd omdat de ronde moest worden afgemaakt, maar zijn naar een andere plek gereden. Onderweg heeft de verdachte aan de aangeefster vragen gesteld over seks, zoals of ze wel eens seks had gehad met twee mannen. Verder heeft hij de aangeefster gevraagd of ze “haar had onder”. Nadat ze antwoord had gegeven, heeft hij de aangeefster gevraagd “of hij mocht voelen”, waarna hij de aangeefster heeft betast.
Daarbij voelde de verdachte gelijk verder en bracht hij zijn vinger in de vagina van de aangeefster. Nadat de politieauto is gestopt, zijn de verdachte en de medeverdachte uitgestapt en hebben zij de achterportieren geopend. De aangeefster lag toen op de achterbank van de politieauto. De verdachte heeft zijn penis in de mond van de aangeefster gebracht en daarna gezegd “Vind je wel goed.” De medeverdachte heeft de aangeefster deels ontkleed en heeft zijn penis in de vagina van de aangeefster gebracht. Vervolgens hebben de verdachte en de medeverdachte de aangeefster naar haar verblijfsadres gebracht, waar de aangeefster pas mocht uitstappen nadat ze haar panty weer aan had gedaan. Nadien hebben de verdachte en de medeverdachte in een mutatierapport opzettelijk onjuiste tijdstippen opgenomen teneinde te verhullen wat er was gebeurd.
Daarbij merk ik allereerst op dat het hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat er wat betreft het seksuele contact geen sprake was van een reële positieve beslissing dan wel van actieve vrijwilligheid van de kant van aangeefster om mee te doen. Daarnaast meen ik dat zelfs indien de aangeefster met de seksuele handelingen zou hebben ingestemd, zoals gesteld, het hof gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden kon oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte wisten dat de seksuele handelingen die zij pleegden bij de aangeefster in strijd waren met de sociaal-ethische norm en dus als ontuchtig zijn aan te merken. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte en de medeverdachte de aangeefster – die volgens het mutatierapport zwaar onder invloed van alcohol was – in het kader van hun hulpverlenende taak als politieambtenaren met hun dienstauto naar haar verblijfsadres zouden brengen, dat zij haar onder valse voorwendselen hebben meegenomen naar een andere plek, dat de verdachte de aangeefster in de (rijdende) dienstauto heeft gevingerd en dat het penetreren van de mond en de vagina plaatsvond terwijl de aangeefster tussen de verdachte en de medeverdachte op de achterbank van de dienstauto lag.
Tweede middel 16. Het middel klaagt dat het hof het verweer dat de bestanddelen “een persoon aan zijn waakzaamheid toevertrouwd” en/of “gebruik maken van gelegenheid hem door zijn ambt geschonken” niet kunnen worden bewezenverklaard onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel op ontoereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen en/of deze bestanddelen op onjuiste, onbegrijpelijke althans ontoereikend gemotiveerde gronden heeft bewezenverklaard.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
In de nacht van 19 op 20 februari 2012 draaide verdachte samen met de medeverdachte als politieagenten een horecadienst. Niet in discussie is dat verdachte tezamen met zijn medeverdachte als dienstdoend politieman toen was belast met de wettelijke taak de rechtsorde te handhaven en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Zij maakten tijdens hun werkzaamheden die nacht gebruik van een dienstauto en waren gekleed in politie-uniform. Zij spraken aangeefster tijdens hun surveillance aan vanuit hun dienstauto en informeerden of het wel ging. Vervolgens hebben zij aangeefster gevraagd of zij thuis gebracht wilde worden.
Het hof twijfelt niet aan de dronkenschap van aangeefster zoals door haarzelf beschreven. Aangeefster is op het aanbod ingegaan en vond het fijn dat zij naar huis kon worden gebracht en - aldus haar verklaring - het voelde goed dat het politie was waarin zij vertrouwen had.
De geformaliseerde relatie tussen verdachte en medeverdachte enerzijds en aangeefster anderzijds ziet op de manier waarop aangeefster werd meegenomen in de dienstauto. Zij heeft, zoals te lezen valt in de woordelijke uitwerking van het eerste verhoor, zelfverklaard dat zij bij verdachte en medeverdachte in de auto stapte omdat zij zag - en van een eerdere ontmoeting wist - dat het agenten waren. Hun kwaliteit als politiebeambten zorgde er dus voor dat aangeefster is ingestapt. Indachtig de idee dat de politie er is om hulp te bieden aan hen die die nodig hebben, is het gegeven dat aangeefster in haar beschonken en op dat moment door de nachtelijke straten alleengaande toestand bij verdachten instapte, begrijpelijkerwijs te koppelen aan het feit dat verdachten politieagenten waren.
Die omstandigheid maakt dan ook dat zij aan de waakzaamheid van verdachte en medeverdachte in hun hoedanigheid van politieagenten was toevertrouwd. Gelet op aangeefsters verklaring in het eerste verhoor was er voor wat betreft het seksuele contact dat weinig later plaats vond voorts geen sprake van een reële positieve beslissing dan wel van actieve vrijwilligheid van de kant van aangeefster om mee te doen. Uit het dossier volgt dat voor haar op dat moment de functionele relatie die zij met de agenten in de auto had een rol heeft gespeeld in haar handelen in de auto bij de seksuele handelingen die de agenten bij haar verrichtten. Zij verklaart dat zij na thuiskomst huilde en het helemaal niet heeft gewild.
Door te handelen zoals verdachte en zijn medeverdachte onder de gegeven omstandigheden van die nacht hebben gedaan, hebben zij dan ook misbruik gemaakt van een gelegenheid die hen door hun ambt als politieambtenaar was geschonken.”
1° de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;
2° de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;
3° degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.” art. 44 Sr: “Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een derde worden verhoogd.” “Aan zijn waakzaamheid toevertrouwd”
Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren worden gestraft ontuchtige handelingen gepleegd:
1e. ...
2e. door ambtenaren met personen die aan hun gezag zijn onderworpen of aan hunne waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;
3e. ...
4.3.2 De m.v.t. op laatstgenoemde bepaling houdt voor zover hier van belang in: ' 'Indien de voldoening aan eigen lust niet tevens openbare schennis der eerbaarheid insluit, en noch door middel van geweld of bedreiging met geweld, noch ten aanzien van personen die jonger dan veertien jaren, krankzinnig of bewusteloos zijn gepleegd wordt, is zij alleen strafbaar voorzoover personen die een noodzakelijk gezag over anderen uitoefenen, zich daaraan ten aanzien van deze laatste schuldig maken. Art. 267 noemt deze verhoudingen; er bestaat dan een grof misbruik van gezag tegenover personen, die door geboorte of door dwang van anderen verpligt zijn, zich aan dat gezag te onderwerpen. Het ontwerp 1847 heeft de bepaling te ver uitgestrekt door ook te omvatten dienstbare en andere personen, die zich vrijwillig onder iemands opzigt gesteld hebben.' ' Het in de m.v.t. bedoelde ontwerp 1847, Boek II, XVIe titel, stelde voor zover hier van belang, in navolging van de Code Penal, aanranding van de eerbaarheid alleen strafbaar indien gepleegd hetzij in het openbaar, hetzij met geweld, hetzij tegen kinderen beneden 14 jaar of krankzinnigen, waarbij telkens als strafverzwarende omstandigheid zou gelden, voor zover hier van belang, 'indien de daden (…) gepleegd zijn door hen die magt, gezag of toezicht hadden over den beledigde'.
4.3.3 De m.v.a. bij de Wet van 18 juli 1936, Stb. 203, waarbij de hiervoor onder 4.3.1 bedoelde strafbepaling, behoudens vernummering en redactionele aanpassing, ongewijzigd werd gehandhaafd, omschrijft het in deze bepaling bedoelde 'gezag' als 'onmiddellijk uit het rechtsstelsel voortvloeiend overwicht'.
4.4 Deze wetsgeschiedenis geeft geen steun aan een uitlegging van het artikel waarbij onder de woorden 'gezag' c.q. 'waakzaamheid' mede worden begrepen gezag c.q. waakzaamheid die niet berusten op een juridische, geformaliseerde, relatie tussen de ambtenaar en de bedoelde persoon maar daarop dat 'een persoon zich uit eigen beweging aan het gezag van de ambtenaar onderwerpt of zichzelf aan hem toevertrouwt of aanbeveelt'.
4.5 Ook doel en strekking van de bepaling dwingen niet tot de door het hof gevolgde lezing. De bescherming die art. 249 tweede lid aanhef en onder 1e Sr biedt aan de daar genoemde personen is niet beperkt tot minderjarigen, zoals de bescherming die het eerste lid van het artikel geeft aan bedienden of ondergeschikten tegenover hun werkgevers, noch tot personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd of anderszins in een relatie van onvrijwillige feitelijke afhankelijkheid van anderen zijn gehuisvest, zoals de bescherming die het tweede lid aanhef en onder 2e biedt aan personen die zijn opgenomen in de daar bedoelde inrichtingen tegenover — kort samengevat — bestuurders en personeel van die inrichtingen. De bescherming van art. 249 tweede lid aanhef onder 1e Sr strekt zich uit tot allen wier vrijheid van handelen tegenover de ambtenaar niet anders is beperkt dan door het gezag dat deze aan zijn functie ontleent enerzijds en tot allen die aan de waakzaamheid waartoe zijn functie de ambtenaar verplicht een aanspraak op zorg jegens hem ontlenen anderzijds. Er is geen genoegzame reden die bescherming uit te breiden buiten de grenzen van het bij of krachtens de wet aan de ambtenaar opgedragen gezag c.q. waakzaamheid jegens personen die van het aldus opgedragen gezag c.q. de aldus opgedragen waakzaamheid afhankelijk zijn.
4.6 Op dezelfde gronden als hiervoor aangegeven kan niet als juist worden aanvaard 's hofs oordeel dat voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of van een toevertrouwd of aanbevolen zijn als in het artikel bedoeld niet beslissend is 'wat formeel of normaal tot de taak van de betrokken ambtenaar kan worden gerekend'.”
Opmerking verdient dat het huidige art. 249, tweede lid, onder 3, Sr – dat strafbaar stelt degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd – destijds nog niet was ingevoerd. Toenmalig AG Fokkens merkte op dat wat in die zaak is gebeurd, onder de voorgestelde bepaling zou vallen.
In de gebezigde bewijsmiddelen ligt besloten dat de verdachte toegang had tot […] binnen het kader van de vervulling van zijn wettelijke taak om als reclasseringswerker aan deze de hiervoor beschreven vroeghulp te verlenen.
Tot de stukken van het geding behoort een beschikking van de Rechter-Commissaris van 28 september 1988, waarbij de – op de hiervoren bedoelde inverzekeringstelling gevolgde – voorlopige hechtenis van […] werd geschorst; daarbij werd onder meer de voorwaarde gesteld dat hij contact zou opnemen met de verdachte in diens hoedanigheid van reclasseringswerker en zich naar de door of namens de door deze vertegenwoordigde reclasseringsinstelling gegeven aanwijzingen zou dienen te gedragen. Kennelijk ter nakoming van deze voorwaarde heeft […] de verdachte te diens kantore bezocht.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de aan verdachte verweten gedragingen hebben plaats gehad tijdens de door verdachte verleende vroeghulp en – na de schorsing van de voorlopige hechtenis – tijdens de bezoeken van […] aan de verdachte. Het vorenoverwogene brengt voorts mee dat de ontmoetingen tussen […] en de verdachte berustten op een juridische, geformaliseerde relatie tussen beiden. Derhalve kan worden gezegd dat […] tijdens die ontmoetingen aan de waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd. 's Hofs oordeel dienaangaande is juist en behoeft geen nadere motivering.”
4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard hetgeen hiervoor onder 3.1 is weergegeven.
4.3. Het in het onder 2 bewezenverklaarde besloten liggende oordeel van het Hof dat [slachtoffer] ook na 23 april 2001, toen zij ter open behandeling en kennelijk dus niet in de gesloten instelling "De Lindenhorst" opgenomen is geweest, nog aan het gezag van de verdachte onderworpen of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd, is niet zonder meer begrijpelijk. De middelen zijn in zoverre terecht voorgesteld.”
Dit brengt mee dat als een ambtenaar wordt beticht van seksuele handelingen bij of met een aan hem toevertrouwde man of vrouw het antwoord op de vraag naar het bestaan van deze rechtsverhouding beslissend zal zijn. Een dergelijke verhouding doet zich volgens ’t Hart niet voor wanneer er geen sprake is van een taak die is opgedragen door de wet of anderszins uit het recht, zoals uit een rechterlijke beslissing, voortvloeit, en de formele afhankelijkheidsrelatie dus ontbreekt, zoals indien het contact tussen de ambtenaar en de betrokkene wordt voortgezet wanneer die taak en afhankelijkheidsrelatie formeel zijn komen te vervallen of wanneer de betrokkene zich vrijwillig toevertrouwt aan de ambtenaar.
In de memorie van toelichting bij de Politiewet 1957 wordt over de hulpverlenende taak van de politie opgemerkt dat deze samenhangt met de opdracht van de politie om de rechtsorde te handhaven. Tevens wordt aangegeven dat onder de hulpverlenende taak verstaan wordt het verlenen van bijstand en raad aan het publiek, bijvoorbeeld het waarschuwen voor dreigende calamiteiten, het oplossen van noodsituaties waarin mens of dier zich bevinden of het verwijzen naar andere hulpverleners. In de loop van de tijd is deze hulpverleningstaak van de politie steeds breder geworden.
De afgelopen jaren is daarom over de reikwijdte van deze taak veel discussie gevoerd. In de kerntaken notitie die tegelijkertijd met het kabinetsstandpunt «Evaluatie politieorganisatie» aan de Tweede Kamer is gestuurd, is de hulpverleningstaak van de politie omschreven als: «Het is de bedoeling dat iedereen die werkelijk hulp behoeft wanneer andere hulpverlenende instanties ontbreken uiteindelijk een beroep kan doen op de politie.» De politie wordt daarmee gepositioneerd als een eerstelijnsorganisatie die tijdelijk de eerste opvang doet indien dit dringend is totdat de hulpverlening het overneemt.”
Indien het niet mogelijk is een persoon aan zijn eigen zorgkader over te dragen, biedt het tweede lid de mogelijkheid om personen in het kader van de hulpverlening op het politie- of brigadebureau onder te brengen. Aangezien de personen aan wie de politie hulp verleent niet onder het regime van het Wetboek van Strafrecht vallen, moet de ambtenaar bij het contact met deze personen uitgaan van de eigen wil van deze personen. Indien duidelijk is dat een persoon aan wie hulp wordt verleend niet mee wil naar het politie- of brigadebureau, is het niet mogelijk deze persoon tegen zijn wil onder te brengen op het politie- of brigadebureau. In artikel 15, eerste lid, van de Grondwet staat dat buiten gevallen bij of krachtens de wet bepaald, niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen.
Omdat noch de Politiewet 1993, noch enige andere wettelijke bepaling de mogelijkheid biedt personen tegen hun wil in het kader van hulpverlening onder te brengen, is een dergelijk handelen in strijd met artikel 15 van de Grondwet. Indien de betrokkene niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, bij voorbeeld wegens vergaande staat van dronkenschap en er sprake is van strenge vorst, waardoor hij zonder ingrijpen zou kunnen omkomen, heeft de ambtenaar de bevoegdheid om de betrokkene onder te brengen op het politie- of brigadebureau.”
Gebruik maken van gelegenheid hem door zijn ambt geschonken 37. Daarnaast keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachte misbruik hebben gemaakt van een gelegenheid die hen door hun ambt als politieambtenaar was geschonken.
Conclusie 42. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met weglating van voetnoten.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.
Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794, NJ 2010/376 m.nt. N. Keijzer.
Met weglating van voetnoten.
HR 19 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8366, NJ 1990/292 m.nt. Van Veen.
De vraag of sprake was van een persoon die aan het gezag van de ambtenaar was onderworpen is eveneens enkele malen in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde gekomen. Ik wijs in dat kader op HR 9 maart 1948, ECLI:NL:HR:1948:67, NJ 1948/369, HR 5 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8747, NJ 1991/530, en HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8274.
HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381 m.nt. Melai, rov. 5.1.
Conclusie AG Fokkens (onder 8) voor HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381 m.nt. Melai.
HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, NJ 1995/620 m.nt. ’t Hart, rov. 7.2.
HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3127.
Zie de noot van Melai (onder 2) onder HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381.
Zie de noot van ’t Hart (onder 5) onder HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, NJ 1995/620. Zie ook S.E. van den Brink & S.M. Milani, Zedelijkheidswetgeving. Een overzicht en analyse van zedendelicten (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 6), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 172-173, en A.J. Machielse in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, commentaar bij art. 249 Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt tot en met 15 augustus 2018).
R. Kool, ‘Veranderende zeden? Een overzicht en waardering van recente wetswijzigingen en jurisprudentie betreffende de zedelijkheidswetgeving’, DD 2004, 70, p. 922-923.
Kamerstukken II 1992/93, 22562, nr. 10, p. 47.
Met weglating van voetnoten.
Kamerstukken II 2006/07, 30880, nr. 3, p. 45-46.
Stb. 1994, 275, p. 275-276.
Zie over de mogelijkheid van hulpverlening tegen de wil van de hulpbehoevende de conclusie van toenmalig AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2010:BK3496, onder 19) voor HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3496, NJ 2010/177 m.nt. Buruma, en de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2019:1047, onder 21-23) voor HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1966, NJ 2020/238 m.nt. Reijntjes.
HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122 m.nt. Keijzer, rov. 2.2.
Noyon/Langemeijer/Remmelink, commentaar bij art. 44 Sr, aant. 4 (online, bijgewerkt tot en met 1 juli 2006).
HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8891, rov. 2.4.