PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/02611 Zitting 5 juli 2022 (bij vervroeging) CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte. Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 14 juni 2021 de verdachte in de zaak met parketnummer 16-659090-17 wegens 1. “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.” en 2 “Verkrachting, meermalen gepleegd en met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 16-660237-17 wegens “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van getuigen en/of het verrichten van nader onderzoek ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen, althans dat deze afwijzing onbegrijpelijk is. 4. Voordat ik tot de bespreking van de middelen overga, zal ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsconstructie en de relevante procesgang in hoger beroep weergeven. Het bestreden arrest 5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat: “Zaak met parketnummer 16-659090-17: 1. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 1992 tot en met 1 september 2001 te Utrecht met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen handelingen heeft gepleegd, die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1] , immers heeft verdachte - meermalen zijn penis in de mond van die [aangever 1] gebracht en gehouden en bewogen en - (meermalen) zijn penis in de anus van die [aangever 1] geduwd en/of gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen die [aangever 1] zijn, verdachtes, penis in zijn hand laten nemen en vervolgens met zijn hand heen en weer gaande bewegingen laten maken om de penis van verdachte en - meermalen die [aangever 1] zijn, verdachtes, penis laten betasten/aanraken en - meermalen de penis van die [aangever 1] betast en - (meermalen) die [aangever 1] zijn, verdachtes, billen laten likken en kussen; 2. hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2005 tot en met 1 september 2007 te Utrecht meermalen door geweld en andere feitelijkheden [aangever 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1] , immers heeft verdachte - meermalen zijn penis in de mond van die [aangever 1] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen zijn penis in de anus van die [aangever 1] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen zijn tong in de mond van die [aangever 1] gebracht en - meermalen zijn mond op de mond van die [aangever 1] geduwd en gebracht en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte - meermalen die [aangever 1] met kracht en/of krachtig en/of dwingend heeft vastgepakt en - meermalen deuren op slot heeft gedaan en - geld heeft gegeven aan die [aangever 1] en - als oudere zwager van die [aangever 1] overwicht op hem heeft gehad en - voor die [aangever 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2001 tot en met 1 september 2005 te Utrecht met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum] 1989, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1] , immers heeft/is verdachte - meermalen zijn penis in de mond van die [aangever 1] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen zijn penis in de anus van die [aangever 1] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen die [aangever 1] zijn, verdachtes, penis in zijn hand laten nemen en vervolgens met zijn hand heen en weer gaande bewegingen laten maken om de penis van verdachte en - meermalen die [aangever 1] zijn, verdachtes, penis laten betasten/aanraken en - meermalen de penis van die [aangever 1] betast en - meermalen zijn tong in de mond van die [aangever 1] gebracht en - meermalen zijn mond op de mond van die [aangever 1] gebracht en - (meermalen) die [aangever 1] zijn, verdachtes, billen laten likken en kussen en/of Zaak met parketnummer 16-660237-17: hij op tijdstippen de periode van 1 december 1991 tot en met 1 september 1994 te Utrecht met [aangever 2] , geboren op [geboortedatum] 1983, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen handelingen heeft gepleegd, die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 2] , immers heeft verdachte - meermalen die [aangever 2] zijn, verdachtes, penis laten betasten/aanraken en - meermalen die [aangever 2] zijn, verdachtes, penis in zijn hand laten nemen en vervolgens met zijn hand heen en weer gaande bewegingen laten maken om de penis van verdachte en - meermalen zijn penis in de mond van die [aangever 2] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen zijn penis in de anus van die [aangever 2] gebracht en gehouden en bewogen en - meermalen de penis van die [aangever 2] betast en aangeraakt en vervolgens met zijn, verdachtes, hand heen en weer gaande bewegingen gemaakt om de penis van die [aangever 2] en - meermalen de penis van die [aangever 2] in zijn, verdachtes, mond gebracht en bewogen en - meermalen die [aangever 2] op de borst en de nek en de buik gekust. 6. De bewezenverklaringen steunen op de aangiften van [aangever 1] en [aangever 2] (hierna: de aangevers) alsmede op de verklaringen van [betrokkene 1] (een ex-zwager van de verdachte), de zussen van de aangevers en de moeder van de verdachte. De relevante procesgang in hoger beroep 7. Bij appelschriftuur van 22 maart 2018 heeft mr. Duijvelshoff namens de verdachte verzocht om onder meer aangever [aangever 1] als getuige te horen, teneinde de betrouwbaarheid van zijn verklaring te toetsen. [aangever 1] is op 30 oktober 2018 in aanwezigheid van mr. Duijvelshoff bij de raadsheer-commissaris gehoord. 8. Op 6 november 2018 heeft een pro-forma zitting plaatsgevonden bij het hof. Uit het proces-verbaal van die zitting kan worden afgeleid dat de verdachte op dat moment werd bijgestaan door mr. Starmans (hierna: de raadsman). De raadsman liet weten dat hij de zaak had overgenomen van mr. Duijvelshoff. 9. Op 5 februari 2019 heeft een zogenaamde regiezitting plaatsgevonden omdat de raadsman aanvullende onderzoekswensen had ingediend. De raadsman heeft onder meer verzocht om de aangevers als getuigen te horen. Daarnaast heeft de raadsman onder meer verzocht om de stukken van de behandeling/therapie van aangever [aangever 2] op te vragen, universitair docent [betrokkene 2] of een andere deskundige onderzoek te laten doen naar de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) beide aangevers, te laten onderzoeken of verdachte in de periode september 2004 – 2005 ’s avonds geld heeft gepind bij winkelcentrum Overvecht alsmede aangever [aangever 2] medisch te laten onderzoeken. 10. Bij tussenarrest van 19 februari 2019 heeft het hof de verzoeken met betrekking tot het doen van nader onderzoek afgewezen. Ook heeft het hof het verzoek om de aangevers als getuigen te horen afgewezen. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de broer van de verdachte toegewezen. Het hof heeft het onderzoek heropend en daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris van het hof gesteld. Verder heeft het hof bepaald dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting. 11. Bij brief van 17 november 2019 heeft de verdediging – mede op grond van de rapportage van de door de verdediging ingeschakelde deskundige dr. R.A.R. Bullens van 17 september 2019 – nogmaals nadere onderzoekswensen ingediend. De verdediging heeft onder meer verzocht om de zaak voor te leggen aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (hierna: de LEBZ), een forensisch kinderarts als deskundige te benoemen, een geheugendeskundige te benoemen, de medische dossiers van de aangevers aan het dossier toe te voegen, onderzoek te doen naar de bankrekening van de verdachte en zijn zonen en de aangevers als getuigen te horen. 12. Nadat op 27 januari 2020 een regiezitting had plaatsgevonden waarop de raadsman de onderzoekswensen nader heeft toegelicht, heeft het hof bij tussenarrest van 10 februari 2020 de verzoeken van de verdediging opnieuw afgewezen. Het hof heeft de verzoeken om de zussen van de aangevers (nogmaals) te horen over de wijze waarop de ‘disclosure’ heeft plaatsgevonden en over de gesprekken die de getuigen hebben gevoerd over het ten laste gelegde voorafgaand aan het afleggen van hun verklaringen bij de politie toegewezen. Het hof heeft het onderzoek heropend en daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris gesteld. Verder heeft het hof bepaald dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting. 13. Op 31 mei 2021 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan worden afgeleid dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in: “Gepersisteerd wordt bij verzoeken die dezerzijds zijn gedaan en niet zijn gehonoreerd; derhalve verzoek tot het laten verrichten van nadere onderzoekshandelingen als aangegeven in het document d.d. 11 mei 2021, u op voorhand verstrekt, gehecht aan deze pleitaantekeningen. Verwezen wordt ook naar de eerder terzake gegeven onderbouwing: in verzoek d.d. 8 december 2018 en in de aantekeningen van de verdediging d.d. 5 februari 2019. Alle verzoeken terzake van onderzoekswensen worden voorwaardelijk gedaan: er wordt bij gepersisteerd indien u niet komt tot een integrale vrijspraak. Verzoeken betreffen onder andere: verhoor van aangever [aangever 1] ; op grond van tegenstrijdheden in de analyse en op grond van het feit dat hij nimmer is bevraagd over het vermeende misbruik; terwijl in de appelschriftuur wel wordt aangegeven: "vragen te doen stellen over het in de aangifte aangegeven misbruik dat zou hebben plaats gevonden, de omstandigheden waaronder dat zou hebben plaats gevonden eveneens teneinde betrouwbaarheid van deze aangifte te kunnen toetsen." Dat is niet gebeurd bij de RHC (geen enkele vraag over gesteld); door hof geen ruimte aan de verdediging geboden om die omissie alsnog te herstellen, ondanks wijziging van de persoon van de raadsman. Voorts zullen alle getuigen kunnen worden geconfronteerd met de foto's en nadere schriftelijke verklaringen die recent door de verdediging zijn verstrekt. Ook: gehecht aan de pleitnota. En het benoemen van deskundigen: forensische kinderarts, zie rapport Bullens (blz.16) en geheugendeskundige (blz. 18) En het toevoegen van stukken. Zie ook rapport Bullens: medische dossier (blz. 17): "ondanks dat de medische gegevens van het vierde tot en met het dertiende levensjaar van [aangever 2] ... zijn opgevraagd, zijn deze niet in het dossier opgenomen. Dit kan als een blinde vlek in het onderzoek worden aangemerkt." Voorts als herhaald en ingelast te beschouwen: analyse van verklaringen: op voorhand aan uw hof toegezonden en aan pleitnota gehecht.” 14. Het document d.d. 11 mei 2021 waarnaar de raadsman in zijn pleitnota verwijst, houdt onder meer het volgende in: “Gepersisteerd wordt bij verzoeken die dezerzijds zijn gedaan en niet zijn gehonoreerd; derhalve verzoek tot het laten verrichten van nadere onderzoekshandelingen: 1. Het benoemen van een deskundige in de persoon van een gespecialiseerd forensisch kinderarts; 2. Het benoemen van een geheugendeskundige; 3. Het toevoegen van het medisch dossier vanaf de geboorte, zowel van [aangever 2] en als van [aangever 1] . 4. Het horen van een aantal getuigen, zulks in het kader van de nadere toetsing van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Voorts noemt dr. Bullens het opvallend hetgeen [aangever 2] heeft verklaard over de onthulling van het seksueel misbruik (bovenaan blz. 14), alsmede vindt hij het opmerkelijk dat een herbeleving/dissociatie te midden van familieleden in de eerste verklaringen niet ter sprake komt. Tevens wordt genoemd 'de inconsistenties over de details van het misbruik' (blz. 14: verklaring van moeder). En de psychische en sociale problemen van de beide aangevers (zie rapport dr. Bullens blz. 18: als oorzaak van onjuiste beschuldigingen). Omtrent deze aspecten en hetgeen de getuige op 1 juli 2019 heeft verklaard omtrent (de indeling van) de woning aan de [a-straat] zouden de volgende (ook bij het betreffende Suikerfeest 2015; nee, het was bij gelegenheid van het Offerfeest in september 2015! - aanwezige) getuigen nader moeten worden bevraagd: a. [aangever 2] , b. [aangever 1] , (…). Ad 1. Deze deskundige zou een onderzoek aan aangevers moeten verrichten en zal zijn visie kunnen geven op de volgende aspecten (rapport dr. Bullens blz. 16 en 17: 'Medische zaken'): - In hoeverre kan wekelijkse penetratie gedurende vele jaren van een kind vanaf diens 3e of 4e levensjaar en een kind vanaf diens 8e levensjaar fysieke schade toebrengen; en waaruit dat letsel concreet bestaat. [aangever 2] heeft verklaard over 'bloeden en pijn': is te verwachten dat daarvan nog littekenweefsel zichtbaar is? [aangever 2] verklaart bij RC d.d. 20 juni 1917: "19. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik meer dan 10 jaar wekelijks seksueel misbruikt ben. U vraagt of ik ooit fysiek letsel heb opgelopen. Er is bij mij nooit een controle gedaan naar bijvoorbeeld mijn anus. Ik heb wel vaak pijn, maar ik weet niet of dat psychisch of lichamelijk is. Ik heb ook pijn als ik naar de wc ga. Vroeger, in mijn tienerjaren, bloedde het ook wel eens. Waardoor dat kwam, weet ik niet." - indien de kans op dergelijke 'sporen' als aanzienlijk moet worden gekwalificeerd: verzoek tot het laten verrichten van lichamelijk onderzoek aan aangevers naar dat (vermeende) letsel; - In hoeverre kan dat misbruik voor opvoeders/verzorgers onopgemerkt zijn gebleven (fysiek letsel/sporen); - In hoeverre kan een anale verkrachting (van een zo jong kind), onopgemerkt zijn gebleven gezien de pijn en overlast die dat veroorzaakt: zowel ten tijde van de verkrachting (geschreeuw?), als daarna: gedrag. Temeer omdat [aangever 2] verklaart dat het misbruik vaak gebeurde 'in de woning waar ook andere familieleden aanwezig waren ... het deed verschrikkelijk veel pijn ... vroeger in mijn tienerjaren bloedde het ook wel eens. Waardoor dat kwam weet ik niet.' Ook [aangever 1] heeft het over heel veel pijn.' Terwijl evident is dat geen enkel familielid ooit iets heeft gemerkt. Ad 2. Zie blz. 18, 1e alinea van het rapport van dr. Bullens: misbruik meer dan 8 jaar geleden en op/vanaf zeer jonge leeftijd; mede gezien de aanbevelingen van het LEBZ. Ad 3. Van [aangever 2] is slechts het dossier vanaf 2001 beschikbaar. Door dr. Bullens wordt dat als een omissie in het onderzoek gezien. Van [aangever 1] is er in het geheel geen medisch dossier beschikbaar. Is gebruikelijk dat integraal medisch dossier in een zedenzaak wordt gevoegd; temeer van belang gezien de verstreken tijd voorafgaande aan de aangifte en van belang voor het toetsen van - tegenstrijdige - verklaringen. [aangever 1] verklaarde als getuige dat hij wel therapie gehad heeft. Maar tijdens zijn aangifte van het vermeende misbruik en toen hij daarover een gericht vraag van de verbalisanten heeft gekregen, ontkent hij. PV blz. 125: "Ik heb het een plekje gegeven en het is nu wel weer opgerakeld maar het is goed zoals het nu is voor mijzelf. Het is klaar voor mij en ik wil er verder niet meer over verklaren met: mensen over praten. Ik heb hulpverlening gehad en het heeft zijn plekje." In aangifte, blz. 30: V: In hoeverre heb je er wel eens met een dokter, psychiater of psycholoog over gesproken? A: Ik heb er verder nooit met iemand over gesproken." Ad 4. [aangever 1] , mede omdat hem door de verdediging nog geen enkele vraag over het vermeende misbruik is gesteld; zie eerdere, uitgebreide motivering. Er is onduidelijkheid over hetgeen is gezegd tijdens het Suiker/Offerfeest; dr. Bullens heeft aangegeven dat de terzake afgelegde verklaringen (in het kader van de disclosure) tegenstrijdig zijn. Er is meer: het Suikerfeest was dat jaar op 16 juli 2015. Cliënt was met zijn gezin waren toen op vakantie in Marokko en dus niet aanwezig. Volgens cliënt heeft de vermeende 'disclosure' toen niet plaats gevonden c.q. kunnen vinden. Ook hieromtrent zullen getuigen moeten: worden bevraagd. En ook omdat [betrokkene 3] , die als eerste (uitgebreid) over de vermeende disclosure heeft verklaard, geen consistente verklaring heeft afgelegd: Eerst verklaart ze over de aanwezigheid van [aangever 1] bij dat gesprek met [aangever 2] ; later is hij er niet meer bij. Waarom? Omdat [aangever 1] heeft verklaard pas van het vermeende misbruik van [aangever 2] op de hoogte te zijn gesteld 'toen het hele verhaal naar buiten kwam', dus een aantal maanden na de vermeende disclosure. Zie de verklaringen van [betrokkene 3] in 2016 en haar verklaring in 2020: [betrokkene 3] verklaart, blz. 133 (november 2016): "V: Wanneer vertelde [aangever 2] jouw verhaal? A: tussen door hadden we gesprekken. Dan vroeg ik "doet hij het nog steeds". Maar met het Suikerfeest, dus dat is al een jaar geleden nu, toen waren beneden.... Toen zei ik dat dat het wel hun oom was dat ze respect moesten hebben. [aangever 2] was er helemaal niet bij en op eens ontplofte hij. Hij riep "wie heeft er respect voor mij". Dus ik zei doe even rustig. Hij werd heel agressief. [aangever 1] kwam naar beneden en trok hem weg. Hij riep 'niemand heeft mij gered.' [betrokkene 4] snapte hem niet. Hij schreeuwde het terwijl hij naar boven werd getrokken. Mijn zwager was er niet bij. Die dag riep [aangever 1] mij om met [aangever 2] te praten. Ik zei dat ik hem hem niets kwalijk nam. Toen vertelde hij wat er was. Hij zei dat "hij mij gewoon heeft verkracht". Hij was helemaal aan het huilen en helemaal te trillen. Ik zei " [aangever 2] we moeten aangifte doen". Ik vroeg wie dit was en noemde de naam van mijn zwager. Dit bevestigde [aangever 1] . Ik dacht, dat meen je niet. Is hij echt zo ver gegaan. Echter, bij de RHC (november 2020), blz. 3/4: "Toen ik wat ouder werd en getrouwd was en kinderen had, zag ik dat [aangever 2] depressief was. Toen waren we in ieder geval samen. Het was tijdens het Suikerfeest en hij knapte gewoon. We waren met familie. Hij riep me naar boven en zei dat hij mij iets moest vertellen. Hij zei toen tegen mij dat hij jarenlang door hem systematisch was verkracht, Ik zei toen tegen hem dat hij aangifte moest doen. Het was of het Suikerfeest of het Offerfeest. Het was in ieder geval een islamitische feestdag. We zaten te praten. Hij was heel afwezig. Ineens knapte hij en was hij heel boos. Hij zei: 'Wie was er ooit voor mij, wie heeft mij ooit beschermd?'. [aangever 2] en ik waren altijd heel goed met elkaar. Hij was aan huilen in mijn moeders slaapkamer. Hij vroeg toen of ze mij naar boven wilde roepen. Ik was alleen toen met hem. Hij heeft mij toen gevraagd en gesmeekt dat hij iets wilde vertellen. Hij vertelde mij dat het misbruik overal gebeurde. Hij zei iets over Duinrell en de pashokjes bij het zwembad. Boven op mijn bed in de slaapkamer. In de schuur bij [verdachte] . In de badkamer. Bij [verdachte] thuis. Hij heeft onze familie kapot gemaakt. Ik heb niemand behalve mijn zussen." Opmerking: In de eerste lezing is [aangever 1] ook aanwezig bij het gesprek met [aangever 2] ; hij neemt daar ook aan deel; echter in de verklaring bij de RHC niet. Betreft toch een cruciale gebeurtenis. Hoe kan dat? Conclusie dezerzijds is dat [betrokkene 3] de inhoud van het dossier kent; Van [betrokkene 5] (verhoor RHC) weten we dat [aangever 2] over het dossier de beschikking heeft. Is dat ook de reden waarom [betrokkene 3] bij de RHC verklaart over aspecten waarover ze eerder niet heeft verklaard; "Hij zei iets over Duinrell en de pashokjes bij het zwembad. Boven op mijn bed in de slaapkamer. In de schuur bij [verdachte] . In de badkamer." (…) Voorts wordt gepersisteerd bij de volgende eerder gedane verzoeken: a. Onderzoek bankrekening; het hof heeft op 10 februari 2020 geoordeeld dat de noodzaak hiertoe ontbreekt. Dat ontgaat de verdediging: element van de beschuldiging is dat cliënt geld zou hebben getapt en aan aangever zou hebben gegeven; zwijggeld. Is nogal cruciaal en kan worden weerlegd indien niet blijkt van dergelijke opnamen. Voor cliënt is het niet mogelijk om dit te organiseren/realiseren. (…)” 15. Het hof heeft in het bestreden arrest omtrent de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de aangevers alsmede ter zake van de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging het volgende overwogen: “Overwegingen naar aanleiding van de gevoerde verweren De verdediging heeft de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van de aangevers en getuigen betwist. Van de kant van de verdediging is in dit verband aangevoerd dat een complot gesmeed is tegen verdachte. [aangever 2] zou de familie verteld hebben over het misbruik om aandacht of sympathie te krijgen en na de ‘disclosure’ van het misbruik zouden de getuigen hun verklaringen met elkaar hebben afgestemd om hem te ondersteunen. Het hof volgt de verdediging niet in de stelling dat een complot zou zijn gesmeed en stelt daartoe het volgende vast. De familieverhoudingen waren goed en ook verdachte lag goed in de familie. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij normaal in de familie is opgenomen, dat de familiebanden goed waren en dat hij geen enkele reden kan bedenken waarom ze hem valselijk zouden beschuldigen. Aangever [aangever 2] heeft in 2015 zijn zussen ingelicht over de door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen en in april 2016 heeft hij aangifte gedaan. De zussen van [aangever 2] zijn nadien als getuige gehoord waarbij zij hebben verklaard over bepaalde voorvallen of gedragingen van verdachte die hen zijn opgevallen en die zij zelf hebben waargenomen. Zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 6] hebben verklaard dat zij als kleine meisjes die gebeurtenissen hebben waargenomen en ook dat zij er destijds met elkaar over hadden gesproken. Als kind konden ze de handelingen niet goed plaatsen, maar ze voelden wel dat het niet normaal was wat er gebeurde. Ze wilden [aangever 2] beschermen. Verder zien hun verklaringen op verschillende situaties. Ook verklaren zij terughoudend en hebben zij hun verklaringen niet aangedikt of groter gemaakt. Andere getuigen, zoals [betrokkene 1] en [betrokkene 5] , hebben verklaard dat zij het misbruik zelf niet hebben gezien. Zowel aangever [aangever 2] als aangever [aangever 1] zijn terughoudend en hebben verklaard zelf niets van het misbruik van de ander te hebben waargenomen. [aangever 1] heeft alleen verklaard over wat verdachte bij hem heeft gedaan. Hoewel het hof wil aannemen dat er binnen de familie na het bekend worden van het misbruik daarover veel is gesproken, is het hof van oordeel dat gelet op de verschillende verklaringen in onderling verband en samenhang bezien niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een complot tegen verdachte waarbij de verklaringen onderling zijn afgestemd. Ook in de omstandigheid dat [aangever 1] pas in oktober 2017 aangifte tegen verdachte heeft gedaan, ziet het hof geen aanleiding voor een complot. Uit de verklaringen van [aangever 1] blijkt duidelijk dat hij, toen hij in zijn aanvankelijke getuige verklaring aangaf zelf te zijn misbruikt, daar eigenlijk niet over wilde praten en het achter zich wilde laten. Pas bij de raadsheer-commissaris heeft hij uitvoerig verklaard over wat hem ertoe heeft gebracht alsnog aangifte te doen. Dat [aangever 2] tot zijn disclosure, met de daarin vervatte beschuldigingen jegens verdachte, zou zijn gekomen omdat hij aandacht of sympathie wilde is, gelet op de verschillende verklaringen uit niets gebleken. Voorts heeft de verdediging ten aanzien van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid gewezen op inconsistenties en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de aangevers en getuigen. Door de verdediging is hiertoe een rapport ingebracht van dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, van 17 september 2019. In dat rapport komt de volgende vraagstelling aan de orde: 1. Wat is de ontstaansgeschiedenis van de disclosure van het seksueel misbruik? 2. Is er vanuit gedragskundig c.q. rechtspsychologisch perspectief commentaar op de disclosure van het seksueel misbruik en zo ja, welk commentaar? 3. Zijn er vanuit gedragskundig c.q. rechtspsychologisch perspectief andere zaken die door de rechtbank nog niet c.q. onvoldoende in acht zijn genomen en zo ja, welke? Het hof merkt op dat Bullens in zijn rapport uitgaat van “disclosure” van aangever [aangever 2] . Dat lijkt eenzijdig nu naar het oordeel van het hof onvoldoende rekening is gehouden met de eigen waarnemingen en ervaringen zoals weergegeven in de verklaringen van aangever [aangever 1] en de zussen van aangevers. Verder is het rapport algemeen van aard. Het hof is van oordeel dat het rapport onvoldoende grond geeft te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de aangiftes. Het hof overweegt dat sprake is van feiten die een lange periode beslaan en sedertdien is ook een lange periode verstreken. De aangevers waren zeer jonge kinderen toen het misbruik begon. Het hof acht aannemelijk dat juist de ingrijpende gebeurtenissen en het grote verhaal betreffende het misbruik in het geheugen blijven hangen. Beide aangevers benoemen daarnaast een aantal details, zoals de woning en plaats waar het misbruik heeft plaatsgevonden, een deur die met een haakje wordt afgesloten, een computer in het kamertje en een kelderbox. Een aantal van deze details ziet op het moment waarop een en ander precies heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat het aannemelijk is dat details van herinneringen uit de kindertijd anders in plaats en tijd worden geplaatst dan mogelijk feitelijk het geval is geweest. Dat verdachte niet al in 1993 een computer had, maar enkele jaren later doet naar het oordeel van het hof derhalve niet af aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [aangever 2] . Hierbij speelt mee dat vast staat dat er in de woning aan de [a-straat] op enig moment een kamer was waarin een bureau met een computer stond, zoals blijkt uit de foto’s die door de verdediging zijn overgelegd. Een computer is daarbij, nog los van de locatiebepaling in de herinnering van een kind, een verplaatsbaar object en kan dus ook in het kamertje tegenover de voordeur hebben gestaan. Ten aanzien van het haakje op de deur merkt het hof op dat [aangever 1] niet de enige is die hierover verklaart. Er zijn meerdere getuigen die daarover verklaren en ook dat de deur van het kamertje was afgesloten. Ten aanzien van de kelderbox heeft de verdediging wel gesteld, maar niet voldoende onderbouwd dat het onmogelijk is om ongezien in de garagebox de handelingen te verrichten zoals verklaard door beide aangevers. Tot slot overweegt het hof in relatie tot het misbruik dat [aangever 1] en [aangever 2] allebei dezelfde opbouw van de door verdachte verrichte handelingen beschrijven en ook details benoemen die met elkaar overeenkomen, waaronder het gebruik van glijmiddel. Naar het oordeel van het hof zijn de aangiftes concreet, authentiek, adequaat en vullen zij elkaar aan. Dat de verklaringen op details afwijken, doet daaraan niet af. Daarbij worden ze ondersteund door de hiervoor genoemde getuigenverklaringen. Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging Voor zover het hof niet tot een algehele vrijspraak komt heeft de verdediging, voorwaardelijk, gepersisteerd bij eerder gedane, niet gehonoreerde verzoeken. De verdediging verzoekt de volgende onderzoekshandelingen te laten verrichten: 1. Het benoemen van een deskundige, in de persoon van een gespecialiseerd forensisch kinderarts; 2. Het benoemen van een geheugendeskundige; 3. Het toevoegen van het medisch dossier vanaf de geboorte, zowel van [aangever 2] als van [aangever 1] ; 4. Het horen van een aantal getuigen, zulks in het kader van de nadere toetsing van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid, te weten - [aangever 2] , - [aangever 1] , (…) 5. Onderzoek naar de bankrekening van verdachte; (…) Oordeel hof Bij de beoordeling van de verzoeken wordt vooropgesteld dat het aan het hof is om de betrouwbaarheid van de verschillende getuigenverklaringen te waarderen. Daarbij heeft het hof zich er terdege rekenschap van gegeven dat gaat om feiten die lang geleden plaatshadden en dat de aangevers en getuigen destijds kleine kinderen waren. Het hof ziet daarin aanleiding om de verklaringen met behoedzaamheid te bekijken. Voorts stelt het hof voorop dat voor alle verzoeken het noodzaakscriterium geldt. Ad 1 Het onder 1 genoemde verzoek wordt afgewezen nu de noodzaak tot het verzochte onderzoek ontbreekt. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de aangevers en hun verklaringen te beoordelen. Het hof overweegt in dit verband dat het gaat om feiten van lang geleden, het lichaam een groot herstelvermogen heeft en niet kan worden uitgesloten dat gelet op de lange tijd niet ook andere invloeden of omstandigheden sporen kunnen hebben nagelaten. Daarbij komt dat de verzochte deskundige niets kan verklaren of en waarom niemand van de familie iets heeft gemerkt. Het verzoek wordt afgewezen. Ad 2 Met betrekking tot het onder 2 genoemde verzoek tot het benoemen van een geheugendeskundige overweegt het hof dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd en dat - zoals hiervoor overwogen - het aan het hof is om de getuigenverklaringen te waarderen. Het verzoek wordt afgewezen. Ad 3 Ook het verzoek om het medisch dossier van [aangever 2] en [aangever 1] aan het dossier toe te voegen wijst het hof af, nu het hof daartoe geen noodzaak ziet. Ad 4 [aangever 1] dient volgens de verdediging te worden gehoord omdat er geen ruimte is geweest om zijn verklaring te kunnen toetsen. Het hof overweegt dat [aangever 1] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord. De verdediging is in de gelegenheid gesteld de getuige vragen te stellen en heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt. [aangever 1] heeft verklaard over het proces naar de aangifte. Ook heeft hij verklaard dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat enige vraag van de verdediging is belet. De verdediging is derhalve in de gelegenheid gesteld de verklaring van [aangever 1] ten overstaan van een rechter op betrouwbaarheid te toetsen. Het hof acht het niet noodzakelijk hem nogmaals te horen. Dat verdachte destijds een andere raadsman had, doet hieraan niet af. Ook gelet op de recente jurisprudentie in de Keskin-zaak maakt dit niet anders. Het verzoek om [aangever 1] te horen wordt afgewezen. [aangever 2] is bij de rechter-commissaris gehoord en voor dit verzoek geldt hetzelfde als voor het verzoek om [aangever 1] te horen. De verdediging is in de gelegenheid geweest om hem vragen te stellen, heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt en heeft de betrouwbaarheid van de verklaring kunnen toetsen. Ook dit verzoek wordt afgewezen. (…) Overige verzoeken Met betrekking tot het verzoek om een onderzoek naar de bankrekening van verdachte en naar een mogelijke avondlijke pintransactie van verdachte in de periode september 2004-september 2005 in winkelcentrum Overvecht is het hof van oordeel dat het al dan niet hebben plaatsgevonden van een pintransacties in de bedoelde periode onvoldoende redengevend is. Het had de verdediging overigens vrijgestaan deze gegevens over te leggen. Het hof wijst het verzoek af. (…)” Een nadere bespreking van het middel 16. In de toelichting betoogt de steller van het middel primair dat door de afwijzing van alle onderzoekswensen geen sprake is van een ‘fair trial’, hetgeen schending van artikel 6 EVRM oplevert. Subsidiair betoogt de steller van het middel dat het hof de afwijzing van de afzonderlijke verzoeken onbegrijpelijk en ontoereikend heeft gemotiveerd. Blijkens de toelichting betreft het de verzoeken om: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.