← Nederland

ECLI:NL:PHR:2022:678

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04816 Zitting 8 juli 2022 CONCLUSIE W.L. Valk In de zaak [eiseres] B.V. tegen [de ouder] Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk de ouder. 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak betreft een overeenkomst tot het bieden van kinderdagopvang door [eiseres] aan het kind van de ouder. Nog voordat de opvang was aangevangen, heeft de ouder de overeenkomst opgezegd (in de terminologie van de algemene voorwaarden van [eiseres]: ‘geannuleerd’). Met een beroep op haar algemene voorwaarden heeft [eiseres] aan de ouder een vergoeding in rekening gebracht gelijk aan het overeengekomen loon gedurende de opzegtermijn. 1.2 In de zaak zijn door de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam prejudiciële vragen gesteld. Die vragen zien in de eerste plaats op de kwalificatie van de overeenkomst: is een overeenkomst tot het bieden van kinderdagopvang een overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 BW? Uitgaande van de veronderstelling dat inderdaad sprake is van een overeenkomst van opdracht, vraagt de kantonrechter in de tweede plaats naar de toelaatbaarheid van een bedongen opzegtermijn respectievelijk opzegvergoeding. Achtergrond hiervan is de bepaling van art. 7:408 BW, waarvan niet ten nadele van een niet-professionele opdrachtgever kan worden afgeweken (art. 7:413 lid 2 BW). Volgens art. 7:408 BW kan een opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde opzeggen en is de opdrachtgever in beginsel geen schadevergoeding verschuldigd (behoudens een vergoeding van onkosten volgens art. 7:406 BW). In de derde plaats wordt gevraagd naar de sanctionering van dwingend recht in verband met Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna ook: Richtlijn oneerlijke bedingen). Niet alleen is de vraag of de rechter bedingen in strijd met dwingend recht ambtshalve buiten toepassing moet laten, maar ook of de rechter, indien hij een beding als oneerlijk buiten toepassing heeft gelaten, vervolgens een vordering van de gebruiker van het beding mag toewijzen op grond van de rechtsregel van dwingend recht. Anders gezegd, wordt het buiten toepassing gelaten beding door het dwingend voorgeschreven recht vervangen, of is het anders? Deze vraag doet zich in het bijzonder voor met betrekking tot art. 7:411 BW. Volgens dat artikel heeft, in geval van het voortijdig eindigen van een opdracht, de opdrachtnemer aanspraak op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Ook van die bepaling kan niet ten nadele van een niet-professionele opdrachtgever worden afgeweken (art. 7:413 lid 2 BW). 1.3 De eerste twee kwesties (de kwalificatie van de overeenkomst en de toelaatbaarheid van een bedongen opzegtermijn of opzegvergoeding) worden beheerst door de regeling van titel 7 van Boek 7 BW. De relevante aspecten van die regeling worden in hoofdstuk 3 besproken. Daarbij zal blijken dat het bereik van de wettelijke regeling van de overeenkomst van opdracht ruim is, in de zin dat zij een zeer grote verscheidenheid van overeenkomsten omvat. In verband daarmee behoort die regeling met souplesse te worden toegepast; alleen zo leidt wetstoepassing tot redelijke uitkomsten waar de praktijk mee uit de voeten kan. Ook wat betreft de regels met betrekking tot een voortijdig einde van de opdracht geldt dit. 1.4 De kantonrechter vraagt naar de sanctionering van dwingend recht in verband met de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daaraan gaat echter vooraf de vraag op welke wijze het Nederlandse burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht dwingend recht sanctioneert. De veronderstelling van de kantonrechter is dat als de invloed van de Richtlijn oneerlijke bedingen wordt weggedacht, naar geldend Nederlands recht de rechter niet ambtshalve bescherming biedt tegen bedingen die met dwingend recht in strijd zijn, omdat niet sprake is van recht van openbare orde. Het komt er aldus op neer dat zij wat betreft de ambtshalve handhaving van dwingend recht door de rechter van een tweedeling uitgaat, namelijk van enerzijds dwingend recht van openbare orde dat ambtshalve door de rechter wordt toegepast, en anderzijds ‘gewoon’ dwingend recht, waarop door een procespartij een beroep moet worden gedaan. Een dergelijke tweedeling is in de moderne literatuur niet ongebruikelijk, maar zij is mijns inziens toch niet juist. In dit verband is het leerzaam om terug te grijpen op enkele oudere bronnen (Meijers’ Algemene begrippen van het burgerlijk recht en Vriesendorps dissertatie over het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden), alsook op de wetsgeschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Ook uit moderne rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat er wat betreft de handhaving van dwingend recht (en andere nietigheden) meer smaken zijn dan twee en dat dwingend recht veelal binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve wordt gehandhaafd, zoals de rechter ook overigens de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer ambtshalve aan het recht toetst. Het ligt zeer voor de hand dat dit althans met betrekking tot dwingend consumentenrecht het gewone geval is en dat dus voor de toepassing van dat dwingende recht in het algemeen niet nodig is dat daarop door de consument een beroep is gedaan. Dit alles komt in hoofdstuk 4 uitvoerig aan de orde. 1.5 De sanctionering van dwingend recht in verband met de Richtlijn oneerlijke bedingen wordt vervolgens besproken in hoofdstuk 5. Daar komt dus aan de orde wat die richtlijn eventueel verandert aan de wijze van sanctionering van dwingend recht volgens de gewone regels van Nederlands burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht. Dat de rechter op grond van de richtlijn tot ambtshalve toetsing gehouden is, is duidelijk. Welke rol bij de toetsing aan nationaal consumentenrecht toekomt, is veel minder duidelijk. De kantonrechter vraagt of strijd met nationaal dwingend recht dat ter bescherming van consumenten strekt, op zichzelf reeds meebrengt dat een beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn (dus met de gevolgen die de richtlijn daaraan verbindt), maar dezelfde vraag doet zich ook met betrekking tot de zwarte en grijze lijsten van art. 6:236 en 6:237 BW voor. Daarnaast is het de vraag wat het verbod op herziening van oneerlijke bedingen, zoals dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt, betekent voor een door de gebruiker van het oneerlijke beding aan dwingend recht te ontlenen aanspraak. In dit verband verdient recente rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot aanvullend recht onze aandacht. Weliswaar verschilt dwingend recht van aanvullend recht, maar er zijn ook overeenkomsten, in het bijzonder tussen aanvullend recht en eenzijdig dwingend recht (dat wil zeggen dwingend recht waarvan niet ten nadele van een bepaalde partij, hier de consument, mag worden afgeweken). 1.6 In hoofdstuk 6 komen alle lijnen bij elkaar in mijn voorstel voor de beantwoording van de door de kantonrechter gestelde prejudiciële vragen. 2Feiten en procesverloop 2.1 De kantonrechter heeft de volgende feiten vastgesteld: (

  1. i)Op 1 februari 2020 hebben [eiseres] en de ouder een overeenkomst gesloten inzake de opvang van de dochter van de ouder. In de overeenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: ‘Opzegtermijn: 1 maand per de 1e van de maand (...) Ouder geeft bij ondertekening van dit contract eveneens aan de algemene voorwaarden en betalingsregels van [eiseres] te hebben ontvangen en hiermee akkoord te gaan. (...)’ (
  2. ii)In de Betalingsregels van [eiseres] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: ‘Indien de kinderopvang wordt beëindigd, of het aantal afgenomen dagen wordt verminderd, moet u rekening houden met een opzegtermijn van één kalendermaand. Opzegging dient schriftelijk te geschieden bij DebiCare. Ook gedurende de opzegtermijn is het maandbedrag voor de opvang verschuldigd. U ontvangt van DebiCare een bevestiging van de opzegging zodat u weet dat deze door DebiCare Nederland BV is ontvangen. (...)’ (iii) In de algemene voorwaarden is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: ‘ARTIKEL 1 – Definities In deze Algemene voorwaarden wordt verstaan onder: Aanvangsdatum: De overeengekomen datum waarop de Kinderopvang aanvangt. (...) Ingangsdatum: De datum waarop de overeenkomst is aangegaan. (...) ARTIKEL 5 – Aanbod 1. Naar aanleiding van de aanmelding kan de Ondernemer de Ouder een aanbod doen. 2. Het aanbod bevat gegevens over de Ondernemer, een omschrijving van zijn dienstverlening, alle elementen genoemd in bijlage 1 bij de Algemene Voorwaarden, dan wel een verwijzing naar de plaats waar de stukken ter inzage liggen, alsmede: (...) – de annuleringsvoorwaarden, waaronder de annuleringskosten; (...) ARTIKEL 6 – De overeenkomst 1. De Overeenkomst komt tot stand door aanvaarding door de Ouder van het door de Ondernemer gedane aanbod. 2. De ouder aanvaardt het aanbod Schriftelijk. De datum waarop de aanvaarding door de Ondernemer is ontvangen, is de Ingangsdatum van de Overeenkomst. (...) ARTIKEL 7 – Annulering 1. De Ouder heeft het recht de Overeenkomst te annuleren vanaf de Ingangsdatum tot de Aanvangsdatum. 2. De Ouder is voor annulering kosten verschuldigd. 3. De hoogte van de annuleringskosten bedraagt nooit meer dan de verschuldigde betaling over de voor de Ouder geldende opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 4 sub a. ARTIKEL 10 – Einde van de overeenkomst (...) 4. Opzegging vindt plaats door middel van een aan de andere Partij gerichte gemotiveerde Schriftelijke verklaring en a. met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, in geval van opzegging door de Ouder; (…)’ (
  3. iv)De kinderopvang zou aanvangen op 13 februari 2020. Na een intakegesprek op 11 februari 2020 heeft de ouder de overeenkomst geannuleerd. 2.2 Bij dagvaarding van 12 mei 2020 heeft [eiseres] gevorderd dat de ouder wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.974,11, te vermeerderen met onder meer wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag van de hoofdsom is berekend uitgaande van een opzegtermijn van één maand, waarbij de opzegging per de eerste van de maand dient plaats te vinden. Door de ouder is verweer gevoerd. 2.3 Bij tussenvonnis van 2 juli 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij gelijktijdig te nemen akte uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, alsook over de inhoud van de vragen. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij vonnis van 19 november 2021 heeft de rechtbank vervolgens vijf prejudiciële vragen gesteld, als volgt: 1. Is een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang zoals in deze zaak aan de orde een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW? 2. In hoeverre staan de artikelen 7:408 BW en 7:413 BW eraan in de weg dat een opdrachtnemer met een consument-opdrachtgever een opzegtermijn overeenkomt? 3. In hoeverre staan de artikelen 7:408 BW, 7:411 BW en 7:413 BW er bij duurovereenkomsten aan in de weg dat partijen een vergoeding overeenkomen voor het geval de overeenkomst door een consument-opdrachtgever wordt opgezegd, en in het bijzonder voor het geval waarin de opdrachtgever de overeenkomst opzegt voordat de uitvoering van de overeenkomst is aangevangen? 4. Moet de rechter een bepaling uit algemene voorwaarden die ten nadele van de consument afwijkt van een dwingende bepaling van Nederlands recht die strekt ter bescherming van consumenten, deze bepaling ambtshalve buiten toepassing laten omdat een dergelijke bepaling altijd (of in beginsel) oneerlijk is als bedoeld in Richtlijn 93/13/EEG? 5. Mag de rechter nadat hij een tussen partijen overeengekomen beding als oneerlijk heeft aangemerkt en het beding op die grond buiten toepassing heeft gelaten, semi-dwingend recht toepassen, en in het bijzonder artikel 7:411 BW? 2.4 De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen. Er zijn geen schriftelijke opmerkingen ingediend. 3De overeenkomst van opdracht Het ruime bereik van de wettelijke regeling van de overeenkomst van opdracht 3.1 De overeenkomst van opdracht is als bijzondere overeenkomst geregeld in titel 7 van Boek 7 BW. De eerste afdeling van deze titel ziet op opdracht in het algemeen. Daarna volgen vier afdelingen met betrekking tot bijzondere vormen van opdracht, namelijk lastgeving, bemiddeling, agentuur en de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling. De definitie van opdracht in art. 7:400 lid 1 BW is ruim geformuleerd. Opdracht wordt omschreven als de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten, die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. 3.2 Het kenmerkende element van opdracht is dus dat de overeenkomst strekt tot het verrichten van werkzaamheden. Is hiervan sprake, dan zijn de bepalingen van de eerste afdeling van toepassing, met niet meer dan twee categorieën van uitzonderingen. In de eerste plaats is de regeling van opdracht in het geheel niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten, aannemingsovereenkomsten, bewaarnemingsovereenkomsten, uitgeefovereenkomsten en vervoersovereenkomsten. De achtergrond hiervan is uiteraard het bestaan van bijzondere wettelijke regelingen met betrekking tot deze typen van overeenkomsten. In de tweede plaats bevatten de tweede en volgende afdeling van titel 7 enkele opzettelijke afwijkingen van de bepalingen van de eerste afdeling, dus met betrekking tot de bijzondere opdrachtvormen van lastgeving, bemiddeling, agentuur en de overeenkomst van geneeskundige behandeling. Uiteraard missen in zoverre de legi generali van de eerste afdeling toepassing. 3.3 De ruime definitie van opdracht (in beginsel alle overeenkomsten die strekken tot het verrichten van werkzaamheden) leidt tot een ruim toepassingsbereik voor de wettelijke bepalingen van de eerste afdeling. Dat is een opzettelijke keuze van de wetgever, waarbij deze zich intussen bewust is geweest van het risico dat in verband met de grote variëteit van opdrachten een of meer wettelijke bepalingen van de eerste afdeling geen passend recht opleveren. Volgens de wetgever brengt die grote variëteit mee dat de bepalingen van de eerste afdeling ‘op soepele wijze’ dienen te worden gehanteerd, zo nodig met hulp van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Ook kennen vele bepalingen van de eerste afdeling zodanige gradaties in de normering, dat behoorlijk maatwerk daardoor als vanzelf wordt bevorderd. Een voorbeeld hiervan is de in deze zaak aan de orde zijnde bepaling van art. 7:411 BW, die voor het geval van een voortijdige beëindiging van de opdracht voorziet in de verschuldigdheid van ‘een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon’. Het zal duidelijk zijn dat een zodanige norm de rechter de ruimte biedt om rekening te houden met de bijzondere aard van een bepaalde overeenkomst van opdracht en de bij een zodanige opdracht betrokken belangen. Zou de wetgever de omvang van het verschuldigde loon meer nauwkeurig hebben bepaald, bijvoorbeeld door haar (rechtstreeks) te koppelen aan de duur van de opdracht en/of de mate waarin daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht, dan zou het risico dat de wettelijke norm in verband met de aard van de opdracht geen passend recht oplevert, aanzienlijk groter zijn geweest. 3.4 Bij de opmerking dat de bepalingen van de eerste afdeling op soepele wijze dienen te worden gehanteerd, heeft de wetgever het niet gelaten. In art. 7:400 lid 2 BW is een ‘uitschakelbepaling’ opgenomen, volgens welke de bepalingen van de eerste afdeling (met een belangrijke uitzondering, zie hierna 3.6) niet alleen niet van toepassing zijn indien dit uit de wet voortvloeit, maar ook indien de inhoud of aard van een bepaalde overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, dan wel de gewoonte dit meebrengt. 3.5 Deze uitschakelbepaling is door Tjong Tjin Tai ‘systematisch bezien een gedrocht’ genoemd, omdat het gevolg ervan zou zijn dat de eerste afdeling slechts van toepassing is voor zover zij van toepassing is. Hoewel ik die verzuchting wel kan plaatsen, meen ik dat de uitschakelbepaling minder bijzonder is dan zij op het eerste gezicht oogt. In de opvatting van de wetgever bestaat er geen vaste volgorde tussen aanvullende wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid, anders dan waarvan de ontwerpbepalingen van art. 1-4 van de nooit ingevoerde Inleidende Titel van het Burgerlijk Wetboek nog uitgingen. Het uitgangspunt zoals dit in de praktijk veelal als vanzelfsprekend lijkt te worden gehanteerd, namelijk dat aanvullend recht van toepassing is, tenzij door partijen iets anders is overeengekomen of de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid die toepasselijkheid verhindert, is dus niet zomaar in alle gevallen juist. Welnu, wat de wetgever met de uitschakelbepaling van art. 7:411 lid 2 BW heeft gedaan, is wat betreft de bepalingen van de eerste afdeling duidelijk maken hoe hij over de bedoelde volgorde dacht. Het komt erop neer dat het aanvullende recht van de eerste afdeling volgens de bedoeling van de wetgever niet meer is dan ‘een goede mogelijkheid’ en dat de rechter – ook buiten het geval van een afwijkend partijbeding of de (met terughoudendheid te hanteren) beperkende werking van redelijkheid en billijkheid – in plaats van de wettelijke regel ander passend recht mag aanvaarden. Aanvullend recht met zodanige zwakke werking komt meer voor. Een bekend voorbeeld daarvan is de verzuimregeling van art. 6:81 e.v. BW. De in die regeling opgenomen regels van aanvullend recht dienen – niettegenstaande hun gedetailleerde formulering – naar de bedoeling van de wetgever slechts als voorzet voor door de rechter te verrichten maatwerk, in de zin van een redelijke oplossing naar gelang van wat van partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht worden verwacht. 3.6 De uitschakelbepaling van art. 7:400 lid 2 BW kent een belangrijke uitzondering: zij geldt ‘onverminderd artikel 413’. Volgens dit art. 7:413 BW bevatten enkele bepalingen van de eerste afdeling dwingend recht. Dit betreft juist ook de bepalingen ter bescherming van particuliere opdrachtgevers (consumenten) zoals die in deze zaak aan de orde zijn. Hoewel de uitschakelbepaling aldus voor de voorliggende vragen niet rechtstreeks van betekenis is, heb ik haar toch vermeld, omdat zij illustreert dat het ruime bereik van de wettelijke regeling van de overeenkomst van opdracht, en in het bijzonder van de bepalingen van de eerste afdeling, niet onproblematisch is. Dat onderstreept de andere boodschap van de wetgever, namelijk dat de bepalingen van de eerste afdeling ‘op soepele wijze’ dienen te worden gehanteerd (hiervoor 3.3). Díé boodschap betreft ook de bepalingen die dwingend recht bevatten. Is een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang een overeenkomst van opdracht? 3.7 Volgens de toelichting van de kantonrechter op de eerste prejudiciële vraag lijkt de rechtspraak de vraag of ook de overeenkomst die strekt tot het bieden van kinderopvang een overeenkomst van opdracht is in de zin van art. 7:400 BW, verschillend te beantwoorden. Zelf meent zij dat een zodanige overeenkomst inderdaad een overeenkomst van opdracht is. 3.8 In het licht van wat hiervoor 3.1 e.v. over het ruime bereik van de wettelijke regeling van de overeenkomst van opdracht is gezegd, lijkt mij dat alleszins juist. De kinderopvangorganisatie verbindt zich immers om in opdracht van de opdrachtgever (veelal de ouders) werkzaamheden te verrichten, namelijk de opvang van het kind op de overeengekomen tijdstippen. De kantonrechter vermeldt slechts één uitspraak in andere zin; nog andere heb ik ook zelf niet kunnen vinden. De redenering in die ene uitspraak is dat een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang met het oog op de opvang van kinderen wordt aangegaan en niet met het oog op bepaalde verrichtingen. Dat is niet overtuigend omdat opvang onmiskenbaar de uitvoering van werkzaamheden insluit, zoals het verzorgen van het kind, het houden van toezicht en het bieden van pedagogische begeleiding. Daarbij geldt dat het belang van het kind (en daarvan afgeleid ook het belang van de ouders) een kwetsbaar belang is en om die reden in de handen van een gekwalificeerde opdrachtnemer wordt gelegd (vergelijk hierna 3.9 e.v. met betrekking tot regulering van kinderopvang). Dat is bij uitstek een geval waarin de positie van de opdrachtgever beschermenswaardig is, welke bescherming in de wettelijke regels met betrekking tot opdracht gestalte krijgt (uiteraard niet zonder dat door de wetgever óók op de legitieme belangen van de opdrachtnemer is gelet). In die zin is de overeenkomst die strekt tot het bieden van kinderopvang niet een atypisch maar juist een typisch geval van opdracht. Kortom, het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dunkt mij eenvoudig. Regulering van kinderopvang 3.9 De Wet kinderopvang (Wko) reguleert de diverse vormen van kinderopvang in kindercentra (dagopvang, peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang), gastouderopvang en opvang in ouderparticipatiecrèches. De centrale bepaling met betrekking tot kindercentra is art. 1.50 Wko. Het eerste lid van dat artikel zegt: ‘De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. Ter uitvoering van de eerste zin besteedt de houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, het dagritme en de herkenbaarheid van ruimtes en personen, de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen, de voorwaarden waaronder en de mate waarin beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden belast met de verzorging, opvoeding en bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.’ 3.10 Volgens lid 2 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum. Die regels kunnen betrekking hebben op alle aspecten die in de geciteerde tweede volzin van het eerste lid worden benoemd, dus onder meer de opleidingseisen van de beroepskrachten, het aantal beroepskrachten in relatie tot het aantal kinderen per leeftijdscategorie, de groepsgrootte, het dagritme, het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk, de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers en de opleidingseisen waaraan zij moeten voldoen. Het Besluit kwaliteit kinderopvang (Bkk) geeft aan de delegatiebepaling van lid 2 invulling. Ook de Wko zelf reeds bevat echter vele, vaak gedetailleerde voorschriften waaraan onder meer kindercentra zich hebben te houden. 3.11 Op de naleving van al deze voorschriften en ook op onder meer het pedagogisch klimaat in de kindercentra wordt onder verantwoordelijkheid van de gemeenten door de GGD’s toezicht gehouden met aangekondigde en onaangekondigde controles. Er worden inspectierapporten gepubliceerd en er bestaat een Landelijke Kwaliteitsmonitor kinderopvang. Naar aanleiding van het Rapport Onafhankelijke Commissie onderzoek Zedenzaak Amsterdam (de ‘commissie Gunning’) uit 2011 zijn veel regels aangescherpt. Een belangrijk element van die aanscherping is het vierogenprincipe, volgens welke medewerkers in de kinderopvang niet meer alleen op de groep mogen staan, zonder dat een andere medewerker kan meekijken of meeluisteren. Bepalingen met betrekking tot opzegging en annulering in de algemene voorwaarden van aanbieders van kinderopvang 3.12 De tweede en derde vraag betreffen de toelaatbaarheid van bedingen met betrekking tot opzegging en annulering in relatie tot de wettelijke regels met betrekking tot opdracht. Het lijkt me goed eerst in beeld te brengen welke bedingen in de praktijk gebruikelijk zijn, alsook wat de partijen in de voorliggende zaak zijn overeengekomen. 3.13 Door kindercentra wordt veelal gebruik gemaakt van de ‘Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2017’ van de Brancheorganisatie Kinderopvang. Volgens de website van deze organisatie is ongeveer 80% van de kinderopvangorganisaties (niet alleen kindercentra maar ook gastouderbureaus) bij haar aangesloten. Een andere branchevereniging, namelijk Maatschappelijke kinderopvang, biedt onder een andere benaming (‘Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016 e.v.’) een gelijke set van voorwaarden aan. 3.14 De bedoelde algemene voorwaarden bevatten met betrekking tot annulering respectievelijk opzegging van de overeenkomst de volgende bepalingen: ‘ARTIKEL 7 – Annulering 1. De Ouder heeft het recht de Overeenkomst te annuleren vanaf de Ingangsdatum tot de Aanvangsdatum. 2. De Ouder is voor annulering kosten verschuldigd. 3. De hoogte van de annuleringskosten bedraagt nooit meer dan de verschuldigde betaling over de voor de Ouder geldende opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 4 sub a. (…) ARTIKEL 10 – Einde van de overeenkomst 1. De Overeenkomst eindigt van rechtswege door het verstrijken van de in de Overeenkomst opgenomen termijn. 2. Daarnaast eindigt de Overeenkomst door (tussentijdse) opzegging door één van partijen. 3. De Ondernemer is slechts bevoegd de Overeenkomst op te zeggen op grond van een zwaarwegende reden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt: a. De situatie dat de Ouder gedurende één maand in verzuim is ten aanzien van zijn betalingsverplichting; b. Voortduring van situaties als genoemd in artikel 11 lid 2 sub a en c; c. De situatie genoemd in artikel 11 lid 2 sub b; d. De omstandigheid dat de Ondernemer vanwege een niet aan hem toerekenbare oorzaak langdurig of blijvend niet meer in staat is de Overeenkomst uit te voeren; e. Een bedrijfseconomische noodzaak die de continuïteit van de locatie waar het kind is geplaatst in gevaar brengt. 4. Opzegging vindt plaats door middel van een aan de andere Partij gerichte gemotiveerde Schriftelijke verklaring en a. met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, in geval van opzegging door de Ouder; b. met inachtneming van een redelijke termijn, welke minimaal één maand bedraagt, in geval van opzegging door de Ondernemer; c. met onmiddellijke ingang in geval van opzegging door de Ondernemer op grond van artikel 10 lid 3 onder a. 5. Gedurende de opzegtermijn duurt de betalingsverplichting van de Ouder voort. De opzegtermijn gaat in op de datum waarop de Ouder of de Ondernemer de verklaring van opzegging heeft ontvangen. De verklaring wordt geacht te zijn ontvangen op de datum van het poststempel op de enveloppe van de opzeggingsbrief, op de datum van de e-mail waarmee de verklaring is verstuurd of op de datum waarop de elektronische verklaring is verstuurd, tenzij in de verklaring een latere datum is genoemd. 6. Anders dan door het verstrijken van de overeengekomen termijn en anders dan door opzegging, eindigt de Overeenkomst met onmiddellijke ingang in geval van overlijden van het kind.’ 3.15 Volgens deze voorwaarden geldt voor de ouder dus een opzegtermijn van een maand en loopt de betalingsverplichting gedurende de opzegtermijn door. Bij annulering voor aanvang van de werkzaamheden zijn annuleringskosten verschuldigd ter hoogte van maximaal een maandelijkse betalingstermijn. Zulke annulering is in feite ook een opzegging, met slechts deze bijzonderheid dat de opzegging plaatsvindt voordat de opvang van het kind een aanvang heeft genomen. 3.16 Een andere brancheorganisatie, de Branche Vereniging Ondernemers Kinderopvang, biedt haar leden andere voorwaarden (‘Algemene voorwaarden en bepalingen juli 2021’). Deze set van voorwaarden lijkt veel minder vaak te worden toegepast (zie direct hierna). De voorwaarden kennen een opzegtermijn van twee maanden, met de bepaling dat de opzegging met ingang van de 1e of 16e van de maand moet plaatsvinden (artikel 5 lid 4); in het geval van annulering zijn als annuleringskosten maximaal twee maandelijkse termijnen verschuldigd (artikel 4 leden 2 en 3). 3.17 Met betrekking tot de vijftien kinderopvangorganisaties met het grootste aantal kindplaatsen is onder mijn verantwoordelijkheid aan de hand van hun websites onderzocht welke voorwaarden zij hanteren. Veertien van de vijftien van die organisaties hanteren de gelijkluidende algemene voorwaarden van de Brancheorganisatie Kinderopvang en van de branchevereniging Maatschappelijke kinderopvang (hiervoor 3.13 e.v.). Eén kinderopvangorganisatie hanteert andere algemene voorwaarden, maar wat betreft opzegging en annulering zijn de verschillen zeer beperkt. De algemene voorwaarden van de Branche Vereniging Ondernemers Kinderopvang (hiervoor 3.16) wordt door geen van de bedoelde organisaties gehanteerd. 3.18 Een aantal van de onderzochte kinderopvangorganisaties hanteert naast de algemene voorwaarden van de brancheorganisaties eigen aanvullende voorwaarden. Daarin wordt bijvoorbeeld nader geregeld hoe moet worden opgezegd; ook bevatten deze aanvullende voorwaarden nadere regels over annuleringskosten. Zo vermelden bijvoorbeeld de aanvullende voorwaarden van Partou B.V. met betrekking tot annuleringskosten: ‘a. Annuleren minder dan 1 maand voor aanvangsdatum: annuleringskosten, zijnde het bedrag van de contractueel overeengekomen kosten van één maand kinderopvang. b. Annuleren 1 tot en met 3 maanden voor aanvangsdatum: € 80,- annuleringskosten. Indien op grond van artikel 7 lid 3 van de Branchevoorwaarden een lager bedrag toepasselijk is, dan hanteren wij dit lagere bedrag aan annuleringskosten. c. Annuleren meer dan 3 maanden voor aanvangsdatum: geen annuleringskosten.’ Andere aanvullende voorwaarden gaan ervan uit dat alleen annuleringskosten verschuldigd zijn wanneer de annulering minder dan een maand voor aanvang plaatsvindt; de verschuldigde vergoeding is dan één maandelijkse termijn. 3.19 In de voorliggende zaak zijn de Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2017 van toepassing verklaard. Onder 2.2 van het vonnis van 19 november 2021 is vermeld dat de opzegtermijn volgens de algemene voorwaarden een maand is, waarbij tegen de eerste dag van de maand moet worden opgezegd. Dit ziet klaarblijkelijk niet op de bedoelde set van algemene voorwaarden, maar op de bepaling in de door partijen ondertekende overeenkomst, waarin is vermeld: ‘Opzegtermijn: 1 maand per de 1e van de maand’ (hiervoor 2.1 onder i). Aan de kantonrechter kan intussen worden toegegeven dat valt te vermoeden dat ook deze bepaling een algemene voorwaarde in de zin van art. 6:231 onder a BW betreft (opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen). Het gevolg hiervan lijkt me te zijn dat het beding valt binnen het bereik van art. 6:236 aanhef en onder r BW (zwarte lijst). In dezelfde overweging lijkt de kantonrechter er verder vanuit te gaan dat ook voor annulering geldt dat ze tegen de eerste dag van de maand moet plaatsvinden. Het is mij niet duidelijk waarop dat zou berusten. Artikel 7 van de algemene voorwaarden zegt in lid 1 eenvoudig dat de ouder het recht heeft om de overeenkomst te annuleren vanaf de ingangsdatum tot aanvangsdatum en volgens lid 3 bedragen de annuleringskosten nooit meer dan het bedrag zoals verschuldigd over de opzegtermijn als bedoeld in artikel 10 lid 4 sub a. Laatstbedoelde bepaling spreekt enkel over een opzegtermijn van één maand. De voorgaande opmerkingen over de inhoud van de voorwaarden zoals die gelden in de verhouding tussen [eiseres] en de ouder zijn intussen voor de beantwoording van de prejudiciële vragen niet van belang; die vragen luiden vanzelfsprekend algemeen. 3.20 Alle hiervoor vermelde door kinderopvangorganisaties gehanteerde voorwaarden hebben gemeen dat zij bedingen bevatten met betrekking tot opzegging en annulering en dat zij ertoe leiden dat de opdrachtgever in verband met de opzegging of annulering aan de opdrachtnemer een vergoeding verschuldigd is. Ik meen dat de behoefte bij opdrachtnemers aan dergelijke bedingen invoelbaar is. Indien een overeenkomst per direct kan worden beëindigd, zal de opengevallen plek slechts bij uitzondering per direct door een ander kind kunnen worden ingevuld. In de tussenliggende periode dreigt een verlies van inkomsten, terwijl de kosten van de opdrachtnemer veelal niet of nauwelijks zullen afnemen. Het voorgaande geldt althans voor de kindercentra. De positie van gastouderbureaus is in ieder geval gedeeltelijk anders. Waar de onderhavige zaak een kindercentrum betreft, meen ik dat het wijs is mij hierna tot overeenkomsten van opdracht met kindercentra te beperken. 3.21 Dat een onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst in de meeste gevallen geen lagere kosten voor het kindercentrum tot gevolg heeft, geldt voor kindercentra meer dan voor veel andere opdrachtnemers. Het Bkk (hiervoor 3.10) reguleert nauwkeurig de zogenaamde beroepskracht-kindratio. Een voorzichtig beleid bij het aannemen van personeel (voorzichtig met het oog op onzekerheid over toekomstige opzeggingen) is in verband daarmee geen optie. De regels voor dagopvang zijn strenger dan voor buitenschoolse opvang, maar bij beide vormen van opvang wordt ervan uitgegaan dat kinderen in een groep worden opgevangen. De maximale omvang van die groep is afhankelijk van de leeftijd van de kinderen (hoe ouder hoe meer kinderen). Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een groep is afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de groep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten ingezet behoeven te worden. Daarbij moet worden bedacht dat per kind een minimale oppervlakte aan binnenspeelruimte en buitenspeelruimte aanwezig moet zijn, wat de mogelijkheden van een kindercentrum om tot een optimale indeling te komen, gemakkelijk beperkt. Het openvallen van een plek kan toevallig tot gevolg hebben dat (tijdelijk) volstaan kan worden met minder beroepskrachten op een groep, maar het is zeer de vraag of dit op zo’n korte termijn ook tot lagere personeelskosten leidt. Bovendien zal in de meeste gevallen, als een groep ‘vol’ zit, het openvallen van één plek niet betekenen dat minder beroepskrachten nodig zijn. 3.22 Kortom, kindercentra hebben alle aanleiding om van de opdrachtgever te vergen dat deze een opzegtermijn in acht neemt, zodat zij als opdrachtnemer de tijd hebben om naar aanleiding van het openvallen van de plek van het kind te acteren en het verlies van inkomsten op te vangen. Iets dergelijks geldt ook in het geval van annulering, dus de opzegging nog voordat de daadwerkelijke opvang van het kind een aanvang heeft genomen. Ook dan valt er tegen de planning en verwachting van het kindercentrum in een kindplaats open, met slechts het verschil dat de opvang van het kind nog niet daadwerkelijk een aanvang had genomen. De verschuldigdheid van loon in het geval van opzegging volgens de wettelijke regeling 3.23 Hoe invoelbaar de behoefte bij de kindercentra aan bedingen met betrekking tot opzegging en annulering ook is, zulke bedingen zijn niet vanzelfsprekend verenigbaar met de wettelijke regeling met betrekking tot opzegging door een particuliere opdrachtgever. Volgens art. 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen. Volgens lid 3 is de particuliere opdrachtgever ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd (afgezien van art. 7:406 BW). Lid 3 bevat wat betreft particuliere opdrachtgevers volledig dwingend recht (art. 7:413 lid 1 BW), en lid 1 eenzijdig dwingend recht (art. 7:413 lid 2 BW). De uitschakelbepaling van art. 7:400 lid 2 BW (hiervoor 3.6) mist wat betreft dit dwingende recht toepassing. In ieder geval op het eerste gezicht zijn opzegtermijnen met dit stelsel niet verenigbaar, omdat zij in strijd lijken met het uitgangspunt dat de particuliere opdrachtgever te allen tijde kan opzeggen en ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is. 3.24 Behalve op art. 7:408 BW dienen we echter ook te letten op art. 7:411 BW. Volgens het eerste lid van dat artikel heeft de opdrachtnemer in het geval de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken, en het loon daarvan afhankelijk is gesteld, recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij die vaststelling moet onder meer rekening worden gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft gehad en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. Uit art. 7:411 lid 2 BW volgt dat die vaststelling ook ertoe kan leiden dat alsnog het volle loon aan de opdrachtnemer verschuldigd is, namelijk wanneer het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Wel dienen besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien op het loon in mindering te worden gebracht (lid 2 tweede volzin). Ook van art. 7:411 BW kan niet ten nadele van een particuliere opdrachtgever worden afgeweken (art. 7:413 lid 2 BW). Dit betekent dus dat niet kan worden bedongen dat de opdrachtnemer meer verschuldigd is dan volgens art. 7:411 BW. 3.25 Indien de overeenkomst door de opdrachtnemer is opgezegd, zal veelal kunnen worden gezegd dat het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen in de zin van art. 7:411 lid 2 BW. Dat de opzegging steeds rechtsgeldig is in verband met art. 7:408 lid 1 BW staat daaraan niet in de weg. Dat volgt uit de hierna 3.32 weer te geven totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:408 BW en het volgt ook uit een arrest van uw Raad met betrekking tot makelaarscourtage uit 2005. Ik citeer dat arrest: ‘3.5 (…) In de memorie van toelichting op de voorloper van het huidige art. 7:411, art. 7:416, wordt over (…) [het] tweede lid [van art. 7:411] het volgende opgemerkt (Parl. Gesch. Inv. Boek 7, p. 378): “Het tweede lid houdt ermee rekening dat het redelijk kan zijn de opdrachtnemer ofschoon de opdracht tussentijds is geëindigd, niettemin het volle loon toe te kennen. (…) Vereist is dat het einde van de opdracht is toe te rekenen aan de opdrachtgever. Van de bepaling onder a in het voorontwerp wijkt dit in twee opzichten af. Enerzijds behoeft de beëindiging niet te berusten op wanprestatie aan de zijde van de opdrachtgever, doch kan iedere hem toerekenbare oorzaak in beginsel in aanmerking komen. Anderzijds is dit niet voldoende om hem inderdaad tot betaling van het volledige loon te verplichten; de rechter zal hebben te onderzoeken of dit, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.” Gelet op het wettelijk systeem en mede gezien dit citaat uit de wetsgeschiedenis, moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat de opdrachtgever de opdracht rechtsgeldig door opzegging heeft beëindigd, niet eraan in de weg staat dat het einde van de overeenkomst aan hem is toe te rekenen in de in art. 7:411 lid 2 bedoelde zin.’ 3.26 Het resultaat van art. 7:411 lid 2 BW kan dus zeer wel zijn dat een opzegging door de opdrachtnemer leidt tot de verschuldigdheid van loon. In de zaak met betrekking tot de makelaarscourtage was dit eventueel het volle loon. In het geval van kinderopvang is het loon periodiek verschuldigd (per maand). Een verschuldigdheid van het volle loon heeft in dat geval uiteraard dan de gedaante van het volle loon over een in redelijkheid te bepalen periode. Dat inderdaad de verschuldigdheid van het volle loon over een redelijke periode in het geval van overeenkomsten tot het bieden van kinderopvang door kindercentra alleszins aangewezen is, volgt uit hetgeen hiervoor is gezegd over de vergaande regulering van de kinderopvang en het voorzienbare gevolg van die regulering, namelijk dat een onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst meestal niet tot lagere kosten voor het kindercentrum leidt, onder meer in verband met de onmogelijkheid van een voorzichtig beleid van het centrum bij het aannemen van personeel. Hierna 3.41 zal blijken dat er aanknopingspunten zijn om de bedoelde redelijke periode op niet meer dan één maand te stellen. Hiervan uitgaande leidt art. 7:411 lid 2 BW ertoe dat in het geval van opzegging door de opdrachtnemer van een overeenkomst die strekt tot het bieden van kinderopvang, de opdrachtnemer maximaal het overeengekomen loon over een periode van één maand verschuldigd is. 3.27 In de wetsgeschiedenis is eventueel een aanwijzing te vinden voor een andere lezing van art. 7:411 BW. De memorie van toelichting laat zich namelijk zo lezen dat art. 7:411 BW in het geval van een opdracht waarbij de vergoeding wordt voldaan per tijdseenheid of per werkzaamheid, slechts betrekking heeft op de tijdseenheid of de werkzaamheid waarbinnen de beëindiging plaatsvindt. De redelijkheid van die lezing springt niet in het oog. Uitgaande van een maandelijks verschuldigde vergoeding zou zij ertoe leiden dat in het geval van een opzegging op de laatste dag van de maand de opdrachtgever wat betreft de periode na de opzegging geen enkel loon verschuldigd is, maar in het geval van een opzegging een dag later een vol maandbedrag (behoudens besparingen van de opdrachtnemer, art. 7:411 lid 2 tweede volzin BW). Mijns inziens dwingt art. 7:411 BW tot de bedoelde lezing niet en past zij ook niet bij het uitgangspunt dat in verband met de grote variëteit van opdrachten de bepalingen van de eerste afdeling op soepele wijze dienen te worden gehanteerd (hiervoor 3.3). 3.28 Terloops kwam de regel van art. 7:411 lid 2 tweede volzin BW reeds aan de orde. Volgens die bepaling worden op het loon de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht. Uit wat hiervoor 3.21 is gezegd, volgt dat zulke besparingen er wat betreft de kindercentra in het algemeen niet of nauwelijks zullen zijn, afgezien van het geval dat de door de opzegging opengevallen plaats op zeer korte termijn met een ander kind kan worden ingevuld. Wellicht is dit laatste inderdaad een besparing in de hiervoor bedoelde zin. Ik kom hierop hierna 3.45 e.v. terug. De toelaatbaarheid van bedingen met betrekking tot opzegging en annulering in de voorwaarden van kindercentra 3.29 Wat betekent een en ander nu voor de toelaatbaarheid van bedingen met betrekking tot opzegging en annulering van de overeenkomst in de voorwaarden van kindercentra? Mijns inziens zijn zulke bedingen niet in strijd met het dwingende recht van art. 7:408 en 7:411 BW, zolang zij maar niet leiden tot een hoger door de particuliere opdrachtgever verschuldigd loon dan volgens art. 7:411 BW. Dit past bij een soepele hantering van de bepalingen van de eerste afdeling (hiervoor 3.3). Met het oog op de kenbaarheid van recht is het juist een voordeel als in de overeenkomst die strekt tot het bieden van kinderopvang vastligt welk loon de opdrachtgever naar aanleiding van een opzegging of annulering verschuldigd is. Dit voorkomt dat tussen partijen debat ontstaat over de vraag waartoe toepassing van art. 7:411 BW in redelijkheid leidt, potentieel in ieder geval van opzegging of annulering opnieuw. 3.30 Voor de toelaatbaarheid van opzegtermijnen is in de wetgeschiedenis ook een concreet aanknopingspunt te vinden. Wel is dat een enigszins ingewikkeld verhaal. 3.31 Art. 7.7.1.10 van het zogenaamde Ontwerp-Meijers

(1972), in werkelijkheid van W.C.L. van der Grinten, luidde: ‘1. Een opdracht eindigt met haar volbrenging of op het door partijen of het gebruik bepaalde tijdstip. 2. Ieder der partijen kan te allen tijde de opdracht door opzegging doen eindigen. Een hiermede strijdig beding is nietig. 3. Tenzij het tegendeel is bedongen, is ieder der partijen bevoegd een opdracht door opzegging regelmatig te doen eindigen, mits met inachtneming van een opzeggingstermijn indien dit uit de overeenkomst voortvloeit. 4. De partij die door opzegging de opdracht niet regelmatig doet eindigen, is gehouden aan de wederpartij de schade te vergoeden, die deze lijdt doordat de overeenkomst niet op regelmatige wijze is beëindigd.’ Deze ontwerpbepaling ging dus uit van de mogelijkheid van contractuele opzegtermijnen (lid 3). Een opzegging in strijd met een zodanige termijn leidde weliswaar wel tot een eerder einde van de overeenkomst (lid 2), maar was niet regelmatig en verplichtte de opzeggende partij tot schadevergoeding (lid 4). 3.32 Het stelsel van het ontwerp is door de wetgever slechts gedeeltelijk overgenomen. Daarbij blijkt echter niet dat de wetgever bezwaar had tegen de gedachte dat een opzegtermijn, hoewel zij geen rol speelt bij de vraag of een overeenkomst van opdracht door opzegging eindigt, een rol kan spelen bij de hoogte van een door de opzeggende partij verschuldigde vergoeding. Wel koos de wetgever er welbewust voor om die vergoeding wat betreft de opdrachtgever in principe over de band van het verschuldigde loon te laten verlopen (het huidige art. 7:411 BW), in plaats van over die van schadevergoeding. Ook is duidelijk dat de wetgever niet wilde dat particuliere opdrachtgevers daarnaast schadevergoeding verschuldigd zouden kunnen zijn (afgezien van de in art. 7:406 BW bedoelde onkosten van de opdrachtnemer, die niet in het loon begrepen zijn), wat in het derde lid van art. 7:408 BW is vastgelegd. Vergelijk de memorie van toelichting: ‘Regelen de leden 1 en 2 [van art. 7:408] aldus (ten dele dwingend, ten dele regelend) de bevoegdheid van partijen om de overeenkomst van opdracht door opzegging te beëindigen, daarmee is nog onbeantwoord welke financiële gevolgen deze beëindiging voor partijen heeft. In de eerste plaats kan de opdrachtnemer bij voortijdige beëindiging het loon geheel of gedeeltelijk verschuldigd zijn; hierop heeft artikel 14 [art. 7:411] betrekking. Ten tweede kan de partij die de overeenkomst beëindigt in strijd met zijn contractuele verplichting schadevergoeding krachtens de wet verschuldigd zijn. Het voorontwerp bevatte hierover in artikel 10 lid 4 een bepaling, inhoudende dat in het voormelde geval (aldaar “onregelmatige beëindiging” genoemd), de opzeggende partij gehouden is aan de wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeenkomst niet op regelmatige wijze is beëindigd. Deze bepaling is niet overgenomen; de vraag in hoeverre wanprestatie tot schadevergoeding leidt kan gevoeglijk aan de contractuele regeling van partijen en aan de afdelingen 6.1.8 [art. 6:74 e.v.], 6.1.9 [art. 6:95 e.v.] en 6.5.4 [art. 6:261 e.v.] worden overgelaten. Daarentegen is thans in lid 3 een regel opgenomen (die blijkens artikel 16 lid 1 [art. 7:413 lid 2] van dwingend recht is), bepalende dat een opdrachtgever die aan de voormelde omschrijving van “consument” voldoet, terzake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd wordt. De schade die de opdrachtnemer door een onregelmatige beëindiging lijdt, zal slechts bij uitzondering het bedrag overtreffen van het loon dat hij voor de volbrenging van de prestatie zou hebben ontvangen; men zie ook de toelichting. Artikel 14 lid 2 [art. 7:411 lid 2] laat ook in het onderhavige wetsontwerp de ruimte van deze gehoudenheid tot volledige loonbetaling aan te nemen; hieronder zal daarop worden teruggekomen. Het komt mij voor dat particuliere opdrachtgevers terzake van een opzegging niet tot meer dan tot betaling van dit volle loon verbonden mogen worden. Een andere oplossing zou ook slecht stroken met artikel 15 lid 1 [art. 7:413 lid 1], waar hun opzeggingsbevoegdheid tot dwingend recht wordt verklaard, een bevoegdheid die door het vooruitzicht van wettelijke of contractuele schadevergoedingsplichten gemakkelijk verijdeld zou kunnen worden. Duidelijkheidshalve is in lid 3 tot uitdrukking gebracht dat de regel geen betrekking heeft op kosten die krachtens artikel 7 [art. 7:406] naast het loon verschuldigd kunnen zijn.’ 3.33 Voor wie dit een al te subtiel verhaal zou vinden, blijft hoe dan ook staan wat hiervoor 3.29 is gezegd: een contractuele regeling van opzegging, zogenaamde annulering daaronder begrepen, heeft onmiskenbaar het voordeel van de duidelijkheid: dankzij het beding weten partijen waar ze aan toe zijn. Die duidelijkheid is onmiskenbaar veel groter dan zonder een contractuele regeling. De norm van art. 7:411 BW is immers vaag, onder meer in verband met de maatstaf van ‘een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon’. Bovendien zullen partijen zich ervan bewust moeten zijn dat hun overeenkomst een overeenkomst van opdracht is. In ieder geval wat betreft particuliere opdrachtgevers is dat allerminst vanzelfsprekend. 3.34 Dat de wat betreft particuliere opdrachtgever dwingende regeling van art. 7:411 BW niet in de weg staat aan contractuele bedingen die niet verder gaan dan uit art. 7:411 BW voortvloeit, is ook het uitgangspunt van het al genoemde arrest met betrekking tot makelaarscourtage. Zie dat arrest onder 3.4, in het bijzonder de laatste zin (cursivering toegevoegd): ‘3.4 Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art 7:411 BW eraan in de weg staat dat Van Vulpen overeenkomstig de hiervoor in 3.1 onder (
  1. ii)geciteerde bepaling (
  2. ii)recht heeft op courtage wegens het feit dat Debetz c.s. buiten haar om de aankoop van de woning tot stand hebben gebracht, althans daarover onderhandeld hebben. In dit verband betoogt het onderdeel dat de bedoelde bepaling (evenals andere tussen partijen bedongen bepalingen waarnaar het onderdeel verwijst) een sanctie stelt op de niet-naleving van het beding dat de opdrachtgever niet buiten de makelaar om mag handelen. Art. 7:411 BW bevat volgens het onderdeel geen regeling voor de courtage die verschuldigd wordt als bedongen sanctie op schending door de opdrachtgever van dergelijke exclusiviteitsbepalingen. Dit betoog faalt. Onder het in art. 7:411 bedoelde loonbegrip valt, naar het hof terecht heeft geoordeeld, mede de courtage die een makelaar bedongen heeft voor het geval van overtreding door de opdrachtgever van exclusiviteitsbepalingen als de onderhavige. Op basis van zo’n beding zal een makelaar derhalve, in het geval dat de overeenkomst eindigt voordat de opdracht volbracht is, jegens een opdrachtgever als in art. 7:413 lid 2 BW aangewezen, geen recht op courtage kunnen doen gelden voorzover die het “naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon” als in art. 7:411 lid 1 BW bedoeld te boven gaat, zulks overigens onverminderd het bepaalde bij lid 2 van dat artikel.’ 3.35 Bij mijn weten is dit ook juist wat eenzijdig dwingend recht bedoelt, namelijk uitsluitend bedingen verbieden die ten nadele van de beschermde partij (de particuliere opdrachtgever) afwijken van wat de wet inhoudt. Opzeggingstermijnen ogen naar hun vorm weliswaar sterk afwijkend ten opzichte van het stelsel van art. 7:408 en 7:411 BW, maar in plaats van de vorm behoort de inhoud bepalend te zijn. In feite houdt een opzeggingstermijn twee dingen in, namelijk de verschuldigdheid (volgens de meest gebruikte voorwaarden van kindercentra) van het volle loon over één maand als een mijns inziens redelijke invulling van de norm van art. 7:411 BW (vergelijk hierna) en daarnaast het recht van de opdrachtnemer om gedurende de opzegtermijn het kind nog steeds naar de opvang te brengen (een recht, uiteraard geen plicht). Ondanks de sterk afwijkende vorm gaan opzeggingstermijnen dus zeker niet zomaar verder dan art. 7:411 BW, dat uitsluitend de hoogte van het in geval van opzegging verschuldigde loon bepaalt. Niet alleen is ook zonder het beding een vergoeding verschuldigd (namelijk op grond van art. 7:411 BW, mijns inziens ter hoogte van de vergoeding voor één maand; hiervoor 3.26 en hierna 3.41 e.v.), de wettelijke regeling voorziet niet in een recht voor de opdrachtgever om na de opzegging nog enige tijd (een maand) het kind naar de opvang te brengen. Een opzegtermijn van één maand is in dit opzicht mijns inziens voor de particuliere opdrachtgever juist gunstiger dan het wettelijke regime. 3.36 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de wat betreft particuliere opdrachtgevers dwingende regel van art. 7:408 lid 1 BW (de opdrachtgever kan te allen tijde opzeggen) nodig achtte in verband met de samenhang tussen lastgeving en volmacht. Zoals een volmacht die in het belang van de volmachtgever strekt (art. 3:74 lid 1 BW) steeds door deze kan worden herroepen (art. 3:72 aanhef en onder c BW) en deze herroeping werking heeft zodra zij is ontvangen (art. 3:37 lid 3 BW), zo ook moet de lastgever de belangenbehartiging door de lasthebber onmiddellijk kunnen doen eindigen, eenvoudig omdat hij zulke belangenbehartiging niet langer wenst. Dat geldt ook indien lastgeving niet met volmacht gepaard gaat en dus de lasthebber in eigen naam optreedt. Het zal duidelijk zijn dat deze ratio maar beperkt kan opgaan in geval van een opdracht die niet in lastgeving bestaat. Wat in het geval van de opdracht tot het bieden van kinderopvang eventueel resteert, is dat de ouder niet verplicht mag zijn om het kind nog gedurende de opzegtermijn naar de opvang te brengen. Dat een zodanige verplichting niet bestaat, spreekt echter mijns inziens reeds vanzelf. Kortom, er bestaat geen reden om aan de dwingendrechtelijke regel dat de particuliere opdrachtgever de opdracht te allen tijde kan opzeggen de conclusie te verbinden dat reeds daarom een opzegtermijn niet toelaatbaar is. 3.37 Voor het voorgaande is in de literatuur steun te vinden. Zie Tjong Tjin Tai in de Asser-serie: ‘Voor particuliere opdrachtgevers is een opzegtermijn strikt genomen niet toegestaan wegens strijd met art. 7:408 BW jo. art. 7:413 BW. Dat neemt niet weg dat een opzegtermijn een nuttige functie kan vervullen, namelijk indien de opdrachtnemer gedurende de looptijd van de opdrachten kosten maakt of heeft gemaakt (zoals administratiekosten, gereedhouden van werknemer) ook zonder dat er verder specifieke werkzaamheden worden verricht. Men treft dan ook regelmatig opzegtermijnen aan bij consumentenovereenkomsten. Een opzegtermijn moet in zo’n geval worden beschouwd als een afspraak omtrent het redelijk loon in geval van voortijdige opzegging (vgl. nr. [181]). Uit art. 6:236 onder j BW volgt dat een door een particulier gegeven opdracht die verplicht tot het geregeld doen van verrichtingen en die is verlengd steeds kan worden opgezegd met een opzegtermijn van hoogstens een maand; een andersluidend beding is vernietigbaar. In een zodanig geval kan derhalve niet geldig een langere opzegtermijn worden afgesproken. Dit bevestigt dat een opzegtermijn bij consumenten op zichzelf mogelijk is. Er kan niet in zijn algemeenheid worden gesteld dat een opzegtermijn van een maand ook voor andere soorten opdrachten redelijk is als maximumtermijn: daarvoor kunnen de mogelijke soorten opdrachten te zeer verschillen. (…)’ 3.38 Ook volgens Tjong Tjin Tai moeten we dus door de schijnbare strijd van een opzegtermijn met het dwingendrechtelijke stelsel van art. 7:408 lid 1 BW (de opdrachtgever kan te allen tijde opzeggen) heen kijken en kan een opzegtermijn juist een nuttige functie vervullen. Daarbij beroept hij zich mede op de bepaling van art. 6:236 aanhef en onder j BW. Die bepaling ziet op overeenkomsten voor bepaalde tijd. Voor overeenkomsten voor onbepaalde tijd geldt art. 6:237 aanhef en onder o BW. Hierna 3.41 e.v. komt die bepaling aan de orde. Inderdaad lijken deze bepalingen te bevestigen dat de wetgever tegen opzegtermijnen in consumentenovereenkomsten geen bezwaar had, mits de opzegtermijn niet meer dan een maand bedraagt. 3.39 Een contractuele regeling die ertoe leidt dat de particuliere opdrachtgever meer verschuldigd is dan op grond van de wet, is uiteraard niet met het dwingendrechtelijke karakter van onder meer art. 7:411 BW te verenigen. De soepele hantering van de wettelijke regels in verband met de grote variëteit van opdrachten (hiervoor 3.3) gaat niet zover dat dwingend recht soms toch geen dwingend recht is. Voor zover dit niet reeds vanzelf spreekt, geldt dat het aansluit bij de keuze van de wetgever om dwingend recht van de werking van de uitschakelbepaling van art. 7:400 lid 2 BW uit te zonderen (hiervoor 3.6). 3.40 Hiervoor 3.26 kondigde ik aan dat er aanknopingspunten zijn om de periode waarover door een particuliere opdrachtgever in verband met opzegging het volle loon verschuldigd is, op niet meer dan één maand te stellen. Dit behoort nu te worden uiteengezet (hierna 3.41 e.v.); ook de hoogte van een bedongen annuleringsvergoeding verdient nog aandacht (hierna 3.43). Vervolgens resteren nog twee andere kwesties, namelijk de vraag of in het geval dat de door de opzegging opengevallen plaats op zeer korte termijn door plaatsing van een ander kind kan worden ingevuld, zich een besparing in de zin van de tweede volzin van art. 7:411 lid 2 BW voordoet (hierna 3.45 e.v.) en de mogelijkheid dat de opdrachtgever voor zijn opzegging bijzondere gronden heeft (hierna 3.50 e.v.). De lengte van de opzegtermijn 3.41 Sinds de initiatiefwet Crone en Van Dam is uitgangspunt van de regeling algemene voorwaarden dat in het geval van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, consumenten de overeenkomst moeten kunnen opzeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand. Zie art. 6:237 aanhef en onder o BW (grijze lijst). De bepaling geldt onder meer voor overeenkomsten in de zin van art. 6:236 onder j BW, waaronder behalve overeenkomsten tot het geregeld afleveren van zaken of energie, ook vallen overeenkomsten tot het geregeld doen van verrichtingen. In verband met de strekking van deze bepalingen is het begrip ‘verrichtingen’ mijns inziens ruim op te vatten; ook het bieden van kinderopvang zou ik eronder willen begrijpen. Ik merk nog op dat de opvatting van de wetgever dat voor consumenten in het algemeen een opzegtermijn van meer dan een maand niet passend is, ook blijkt uit andere bepalingen op zowel de grijze als de zwarte lijst. Vergelijk wat betreft de grijze lijst naast de al genoemde bepaling onder o, ook de bepalingen onder k en l, en wat betreft de zwarte lijst naast de genoemde bepaling onder j, ook de bepalingen onder p en q. 3.42 Nemen we inderdaad aan dat een door een kindercentrum bedongen opzegtermijn onder art. 6:237 aanhef en onder o BW valt, dan past daarbij mijns inziens om aan te nemen dat de periode waarover door een particuliere opdrachtgever in verband met een opzegging op grond van art. 7:411 BW het volle loon verschuldigd is, in beginsel niet meer dan één maand zal kunnen zijn. Daaruit volgt dan mede dat opzegtermijnen van meer dan één maand in beginsel in strijd met het dwingende recht van art. 7:411 jo. 7:413 BW zijn. Uiteraard is niet categorisch uit te sluiten dat het toch anders is (daarom zei ik: ‘in beginsel’), maar naar analogie van de grijze lijst veronderstelt dit dat het desbetreffende kindercentrum zich beroept op voldoende sprekende feiten en omstandigheden die de verschuldigdheid van het loon over een langere periode dan één maand kunnen rechtvaardigen. Uit de hiervoor 3.13 e.v. vermelde inhoud van de voorwaarden van de vijftien grootste kinderopvangorganisaties lijkt intussen te volgen dat ook in de branche de opvatting heersend is volgens welke een opzegtermijn van één maand volstaat. Bij de invulling van de vage norm van art. 7:411 BW is hiermee mijns inziens rekening te houden (vergelijk art. 3:12 BW). Kortom, het geval dat een ouder toch meer dan het loon over één maand verschuldigd is respectievelijk dat een opzegtermijn van meer dan een maand toch niet in strijd met het dwingende recht van art. 7:411 jo. 7:413 BW is, kan ik mij nauwelijks voorstellen. De hoogte van de annuleringsvergoeding 3.43 Zojuist ging het over de opzegtermijn. Zijn ook bedingen omtrent de verschuldigdheid van een annuleringsvergoeding in te passen? We stelden hiervoor 3.22 reeds vast dat de belangen van het kindercentrum in het geval van annulering sterk vergelijkbaar zijn met die in het geval van opzegging nadat de opvang van het kind een aanvang heeft genomen. Daarom is ook een vergelijkbare benadering gepast. Mijns inziens is het heel eenvoudig. Annulering is opzegging vóór het moment dat de opvang van het kind een aanvang heeft genomen. Ook annulering leidt ertoe dat de overeenkomst voortijdig eindigt in de zin van art. 7:411 BW. Afgezien van bijzondere gronden voor de annulering geldt dat het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen in de zin van lid 2. Het te betalen redelijke gedeelte van het volle loon is naar analogie van de ‘gewone opzegging’ te stellen op maximaal één maand. Maximaal, want in verband met het uitgangspunt dat opzegging op een termijn van een maand mogelijk is, behoort in het geval van een annulering meer dan een maand vóór aanvang van de opvang, het te vergoeden loon lager te zijn. Vindt annulering tenminste twee maanden vóór aanvang plaats, dan bestaat voor de verschuldigdheid van loon mijns inziens redelijkerwijs geen grond meer. Dit is ook daarom redelijk omdat in geval van annulering uiteraard niet het recht bestaat om van de opvang gebruik te maken; terecht heeft de annuleringsvergoeding in de onderzochte algemene voorwaarden van kindercentra niet de gedaante van een ‘opzegtermijn’. Aan het voorgaande staat niet in de weg dat in geval van annulering de opvang van het kind nog geen aanvang heeft genomen. Volgens art. 7:411 lid 1 tweede volzin BW is de vraag in hoeverre de opdrachtnemer reeds werkzaamheden heeft verricht, niet meer dan een gezichtspunt bij de vaststelling van het redelijke deel van het loon dat in verband met het einde van de overeenkomst verschuldigd is. Ook met de andere omstandigheden van het geval is dus rekening te houden, waaronder de sterke regulering van de kinderopvang, die meebrengt dat onder meer een voorzichtig beleid bij het aannemen van personeel niet mogelijk is. Overigens zal het kindercentrum ook vóór de aanvang van de opvang werkzaamheden hebben verricht om de komst van het kind voor te bereiden. 3.44 In het geval de annuleringskosten laag uitvallen of zelfs op nihil uitkomen in verband met het vroege tijdstip van de annulering, resteren voor de opdrachtnemer mogelijk vergeefs gemaakte kosten in verband met de inschrijving van het kind en het opstellen van het contract. Mijns inziens kan de opdrachtnemer in dat geval deze kosten op de opdrachtgever verhalen als onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht die niet in het loon zijn begrepen als bedoeld in art. 7:406 lid 1 BW. Verplichte verrekening van het voordeel van spoedige invulling van de opengevallen kindplaats? 3.45 Dat na een opzegging een kindercentrum de opengevallen kindplaats op korte termijn kan invullen door een ander kind te plaatsen, spreekt niet vanzelf, maar is ook zeker niet onmogelijk. Er zijn immers kindercentra met een wachtlijst. Overigens zal ook in dat geval het ‘vervangende kind’ lang niet altijd direct beschikbaar zijn, omdat dit kind en zijn ouders veelal enige tijd nodig zullen hebben om zich op de nieuwe situatie in te stellen. Wordt de opengevallen kindplaats een maand na de opzegging of later door plaatsing van een ander kind ingevuld, dan kan dit uiteraard niets veranderen aan wat hiervoor is gezegd. Dat behoort tot het ondernemersrisico van het kindercentrum. Maar wat indien die invulling op kortere termijn dan een maand blijkt te kunnen plaatsvinden; is dit voordeel voor het kindercentrum dan te beschouwen als een besparing in de zin van de tweede volzin van art. 7:411 lid 2 BW, die in mindering moet worden gebracht op het te vergoeden loon over één maand? 3.46 Volgens de tweede volzin van art. 7:411 lid 2 BW is de maatstaf of de besparing uit de voortijdige beëindiging voortvloeit. Twijfel is mogelijk. De voortijdige beëindiging zelf leidt uiteraard niet tot de invulling van de opengevallen plaats door een ander kind. Maar zonder die beëindiging zou de nieuwe overeenkomst van opdracht niet mogelijk zijn geweest, omdat er geen plaats was. Met dit laatste is tegelijk gezegd dat indien de plaatsing ook afgezien van de beëindiging plaats zou hebben gehad, van een besparing in ieder geval geen sprake is. Is het openvallen van de kindplaats echter wel voorwaarde voor de nieuwe overeenkomst van opdracht geweest, dan is eventueel wel verdedigbaar dat dit voordeel met het verschuldigde loon moet worden verrekend. 3.47 In ieder geval op het eerste gezicht bestaat er een analogie in de regeling van art. 7:764 lid 2 BW met betrekking tot aanneming van werk. Volgens die regeling is in geval van opzegging van de aannemingsovereenkomst door de opdrachtgever deze de voor het gehele werk geldende prijs verschuldigd, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Ook in die context doet zich de vraag voor of een vervangende aannemingsovereenkomst als een besparing is te zien. Volgens de wetsgeschiedenis is met het begrip besparingen bewust gekozen voor een ‘elastische’ term. In de praktijk wordt ander werk dat de aannemer met behulp van de als gevolg van de opzegging vrijkomende capaciteit heeft kunnen verrichten, wel onder het begrip ‘besparingen’ gebracht. Dat dit niet onjuist is, volgt onmiskenbaar uit een arrest van uw Raad uit 2013. Ik zeg ‘niet onjuist’, want uit de verwerping van de klachten tegen het oordeel van het hof dat dit inhield, laat zich uiteraard niet afleiden dat een tegengesteld oordeel onjuist zou zijn geweest. 3.48 Intussen bestaat er een niet te verwaarlozen verschil tussen het stelsel zoals dit in geval van aanneming van werk geldt en het stelsel in geval van opdracht. De aannemer heeft recht op de winst die hij over het gehele werk zou hebben gemaakt. Zie het slot van art. 7:764 lid 2 BW. De opdrachtnemer heeft slechts aanspraak op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Dit kan weliswaar volgens art. 7:411 lid 2 BW maximaal het volle loon zijn minus besparingen, maar in het geval het volle loon over niet meer dan een redelijke periode wordt berekend (wat betreft kinderopvang: een maand), is dit wezenlijk minder dan waarvan de regeling van aanneming uitgaat. 3.49 Kortom, per saldo valt aan de analogie met aanneming geen beslissend argument te ontlenen. Waar de opdrachtnemer het allerminst te verwaarlozen risico draagt dat na een maand de opengevallen kindplaats nog niet is ingevuld, dunkt het mij alleszins redelijk dat hij het voordeel dat zich voordoet als invulling wél binnen een maand mogelijk is, mag behouden. Ik stel daarom voor dit voordeel niet te kwalificeren als een besparing die uit de voortijdige beëindiging voortvloeit. Opzegging door de opdrachtgever op bijzondere gronden 3.50 Hiervoor is steeds verondersteld dat het voortijdige einde van de opdracht aan de opdrachtgever is toe te rekenen. Zulke toerekening spreekt min of meer vanzelf indien de opdrachtgever voor de opzegging (annulering daaronder begrepen) geen bijzondere gronden heeft en de opzegging dus bijvoorbeeld berust op een verandering in de omstandigheden van het gezin waarbinnen het kind wordt opgevoed of zelfs op niet meer dan een verandering van voorkeur. Anders wordt het indien de opdrachtgever voor zijn opzegging bijzondere gronden heeft, in verband waarmee het einde van de overeenkomst niet aan de opdrachtgever is toe te rekenen. In de context van kinderopvang is in het bijzonder te denken aan feiten en omstandigheden die aan het kindercentrum zijn toe te rekenen en die begrijpelijk maken dat de ouder het kind per direct niet langer aan de zorg van het kindercentrum wenst toe te vertrouwen. Ook het geval van het overlijden van het kind is, dunkt me, een geval van opzegging op bijzondere gronden. 3.51 Indien zich inderdaad zulke bijzondere gronden voordoen, heeft de opdrachtnemer volgens de wettelijke regels geen recht over loon wat betreft de periode vanaf de opzegging. Art. 7:411 lid 2 BW (recht op het volle loon) ziet alleen op het geval dat het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen. Ook uit lid 1 volgt geen vergoedingsplicht, omdat het naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon op nul is te stellen. 3.52 De hiervoor 3.12 e.v. vermelde algemene voorwaarden van kindercentra voorzien niet in algemene zin in opzegging door de opdrachtgever op bijzondere gronden. Wel voorzien de meest gebruikte voorwaarden in een onmiddellijk einde van de overeenkomst in het geval van het overlijden van het kind (zie art. 10 lid 6 van de hiervoor 3.10 geciteerde voorwaarden). 3.53 Langs twee routes valt te beredeneren dat de in de bedoelde algemene voorwaarden bedongen opzegtermijn niet geldt in het geval de opdrachtgever voor zijn opzegging bijzondere gronden heeft. In de eerste plaats kan men de voorwaarden eenvoudig in die zin uitleggen. Waar de voorwaarden de opzegging op bijzondere gronden ongeregeld laten, zijn de wettelijke regels van toepassing en volgens die regels heeft het kindercentrum geen recht op loon (hiervoor 3.51). Leggen we de voorwaarden zo uit dat ze een opzegtermijn inhouden óók voor het geval de opdrachtgever voor de opzegging bijzondere gronden heeft, dan gaan de voorwaarden in zoverre verder dan het dwingende recht en dat is uiteraard niet toelaatbaar (hiervoor 3.39). Mede in het licht van art. 6:238 lid 2 tweede volzin BW (uitleg ten voordele van consumenten) meen ik dat de eerste route in het algemeen de juiste is. Uitvoeriger hierna 5.19. Uiteraard kan het in concreto anders zijn, bijvoorbeeld wanneer een beding zegt dat de opdrachtgever de in het beding omschreven vergoeding ‘steeds’ of ‘onder alle omstandigheden’ verschuldigd is. 3.54 Zou toch van de tweede route worden uitgegaan, dan laat zich nog de vraag stellen of de bedoelde bepalingen in de algemene voorwaarden van kindercentra als oneerlijk zijn te beschouwen in verband met het ontbreken van een regeling voor opzegging op bijzondere gronden. Zie daarvoor hierna 5.18 e.v. 4Ambtshalve handhaving van dwingend recht door de rechter Inleiding; plan van behandeling 4.1 Dwingend recht kan worden gehandhaafd doordat bedingen die met het dwingende recht in strijd zijn, ambtshalve door de rechter buiten toepassing worden gelaten. Dit hoofdstuk is gewijd aan de vraag of volgens de gewone regels van Nederlands burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht de rechter dit inderdaad doet, althans zou moeten doen, en onder welke voorwaarden. 4.2 Voor een goed begrip van de kwestie is het nodig om vooraf enkele begrippen te verduidelijken en onderscheidingen te maken. Als eerste maak ik enkele opmerkingen over het verschijnsel van dwingend recht en de belangrijkste variaties ervan (hierna 4.4 e.v.). Om nader de gedachten te bepalen, onderscheid ik vervolgens bij wijze van ‘prototypen’ drie niveaus van potentiële rechterlijke activiteit met betrekking tot dwingend recht (hierna 4.11 e.v.). Dwingend recht leidt volgens art. 3:40 lid 2 BW – afhankelijk van de strekking van het dwingende recht – tot ‘nietigheid’ of ‘vernietigbaarheid’. Ook die begrippen behoeven met het oog op de vraag naar de juiste rechterlijke activiteit bespreking, een bespreking waarbij ik aansluiting zoek bij de mijns inziens nog altijd waardevolle beschouwingen van Meijers (hierna 4.15 e.v.). Ik heb in mijn bespreking van de begrippen en onderscheidingen van dwingend en aanvullend recht respectievelijk nietigheid en vernietigbaarheid vanzelfsprekend geen enkele volledigheid kunnen nastreven. Ik heb slechts willen zeggen wat ik voor een goed begrip van het vervolg noodzakelijk achtte. 4.3 Dat vervolg bestaat in de eerste plaats uit een bespreking van de rechtspraak en literatuur met betrekking tot de ambtshalve handhaving van dwingend recht onder het oude recht, ik bedoel van vóór 1 januari 1992, dus voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (hierna 4.25 e.v.). De dissertatie van Vriesendorp
(1970)zal daarbij een belangrijke bron zijn. Ik kondig reeds aan dat zal blijken dat dwingend recht in de regel ambtshalve werd gehandhaafd, dus ook zonder dat de dwingende rechtsregel door een van partijen was ingeroepen. Dit is opvallend omdat veel moderne literatuur ervan uitgaat dat alleen dwingend recht van openbare orde een zodanige behandeling verdient (hierna 4.55 e.v. en 4.82). Ik heb mij uiteraard de vraag gesteld hoe die moderne opvatting kan zijn ontstaan, en ook of zij juist is. Op zoek naar aanknopingspunten voor de beantwoording van deze vragen, bespreek ik hierna 4.38 e.v. de aanloop naar het nieuwe Burgerlijk Wetboek
(1992), hierna 4.51 e.v. de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken
(2002)en, na de presentatie van een tussenstand onder 4.53 e.v., ontwikkelingen in de literatuur van de nieuwe eeuw (hierna 4.55 e.v.). Daarna komt de moderne rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde (hierna 4.89 e.v.). Daarbij zal blijken dat diverse recente arresten nog steeds veronderstellen dat de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd dwingend recht veelal ambtshalve handhaaft, zoals de rechter ook overigens de deugdelijkheid van de grondslag van de vordering en het verweer ambtshalve aan het recht toetst. In de moderne literatuur is door diverse auteurs het alternatief bepleit dat de rechter dwingend recht ambtshalve aan de orde stelt; dit komt hierna 4.112 e.v. aan de orde. Ten slotte trek ik onder 4.120 e.v. conclusies met betrekking tot de ambtshalve handhaving van het eenzijdig dwingende recht van de regeling van de opdracht (art. 7:413 jo. 7:408 lid 3 BW). Begrippen en onderscheidingen
(1): dwingend recht 4.4 Zowel met aanvullend als dwingend recht geeft de wetgever een regel die tussen partijen gelding heeft, uiteraard mits aan de toepassingsvoorwaarden van de regel is voldaan. In geval van dwingend recht voegt de wetgever aan die regel echter nog iets toe dat in geval van aanvullend recht ontbreekt, namelijk een verbod op bedingen die met de regel in tegenspraak zijn. In verband met het beginsel van contractsvrijheid is aanvullend recht het gewone geval en dwingend recht de uitzondering. 4.5 Hierna zal blijken dat dwingend recht niet in alle gevallen met dezelfde mate van rechterlijke activiteit wordt gehandhaafd. In dat opzicht is er dus verscheidenheid van dwingend recht. Die verscheidenheid is er ook in diverse andere opzichten. 4.6 Er bestaat verscheidenheid in de redenen voor het verbod op bedingen die met de door de wetgever gegeven regel in tegenspraak zijn, dus in de redenen voor de keuze voor dwingend recht. De reden voor die keuze is zeer vaak dat de wetgever de ene partij bij een bepaalde categorie van rechtshandelingen (bijna altijd: overeenkomsten) voor zwakker houdt dan de andere en daarom wil beschermen. De belangrijkste categorieën van zulke zwakke partijen zijn overbekend: werknemers, huurders en pachters, en daarnaast vooral ook consumenten. De reden voor de keuze voor dwingend recht kan ook gelegen zijn in de belangen van bij de werking van een rechtshandeling betrokken derden. En ook is mogelijk dat de wetgever een hoger belang dan dat van partijen of van bepaalde derden op het oog heeft, dus een algemeen belang, zoals de zekerheid van het rechtsverkeer of een bijzonder materieel belang van de gemeenschap. 4.7 Er bestaat ook verscheidenheid wat betreft de mogelijkheid om tóch van de door de wetgever gegeven regel af te wijken. Voor zulke afwijking kan bijvoorbeeld een vorm zijn voorgeschreven, zodat partijen de afwijking in eigen macht hebben (bijv. art. 7:864 lid 2 BW). Het dwingende karakter van de rechtsregel is aldus uitgesproken zwak; het vormvoorschrift scherpt slechts in dat het afwijkende beding wordt gemaakt. Men spreekt in dit verband van semidwingend recht. Ook komt het voor dat niet partijen zelf de afwijking in hun macht hebben, maar anderen wel, zoals in gevallen waarin afwijking bij cao (één voorbeeld uit vele: art. 7:670 lid 14 BW) of standaardregeling (bijv. art. 7:6 BW) mogelijk is. Vooral in het arbeidsrecht is in dit verband de term driekwart dwingend recht gangbaar. De figuur veronderstelt uiteraard dat een cao respectievelijk standaardregeling een hogere rang heeft dan een individuele overeenkomst. Wat bij individuele overeenkomst niet mag, mag bij de ‘hogere’ cao of standaardregeling wel. 4.8 Verscheidenheid kan ook bestaan wat betreft de partij jegens wie afwijking is toegelaten. Voor veel dwingend recht geldt dat het slechts afwijking ten nadele van de ene partij verbiedt en niet ook afwijking ten nadele van de andere partij (een voorbeeld uit vele: art. 6:96 leden 4 en 5 BW). Men spreekt van eenzijdig dwingend recht, in onderscheid van meerzijdig dwingend recht.Uiteraard bestaat er een rechtstreeks verband met de reden voor het verbod op afwijking: is die reden gelegen in de bescherming van een zwakkere partij, dan ligt voor de hand inderdaad wél toe te staan dat ten gúnste van die partij van de door de wetgever geformuleerde regel wordt afgeweken. De term eenzijdig dwingend recht impliceert dat naar de andere zijde van dwingend recht géén sprake is; in zoverre is de door de wetgever gegeven regel juist aanvullend. Dit is eenvoudig te illustreren aan de hand van het in deze procedure centraal staande art. 7:411 BW. De belangrijkste regel die dat artikel bevat, is dat bij een voortijdig einde van de opdracht de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, dat in het geval het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen, het volle loon kan zijn. Volgens art. 7:413 lid 2 jo. 7:408 lid 3 BW kan van deze regel niet ten nadele van de particuliere opdrachtgever worden afgeweken. Dit betekent dus dat voor zover art. 7:411 BW de particuliere opdrachtgever faciliteert, dus in de zin dat deze niet meer dan een redelijk deel van het loon verschuldigd is, van écht dwingend recht sprake is: afwijking van de door de wetgever gegeven regel is niet toegelaten, ook niet in bepaalde vorm (géén semidwingend recht) of bij cao of standaardregeling (géén driekwart dwingend recht). Intussen, voor zover art. 7:411 BW de opdrachtnemer faciliteert door hem een aanspraak op een redelijk deel van het loon toe te kennen, is sprake van aanvullend recht. Afwijking van de door de wetgever gegeven regel is in zoverre gewoon toegelaten. 4.9 Een verwante variatie is dat niet beide partijen het verbod op de afwijking van het dwingende recht kunnen inroepen, maar slechts een van hen (bijv. art. 7:619 lid 3). De andere partij kan zich dus niet op de door de wetgever geformuleerde regel beroepen. Men spreekt van relatief dwingend recht. Ook deze variant veronderstelt dat de wetgever de bescherming van een van partijen beoogt. 4.10 Met betrekking tot de hiervoor gehanteerde begrippen en onderscheidingen zij men erop bedacht dat de terminologie niet vast is. Ook in de context van de voorliggende zaak doet zich dit voor. De vijfde prejudiciële vraag spreekt over ‘semi-dwingend recht’ in een geval dat hiervoor als ‘eenzijdig dwingend recht’ werd aangeduid (uitvoeriger hierna 6.10). Begrippen en onderscheidingen
(2): drie prototypische niveaus van rechterlijke activiteit 4.11 Waar het in deze beschouwingen in het bijzonder om te doen is, is het antwoord op de vraag met welke mate van rechterlijke activiteit volgens de gewone regels van Nederlands burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht dwingend recht door de rechter wordt gehandhaafd: doet hij dit ook ambtshalve en zo ja onder welke voorwaarden? Nu verhelderd is wat dwingend recht is, kan die vraagstelling nader worden ingekleurd. Ik doe dit door drie niveaus van potentiële rechterlijke activiteit met betrekking tot dwingend recht te onderscheiden. Hierna functioneren die onderscheiden niveaus als ‘prototypen’. Ik bedoel daarmee dat de formulering van de mate van rechterlijke activiteit voorlopig is, omdat in het vervolg nog nuances zullen worden toegevoegd. Dat ik spreek over ‘prototypen’ heeft daarnaast als reden dat zich overgangsfiguren voordoen, in de zin dat met betrekking tot een bepaalde wetsbepaling van dwingend recht de rechter in een of meer opzichten meer activiteit behoort te ontplooien dan volgens het ene prototypische niveau dat ik beschrijf, maar tegelijk minder dan het erboven gelegen niveau. 4.12 Volgens het hoogste niveau van rechterlijke activiteit met betrekking tot dwingend recht handhaaft de rechter het verbod op afwijkende bedingen geheel zelfstandig ten opzichte van de procespartijen. Dit niet alleen in die zin dat onverschillig is welk standpunt partijen met betrekking tot de geldigheid van het beding hebben ingenomen, maar ook in de zin dat de rechter actief de voor de toepassing van het dwingende recht relevante feiten onderzoekt. Uiteraard is de rechter wat betreft de feiten tot op zekere hoogte altijd van de voorlichting door partijen afhankelijk, maar hij kan wel naar aanleiding van bepaalde kenmerken van de hem voorgelegde zaak aan partijen vragen stellen en/of andere maatregelen van instructie nemen. Uitgaande van het door mij bedoelde hoogste niveau van rechterlijke activiteit doet hij dit zodra hij ook maar de mógelijkheid van de toepasselijkheid van het dwingende recht vermoedt. Doet de rechter dit toch niet, dan kan daarover in een hogere instantie worden geklaagd. Op dit hoogste niveau van rechterlijke activiteit is de werking van het dwingende recht maximaal. Zodra de rechter vermoedt dat dwingend recht ter zijde is gesteld, is hij actief. Uiteraard is hiermee de werking van het dwingende recht nog steeds verre van volmaakt. Niet alleen kan de presentatie van de zaak door partijen de rechter op het verkeerde been zetten, zodat de toepasselijkheid van het dwingende recht onvermoed blijft, ook zijn er zeer veel gevallen die de rechter nooit bereiken en waarin afwijkingen van dwingend recht niet worden geredresseerd. 4.13 De lezer vermoedt reeds wat als het laagste niveau van rechterlijke activiteit dient te gelden: de rechter handhaaft het verbod op afwijkende bedingen slechts in volstrekte afhankelijkheid van partijen; hun omlijning van het geschil, zowel feitelijk als juridisch, wordt door hem volmaakt gerespecteerd. Volgens dit laagste niveau van rechterlijke activiteit gaat de rechter niet alleen niet zelfstandig op zoek naar de feitelijke elementen die nodig zijn om te kunnen vaststellen of het dwingende recht van toepassing is, maar ontziet hij met het dwingende recht strijdige bedingen ook dan wanneer die toepasselijkheid evident is, maar geen van partijen zich op die toepasselijkheid beroept. Daarbij is onverschillig – ik beschrijf nog steeds het láágste prototypische niveau van rechterlijke activiteit – om welke reden partijen zich niet op het dwingende recht beroepen. Die reden kan bewust zijn (beide partijen menen dat handhaving van het dwingende recht niet in hun belang is), maar ook onbewust (onwetendheid bij een procespartij en/of een mogelijke fout van diens advocaat of andere rechtshulpverlener). In al deze gevallen blijft de schending van het dwingende recht dus zonder gevolgen; het met het dwingende recht strijdige beding heeft ‘gewoon’ zijn werking. Wordt wél door een partij op het dwingende recht een beroep gedaan en worden de voor de toepassing ervan benodigde feiten door die partij gesteld, dan past de rechter het dwingende recht uiteraard wel toe. Doet hij dit toch niet (bijvoorbeeld omdat hij ten onrechte meent dat aan de toepassingsvoorwaarden voor het dwingende recht niet is voldaan), dan kan dit in het algemeen door het aanwenden van een rechtsmiddel worden geredresseerd. 4.14 In verband met de gewone rolverdeling tussen rechter en procespartijen ligt ook voor de hand wat het prototypische middenniveau van rechterlijke activiteit met betrekking tot de handhaving van dwingend recht is: indien de toepasselijkheid van het dwingende recht volgt uit de feiten zoals die zonder nader onderzoek van de rechter vaststaan, handhaaft de rechter het dwingende recht, ook al heeft geen van partijen op het bestaan van het dwingende recht een beroep gedaan. Een onderzoek naar de feiten buiten hetgeen partijen hem presenteren, doet de rechter op dit middenniveau echter niet. Begrippen en onderscheidingen
(3): nietigheid en vernietigbaarheid 4.15 In dit hoofdstuk werden de bekende begrippen ‘nietig’ en ‘vernietigbaar’ tot nu toe door mij opzettelijk nog niet gebruikt, maar de ervaren beoefenaar van het civiele recht schoten ze ongetwijfeld reeds door het hoofd. Het wordt daarom tijd om ook over die begrippen iets te zeggen. 4.16 Onder het oude recht (het recht van vóór 1 januari 1992) was de terminologie zeer onvast. Het toenmalige Burgerlijk Wetboek kende diverse voorbeelden van ‘nietigheid’ (althans naar luid van de wettekst) die slechts door een bepaalde partij kon worden ingeroepen; wij spreken in een dergelijk geval thans consequent van ‘vernietigbaarheid’. Uiteraard werd dit in de literatuur opgemerkt. Fundamenteel en invloedrijk was de bespreking van de kwestie door Meijers in zijn Algemene begrippen
(1948). Overweging van zijn inzichten is ook nu nog zeer de moeite waard. 4.17 In de visie van Meijers dienen de begrippen van het burgerlijk recht tot een doelmatige ordening van verschijnselen zoals die zich bij de toepassing van het burgerlijk recht voordoen. Niet uit het wel of niet hanteren van een bepaald begrip vloeien rechtsgevolgen voort – nee, het is andersom, de rechtsgevolgen die volgens een bepaalde interpretatie van het burgerlijk recht intreden, worden met gebruikmaking van begrippen aangeduid. De vraag naar een juiste begripsvorming is daarom een kwestie van de meest doelmatige classificatie van de verschijnselen zoals die zich in het burgerlijk recht voordoen (dus van de rechtsgevolgen van rechtsregels in al hun schakeringen) en niet meer dan dat. Het is zelfs de vraag of in dit verband wel van ‘juiste’ (en ‘onjuiste’) begripsvorming kan worden gesproken, wel van een meer of minder gelukkige omlijning van gebruikte begrippen respectievelijk van een meer of minder gelukkige indeling van de variëteit van rechtsverschijnselen met hulp van die begrippen. 4.18 Zo ook wat betreft de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheid’. Er is volgens Meijers niet een logische grenslijn te trekken; in plaats daarvan moet een doelmatige classificatie plaatsvinden van de rechtsstof. Daarbij is niet de ene classificatie goed en de andere fout. Nee, de zeer grote variëteit in rechtsgevolgen schept vele overgangsvormen, zozeer dat vanuit systematisch gezichtspunt in sommige gevallen evengoed van nietigheid als van vernietigbaarheid kan worden gesproken. In een dergelijk geval zal men het gebruik van het begrip gepaard moeten laten gaan met een aanduiding van hetgeen ten opzichte van het normale type afwezig is, respectievelijk aanwezig hoewel in het normale type afwezig. Bij de classificatie van het ontbreken van rechtswerking van rechtshandelingen als gevallen van nietigheid respectievelijk vernietigbaarheid is volgens Meijers onder meer te letten op de volgende factoren: kan iedereen een beroep op het gebrek doen; hoe moet dit beroep worden gedaan; is het beroep aan tijd gebonden; kan afstand van het beroep gedaan worden met het gevolg dat handeling als geldig moet worden beschouwd. 4.19 Het komt er dus op neer dat volgens Meijers ook de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheden’ een prototypisch karakter dragen, omdat er vele overgangsfiguren zijn. Het prototype van nietigheid omschrijft hij als het geval dat de rechter ook zonder enig beroep van de belanghebbende te allen tijde wegens het gebrek het rechtsgevolg moet weigeren, terwijl men niet door afstand het rechtsgevolg onaantastbaar kan maken. Het prototype van vernietigbaarheid is het geval dat de gevolgen aan de rechtshandeling eerst ontzegd worden nadat de rechter die handeling nietig heeft verklaard, terwijl de rechter dit niet ambtshalve mag doen; in plaats daarvan wordt aan een of enkele belanghebbenden een daartoe strekkende vordering toegekend, welke aan verjaring onderhevig is, met de mogelijkheid van afstand door deze belanghebbenden van hun bevoegdheid om een zodanige vordering in te stellen. 4.20 De vraag of de rechter ook ambtshalve aan een rechtshandeling een of meer rechtsgevolgen ontzegt, is voor Meijers niet als zodanig bepalend om van nietigheid dan wel van vernietigbaarheid te spreken. Wel behoort grote ambtshalve activiteit van de rechter tot het prototype van nietigheid en is een vordering van een belanghebbende nodig volgens het prototype van vernietigbaarheid (wat juist minimale ambtshalve activiteit van de rechter impliceert). Waar Meijers de variëteit van rechtsverschijnselen benadrukt, is echter geïmpliceerd dat ook met betrekking tot de vraag naar de mate van ambtshalve rechterlijke activiteit zich allerlei overgangsfiguren kunnen voordoen. 4.21 Wie op de hoogte is van de wijze waarop ons nationale burgerlijk recht zich heeft aangepast aan de eisen die de Richtlijn oneerlijke bedingen stelt, weet dat zo’n overgangsfiguur tussen nietigheid en vernietigbaarheid met betrekking tot de door de rechter te ontplooien activiteit thans inderdaad wordt erkend, namelijk de figuur van een ambtshalve door de rechter toe te passen vernietigbaarheid (vergelijk hierna 5.3 onder c). Die figuur wordt terecht met de naam van Hartkamp verbonden, die vanaf zijn eerste bewerking van de delen Verbintenissenrecht in de Asser-serie
(1985)de mogelijkheid ervan had benoemd, ver vóórdat duidelijk werd dat de Richtlijn oneerlijke bedingen
(1993)inderdaad een zodanige mate van rechterlijke activiteit vereist. Ik kom straks daarop terug (hierna 4.46). Voor nu volsta ik met de opmerking dat Hartkamp op dit punt in feite voortbouwde op de inzichten van Meijers, behalve auteur van de Algemene begrippen ook de belangrijkste ontwerper van het nieuwe wetboek. Dat is een aanwijzing dat die inzichten nog altijd actueel zijn en ook bij de uitleg van het huidige Burgerlijk Wetboek behulpzaam kunnen zijn. 4.22 Wat ik graag aan Meijers wil ontlenen is de gedachte dat uit het gebruik van de begrippen nietigheid en vernietigbaarheid op zichzelf niet beslissend volgt in welke mate de rechter ambtshalve actief behoort te zijn; dit geldt ook wat betreft de nietigheid of vernietigbaarheid die het gevolg is van strijd met dwingend recht. De juiste mate van rechterlijke activiteit moet in plaats daarvan door uitleg van de norm worden bepaald, dus rekening houdend met de strekking van dwingendrechtelijke voorschrift, de betrokken belangen, de eisen van de praktijk en verder alles wat bij een redelijke wetsuitleg aan de orde komt. 4.23 Wie mij tegenwerpt dat ook bij een prototypische opvatting van de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheid’, het gebruik door de wetgever van hetzij het ene hetzij het andere begrip wel een aanwijzing oplevert van de mate waarin de rechter actief behoort te zijn, heeft met die tegenwerping op zichzelf geen ongelijk. Inderdaad wijst ‘nietigheid’ op een meer volstrekte werking van de ongeldigheid van de rechtshandeling dan ‘vernietigbaarheid’, en dit zal veelal ook op de vereiste rechterlijke activiteit zijn weerslag hebben. Bij het zien van de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheid’ behoort het nadenken echter niet te stoppen. 4.24 Met betrekking tot de nietigheid of vernietigbaarheid van bepalingen in strijd met dwingend recht is er bovendien een belangrijke bijzonderheid. Zoals we hierna 4.38 e.v. zullen zien, heeft de wetgever het belang van maatwerk aan de hand van de strekking van het dwingende recht benadrukt door in het algemeen in het dwingendrechtelijke voorschrift zelf niet de sanctie van nietigheid of vernietigbaarheid op te nemen. In plaats daarvan is de geschakeerde norm van art. 3:40 lid 2 BW de maatstaf. Literatuur en rechtspraak met betrekking tot de ambtshalve handhaving van dwingend recht onder het oude recht: Vriesendorp en anderen 4.25 Wat betreft het recht van vóór 1992 zijn de meest uitvoerige beschouwingen over de mate waarmee de burgerlijke rechter dwingend recht dient te handhaven, te vinden in het proefschrift van Vriesendorp
(1970)over het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden door de burgerlijke rechter. Vriesendorp greep zowel terug op Meijers (in het bijzonder wat betreft diens beschouwingen over de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheid’), als vooruit op het nieuwe recht (in de versie van het Ontwerp-Meijers). Vriesendorps beschouwingen stonden allerminst los van het geldende recht. Integendeel is zijn boek mede een poging tot analyse en ordening van de rechtspraak van de Hoge Raad vanaf 1855 tot 1970. Hierna zal ik in voetnoten voorbeelden uit die rechtspraak vermelden. 4.26 Vriesendorp bespreekt de kwestie in het meeromvattende kader van de opdracht aan de rechter van art. 48 Rv (oud) tot het aanvullen van de rechtsgronden, respectievelijk de keerzijde van die opdracht, het verbod van het aanvullen van de feiten (wij zouden nu zeggen: van feitelijke gronden). Belangrijk is dat Vriesendorp uit die opdracht in de eerste plaats afleidt dat het de taak van de rechter is om te onderzoeken of de door een procespartij gestelde feiten het ingeroepen rechtsgevolg rechtvaardigen; dit geldt zowel met betrekking de vordering van eiser als wat betreft een eventueel zelfstandig verweer van gedaagde. In dit onderzoek handelt de rechter zelfstandig, in de zin dat het onverschillig is of de wederpartij (indien verschenen) zich op de ongenoegzaamheid van de gestelde feiten heeft beroepen. De rechter is bovendien ook in zoverre zelfstandig, dat het hem vrij staat vaststaande feiten anders te waarderen dan partijen doen en daaraan een andere uitleg of kwalificatie te geven. Ook dit laatste is volgens Vriesendorp niet een verboden aanvulling van feiten. 4.27 Ik noem dit belangrijk omdat in de moderne procesrechtelijke literatuur in het verband van het huidige art. 25 Rv veelal alleen een ándere taak van de rechter wordt benoemd, namelijk het honoreren van een vordering of verweer op een rechtsgrond die door partijen niet is genoemd. Denk aan het geval van het klassieke Rijwielzadel-arrest: eiser vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en legt daaraan een tussen partijen gemaakte afspraak ten grondslag; de rechter wijst de vordering toe op grond van wanprestatie (dus toerekenbare tekortkoming). Déze taak van de rechter veronderstelt dat de partij die aldus door de rechter wordt ‘geholpen’, de voor de toepassing van de juiste rechtsgrond benodigde feiten heeft gesteld en mogelijk daarnaast ook dat deze partij op grond van die feiten ook zakelijk hetzelfde rechtsgevolg heeft ingeroepen. Wie bij het aanvullen van rechtsgronden alleen aan deze laatstbedoelde taak denkt, verstaat de vraag of de rechter dwingend recht ambtshalve handhaaft gemakkelijk wezenlijk anders dan Vriesendorp (vergelijk de hierna 4.60 e.v. besproken discussie tussen H.J. Snijders en Hartkamp, en in het bijzonder onder 4.70). 4.28 Wat nu zegt Vriesendorp over ambtshalve toepassing van dwingend recht? Eerst bespreekt hij de vraag of alle dwingend recht van openbare orde is. Dit werd destijds wel beweerd, althans binnen de context van arbitrage. Volgens Vriesendorp ligt de kwestie veel genuanceerder. Volgens Vriesendorp is dwingend recht soms van openbare orde, maar geldt dit dus niet voor alle dwingend recht. Onder al het dwingende recht bevinden zich bovendien ook regels waarop de rechter alleen acht mag slaan als daarop door partijen een beroep is gedaan; op díé regels mag de rechter niet ambtshalve letten. Let wel, beide kwesties (wel of niet van openbare orde, wel of niet een beroep van partijen op het dwingende recht nodig) vallen voor Vriesendorp niet samen. Anders gezegd, er zijn voor hem niet slechts twee groepen van gevallen (dwingend recht van openbare orde en dwingend recht waarop een beroep moet zijn gedaan). 4.29 Dit blijkt zeer duidelijk uit het vervolg van Vriesendorps beschouwingen. Dwingend recht van openbare orde wordt uiteraard steeds ambtshalve door de rechter toegepast. Daarbij gaat de rechter eventueel ook actief op zoek naar andere feiten dan door partijen aangevoerd (dwingend recht van openbare orde wordt dus ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd gehandhaafd). De lezer herkent het hiervoor 4.12 bedoelde hoogste prototypische niveau van rechterlijke activiteit. Het gebod van het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden geldt juist in het geheel niet voor het dwingende recht waarop de rechter alleen acht mag slaan als daarop door een procespartij een beroep is gedaan. Er bestaat volgens Vriesendorp echter nog een derde groep van gevallen, op een middenniveau van rechterlijke activiteit. In deze groep is het dwingende recht weliswaar niet van openbare orde, maar wordt de overtreding ervan wel zo nodig ambtshalve door de rechter geconstateerd. Beroept eiser zich voor zijn vordering op een rechtshandeling in strijd met dwingend recht in deze zin, dan wijst de rechter de vordering dus ook ambtshalve af. Op gelijke wijze passeert hij een zelfstandig verweer van gedaagde dat op een zodanige rechtshandeling is gegrond. Dit alles vindt plaats binnen de grenzen van de rechtsstrijd; de rechter toetst immers steeds of de grondslag van de vordering respectievelijk het verweer volgens het geldende recht deugdelijk is en dus tot het ingeroepen rechtsgevolg leidt. Volgens Vriesendorp is deze middengroep ‘aanmerkelijk uitgebreider’ dan die van de gevallen waarin voor toepassing nodig is dat op het dwingende recht door partijen een beroep is gedaan. 4.30 Bij dit laatste moeten we dan wel bedenken dat, zoals blijkt uit de vele door Vriesendorp besproken voorbeelden van toenmalige wetsbepalingen van burgerlijk recht, het oude recht in heel veel gevallen van dwingend recht over ‘nietigheid’ sprak. Volgens Vriesendorp is een aanvaardbare vuistregel dat als een rechtshandeling van rechtswege nietig is, de rechter ambtshalve optreedt, terwijl hij in geval van vernietigbaarheid een beroep van partijen dient af te wachten. Wel zegt hij in navolging van Meijers dat bij het onderscheid tussen nietigheid en vernietigbaarheid geen grenslijn van nature gegeven is of in de aard van deze begrippen besloten ligt. 4.31 Het komt er dus op neer dat met betrekking tot dwingend recht volgens Vriesendorp alle hiervoor 4.11 e.v. onderscheiden prototypische niveaus van rechterlijke activiteit juist kunnen zijn, afhankelijk van welk dwingendrechtelijk voorschrift het betreft. Vriesendorp stelt vast dat meestal moeilijk uit de wettekst is af te lezen met welke soort van dwingend recht men te doen heeft; de terminologie is niet zelden onduidelijk, soms zelfs verwarrend. Bepalend is de wijze waarop men het voorschrift uitlegt. Een verwante categorie is nietigheid vanwege strijd met een vormvoorschrift. Indien de strekking van het vormvoorschrift is dat een rechtshandeling die niet in de voorgeschreven vorm is verricht, geen werking heeft, past daarbij dat de rechter die nietigheid ook ambtshalve vaststelt. 4.32 Ik heb allerminst de indruk dat Vriesendorp méér rechterlijke activiteit met betrekking tot dwingend recht voorstond dan onder zijn tijdgenoten gangbaar was. Hiervoor vermelde ik in voetnoten reeds voorbeelden uit de rechtspraak van uw Raad uit de door Vriesendorp onderzochte periode. Bij Vriesendorp zelf zijn nog veel meer vindplaatsen uit die rechtspraak te vinden. Wat betreft de literatuur beperk ik mij tot de vermelding van vier aanwijzingen: a. Volgens Cleveringa in zijn bewerking van Van Rossem moet art. 48 Rv (oud) aldus worden begrepen dat het de rechter voorschrijft om geheel ambtshalve te toetsen aan het stellige recht (men herkent de hiervoor 4.26 bedoelde taak van de rechter). Dat dit volgens Cleveringa ook geldt voor dwingend recht is zo vanzelfsprekend dat hij dit niet zegt; wel bestrijdt hij de opvatting dat de opdracht tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden niet voor regelend recht zou gelden. Voor dwingend recht geldt die opdracht dan uiteraard a fortiori, behoudens niet door Cleveringa beschreven uitzonderingsgevallen. b. Star Busmann/Rutten acht het vanzelfsprekend dat dwingend recht in het algemeen van openbare orde is en daarom steeds door de rechter ambtshalve wordt toegepast. Dat betekent dus potentieel zelfs méér ambtshalve activiteit van de rechter dan waarvan Vriesendorp uitging. c. Jansen in de losbladige Burgerlijke Rechtsvordering zegt dat in het materiële recht alle bepalingen van dwingend recht van openbare orde zijn. Hij neemt dus een vergelijkbare positie in als Star Busmann/Rutten en gaat bij alle dwingend recht uit van verplichte rechterlijke activiteit. Wel maakt hij een uitzondering voor vernietigbaarheden. d. Bij Hugenholtz/Heemskerk leest men zelfs nog tot op de dag van vandaag dat regels van dwingend recht ambtshalve door de rechter worden toegepast (zonder dat daarbij het etiket ‘openbare orde’ wordt gebruikt), kennelijk als aanduiding van een hoofdregel conform Vriesendorp. 4.33 Vriesendorp verrichtte zijn onderzoek vooral naar aanleiding van rechtspraak van de Hoge Raad. Dit zal verklaren waarom zijn boek niet afzonderlijk aandacht besteedt aan de afdoening van verstekzaken. Het is dienstig om ook daarover nog wat te zeggen. 4.34 Volgens art. 76 Rv (oud) dienden in geval van verstek ‘de conclusiën van den eischer’ te worden toegewezen ‘ten ware zij den regter onregtmatig of ongegrond voorkomen’. Welke plaats had dwingend recht in deze maatstaf? 4.35 Cleveringa verwees eenvoudig naar zijn commentaar op art. 48 Rv; hij ging er dus vanuit dat ook in verstekzaken dwingend recht door de rechter wordt gehandhaafd. Wat bij Star Busmann/Rutten is te lezen, komt op hetzelfde neer. Hugenholtz/Heemskerk werkte niet uit wat onder maatstaf van art. 76 Rv (oud) is te verstaan, mogelijk omdat dit vanwege het verband met art. 48 Rv (oud) vanzelf sprak. 4.36 Uitvoeriger is Ynzonides in zijn dissertatie
(1996). Bij hem is te lezen: ‘Een vordering kan als onrechtmatig worden bestempeld indien zij wordt gepretendeerd in strijd met het objectieve recht. Dit veronderstelt een toetsing van de vordering van eiser aan bepaalde rechtsregels. Het gaat hierbij om regels van openbare orde en regels van dwingend recht die door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Bij twijfel zal de rechter wederom van geval tot geval moeten beoordelen of de desbetreffende rechtsregel van openbare orde is of anderszins, ondanks verstekverlening tegen gedaagde, ambtshalve moet worden toegepast. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan materieelrechtelijke vervaltermijnen en regels inzake van rechtswege intredende nietigheid.’ 4.37 Men herkent dezelfde driedeling als bij Vriesendorp. Er zijn naast regels van openbare orde, ook andere regels van dwingend recht die ambtshalve door de rechter moeten worden toegepast, waarbij het de onuitgesproken veronderstelling van Ynzonides is dat dit niet voor alle dwingend recht geldt. De rechter moet van geval tot geval beoordelen of ambtshalve activiteit geboden is. Ynzonides noemt als voorbeeld van ambtshalve toe te passen regels ‘van rechtswege intredende nietigheid’, waarbij hij in een voetnoot verwijst naar het enkele jaren eerder ingevoerde art. 3:40 BW. De aanloop naar het nieuwe Burgerlijk Wetboek
(1992)4.38 Volgens art. 3:40 lid 2 BW leidt strijd met dwingend recht leidt tot ‘nietigheid’ of ‘vernietigbaarheid’. Daarbij is een belangrijk gezichtspunt of de bepaling ‘uitsluitend strekt ter bescherming van een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling’. In dat geval is vernietigbaarheid het uitgangspunt, terwijl in andere gevallen nietigheid de aangewezen sanctie is. Het slot van de bepaling biedt ruimte voor maatwerk: ‘een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit’. Ik loop kort de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:40 lid 2 BW na. 4.39 De tekst van art. 3.2.7 lid 2 Ontwerp-Meijers
(1954)luidde enigszins anders; de slottournure ontbrak. Het uitgangspunt dat dwingend recht slechts een van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling beschermt, tot vernietigbaarheid leidt en niet tot nietigheid, gaat wél op het ontwerp terug. Dat uitgangspunt lichtte Meijers als volgt toe: ‘Het tweede lid heeft betrekking op rechtshandelingen, die in strijd met een dwingende wetsbepaling zijn. Veelal zal een zodanige rechtshandeling tevens moeten worden aangemerkt als een waarvan de inhoud in strijd met de openbare orde is. Als regel is dan ook het gevolg hetzelfde; een zodanige rechtshandeling is nietig. Het kan echter zijn, dat het dwingende wetsvoorschrift de strekking heeft de handelende persoon tegen zichzelf te beschermen. Geschiedt dit ten aanzien van een partij bij een meerzijdige rechtshandeling, dan is hier slechts grond om de handeling vernietigbaar te verklaren. Er bestaat geen reden om de andere partij ook de bevoegdheid te geven om de nietigheid in te roepen; evenmin om de beschermde partij nog deze bevoegdheid te geven, wanneer hij op een tijdstip dat hij geen bescherming meer behoeft de overeenkomst wil bevestigen. Wanneer b.v. de wet in het belang van de meerderjarig geworden pupil bepaalt, dat een overeenkomst rakende de voogdij door een behoorlijke rekening en verantwoording moet worden voorafgegaan, dan is een overeenkomst zonder een voorafgaande rekening en verantwoording nog niet als in strijd met de openbare orde of goede zeden te beschouwen, zodat de handeling voor geen bevestiging vatbaar zou zijn en ook de gewezen voogd zich op het ongeoorloofde karakter zou kunnen beroepen. Hier is slechts een vernietiging door een verklaring of op een vordering van de door de wet beschermde partij op haar plaats.’ 4.40 De argumenten van Meijers voor de figuur van eenzijdig dwingend recht waren dus dat
(1)de wederpartij geen beroep op de nietigheid behoort te kunnen doen en
(2)dat bevestiging (vergelijk het huidige art. 3:55 BW) van de rechtshandeling mogelijk moet zijn indien de bescherming die het dwingende recht biedt, niet langer nodig is. De vraag wat de rechter ambtshalve wel of niet doet, staat in de Toelichting-Meijers niet centraal. 4.41 Het gewijzigd ontwerp van Boek 3
(1971), waaraan de naam van regeringscommissaris G.E. Langemeijer verbonden is, voegde alsnog de slottournure toe, zoals die nu in art. 3:40 lid 2 BW is te lezen. Dit werd in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer als volgt toegelicht: ‘Verschillende overwegingen hebben de ondergetekende er toe gebracht de redactie van het tweede lid te herzien. Het voorschrift dat rechtshandelingen in strijd met een dwingende wetsbepaling in het algemeen nietig zijn en slechts vernietigbaar, als de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, bevat een regel van interpretatie, die in deze vorm aan de rechter onvoldoende vrijheid laat om rekening te houden met eventuele andere factoren die voor de betekenis van die bepaling van belang zijn. De omstandigheid dat de dwingende wetsbepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, zal bij onduidelijkheid van de bewoordingen van die bepaling veelal een doorslaggevend argument voor vernietigbaarheid zijn. Uit de strekking van de betreffende bepaling kan echter voortvloeien dat een rechtshandeling die in strijd daarmee wordt verricht, nochtans nietig is. Anderzijds zal uit de strekking van een dwingende wetsbepaling die niet uitsluitend bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling beoogt, kunnen voortvloeien dat een rechtshandeling die in strijd daarmee wordt verricht, slechts vernietigbaar is. Tot zodanige wisselende interpretaties zal men kunnen worden genoopt b.v. door het feit dat de bepaling weliswaar niet uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen, maar dat dit motief toch sterk overweegt; dat de bepaling is overgenomen uit een verdrag, ten aanzien waarvan de geschiedenis of buitenlandse opvattingen sterk in de richting van een bepaalde uitleg wijzen; dat het gewenst kan zijn dat ook bepalingen die uitsluitend ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling strekken, door de rechter ambtshalve worden toegepast teneinde de betreffende partij tegen zichzelf te beschermen; en tenslotte dat soms de rechtszekerheid eist dat in het rechtsverkeer op de geldigheid van de rechtshandeling mag worden vertrouwd, voor zover de rechtshandeling niet met inachtneming van de artikelen 3.2.13-18 op initiatief van de wederpartij is vernietigd. De ondergetekende meent dat met de laatste zinsnede van het gewijzigd ontwerp van lid 2 voldoende ruimte is gegeven om ook met factoren als hier bedoeld rekening te houden, zonder dat te zeer afbreuk wordt gedaan aan de voordelen van een duidelijk richtsnoer, dat dit lid beoogt te bieden voor de uitleg van dwingende wetsbepalingen, die ook buiten het ontwerp kunnen voorkomen en waarvan de duidelijkheid op dit punt niet altijd gewaarborgd behoeft te zijn.’ 4.42 Het maatwerk zoals dit met de toevoeging van de slottournure van de bepaling mogelijk werd, staat dus in verband met diverse overwegingen, waaronder ook de overweging ‘dat het gewenst kan zijn dat ook bepalingen die uitsluitend ter bescherming van een der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling strekken, door de rechter ambtshalve worden toegepast teneinde de betreffende partij tegen zichzelf te beschermen’. Had Langemeijer als lid van de rechterlijke macht voor dit gezichtspunt mogelijk meer oog dan Meijers, die de rechtspraktijk alleen korte tijd als advocaat had beoefend? Let wel, de positie van Langemeijer is zeker niet in strijd met die van Meijers. Zoals gezegd ging het Meijers er bij eenzijdig dwingend recht om dat niet ook de wederpartij van de beschermde partij op de nietigheid een beroep moet kunnen doen en dat bevestiging mogelijk moet zijn zodra de bescherming niet meer nodig is (hiervoor 4.40). Het is dus zeker niet zo dat de keuze van Meijers wat betreft eenzijdig dwingend recht voor vernietiging iets te maken had met een wens dat de rechter een meer lijdelijke rol bij de handhaving van het dwingende recht zou gaan vervullen. Wel onderschatte Meijers mogelijk het risico van onwetendheid aan de zijde van de beschermde partij. 4.43 Overigens spreekt de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer niet, in ieder geval voor mij niet duidelijk, over de mogelijkheid van een overgangsfiguur tussen nietigheid en vernietigbaarheid. In plaats daarvan lijkt de rechter een keuze te moeten maken tussen nietigheid en vernietigbaarheid, waarbij dan de ambtshalve door de rechter te bieden bescherming een overweging is. Ik begrijp dit zo dat in de gevallen waarin die overweging zwaar weegt, nietigheid de aangewezen sanctie is. 4.44 De parlementaire stukken van de Invoeringswetten voegen beperkt iets toe. Inmiddels is W. Snijders regeringscommissaris. Relevant nieuws is niet te vinden in de stukken met betrekking tot de Invoeringswet, vierde gedeelte, met betrekking tot Boek 3; over de behandeling van eenzijdig dwingend recht wordt daarin niet gesproken. Het stelsel van art. 3:40 lid 2 BW komt echter wel aan de orde in de inleiding van de memorie van toelichting
(1983)bij de Invoeringswet, zevende gedeelte, met betrekking tot Boek 7A. In die inleiding wordt verantwoord waarom de term ‘nietigheid’ zoals die onder meer in het huur-, arbeids- en verzekeringsrecht voorkomt, vaak ongewijzigd is gelaten, ook als een bepaling van dwingend recht in beginsel ter bescherming van niet meer dan een van partijen strekt: ‘Dit is geschied, omdat het onwenselijk is geacht om hier af te wijken van de wijze waarop zij naar huidig recht plegen te worden opgevat, waarbij mede een rol kan spelen dat zich soms ook andere aspecten voordoen dan alleen de bescherming van één partij, aan wie zelf kan worden overgelaten of zij deze bescherming wenst in te roepen. De mogelijkheid blijft derhalve open dat de rechter deze nietigheden ambtshalve toepast (bijv. in verstekzaken), omdat hij meent dat de betreffende partij ook zonder uitdrukkelijk beroep op de bepaling de daardoor verleende bescherming behoeft, of omdat hij de bepaling mede van openbare orde acht of er een vormvoorschrift in ziet. 4.45 Voor de kwestie waarom het nu vooral gaat (leidt strijd met dwingend recht tot nietigheid, vernietigbaarheid, of eventueel iets daartussenin), behoeft men in deze passage niet iets nieuws te lezen ten opzichte van de memorie van antwoord van het gewijzigd ontwerp. Ik bedoel dat men de passage nog steeds zo kan lezen dat de rechter wat betreft dwingend recht dat de bescherming van één partij beoogt, de keuze heeft tussen vernietigbaarheid en nietigheid. Continuïteit is er ook in zoverre dat weer een gezichtspunt is de bescherming die een partij ook zonder uitdrukkelijk beroep op het dwingende recht kan behoeven, waaronder ook in verstekzaken. (Net als G.E. Langemeijer was W. Snijders lid van de rechterlijke macht.) 4.46 Het is Hartkamp geweest, die vanaf zijn eerste bewerking van de delen Verbintenissenrecht in de Asser-serie
(1985), met een beroep op onder meer de aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet, zevende gedeelte, uitdrukkelijk de mogelijkheid van een tussenvorm tussen nietigheid en vernietigbaarheid heeft verdedigd. Hartkamp sprak van een ‘figuur dat slechts de beschermde partij, niet de wederpartij of een derde, zich op de overtreding van de wet kan beroepen, doch dat de rechter de wetsbepaling (bijv. in een verstekprocedure) ook ambtshalve kan toepassen.’ Dit komt dus neer op in het belang van de beschermde partij ambtshalve toe te passen vernietigbaarheid. Uit het voorgaande volgt dat ik dit zo niet in de genoemde memorie van toelichting lees, maar daarmee bedoel ik op geen enkele manier op de toelaatbaarheid van een zodanige tussenvorm af te dingen. De formulering ‘een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit’ (art. 3:40 lid 2 BW) staat de figuur onmiskenbaar toe, en, zoals gezegd (hiervoor 4.21), de mogelijkheid van een tussenvorm als deze ligt ook geheel in het verlengde van Meijers opvatting van de begrippen ‘nietigheid’ en ‘vernietigbaarheid’. 4.47 Wat betreft de aanloop naar het nieuwe burgerlijk recht verdient nog de aandacht een publicatie
(2002)van W. Snijders, de voormalige regeringscommissaris, naar aanleiding van de inwerkingtreding van de overbrenging van het arbeidsrecht naar Boek 7 BW. In deze bijdrage bespreekt Snijders de tendens tot relativering van nulliteiten en in het bijzonder de vermindering van het aantal gevallen waarin strijd met dwingend recht met nietigheid wordt bedreigd. Hij wijst echter uitdrukkelijk op de mogelijkheid van een vernietigbaarheid die ambtshalve door de rechter wordt toegepast als tussenvorm tussen nietigheid en vernietigbaarheid. Aan die tussenvorm ‘kan in het bijzonder behoefte bestaan indien de beschermde partij de vaardigheden of de gelegenheid mist om zelf een beroep op de vernietigingsgrond te doen en de rechter vernietiging onmiskenbaar in zijn belang oordeelt.’ Aldus zat W. Snijders in 2002 geheel op hetzelfde spoor als Hartkamp. 4.48 Het valt de lezer mogelijk op dat in de parlementaire stukken van het nieuwe BW de term ‘openbare orde’ niet valt. Dit lijkt te veronderstellen dat voor ambtshalve toepassing van dwingend recht – hetzij als grond van nietigheid, hetzij in de vorm van een door de rechter uit eigen beweging gedane vernietiging ten behoeve van de door het dwingende recht beschermde partij – niet nodig is dat sprake is van recht van openbare orde. De bedoelde ambtshalve toepassing vindt kennelijk binnen de grenzen van de rechtsstrijd plaats. Dit stemt overeen met de opvatting van Vriesendorp en zijn tijdgenoten (hiervoor 4.27 e.v.). 4.49 Intussen is bij gelegenheid van de totstandkoming van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in ander verband het onderscheid tussen gewoon dwingend recht en dwingend recht van openbare orde wél aan de orde gekomen, namelijk in de context van een vaststelling in strijd met dwingend recht. Ik doel op art. 7:902 BW. Volgens die bepaling is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Het is overbekend dat het begrip ‘openbare orde’ niet in iedere context dezelfde betekenis heeft, zodat uit de regel van art. 7:902 BW op zichzelf de juistheid van een driedeling met betrekking tot dwingend recht in het andere verband van thans art. 25 Rv en voorheen art. 48 Rv (oud) niet volgt. De memorie van toelichting legt dit verband impliciet echter wel degelijk door met betrekking tot de verhouding tussen openbare orde en dwingend recht mede naar Vriesendorp te verwijzen. Een wijziging van opvatting met betrekking tot de mate waarin de rechter buiten het geval van een vaststelling in strijd met dwingend recht ambtshalve dwingend recht dat niet van openbare orde is handhaaft, blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 7:902 BW zeker niet. 4.50 Ten slotte nog, een wezenlijk verschil tussen oud en nieuw recht is dat het rechtsgevolg dat aan een afwijking van een bepaalde regel van dwingend recht is verbonden, in het algemeen niet in die regel zelf tot uitdrukking is gebracht. Waar het oude wetboek, vooral in de regeling van diverse bijzondere overeenkomsten, vol stond met formuleringen volgens welke bedingen die van het dwingende recht afweken ‘nietig’ of ‘van onwaarde’ waren, is dit in het nieuwe wetboek veel minder vaak het geval. De formulering ‘nietig’ komt nog wel voor in gevallen waarin de wetgever bijvoorbeeld duidelijk heeft willen maken dat iedere belanghebbende zich aanstonds op de ongeldigheid van het van het dwingende recht afwijkende beding kan beroepen. Dat de wetgever in andere gevallen niet zegt dat afwijkende bedingen vernietigbaar zijn, maar in plaats daarvan dat niet ten nadele van de beschermde partij van het dwingende recht kan worden afgeweken, is betekenisvol. Wie die formulering opvat als een omslachtige formulering voor vernietigbaarheid, begrijpt de bedoeling van de wetgever verkeerd. In plaats daarvan komt die formulering in verband met de norm van art. 3:40 lid 2 BW neer op een opdracht aan de rechter om het rechtsgevolg van de strijd met het dwingende recht op maat te snijden, ook wat betreft de door hem ambtshalve te ontplooien activiteit. De herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken
(2002)4.51 Over de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals die per 1 januari 2002 beslag kreeg, kan ik kort zijn. Aan de vraag of dwingend recht ambtshalve door de rechter wordt toegepast, is bij gelegenheid van die herziening niet uitdrukkelijk aandacht besteed. Wel werd met het nieuwe art. 24 Rv het verbod tot het aanvullen van feitelijke gronden uitdrukkelijk in de wet neergelegd. De parlementaire stukken geven mij echter geen aanleiding om te denken dat iets anders is bedoeld dan een codificatie van wat voorheen a contrario uit art. 48 Rv (oud) werd afgeleid. Ook de toelichting op art. 25 Rv suggereert niets dan continuïteit ten opzichte van het oude recht: ‘De rechter mag, ja zelfs moet, wel de rechtsgronden aanvullen, dat wil zeggen dat hij zijn vonnis moet baseren op rechtsregels ook wanneer partijen die niet zelf hebben genoemd of indien zij de verkeerde rechtsregels hebben genoemd. Dit aloude beginsel staat thans in artikel 48 Rv. Op de nu voorgestelde plaats en binnen de nieuwe context van eraan voorafgaande, maar hiermee samenhangende artikelen 23 e

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.