PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/04279 Zitting 30 augustus 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte. 1Het cassatieberoep 1.1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. 2De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 2.1. Het cassatieberoep is naar mijn oordeel niet-ontvankelijk en wel om de navolgende redenen. 2.2. Uit de stukken van het geding kan over de procesgang bij de Hoge Raad tot nu toe het volgende worden opgemaakt. 2.2.1. Op 22 december 2020 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De cassatieakte houdt het volgende in: “Akte cassatie Heden, 22 december 2020, verscheen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch: [betrokkene 1] , administratief ambtenaar bij dit gerechtshof, blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 22 december 2020, schriftelijk gemachtigde van: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1989, wonende te [plaats] , [a-straat 1] , die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 21 september 2020, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, door dit hof gewezen in de zaak met parketnummer 20-002311-18 tegen [verdachte] voornoemd. Waarvan akte, door de comparant en de griffier getekend.” 2.2.2. Aan de cassatieakte is een e-mailbericht gehecht, dat is verzonden op 22 december 2020 om 11:45 uur aan de strafgriffie van het hof. Het e-mailbericht houdt het volgende in: “Per mail: strafgriffie.hof-she@rechtspraak.nl Maastricht, 22 augustus 2019 Inzake : [verdachte] / O.M. II Onze ref. : O7317W Uw ref. : 20-002311-18 Bij deze machtigt ondergetekende advocaat, de medewerker van de strafgriffie van het gerechtshof te Den Bosch, beroep in cassatie in te stellen, d.d. heden tegen het arrest van het Hof van 21 september 2020 kenmerk 20-002311-18, betreffende mijn cliënt, [verdachte] , * [geboortedatum] -1989 en wonende te [plaats] , aan de [a-straat 1] . Ondergetekende ontvangt gaarne met omgaande afschrift van de akte rechtsmiddel. Hoogachtend, mr. I. Wudka Advocaat” 2.2.3. Het e-mailbericht bevat onderaan (een afbeelding van) de handtekening van I. Wudka. 2.2.4. Op 21 januari 2021 heeft I. Wudka zich bij de Hoge Raad gesteld als advocaat van de verdachte. 2.2.5. Op 25 februari 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad, ingevolge het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv, de stukken van het geding ontvangen. 2.2.6. Op 23 maart 2021 is de aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv betekend aan een medewerker van het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en als gewone brief verzonden aan het in de akte van uitreiking vermelde adres van de verdachte [a-straat 1] [plaats] . Deze aanzegging bevat onder meer de mededeling dat op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep binnen 60 dagen door een advocaat een cassatieschriftuur moet worden ingediend bij de Hoge Raad. De in art. 437 lid 2 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 25 mei 2021. De raadsman van de verdachte is op dezelfde dag schriftelijk in kennis gesteld van de betekening van de aanzegging en de termijn waarbinnen een cassatieschriftuur dient te worden ingediend. 2.2.7. Op 11 mei 2021 is per fax bij de Hoge Raad een door de raadsman ondertekende cassatieschriftuur binnengekomen. Bovenaan de cassatieschriftuur staat de tekst “SCHRIFTUUR” vermeld. Verder houdt de cassatieschriftuur het volgende in: “Inzake : [verdachte] / O.M. II Onze ref. : O7525W/ML/21-00067835 Uw ref. : zaaknr. 20/04279 Maastricht, 21 januari 2021 Grootedelachtbaar College, [verdachte] , wonende te [plaats] aan de [b-straat 1] , [plaats] , heeft cassatie aangetekend tegen hat arrets van het Hof te ‘s-Hertogenbosch van 20 september 2020. Dat heeft hij gedaan om de hiernavolgende reden: Appellant acht zich zeer in zijn verdediging geschaad, omdat hij niet is kunnen verschijnen op zitting van het Hof van 7 september 2020. Dit komt omdat appellant niets afwist van enige zitting. In het proces-verbaal van de zitting van 7 september 202, val weliswaar te lezen dat op bladzijde 1 van dit proces-verbaal dat de voorzitter constateert dat de vertekening van de dagvaarding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Maar in feite heeft appellant nooit enige oproeping gezien of in ontvangst mogen nemen. De gerechtelijke brief zou verzonden zijn naar het adres [a-straat 1] , [plaats] . Uw college gelieve te controleren hoe en of dat ook wel feitelijk is gebeurd, en daaraan de gevolgen te verbinden, welke uw college gerade lijken.Hoogachtend,mr. I. WudkaAdvocaat-gemachtigde” 2.2.8. Op 12 mei 2021 is een (origineel) door de raadsman ondertekend exemplaar van de cassatieschriftuur d.d. 11 mei 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. De gefaxte cassatieschriftuur en het nagezonden exemplaar bevatten echter verschillen. Zo wordt in de gefaxte cassatieschriftuur als datum van de zitting van het hof “7 september 202” vermeld, terwijl in het nagezonden exemplaar de juiste datum van “7 september 2020” is opgenomen. Een belangrijker verschil is dat in het nagezonden exemplaar de tekst “dat ook wel feitelijk is gebeurd, en daaraan de gevolgen te verbinden, welke uw college gerade lijken” is weggevallen. 2.2.9. Op 21 juni 2022 heeft de rolraadsheer, ingevolge art. 4.3.3.4. van het Procesreglement van de Hoge Raad, de raadsman erop geattendeerd dat uit de door hem ingediende cassatieschriftuur d.d. 11 mei 2021 niet voldoende duidelijk blijkt dat hij tot de indiening daarvan bepaaldelijk is gevolmachtigd. De rolraadsheer heeft de raadsman de mogelijkheid geboden om dit verzuim uiterlijk 5 juli 2022 te herstellen. 2.2.10. Op 27 juni 2022 heeft de griffier van de Hoge Raad de raadsman bericht dat bij een nadere controle is gebleken dat de inhoud van de door hem ingediende cassatieschriftuur d.d. 12 mei 2022 niet overeenkomt met de inhoud van de cassatieschriftuur die hij op 11 mei 2022 per fax aan de Hoge Raad heeft verstuurd. De griffier van de Hoge Raad heeft de raadsman in de gelegenheid gesteld om uiterlijk tot en met 5 juli 2022 het origineel van de door hem gefaxte cassatieschriftuur naar de Hoge Raad toe te sturen. Dit keer is er van de zijde van de Hoge Raad een kennelijke vergissing gemaakt bij het vermelden van de data van indiening van de cassatieschriftuur. Uit de gedingstukken blijkt dat op 11 mei 2021 de cassatieschriftuur per fax is verstuurd aan de Hoge Raad en op 12 mei 2021 het origineel is binnengekomen bij de Hoge Raad. Gelet hierop ga ik ervan uit dat de vermelding van de data van 11 mei 2022 en 12 mei 2022 door de griffier van de Hoge Raad in zijn bericht van 27 juni 2022 verschrijvingen zijn en bedoeld zal zijn 11 mei 2021 en 12 mei 2021. 2.2.11. Op 28 juni 2022 heeft de raadsman per gefaxte brief gereageerd op het bericht van de griffier van de Hoge Raad en kennelijk op de brief van de rolraadsheer d.d. 21 juni 2022, ook al schrijft hij dat hij deze laatste brief nimmer heeft ontvangen. Hij laat in zijn reactie weten dat hij geen cassatieschriftuur heeft ingediend op 11 mei 2022 (hetgeen feitelijk juist is, maar de raadsman had uit de overige gegevens waaronder het zaaknummer moeten begrijpen dat de cassatieschriftuur ingezonden op 11 mei 2021 was bedoeld) en dat hij wel bepaaldelijk is gevolmachtigd. Aan het verzoek van de griffier om het origineel van de gefaxte cassatieschriftuur naar de Hoge Raad toe te sturen heeft hij niet voldaan. De brief van de raadsman houdt het volgende in: Inzake : [verdachte] / O.M. II Onze ref. : O7525W/ML/22-00068134 Uw ref. : zaaknr. 20/04279 Maastricht, 28 juni 2022 Grootedelachtbaar College, Hierbij refereer ik aan uw brief / bericht van 27 juni 2022. U refereert naar een bericht van 21 juni 2022 in verband met een bepaaldelijke volmacht betrekking hebbende op een schriftuur van 11 mei 2022. Volgens mij is er een omissie in het spel, ik heb geen schriftuur verstuurd op 11 mei 2022 en ook heb ik nimmer uw bericht van 21 juni 2022 ontvangen. Tevens deel ik u mede dat ik wel bepaaldelijk volmachtigd ben. Hoogachtend, mr. I. WudkaAdvocaat-gemachtigde” 2.3. Dan kom ik nu toe aan de ontvankelijkheidskwestie. 2.4. Een advocaat kan namens de verdachte beroep in cassatie instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. In de cassatiefase moet die volmacht de verklaring van de advocaat inhouden dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep. 2.5. Een e-mailbericht is niet zo een schriftelijke volmacht. Een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte of betrokkene een rechtsmiddel aan te wenden, moet echter wel als een schriftelijke volmacht worden aangemerkt indien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.