PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/05429 Datum 28 juli 2022 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2016 Nr. Gerechtshof 21/00008 Nr. Rechtbank AWB 19/1883 CONCLUSIE P.J. Wattel in de zaak van de Staatssecretaris van Financiën tegen [X] B.V. 1Overzicht 1.1 De belanghebbende had op 1 januari 2016 € 666.946 aan onverrekende verliezen staan die in 2017 zouden verdampen. Zij heeft aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2016 gedaan naar een belastbare winst ad € 551.206 en een belastbaar bedrag ad nihil. Op haar fiscale balans per 1 januari 2016 stond een pensioenvoorziening ad € 369.543 die ultimo 2016 was opgeheven ten gunste van de fiscale winst omdat de belanghebbende vanaf 2016 haar pensioenlasten wil dragen volgens het omslagstelsel (mij lijkt de term ‘kasstelsel’ passender) in plaats van het kapitaaldekkingsstelsel. Haar fiscale winst- en verliesrekening 2016 vermeldt in overeenstemming daarmee onder personeelskosten een bate ad € 369.543 als negatieve pensioenlast. De Inspecteur heeft die stelselwijziging niet geaccepteerd. 1.2 In geschil is of de belanghebbende per 2016 haar pensioenlastenstelsel mag wijzigen van een kapitaaldekkingsstelsel (passivering van aan het jaar toerekenbare verwachte toekomstige pensioenlasten) in een omslagstelsel (pensioenlasten gaan elk jaar rechtstreeks de winst- en verliesrekening in). 1.3 De Rechtbank is aan die vraag niet toegekomen omdat zij meende dat de belanghebbende bij beantwoording ervan geen procesbelang had. Ongeacht welke partij gelijk heeft, de aanslag blijft op nihil staan. Volgens de Rechtbank bestond slechts belang bij het beroep in zoverre de uitspraak op bezwaar geen beslissing inhield over de bezwaarkosten. Ter zake van de aanslag kon de belanghebbende volgens de Rechtbank ook bij toewijzing van het beroep niet in een betere positie komen. De Rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard. 1.4 Het Hof overwoog dat (
(67)te overleven, mannen gemiddeld met 13 jaar en vrouwen met 16 jaar. Daar komt bij dat een ‘omslag’ een zeker aantal (ex)werknemers van verschillende leeftijden veronderstelt aan wie pensioen in eigen beheer is toegezegd. Dat laatste bezwaar is weg als men het stelsel – mijns inziens om meer redenen correcter – ‘kasstelsel’ noemt in plaats van ‘omslagstelsel’, maar wat daarvan zij: bij slechts één werknemer is omslag noch temporele matching mogelijk: één persoon kan immers niet tegelijkertijd wel en niet gepensioneerd zijn. Zoals Stevens al opmerkte (zie 6.13), heeft het omslag/kasstelsel voor pensioenverplichtingen alleen bezien vanuit het eenvoudsbeginsel deugden. 6.17 Het matching-beginsel eist dat kosten zoveel mogelijk ten laste komen van het jaar waarin de opbrengsten worden verantwoord met het oog waarop die kosten worden gemaakt. Vanuit dat oogpunt bezien zouden de verwachte pensioenlasten ter zake van belanghebbendes bestuurder zoveel mogelijk ten laste moeten komen van de jaren waarin haar bestuurder zijn arbeidsprestaties ten behoeve van de belanghebbende levert. 6.18 Ter zake van verschuldigd salaris volgt uit met name de boven geciteerde arresten HR BNB 1956/231 (6.2) en BNB 2011/85 (6.10) dat het matching-beginsel dwingt tot toerekening aan het desbetreffende arbeidsjaar. U maakt dus kennelijk onderscheid tussen salarisverplichtingen en pensioenverplichtingen, want ook toen u al salarismatching-jurisprudentie had gewezen, waaronder HR BNB 1956/231, oordeelde u in HR BNB 1969/80 (zie 6.4) nog - tegen de andersluidende literatuur in - dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het niet-passiveren van al bestaande pensioenverplichtingen. Zoals al opgemerkt (6.14), kan de verklaring daarvoor zijn dat van verschuldigd salaris vast staat dat het hoe dan ook uitbetaald zal moeten worden, ongeacht overlijden van de (ex-)werknemer, terwijl van pensioenverplichtingen nog niet zeker is dat zij tot uitgaven zullen leiden. 6.19 Dat HR BNB 1969/80 beslissend verschilt van onze zaak omdat het in HR BNB 1969/80 niet om één, maar om 100 werknemers ging, zoals de Staatssecretaris stelt, valt mijns inziens te betwijfelen, gegeven het abstracte en algemene karakter van uw aanvaarding van het kasstelsel (zie 6.4 hierboven) en gegeven dat het ook in HR BNB 1953/146 (zie 6.1) om de pensioenverplichting jegens één directeur ging (al waren er meer) en uw aanvaarding van het omslagstelsel ook in die zaak abstract en algemeen luidde. 6.20 Ook het beroep van de Staatssecretaris op HR BNB 1993/7 (6.6: een kapitaaldekkingsstelsel kan niet in één keer ook voor het verleden alsnog ingevoerd worden, maar alleen voor de toekomst) lijkt mij niet concludent, nu onze zaak niet gaat over het alsnog in één keer passiveren van in eerdere arbeidsjaren niet-gepassiveerde pensioenverplichtingen, maar – omgekeerd - over de vrijval van een voorziening die mij inherent lijkt aan de overstap van kapitaaldekking naar een kasstelsel. Overigens lijkt mij dat Van Dijck (zie 6.5 hierboven) terecht betoogde dat ook bij de omgekeerde overstap van omslag naar kapitaaldekking de aan het einde van het eerste jaar te passiveren post principieel alleen maar bepaald kan worden (wél) met inachtneming van alle reeds verstreken arbeidsjaren van werknemers jegens wie toen al pensioenverplichtingen bestonden. 6.21 Het gaat dus om een rechtspolitieke keuze: is het meer dan 50 jaar oude arrest HR BNB 1969/80 en daarmee het omslagstelsel achterhaald? Moeten pensioenverplichtingen fiscaal-comptabel inmiddels - volgens de voorzichtigheids- en matching-beginselen – op dezelfde wijze verwerkt worden als (over de boekjaargrens heen gaande) salarisverplichtingen? HR BNB 2001/1, dat verplichte tot passivering van een RUS (zie 6.7), luidde abstract en algemeen: juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichtingen moeten worden gepassiveerd. Pensioenverplichtingen gebaseerd op een concrete pensioenbrief van de werkgever aan de werknemer of bij arbeidsovereenkomst vastgelegd lijken mij zowel juridisch afdwingbaar als voldoende bepaald of bepaalbaar. Het enige verschil met reeds verschuldigd salaris is, zoals opgemerkt, dat een nog niet ingegane pensioenverplichting inherent voorwaardelijk is: de pensioentoezeggeling moet de pensioengerechtigde leeftijd nog wel halen. En ook als zij die leeftijd heeft gehaald, kan zij nog steeds de volgende dag overlijden, waardoor de verplichting verdwijnt. HR BNB 2001/1 ging niet over pensioentoezeggingen, noch over de aanvaardbaarheid van een kasstelsel daarvoor, maar over in eerdere jaren al verschuldigd geworden salaris waarvan vast stond dat het hoe dan ook uitbetaald zou moeten worden, zij het dat pas eind 1993 kwam vast te staan op welk moment. 6.22 Het verschil tussen een pensioenverplichting in eigen beheer jegens een werknemer (voorwaardelijke aanspraak) en een verplichting tot uitbetaling van reeds aan die werknemer verschuldigd maar nog niet uitbetaald salaris (onvoorwaardelijke schuld) lijkt mij voor een goede koopman echter geen grond om in het eerste geval onvoorzichtig en onrealistisch de vrijheid te voelen om niet te voorzien en in het laatste geval steeds de verplichting te voelen om voorzichtig en realistisch te passiveren. 6.23 Ik acht HR BNB 1969/80 daarom achterhaald. Voor zover een goede koopman nog pensioenverplichtingen in eigen beheer heeft (gegeven de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer), zal hij die verplichtingen op actuariële basis passiveren. Dat impliceert dat voor zover er nog pensioenverplichtingen in eigen beheer bestaan die niet zijn gepassiveerd, stelselwijziging naar kapitaaldekking verplicht is. Ik herhaal dat ik met Van Dijck (zie 6.5 hierboven) meen dat zo’n wijziging, voor zover nog bestaanbaar nu de genoemde Wet uitfasering geldt, niet slechts voor de toekomst zou moeten gelden, maar ook voor alle al verstreken arbeidsjaren van de werknemers jegens wie pensioentoezeggingen zijn gedaan ter zake van die jaren. 6.24 Ik acht middel I gegrond. Middel II komt dan niet aan snee. Ik ga er niettemin volledigheidshalve op in. 7De waarderingsregel van art. 3.29 Wet IB 2001 (middel II) 7.1 Middel II komt alleen aan de orde als de middelen III en I stranden. Als de belanghebbende geen procesbelang heeft, komen wij aan de middelen II en III immers niet toe, en als het kasstelsel geen goed koopmansgebruik is (middel I), doet niet ter zake of art. 3.29 Wet IB aan toepassing ervan in de weg staat. Mijns inziens strandt middel III, maar treft middel I doel. Het onderstaande is alleen relevant als een goede koopman passivering van een pensioenverplichting in eigen beheer achterwege mag laten, dus als middel I strandt. 7.2 Art. 3.29 Wet IB 2001 luidt: “De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%.” 7.3 De conclusie voor HR BNB 2016/14 geeft de parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 en haar voorganger art. 9b Wet IB 1964 als volgt weer: “
- De Parlementaire geschiedenis van art. 3.29 Wet IB 2001 A. Invoering van art. 9a Wet IB 1964 (thans art. 3.26 t/m 3.28 Wet IB 2001) 6.1 Naar aanleiding van uw arrest HR BNB 1972/26 (“coming backservice”) is in 1974 het wetsvoorstel “Verdeling over opvolgende jaren van bedrijfslasten die verband houden met toekomstige wijzigingen in lonen of prijzen” ingediend. Dat voorstel leidde in 1975 tot invoering van art. 9a Wet IB 1964, dat kort gezegd bepaalde dat bij het bepalen van de pensioenlasten van een bepaald jaar geen rekening mocht worden gehouden met na dat jaar verwachte loon- of prijsstijging. Dat wetsvoorstel ging niet over de lineaire opbouwmethode. 6.2 Tijdens de behandeling van dat wetsvoorstel is de Staatssecretaris – in weerwil van uw tot dan toe andersluidende jurisprudentie – gaan uitdragen dat hij de lineaire methode in strijd met goed koopmansgebruik achtte, en dat hij de toepassing van deze methode voor fiscale doeleinden wilde afschaffen. Hij liet voorts weten dat zijns inziens bij de opbouw van het doelvermogen niet langer de voorzichtige rekenrente (zie 5.11) mocht worden gebruikt, maar de rentevoet voor langlopende leningen moest gelden. Hij achtte het nodig noch gewenst om de rekenrente wettelijk vast te leggen, ook niet als zij slechts voor een bepaalde tijd zou gelden. 6.3 Ondanks uw aanvaarding van de lineaire methode (zie 5.8), begon de Staatssecretaris een nieuwe procedure waarin hij uitvoerig motiveerde dat de lineaire methode in strijd was met goed koopmansgebruik. Deze procedure leidde tot HR BNB 1980/274, waarin u u niet overtuigd toonde: “dat goed koopmansgebruik toelaat bij de waardering van pensioenverplichtingen voor een of slechts enkele werknemers ervan uit te gaan dat het kapitaal dat op de pensioendatum beschikbaar zal moeten zijn aldus wordt opgebouwd dat in elk der jaren waarin de werknemer ten behoeve van de onderneming werkzaam is geweest een gelijk bedrag ten laste van de winst wordt gebracht; (…)” Stevens annoteerde dat de fiscus zich ofwel “met de toepassing van de lineaire methode [zal] moeten verzoenen, of wetswijziging [zal] moeten bevorderen”. 6.4 In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel “Bestendiging van de regeling inzake verdeling over opvolgende jaren van bedrijfslasten die verband houden met toekomstige wijzigingen in lonen of prijzen” (bestendiging van art. 9a Wet IB 1964) liet de Staatssecretaris naar aanleiding van HRBNB 1980/274 weten dat hij geen aanleiding meer zag om “de indiening van een wetsvoorstel te bevorderen waarbij toepassing van de lineaire methode onmogelijk wordt gemaakt”. De Staatssecretaris heeft zich toen dus met de lineaire methode verzoend. B. Invoering 9b Wet IB 1964 (thans art. 3.29 Wet IB 2001) 6.5 De Tweede Kamerleden Vreugdenhil en Vermeend zagen echter in afschaffing van de lineaire methode budgettaire dekking voor hun in 1993 ingediende initiatiefwetsvoorstel “(…) tot wijziging van een aantal belastingwetten in het belang van de werkgelegenheid”. Zij stelden een nieuw art. 9b Wet IB 1964 voor dat oorspronkelijk als volgt luidde: “Artikel 9b. De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats volgens goed actuarieel gebruik, waarbij een rekenrente van ten minste 4 percent in aanmerking wordt genomen.” 6.6 Onder meer uit de (gewijzigde) memorie van toelichting, het advies van de Raad van State en de reactie daarop, en de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de afschaffing van de lineaire methode vooral diende als dekkingsmaatregel voor de voorgestelde afschaffing van vermogensbelasting op ondernemingsvermogen. De (initiële) memorie van toelichting vermeldt onder “D. Maatregelen ter dekking ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik” een aantal dekkingsmaatregelen. Bij de afschaffing van de lineaire methode wordt het volgende opgemerkt: “Door de ontwikkeling van de computertechniek is de vaststelling van de pensioenvoorziening op actuariële grondslagen eenvoudig geworden. Voor de zogenaamde lineaire methode zijn naar ons oordeel geen goede gronden meer aan te voeren. (Vgl. rapport-Stevens, blz. 48 e.d.). Mede om het effect van materiele terugwerkende kracht te voorkomen, is een overgangsregeling opgenomen voor bestaande voorzieningen.” 6.7 De (initiële) memorie van toelichting geeft de volgende summiere artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde art. 9b Wet IB 1964: “Artikel IIA Bij de soortgelijke verplichtingen zal het in hoofdzaak gaan om lijfrente verplichtingen. Volgens de jurisprudentie kunnen niet direct ingaande lijfrente thans volgens een zogenaamde lineaire methode worden gewaardeerd bij direct ingegane lijfrente is dit niet het geval [sic; PJW], ook dan zal echter een rekenrente van minimaal 4% in aanmerking genomen moeten worden.” 6.8 De Raad van State had kritiek op de voorgestelde wetswijziging en de bijbehorende “door misstellingen en verschrijvingen” niet goed leesbare toelichting, omdat zonder duidelijke motivering werd afgeweken van uw jurisprudentie (zie 5.8) en omdat werd voorgesteld de wetgever zaken op detailniveau te laten regelen die beter zouden kunnen worden overgelaten aan de rechtspraktijk: “
- Met betrekking tot de eerste twee hiervoor in punt 16 genoemde dekkingsmaatregelen wijst de Raad nog op een meer algemeen punt van wetgevingstechniek. De wetgever heeft met betrekking tot enkele belangrijke begrippen in de inkomsten– en vermogensbelasting gekozen voor