PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04266 Datum 16 augustus 2022 Belastingkamer B Onderwerp/tijdvak Loonbelasting/premie volksverzekeringen 16 maart 2000 - 31 december 2001 Nr. Gerechtshof 20/00967 Nr. Rechtbank AWB 19/7196 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman in de zaak van [X] B.V. tegen de staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 21/04266 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) van 7 september
(5)10. Anders dan het middel wil, staat de omstandigheid dat het niet aan de strafrechter is maar aan de belastingrechter om te oordelen in geschillen over onder meer de hoogte van het belastbare bedrag, er niet aan in de weg dat de strafrechter in het kader van een strafrechtelijke vervolging ter zake van onjuiste of onvolledige belastingaangifte oordeelt over de vraag of de verdachte een te laag belastbaar bedrag heeft opgegeven. Zou dit anders zijn dan zou het ontbreken van een beslissing van de belastingrechter over de hoogte van onjuiste of onvolledige belastingaangifte aan strafvervolging ter zake in de weg staan. Enig aanknopingspunt dat de wetgever dit gevolg aan het toedelen van geschillen in belastingzaken en oordelen in strafzaken aan verschillende rechters heeft willen verbinden, biedt de wet niet. Een dergelijke opvatting van de wetgever ligt ook bepaald niet voor de hand omdat de strafvervolging zo geheel afhankelijk zou worden van de vraag of de belastingrechter in hoogste instantie oordeelt over de vraag of onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan. Zou uiteindelijk blijken dat de hoogste belastingrechter een van de strafrechter afwijkend oordeel zou geven over de vraag of de verdachte een te laag belastbaar bedrag heeft opgegeven, dan kan dat feit binnen de grenzen van de hiervoor aangehaalde rechtspraak, dus met name in geval het gaat om een van het oordeel van de strafrechter afwijkend rechtsoordeel, onder omstandigheden een nieuw feit vormen als bedoeld in art. 457 lid 1 onder 20 Sv. Ontvankelijkheidsperikelen bij niet meer bestaande rechtspersonen 4.16 Een ten gevolge van een juridische fusie verdwenen rechtspersoon is niet meer in staat om zelfstandig rechtshandelingen te verrichten: 5.1. Indien ten name van een bepaalde rechtspersoon een aanslag is opgelegd of een - ingevolge enige bepaling van de belastingwet voor bezwaar vatbare - beschikking is gegeven, dan wel een uitspraak op bezwaar of op (hoger) beroep is gedaan, kan een daartegen gericht bezwaar of beroep (waaronder begrepen hoger beroep of cassatieberoep) slechts worden ingesteld door of namens de rechtspersoon ten aanzien van wie de litigieuze aanslag, beschikking of uitspraak is gedaan. Indien een bepaalde rechtspersoon ten gevolge van een fusie als bedoeld in artikel 2:309 BW is opgehouden te bestaan, kan die rechtspersoon (hierna: de verdwenen rechtspersoon) echter geen (rechts)handelingen zoals het indienen van een bezwaar- of beroepschrift meer verrichten. Na de fusie dient een bezwaar- of beroepschrift betreffende een aanslag, beschikking of uitspraak ten name van de verdwenen rechtspersoon dan ook te worden ingediend door of namens de verkrijgende rechtspersoon, die immers na de fusie als de belanghebbende ter zake van die aanslag of beschikking moet worden aangemerkt nu het vermogen van de verdwenen rechtspersoon onder algemene titel op hem is overgegaan. 4.17 Een rechtspersoon waarvan het faillissement wordt opgeheven vanwege de toestand van de boedel (gebrek aan baten) is ontvankelijk in een fiscale procedure als potentieel aanspraak kan worden gemaakt op een fiscale tegemoetkoming: 3.4. Zoals het middel terecht betoogt, heeft naar het hier geldende recht de opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel weliswaar ontbinding van de vennootschap ten gevolge, doch houdt de vennootschap, gelet op het bepaalde in artikel 2:23, lid 1, (oud) BW, niet op te bestaan, voor zover haar voortbestaan tot vereffening van haar vermogen nodig is. Tenzij de statuten anders bepalen, treedt, zoals bepaald in artikel 2:23, lid 2, (oud) BW, de bestuurder van de ontbonden rechtspersoon als vereffenaar op. Belanghebbende maakte bij het einde van haar faillissement volgens haar aangifte vennootschapsbelasting 1984 aanspraak op investeringsbijdragen. Zij beschikt over de rechtsmiddelen om die gepretendeerde aanspraak in rechte te laten toetsen en wenst daarvan gebruik te maken. De vereffening van haar vermogen duurt derhalve nog voort. 4.18 Volgens de Hoge Raad (civiel) kan van een rechtspersoon in ontbinding niet worden gezegd dat de rechtspersoon geen baten meer heeft en is opgehouden te bestaan als de rechtspersoon betaling van schadevergoeding in een vordering aanhangig bij de rechter heeft lopen: 3.4 (…) Nu de rechtbank de vordering van Zohar op [verweerster] op 28 april 1999 bij verstek had toegewezen en op het verzet tegen dit vonnis op 20 september 1999 nog niet was beslist, kon niet zonder meer worden geoordeeld dat Zohar op deze datum géén baten meer had en had opgehouden te bestaan. (…) Mocht het oordeel van het hof steunen op het feit dat de ontbinding was ingeschreven in het desbetreffende handelsregister, dan heeft het hof miskend dat deze inschrijving in elk geval door [verweerster] niet zonder meer voor juist mocht worden gehouden, nu zij wist dat de ontbonden vennootschap in rechte betaling door haar van de onderhavige vordering verlangde, deze vordering bij verstek ook was toegewezen en zij een verzetprocedure tegen Zohar had ingeleid waarin nog niet was beslist. 4.19 De voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, kan op naam van een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan tegen een aanslag die ten name is gesteld van die rechtspersoon bezwaar maken: 3.2.3. In verband met dit middel wordt nog het volgende opgemerkt. De omstandigheid dat een rechtspersoon ingevolge artikel 2:19, lid 6, BW, in geval van vereffening ophoudt te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt en eerst herleeft als de vereffening op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW wordt heropend, brengt mee dat de termijn voor het indienen van bezwaar tegen een aanslag die wordt vastgesteld nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, eerst een aanvang neemt zodra, nadat die vereffening is heropend, die aanslag aan de vereffenaar is bekend gemaakt. Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, dient niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van art. 6:10 Awb achterwege te blijven. 4.20 De Hoge Raad (civiel) heeft geoordeeld dat het voor toewijzing van een verzoek tot heropening van de vereffening op de voet van artikel 2:23c, eerste lid, van het BW toereikend is dat de door de verzoeker gestelde bate voldoende aannemelijk is: 3.4.2 Anders dan in onderdeel 3 wordt betoogd, is voor heropening van de vereffening niet slechts plaats indien de bate die grond voor de heropening biedt, ten tijde van de eerdere vereffening, onderscheidenlijk, in een geval als het onderhavige, ten tijde van de opheffing van het faillissement, geheel onbekend was aan de vereffenaar, onderscheidenlijk aan de curator, maar ook indien toen hetgeen aan de vereffenaar, onderscheidenlijk aan de curator bekend was omtrent het bestaan dan wel de mogelijkheid van verwezenlijking van de betreffende bate door hem onvoldoende is geoordeeld om de bate als reëel bestaand aan te merken. Voor toewijzing van het verzoek tot heropening van de vereffening is voldoende dat de door de verzoeker gestelde vordering en/of bate voldoende aannemelijk is om toewijzing van het verzoek te rechtvaardigen. Daarbij moet worden aangetekend dat de rechter aan wie toepassing van art. 23c lid 1 wordt verzocht, met terughoudendheid dient te toetsen of aan dit vereiste is voldaan. (…) 3.4.3 In elk geval in een situatie als de onderhavige, waarin de na de heropening te effectueren vereffening niet slechts in het belang is van de verzoeker van de heropening, maar ook in het belang van andere schuldeisers die onbetaald zijn gebleven, is voorts niet van belang of de verzoeker indertijd wellicht een verdergaande kennis omtrent het bestaan, onderscheidenlijk de mogelijkheid van verwezenlijking van de betreffende bate heeft gehad en wellicht onvoldoende in het werk heeft gesteld om de betreffende bate in dat stadium te doen verwezenlijken. (…) Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn 4.21 Op 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewijd aan de vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarin is onder meer het volgende opgenomen: 3.1. Op 10 juni 2011, onder meer in zijn arrest in de zaak nr. 09/02639, ECLI:HR:NL:2011:BO05046, BNB 2011/232 (hierna: het arrest BNB 2011/232), heeft de Hoge Raad aanvaard dat op verzoek een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Sindsdien heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen waarin regels zijn neergelegd met betrekking tot verschillende aspecten van het recht op een dergelijke vergoeding. De Hoge Raad vindt in de behandeling van de onderhavige zaak aanleiding een overzicht te geven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat. Dat hierna in de onderdelen 3.2 tot en met 3.16 te geven overzicht betreft enerzijds oordelen die de Hoge Raad reeds in eerdere arresten heeft gegeven, en anderzijds oordelen over een aantal kwesties die zich met regelmaat in de praktijk voordoen, maar waarover de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken.
- a)Basisprincipe 3.2. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht (zie het arrest BNB 2011/232).
- b)In aanmerking te nemen termijn 3.3.1. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur of de heffingsambtenaar (hierna ook kortweg: de inspecteur) het bezwaarschrift ontvangt (zie het arrest BNB 2011/232). 3.3.2. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). (…) 3.3.3. Bij de beoordeling of de in aanmerking te nemen termijn als een redelijke termijn is aan te merken, dient in het licht van de rechtspraak van het EHRM niet alleen te worden gelet op de verschillende in die periode doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure (vgl. HR 26 oktober 1988, nr. 25383, BNB 1989/16).
- c)Uitgangspunten voor de vaststelling van de redelijke termijn 3.4.1. Voor beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:A09006, BNB 2005/337 (hierna: het arrest BNB 2005/337), voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken (zie het arrest BNB 2011/232). 3.4.2. Dit brengt mee dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. (…) 3.5.1. De hiervoor in 3.4.2 tot en met 3.4.6 bedoelde termijnen van een en twee jaar, die gehanteerd moeten worden als uitgangspunt, gelden behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest BNB 2005/337 (onderdeel 4.5). Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van meerbedoelde termijnen, worden onder meer gerekend: a. de ingewikkeldheid van de zaak, die bijvoorbeeld kan zijn gelegen in de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede in de verknochtheid van de zaak met andere zaken betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); en b. de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. (…) 3.5.2. Indien een rechtbank of hof van oordeel is dat de ingewikkeldheid van de zaak, zoals hiervoor bedoeld in 3.5.1 onder a, een bijzondere omstandigheid vormt die een langere duur van berechting rechtvaardigt, volstaat als regel de enkele vaststelling dat de zaak complex is als motivering voor dat oordeel, tenzij die vaststelling in het licht van de gedingstukken zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. (…)
- d)Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn 3.9.1. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie (zie de arresten BNB 2011/232 en BNB 2014/200). (…)
- e)Hoogte van de schadevergoeding 3.10.1. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie het arrest BNB 2011/232). (…) 3.11.1. In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie). Bij deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (zie het arrest BNB 2013/152). In gevallen waarin beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift, wordt voor de toepassing van deze regel de duur van de beroepsfase niet in aanmerking genomen zolang de inspecteur nog geen uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. De zojuist weergegeven regel over een redelijke duur van de bezwaar- en beroepsfase geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als hiervoor in 3.5.1 bedoeld (zie het arrest BNB 2013/152). (…)
- g)Diversen 3.15. Hetgeen hiervoor in de onderdelen 3.2 tot en met 3.14 is overwogen geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten (vgl. het arrest BNB 2011/234 met betrekking tot een besloten vennootschap). 3.16. Indien de belanghebbende tijdens de procedure overlijdt en de procedure ten name van diens erfgenamen wordt voortgezet, belet artikel 6:106, lid 2, BW niet dat aan die erfgenamen in verband met de lange duur van de procedure een schadevergoeding wordt toegekend. Indien de erflater geen verzoek daartoe heeft gedaan, kan dat verzoek alsnog worden gedaan door de erfgenamen. De aan de erfgenamen toe te kennen vergoeding van immateriële schade kan mede betrekking hebben op het tijdsverloop van de procedure toen de erflater nog partij was. De in aanmerking te nemen termijn met betrekking tot de desbetreffende fase van de procedure wordt in deze gevallen ook ten aanzien van de erfgenamen geacht te zijn aangevangen op het moment waarop door de erflater tegen het besluit van de inspecteur bezwaar is gemaakt, onderscheidenlijk (hoger) beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld (vgl. HR 17 oktober 2014, nr. 13/06130, ECLI:NL:HR:2014:2981, BNB 2015/39). 4.22 Als een belanghebbende procedeert op basis van no cure no pay, bestaat nog steeds recht op vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijk termijn: 2.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden en op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade toegekend. 2.2.2. Aan de toekenning van vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade doet volgens het Hof niet af dat namens belanghebbende een gemachtigde optreedt op basis van ‘no cure no pay’. 2.3.1. Tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen richt zich het middel. 2.3.2. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten vast te stellen dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, miskent het dat voor de toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn, het ontstaan van spanning en frustratie door dat tijdsverloop – behoudens bijzondere omstandigheden – wordt verondersteld (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). 2.3.3. Voor zover het middel klaagt over ’s Hofs in 2.2.2 weergegeven oordeel, faalt het eveneens. Aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn staat niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ (vgl. HR 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281). Evenmin staat daaraan in de weg dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41). 4.23 De Hoge Raad heeft beslist dat er geen nieuwe redelijke termijn begint voor de beoordeling van de doorlooptijd in eerste aanleg, als een zaak wordt teruggewezen naar de inspecteur: 3.2 Het Hof heeft echter miskend dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start. In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen. 5Beoordeling van de middelen Middel I behelst: Schending van het recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof in r.o. 4.7 t/m 4.24 heeft geoordeeld dat de Belastingdienst terecht geen uitspraak of bezwaar meer heeft gedaan inzake de naheffingsaanslag loonheffing 2000/2001 omdat beoordeling van deze aanslagen het doel van de heropende vereffening van belanghebbende te buiten zou gaan. 5.1 Inleidend zou ik daarover het volgende willen opmerken. 5.2 Ten eerste heeft de uitspraak op bezwaar processueel ten doel voor de belanghebbende de weg te openen naar beoordeling van zijn zaak door de onafhankelijke rechter, door beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur. Het niet doen van uitspraak op bezwaar staat op gespannen voet met dit stelsel van rechtsbescherming, zodat een inspecteur voor een weigering om uitspraak te doen werkelijk goede redenen moet hebben. Echter, ik betwijfel of die er in casu zijn. 5.3 Ten tweede geldt dat als een inspecteur, zoals hier wordt gesteld, van mening is dat een belanghebbende geen belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak op bezwaar, de uitspraak moet strekken tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Dat is dus iets anders dan weigeren om uitspraak te doen. 5.4 Ten derde is het niet aan de belastingrechter om zich in het kader van de beoordeling van de onderhavige naheffingsaanslag te begeven in de vraag of de heropening van de vereffening van de boedel van de gefailleerde belanghebbende terecht is. Over de heropening heeft de burgerlijke rechter al het laatste woord gehad. 5.5 Het Hof heeft overwogen dat zelfs als de naheffingsaanslag geen stand zou blijken te houden, geen sprake is van een - alsnog na heropening van de vereffening - te vereffenen bate omdat de naheffingsaanslag onbetaald en onverrekend is gebleven. Een (nadere) inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag zou volgens het Hof kennelijk zinloos zijn. 5.6 In dat verband merk ik op dat de vereffening mede heropend is met het oog op door de Inspecteur nog te betalen griffierecht en proceskosten van samen € 759. Aan het verzoek om heropening van de vereffening is verder een nog toe te kennen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn begroot op € 10.000 ten grondslag gelegd. 5.7 Niettemin gaat volgens het Hof een beoordeling van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag het doel van de heropende vereffening van belanghebbende te buiten, omdat dat doel immers is het innen en vervolgens uitkeren van de opgekomen baten aan de rechthebbenden, en niet het (alsnog) ter discussie stellen van de (onbetaald en onverrekend gebleven) schulden van belanghebbende. 5.8 Dat voert het Hof tot de volgende beoordeling van de weigering van de Inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen. 5.9 In (de afwikkeling van) de heropende vereffening kan volgens het Hof geen aanleiding worden gevonden om de Inspecteur (alsnog) uitspraak op bezwaar te laten doen of de Inspecteur daartoe te verplichten. In de bijzondere omstandigheden van het geval kon en mocht de Inspecteur dat weigeren, temeer daar hij onweersproken heeft gesteld dat de onbetaald en onverrekend gebleven bestuursrechtelijke (belasting)schuld die uit de naheffingsaanslag voortvloeit, inmiddels ruimschoots is verjaard. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat er geen mogelijkheden meer zijn om tot invordering van die (belasting)schuld over te gaan. Wat rest is een natuurlijke verbintenis tot voldoening van de (belasting)schuld voor belanghebbende, maar die heeft niet de intentie daaraan te voldoen. Betoogd wordt immers dat de naheffingsaanslag onrechtmatig is. 5.10 Anders dan belanghebbende voor ogen stond, is de heropening van de vereffening volgens het Hof geen weg om de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en de beschikkingen over de boete en de heffingsrente alsnog te laten beoordelen door de fiscale bestuursrechter. Aan die beoordeling wordt door het Hof niet toegekomen. 5.11 Het Hof heeft het beroep bij de Rechtbank ongegrond verklaard, waarmee de weigering van de Inspecteur om uitspraak op bezwaar te doen door het Hof is bevestigd. 5.12 Ik ben daarentegen, als gezegd, van mening dat van de Inspecteur in uitgangspunt verwacht mag worden dat hij komt tot een inhoudelijke uitspraak op bezwaar. Dat is slechts anders ingeval het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 5.13 Dit kan zich onder meer voordoen als een beroep te laat is ingesteld, het griffierecht niet is betaald of geen gronden zijn aangevoerd. 5.14 Een beroep ingesteld door een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan wordt in beginsel eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Hetzelfde geldt in beginsel voor een rechtspersoon die hangende een procedure is opgehouden te bestaan. 5.15 Verder wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard als de indiener van het beroep daarbij geen procesbelang heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van een rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, de belanghebbende niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. 5.16 Het kan bij bezwaar of beroep gaan om een direct financieel belang, zoals vermindering of algehele vernietiging van een aanslag. Het aanwenden van een rechtsmiddel met betrekking tot een bestreden besluit, zoals een aanslag, waarvan de invordering is verjaard, levert daarentegen geen direct financieel belang op. 5.17 Het kan ook gaan om een indirect financieel belang, zoals schadevergoeding. Als een besluit door de bestuursrechter wordt vernietigd, betekent dat immers dat het bestuursorgaan een onrechtmatige daad heeft begaan en daarmee de schuld van het bestuursorgaan in beginsel gegeven is. Daarbij kan worden aangetekend dat het er voor de aanwezigheid van een dergelijke indirect belang niet toe doet of via het civiele recht een schadevergoeding wordt gevorderd of via het bestuursrecht direct in de fiscale procedure om schadevergoeding wordt verzocht. 5.18 Het komt nu aan op de beoordeling of de bijzonderheden in deze zaak moeten voeren tot de conclusie dat een processueel belang bij het alsnog verkrijgen van een uitspraak op bezwaar ontbreekt. 5.19 Hangende de fiscale procedure bij Rechtbank Arnhem is op 29 maart 2006 het faillissement van belanghebbende opgeheven wegens de toestand van de boedel (gebrek aan baten). Dat leidt er in principe toe dat de gefailleerde rechtspersoon ophoudt te bestaan. 5.20 In het beroep tegen de uitspraak op bezwaar heeft Rechtbank Arnhem bij uitspraak van 29 april 2009 om te beginnen geoordeeld dat belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep. Hoewel belanghebbende op 29 maart 2006 is opgehouden te bestaan vanwege de opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten, beschikte belanghebbende bij het einde van haar faillissement over de rechtsmiddelen om de naheffingsaanslag en bijbehorende beschikkingen in rechte te laten toetsen, aldus Rechtbank Arnhem. Doordat belanghebbende daar gebruik van heeft gemaakt, duurt de vereffening van haar vermogen nog voort. 5.21 Vervolgens heeft Rechtbank Arnhem de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur vernietigd wegens schending van de hoorplicht. Omdat tussen partijen geen overeenstemming bestond over de feiten en belanghebbende was benadeeld door de schending van de hoorplicht, is de zaak teruggewezen naar de Inspecteur om opnieuw op het bezwaar te beslissen na belanghebbende te hebben gehoord. Daarbij heeft Rechtbank Arnhem de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van totaal € 759. Tegen de uitspraak van Rechtbank Arnhem zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat die in kracht van gewijsde gegaan is. 5.22 Na een periode van tien jaar heeft de echtgenote van de voormalige directeur verzocht om heropening van de vereffening van belanghebbende met benoeming van haarzelf tot vereffenaar, welk verzoek door Rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 24 juli 2019 is ingewilligd. Dat betekent dat op het moment dat de fiscale procedure werd hervat op 18 augustus 2019, te weten het moment dat de vereffenaar de Inspecteur heeft verzocht om alsnog uitspraak op bezwaar te doen, belanghebbende bestond. In zoverre was er dus geen reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Ook was bekend dat de Inspecteur zijn uitspraak op bezwaar moest richten aan de vereffenaar. Echter, de Inspecteur heeft geweigerd om alsnog uitspraak op bezwaar te doen. 5.23 Daarin is de Inspecteur door het Hof gesteund, met name omdat de naheffingsaanslag onbetaald en onverrekend is gebleven, zodat geen sprake is van een te vereffenen bate en dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag dan het doel van de heropening van de vereffening te buiten gaat. Daarvan uitgaande komt het mij voor dat het Hof de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens gebrek aan procesbelang. 5.24 Echter, ik zie hier wel een procesbelang. Het Hof heeft namelijk over het hoofd gezien dat een indirect financieel belang gelegen kan zijn in het vorderen van of verzoeken om schadevergoeding, hetgeen belanghebbende meermaals heeft gedaan. 5.25 Zo bezien komt het mij voor dat (een nadere) beoordeling van de naheffingsaanslag juist past binnen de heropende vereffening. Er is immers verband tussen een lagere vaststelling van de naheffingsaanslag en het verkrijgen van een schadevergoeding. Indien zo een vergoeding wordt ontvangen, vormt die een te vereffenen bate in het kader van een heropende vereffening. 5.26 Verder heeft belanghebbende in hoger beroep betoogd en in cassatie herhaald dat procesbelang kan zijn gelegen in de mogelijkheid om een strafrechtelijke herzieningsprocedure te kunnen starten voor het terugdraaien van de onherroepelijke veroordeling van de voormalige directeur van belanghebbende. 5.27 In uitgangspunt is in het fiscale procesrecht een procesbelang enig financieel belang van de belanghebbende. Dat wordt ruimer gesteld in het algemene bestuursrecht, waar het er bij de toetsing op aanwezig belang om gaat of het resultaat dat de indiener van een rechtsmiddel nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. 5.28 Ik zou ervoor willen pleiten om het begrip fiscaal procesbelang niet uitsluitend vanuit financieel belang binnen de fiscale procedure te benaderen. Ook al kan het natuurlijk niet de bedoeling zijn dat belanghebbenden allerlei kwesties gaan voorleggen aan de belastingrechter waarbij zij geen financieel belang hebben, maar slechts enig maatschappelijk doel of persoonlijke interesse. Er kan evenwel, naar het mij voorkomt, (indirect) meer spelen dat toch een honorabel belang vormt. 5.29 Zo kan de voormalige directeur van belanghebbende er belang bij hebben dat de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag door de belastingrechter wordt beoordeeld, omdat een vernietiging van de naheffingsaanslag uiteindelijk, na het succesvol doorlopen van een strafrechtelijke herzieningsprocedure, alsnog vrijspraak voor de voormalig directeur van belanghebbende zou kunnen opleveren. 5.30 Indien het alsnog komt tot vrijspraak zou dat wellicht de deur kunnen openen naar schadevergoeding op de voet van artikel 539 Sv, aldus dat indien na herziening de onherroepelijke uitspraak is vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, op verzoek van de gewezen verdachte of van zijn erfgenamen, vanwege de ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel een schadevergoeding kan worden toegekend. 5.31 Men moet onderkennen dat het hier gaat om een lang en moeilijk begaanbaar pad, maar zo is de wettelijke regeling. 5.32 Een complicatie in deze zaak is dat de naheffingsaanslag niet staat ten name van de voormalige directeur, die daardoor geen rechtstreeks belanghebbende is. Maar het blijft wel zo dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag een nader licht zou kunnen werpen op de strafbaarheid van de voormalige directeur van belanghebbende. Daardoor kan worden gezegd dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag de voormalig directeur van belanghebbende, als derde-belanghebbende, rechtstreeks aangaat. 5.33 Op de genoemde gronden slaagt middel I en zal moeten worden verwezen voor het alsnog inhoudelijk beoordelen van de naheffingsaanslag. Middel II behelst: Schending van het recht en/of verzuim van vormen doordat het Hof in r.o. 4.19 t/m 4.22 heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op immateriële schadevergoeding onder meer omdat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende vanaf maart 2006 niet meer bestond. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Belastingdienst een extra bedenktijd van 6 maanden moest worden gegeven, zulks ten onrechte. 5.34 Het gaat om de aanspraak van belanghebbende op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 5.35 Het Hof heeft geoordeeld dat wanneer verondersteld wordt dat de in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op het moment waarop de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen (17 december 2004) en is geëindigd op het moment waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (17 september 2020), de berechting in eerste aanleg (bezwaar- en beroepsfase tezamen) in totaal 15 jaar en 9 maanden heeft geduurd. 5.36 Volgens het Hof houdt dit in dat in beginsel de redelijke termijn van 2 jaar is overschreden met 13 jaar en 9 maanden (165 maanden). 5.37 Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbendes geval zich kenmerkt door de omstandigheid dat belanghebbende van 29 maart 2006 tot 24 juli 2019, in totaal afgerond 13 jaar en 4 maanden, niet heeft bestaan waarin een bijzondere omstandigheid kan worden gezien op grond waarvan moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat spanning en frustratie moet worden verondersteld, omdat in de periode van het niet bestaan van belanghebbende door belanghebbende geen spanning en frustratie kan worden ervaren. Dat betekent, aldus het Hof, dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts 5 maanden bedraagt. 5.38 Het Hof ziet tot slot in het bestaanseinde van belanghebbende en de herrijzenis jaren later een bijzondere omstandigheid die de zaak dusdanig ingewikkeld heeft gemaakt voor de Inspecteur dat dit aanleiding geeft om de redelijke termijn met ten minste 6 maanden te verlengen zodat uiteindelijk de berechting in eerste aanleg binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. 5.39 Het Hof heeft verder in r.o. 4.22 overwogen dat wanneer in tegenstelling tot het voorgaande voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn wordt aangeknoopt bij het moment waarop belanghebbende de Inspecteur heeft verzocht om de bezwaarbehandeling te hervatten, namelijk 18 augustus 2019, de redelijke termijn niet is overschreden omdat de Rechtbank binnen 2 jaar uitspraak heeft gedaan. 5.40 Voor zover het middel ziet op de bijzondere omstandigheid die het Hof heeft gezien in de ingewikkeldheid van de zaak voor de Inspecteur vanwege het bestaanseinde van belanghebbende en de herrijzenis jaren later voor het verlengen van de redelijke termijn met 6 maanden slaagt het, als aangegeven in het verweerschrift van de Staatssecretaris. Daarbij teken ik aan dat de hervatting van de bezwaarprocedure na de herrijzenis van belanghebbende maar 4 maanden heeft geduurd. 5.41 Voor zover het middel ziet op de bijzondere omstandigheid die het Hof heeft gezien in de periode van het niet bestaan van belanghebbende die aanleiding geeft om af te wijken van het uitgangspunt dat spanning en frustratie wordt verondersteld, slaagt het ook. 5.42 Ik merk op dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg niet is geëindigd op het moment dat Rechtbank Arnhem op 29 april 2009 uitspraak heeft gedaan. Er begint geen nieuwe termijn voor de beoordeling van de doorlooptijd in eerste aanleg als een zaak wordt teruggewezen naar de inspecteur. Derhalve wordt in r.o. 4.22 van de Hofuitspraak ten onrechte uitgegaan van een nieuwe redelijke termijn die zou zijn aangevangen op 18 augustus 2019. 5.43 Het Hof heeft verder ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende op 29 maart 2006 was opgehouden te bestaan, gelet op de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 29 april 2009 waarin is geoordeeld dat belanghebbende niet is opgehouden te bestaan en dat de vereffening van haar vermogen voortduurt. Die uitspraak heeft kracht van gewijsde zodat het Hof aan het daarin gegeven oordeel over het bestaan van belanghebbende niet voorbij mocht gaan. 5.44 De aanwezigheid van spanning en frustratie worden bij overschrijding van de redelijke termijn in uitgangspunt verondersteld aanwezig te zijn. Een belanghebbende behoeft daarvan geen bewijs te leveren om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade. Dat geldt ook ten aanzien van rechtspersonen. 5.45 Een rechtspersoon kan als zodanig geen eigen gevoelens hebben, maar spanning en frustratie ondervonden door haar (voormalige) bestuurders en eventuele andere rechtstreeks bij de rechtspersoon betrokken personen, worden toegerekend aan de rechtspersoon. In dat kader lijkt het mij niet relevant dat belanghebbende een aantal jaren niet heeft bestaan voordat de vereffening werd heropend. Het lijkt mij namelijk dat verondersteld mag worden dat immateriële schade geleden in de vorm van spanning en frustratie is doorgegaan bij de meest bij belanghebbende betrokken personen, waaronder de vereffenaar. 5.46 Mijns inziens verschilt het geval van een rechtspersoon die ophoudt te bestaan en later herrijst door heropening van de vereffening, niet wezenlijk van het geval van een erflater die komt te overlijden nadat een procedure is gestart en in de procedure wordt opgevolgd door de erfgenamen. Indien de belanghebbende tijdens de procedure overlijdt en de procedure door zijn erfgenamen wordt voortgezet geldt dat de aan de erfgenamen toe te kennen vergoeding van immateriële schade mede betrekking kan hebben op het tijdsverloop van de procedure toen de erflater nog partij was. De in aanmerking te nemen termijn met betrekking tot de desbetreffende fase van de procedure wordt in deze gevallen ook ten aanzien van de erfgenamen geacht te zijn aangevangen op het moment waarop door de erflater tegen het besluit van de inspecteur bezwaar is gemaakt. 5.47 De Inspecteur had in casu na de terugwijzing door Rechtbank Arnhem in 2009 uitspraak kunnen en moeten doen op het bezwaar van belanghebbende, zodat daarmee eerder een einde aan de bezwaarfase had kunnen komen dan het moment dat de Inspecteur definitief weigerde uitspraak op bezwaar te doen op 15 november 2019. Door dat destijds niet te doen is de berechting in eerste aanleg pas geëindigd op 17 september 2020. 5.48 Ik zie wel aanleiding voor het verlengen van de redelijke termijn in de omstandigheid dat eerder door een aan belanghebbende gelieerde BV aan de Inspecteur op 16 april 2014 is verzocht om uitspraak op bezwaar te doen, omdat Rechtbank Arnhem ook ten aanzien van die BV had beslist dat de Inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar moest doen. Het had mijns inziens op de weg van belanghebbende gelegen om toen ook het initiatief te nemen om ten aanzien van haar uitspraak op bezwaar te doen. Het lijkt mij niet passend dat belanghebbende daarmee heeft gewacht tot 15 augustus 2019. 5.49 Hiervan uitgaande dient de redelijke termijn met de periode tussen 16 april 2014 (dag dat werd verzocht om uitspraak op bezwaar door de gelieerde BV) en 17 september 2020 (dag van uitspraak Rechtbank) verlengd te worden. Die periode bedraagt afgerond naar boven 77 maanden. 5.50 De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt zo 88 maanden, waarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 7.500. Hiervan is 65 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en 23 maanden aan de beroepsfase, zodat de Inspecteur voor € 5.539,77 (65/88 maal € 7.500) en de Staat voor € 1960,23 (23/88 maal €7.500) veroordeeld dient te worden tot het betalen van de immateriële schadevergoeding aan belanghebbende. 5.51 Aldus slaagt ook middel II. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Hof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, nr. 20/00967, ECLI:NL:GHARL:2021:8438. Hof 's-Hertogenbosch 18 maart 2008, nr. 20-008914-05, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7234. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep met toepassing van (destijds) artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie verworpen (HR 14 september 2010, nr. 08/05037, ECLI:NL:HR:2010:BM7500). Onder verwijzing naar HR 7 december 1994, nr. 29 477, ECLI:NL:1994:AA2993. Rechtbank Arnhem 29 april 2009, nr. AWB 07/888 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Rechtbank Gelderland 17 september 2020, nr. AWB 19/7196, ECLI:NL:RBGEL:2020:4771 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Volgens artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zoals dat destijds gold tot 1 januari 2008, was de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar één jaar. De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten. Voetnoot 9 in origineel: HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844. Voetnoot 10 in origineel: HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:ZC2480, NJ 1998/258. Voetnoot 11 in origineel: HR 1 juli 1993, NCB/Staat, NJ 1995/150, ECLI:NL:1993:ZC1036. HR 11 april 2014, nr. 13/01903, ECLI:NL:HR:2014:878. Zie ook HR 12 mei 2017, nr. 15/05579, ECLI:NL:HR:2017:844, r.o. 2.3.2. Conclusie van A-G IJzerman van 23 maart 2012, nr. 11/01321, ECLI:NL:PHR:2012:BV0655. CRvB 26 mei 2021, nr. 18/6320 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2021:1265. Zie gelijkluidend CBb 16 april 2019, nr. 17/1349, ECLI:NL:CBB:2019:154, r.o. 6 en ABRvS 10 juli 2013, nr. 201207133/1/A1, ECLI:NL:RVS:2013:206, r.o. 1.1. ABRvS 27 juli 2011, nr. 201009027/1/H2, ECLI:NL:RVS:2011:BR3251. HR 20 september 2000, nr. 34 652, ECLI:NL:HR:2000:AA7151. HR 1 juli 1993, nr. 15 137, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036, NJ 1995/150, m.nt. C.J.H. Brunner (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)https://www.navigator.nl/document/id15761993070115137nj1995150dosred. HR 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2010:BO5988. Zie ook HR 23 maart 2012, nr. 11/01321, ECLI:NL:HR:2012:BV0655, r.o. 3.3 en in andere bewoordingen HR 21 maart 2008, nr. 43 066, ECLI:NL:HR:2008:BA9380, r.o. 3.2. ABRvS 13 februari 2008, nr. 200704367/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC4247. CBb 19 januari 2012, nr. AWB 10/250, ECLI:NL:CBB:2012:BV2037. Conclusie van A-G Vellinga van 11 mei 2010, nr. 08/03668, ECLI:NL:PHR:2010:BL7699. Voetnoot 1 in origineel: HR 11 mei 2004, LJN AO5690, NJ 2004, 606, m.nt. Buruma, rov. 3.6. Voetnoot 2 in origineel: Vgl. noot N.S.J. Koeman bij HR 25 september 2001, NJ 2002, 229. Voetnoot 3 in origineel: 26 november 2002, LJN AE8808, NJ 2003, 81, rov. 3.5. Voetnoot 4 in origineel: Vgl. HR 24 september 2002, LJN AE 2126, NJ 2003, 80, m.nt. Buruma, rov. 3.6. In de onderhavige zaal lijkt van een gemengd feitelijk/juridisch oordeel sprake te zijn. Zie omtrent die problematiek de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge ten behoeve van HR 19 juni 2007, LJN AY9194, onder 8.11-8.15, als ook de noot van Buruma onder HR 24 september 2002, LJN AE2126, NJ 2003, 80. Voetnoot 5 in origineel: Vgl. HR 27 maart 2007, LJN AZ6007, NJ 2007, 193, rov. 3.5. als ook HR 11 oktober 2005, LJN AS9224, NJ 2008, 207, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 ten aanzien van een oordeel van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank. Zie voorts de noot van Mevis (onder 5) onder HR 7 november 2006, LJN AU8060, NJ 2008, 205. HR 29 april 2005, nr. 39 181, ECLI:NL:HR:2005:AT4894. Volgens het CBb is er daarentegen geen procesbelang meer. Zie CBb 19 maart 2018, nr. 16/991, ECLI:NL:CBB:2018:121, r.o. 1.4. HR 7 december 1994, nr. 29.477, ECLI:NL:1994:AA2993. HR 26 maart 2004, nr. C02/316HR, ECLI:NL:HR:2004:AO2779. Of een ander rechtsmiddel; zie mijn conclusie van 28 februari 2022, nrs. 20/04296, 20/04303, 20/04301 en 20/04300 ECLI:NL:PHR:2022:195, punten 5.8 - 5.9. HR 19 september 2003, nr. 38 372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288. Vgl. HR 2 oktober