ECLI:NL:PHR:2022:784
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03438 C Zitting 6 september 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte.
I. Inleiding 1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) heeft bij vonnis van 24 juni 2021 het ten laste van de verdachte gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 17 juni 2019 bevestigd onder aanvulling van gronden met betrekking tot de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (verder: tbs). Dat betekent dat het Hof heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en heeft bevolen dat hij van overheidswege wordt verpleegd wegens (subsidiair) “poging zware mishandeling”.
II. De overwegingen van het Gerecht en van het Hof 4. Het Hof heeft het beroepen vonnis van het Gerecht onder aanvulling van gronden bevestigd. De overwegingen van het Gerecht in zijn vonnis van 17 juni 2019 luiden, voor zover hier van belang, als volgt: “Strafbaarheid van de verdachte In zijn rapport over de verdachte van 8 februari 2019 heeft psychiater [betrokkene 1] geconcludeerd dat verdachte lijdt aan paranoïde schizofrenie, dat hij nauwelijks ziektebesef heeft en de noodzaak niet inziet van het (langdurig) ondergaan van behandeling en gebruik van medicatie. Het plegen van het delict is hem nauwelijks toe te rekenen en de kans op recidive is hoog zolang het hem lukt zich aan behandeling te onttrekken, aldus de psychiater. Op de vraag naar hulpverleningsmogelijkheden en of een tbs-maatregel kan worden opgelegd, antwoordde de psychiater: "Succes van iedere dwangmaatregel wordt bepaald door praktische uitvoering ervan".
In het dossier bevindt zich ook een rapport van oudere datum van psychiater [betrokkene 2] over verdachte. Hij schreef op 26 juli 2017 het volgende. In 2015 werd betrokkene ingesloten na belaging en bedreiging van zijn ex-vriendin. Betrokkene was een paranoïde schizofrene man met middelen misbruik die na een behandeling van een jaar op de afdeling Pico Plata van Capriles Kliniek vrij van middelen was, die gedurende een hierop gedwongen ambulante behandeling met medicatie goed functioneerde, maar die na het stoppen van zijn medicatie weer paranoïde tegen zijn familie en ex-vriendin werd. In overleg werd betrokkene overgeplaatst naar de Capriles Kliniek.
Samenvattend stelt psychiater [betrokkene 2] in 2017 dat verdachte op grond van paranoïde psychotische denkbeelden agressief naar zijn directe omgeving toe wordt. Gedwongen behandeling met anti psychotische medicatie in depotvorm leidt tot een sterke verbetering in zijn functioneren. Zowel in Nederland met een voorwaardelijke machtiging als in Curacao met een ambulante KZ. Daar hij geen ziektebesef heeft stopt hij direct zijn behandeling op het moment dat het gedwongen aspect wordt opgeheven. Hij vervalt dan snel weer in paranoïde psychosen met uiteindelijk agressie als gevolg. Het advies van psychiater [betrokkene 2] in 2017 was om (na een klinische behandeling) een ambulante dwangbehandeling jaarlijks te verlengen en voorlopig niet meer op te heffen. Hij achtte de recidivekans 100% zonder adequate behandeling.
Op 24 april 2019 is [betrokkene 2] , als behandelend psychiater, ter zitting gehoord. Hij bevestigt het oordeel van psychiater [betrokkene 1] dat verdachte wel voor een klein deel toerekeningsvatbaar kan worden geacht. "Als je voor de tweede of derde keer psychotisch paranoïde wordt, moet je weten dat je weg moet gaan uit de situatie en weten dat het mis kan gaan, dus dan kan het advies "vrijwel ontoerekeningsvatbaar" zijn." Hij geeft aan dat verdachte geen ziektebesef heeft, wat maakt dat hij de medicatie niet zelf neemt. [betrokkene 2] geeft aan dat de laatste keer verdachte zijn termijn in de Capriles Kliniek niet heeft uitgezeten omdat hij met medicatie snel stabiliseerde. De Capriles Kliniek wil nu geen klinische behandeling meer aanbieden en vindt dat er een ambulant dwangkader moet komen maar niet via de Capriles Kliniek. [betrokkene 2] adviseert opnieuw verplichte ambulante behandeling. Verplichte ambulante behandeling zou kunnen bij poliklinieken, een opvang in Scharloo of bij reclassering zelf, aldus [betrokkene 2] . Op de vraag van het Gerecht naar de optie van een TBS-maatregel geeft hij aan dat als verdachte die maatregel opgelegd zou krijgen hij waarschijnlijk in hetzelfde blok blijft en dat hij dan één keer per maand zijn spuit van hem krijgt. Op de vraag van het Gerecht in hoeverre de maatregel naar het oordeel van de psychiater op verdachte van toepassing is, antwoordt hij dat het delict ernstig genoeg is en de stoornis van verdachte ook.
Naar aanleiding van hetgeen psychiater [betrokkene 2] ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, heeft het Gerecht de reclassering om een aanvullend rapport gevraagd dat is toegespitst op hulpverleningsmogelijkheden voor verdachte. Dat rapport is van 14 juni 2019. De reclassering meldt het volgende. Na ontslag uit de Capriles Kliniek in 2017 begonnen de problemen toen hij weigerde medicatie in te nemen, waarna hij psychose aanvallen kreeg, paranoia werd en zeer agressief gedrag vertoonde. Hij mocht als gevolg van misdragingen niet langer in zijn appartement blijven en belandde op straat. Zijn moeder gaf aan dat verdachte niet bij haar kon verblijven omdat haar leven dan gevaar zou lopen.
Op de vraag aan de reclassering of er geregeld kan worden dat betrokkene zijn medicatie krijgt, signaleert de reclassering het volgende. De Capriles Kliniek kan aan hem geen ambulante behandeling bieden omdat hij vanwege het niet hebben van een vaste verblijfplaats niet aan de criteria voldoet. Hij kan evenmin geholpen worden bij de dagbehandeling van de Capriles Kliniek voor zwervende psychiatrische cliënten in Scharloo omdat zijn ex-partner daar werkzaam is en hij een bedreiging voor haar vormt. Een mogelijke oplossing is dat [betrokkene 2] de depotbehandeling aan hem continueert en dat hij, vanwege zijn zorgmijdend gedrag en medicatie-ontrouw door de politie opgespoord wordt om zijn depotbehandeling bij [betrokkene 2] te krijgen.
De coördinator van het crisisinterventieteam van de FMA gaf de reclassering aan dat een keer in de week zwervende drugsverslaafden worden verzameld en naar een opvang in Scharloo worden gebracht waar zij zich kunnen wassen, schone kleren en eten krijgen en depotmedicatie toegediend krijgen.
De reclassering geeft aan dat zij alleen begeleiding kan bieden aan ex-gedetineerden met een dubbele problematiek als zij open staan voor psychiatrische behandeling en open staan voor het volgen van een rehabilitatietraject. Uit onderzoek is gebleken dat de kans van slagen van een ambulant begeleidingstraject bij betrokkene nihil is omdat hij therapie-ontrouw is, hij geen vaste verblijfplaats heeft en geen ambulante behandeling bij de Capriles Kliniek ondergaat, hij onvoldoende in staat is om op eigen initiatief depotbehandeling te volgen, hij geen toegang heeft tot dagbehandeling van zwervende psychiatrische patiënten van wege zijn agressieve verleden met zijn ex-partner en hij er niet voor open staat om op eigen kracht van zijn marihuanaverslaving af te komen.
De reclassering voegt toe dat verdachte in een gesloten inrichting goed functioneert. Wanneer hij op straat hangt is er grote kans op terugval in marihuanagebruik waardoor de depotmedicatie weinig effect heeft. Om de kans op recidive te beperken en om de veiligheid van betrokkene en zijn naasten te waarborgen, acht rapporteur het verstandig om verdachte in een residentiele inrichting voor forensische patiënten met een strafrechtelijke titel en met een dubbele problematiek te laten opnemen. De Capriles Kliniek heeft hem na vier maanden uitbehandeld verklaard en is niet bereid hem weer op te nemen. Andere opname mogelijkheden ontbreken er momenteel in Curaçao, aldus de reclassering.
Het Gerecht neemt de conclusies van de psychiaters [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over en maakt deze tot de zijne. Het bewezen geachte kan de verdachte vanwege een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten paranoïde schizofrenie, nauwelijks, dus slechts voor een (zeer) klein deel, worden verweten. Verder concludeert het Gerecht uit de informatie van psychiater [betrokkene 2] en de reclassering dat verdachte geen ziektebesef heeft en dat gedwongen medicatie noodzakelijk is om verdere agressie en recidive te voorkomen. Ook is het Gerecht duidelijk geworden dat verdachte geen behandeling en/of hulp van de Capriles Kliniek en/of reclassering te verwachten heeft.
Oplegging van maatregel Gelet op vorenstaande acht het Gerecht de maatregel van plaatsing in een psychiatrische inrichting voor een jaar ex artikel 1:80 Wetboek van Strafrecht niet aan de orde, zoals door de officier van justitie geëist, nu het feit verdachte voor een klein deel kan worden toegerekend (terwijl de plaatsing vereist dat de persoon niet toerekeningsvatbaar is) en de Capriles Kliniek bovendien ten aanzien van verdachte geen mogelijkheden ziet.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht passend dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege. Daarbij wordt in het kader van de daaraan te stellen eisen ex artikel 1:81 Wetboek van Strafrecht het volgende in aanmerking genomen.
Het door verdachte begane feit betreft een poging zware mishandeling, waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. De rapportages tonen aan dat verdachte alleen de voor hem noodzakelijke medicatie neemt in een dwangkader en dat agressie volgt als hij zich aan dat kader kan onttrekken. Wat het Gerecht zorgen baart is dat, waar verdachte in 2017 nog werd veroordeeld voor vernieling en bedreiging tegen het leven gericht, betreffende een naaste, het thans gaat om poging zware mishandeling, waarbij hij een slapende man, niet zijnde een naaste, met een ijzeren buis meerdere malen op zijn lichaam heeft geslagen omdat hij dacht dat deze iets van hem had gestolen en dat de feiten dus in ernst zijn toegenomen en dat kring van slachtoffers zich heeft uitgebreid.
Het Gerecht neemt de conclusies van de psychiater over en is van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond en dat zijn gedragingen ten tijde van het bewezen verklaarde feit door die ziekelijke stoornis werd beïnvloed. Evenals de deskundigen acht het Gerecht het recidiverisico op soortgelijke feiten (zeer) groot. Het Gerecht is tot de conclusie gekomen dat het advies van psychiater [betrokkene 2] van verplichte ambulante behandeling niet uitvoerbaar is en de veiligheid van de samenleving te weinig garandeert nu de Capriles Kliniek en de reclassering geen mogelijkheden zien voor behandeling en begeleiding. Wat over zou blijven in het kader van verplichte ambulante behandeling is dat hem als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat hij medicatie moet gebruiken. Gelet op het eerder beschreven grote risico dat verdachte zich daaraan niet zal houden en de te verwachten agressie en recidive die dit zal opleveren, acht het Gerecht het enkel opleggen van die voorwaarde, zonder dat de reclassering daarop toeziet, niet opportuun. Nu psychiater [betrokkene 2] , daartoe uitdrukkelijk ter zitting op bevraagd, in het geval van verdachte de tbs-maatregel van toepassing vindt (zijn kanttekeningen betreffen alleen de uitvoerbaarheid ervan), ziet het Gerecht geen andere mogelijkheid dan de oplegging van die maatregel.
Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat gelet op het groot te achten gevaar dat verdachte wanneer hij niet gedwongen (met medicatie) wordt behandeld zal overgaan tot mogelijke ernstige geweldsdelicten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (waaronder de veiligheid van betrokkene zelf) oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege eist. Het Gerecht stelt vast, dat hier sprake van misdrijven, gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zoals bedoeld in artikel 1:92 van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot de mogelijkheid tot executie wijst het Gerecht op artikel 1:84 van het Wetboek van Strafrecht.”
De procesfase van het hoger beroep heeft in het teken gestaan van uitgebreid onderzoek naar de haalbaarheid van voor de verdachte minder ingrijpende alternatieven, zonder dat tekort wordt gedaan aan het aspect van beveiliging, met name in de vorm van een ambulante TBS (TBS met voorwaarden), die bij een reeds bestaande instelling zou kunnen worden ondergaan. Deze zoektocht heeft er mede toe bijgedragen dat die procesfase bijna twee jaren in beslag heeft genomen.
De reclassering heeft op 5 mei 2020 aan het Hof bericht dat ambulante TBS niet mogelijk zal zijn indien de verdachte geen deugdelijke huisvesting heeft. Op 17 augustus 2020 heeft de reclassering daaraan toegevoegd dat in Curaçao de mogelijkheden ontbreken voor een ambulante TBS omdat daarvoor een multidisciplinaire aanpak nodig is, welke hier te lande ontbreekt. Desondanks heeft het Hof in samenspraak met de procureur-generaal en de verdediging de pogingen om tot een oplossing te komen voortgezet. Er is getracht het probleem van de huisvesting op te lossen door de verdachte te plaatsen in Un Miho Mañan, een afdeling van de Caprileskliniek. Op de zitting van 3 november 2020 is echter gebleken dat de problematiek van de verdachte, in dit geval met name zijn verslavingsproblematiek, heeft geleid tot het mislukken van dit traject, waardoor de verdachte niet langer welkom is bij Un Miho Mañan.
Naar aanleiding van de suggestie van psychiater [betrokkene 2] in zijn brief van 1 februari 2021 heeft het Hof vervolgens besloten te beproeven of een opname van de verdachte in verslavingskliniek Brasami uitsluitsel kan bieden. Hoewel de reclassering sceptisch was, heeft zij contact opgenomen met Brasami en tijdens de zitting van 2 maart 2021 bleek het Hof dat de verdachte in Brasami kon worden ogenomen. Tijdens de zitting van 9 juni 2021 werd de balans opgemaakt. Daaruit bleek dat de problematiek bij de verdachte zodanig is, dat een opname in Brasami naar verwachting niet zal leiden tot het gewenste resultaat. Uit het rapport van Brasami van 31 mei 2021 blijkt dat een terugval in middelengebruik te verwachten is, aangezien de verdachte naar eigen zeggen zonder druk van buitenaf weer zal gaan gebruiken.
Veelzeggend is dat de verdachte bij de opname in Brasami positief werd getest op THC, hetgeen betekent dat hij kort tevoren, derhalve zelfs binnen de gevangenismuren, marihuana had gebruikt. Volgens even genoemd rapport van Brasami is een dwangopname aldaar, gelet op de dieperliggende, complexe psychiatrische problematiek, niet de juiste behandelvorm. Dit wordt onderschreven door de reclassering in het briefrapport van 8 juni 2021. Als complicerende factor wordt daarbij het ontbreken in Curaçao van een steunsysteem voor de verdachte genoemd. Het Hof heeft in dat kader kunnen lezen dat tijdens de opname in Brasami tussen de verdachte en zijn moeder een conflict is ontstaan, waardoor het contact tussen beiden is verbroken.
Uit het psychologisch rapport van [betrokkene 3] van 29 mei 2021 volgt tenslotte, dat ook bij behandeling in Brasami het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat.
Het Hof komt op grond van het vorenstaande dan ook tot de wrange slotsom dat er, hoewel er veel in het werk is gesteld om een passende oplossing voor de verdachte te vinden, in Curaçao thans geen geschikte modaliteit voor TBS met voorwaarden voor de verdachte beschikbaar is. Bij die stand van zaken rest, gelet op het zwaarwegende belang van beveiliging van de samenleving, het Hof geen andere keuze dan de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege, zoals reeds opgelegd door het Gerecht, te handhaven.
Het Hof stelt met het oog op de tenuitvoerlegging van de maatregel van TBS echter vast, dat, hoewel deze maatregel inmiddels bijna tien jaar geleden in de wet is opgenomen, het ervoor moet worden gehouden dat het land Curaçao ernstig in gebreke is met het treffen van de daarvoor noodzakelijke voorzieningen. Als gevolg daarvan komt de tenuitvoerlegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege in de praktijk erop neer dat daartoe veroordeelden in het SDKK op de FOBA-afdeling worden gehuisvest, alwaar zij weliswaar medicatie ontvangen, maar overigens een op maat gesneden behandeling achterwege blijft.
Gelet op het vorenstaande bevestigt het Hof het vonnis van het Gerecht.”
III. Het wettelijk kader naar Curaçaos recht 6. Uit het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (verder: SrC) noem ik de volgende bepalingen:
In de Curaçaose Landsverordening van de 27ste juni 1996 tot vaststelling van beginselen van het gevangeniswezen (verder: Landsverordening beginselen gevangeniswezen) zijn nog de volgende bepalingen opgenomen:
In de Aanwijzingsbeschikking Gestichten 1999 wordt uitvoering gegeven aan art. 6 Landsverordening beginselen gevangeniswezen, en wel op de volgende wijze:
De voorgestelde regeling is gespiegeld aan de Nederlandse met de hieronder beargumenteerde wijzigingen. […] Artikel 1:84 (de inrichting) In dit artikel wordt geregeld dat de tbs ten uitvoer dient te worden gelegd in een inrichting, die daartoe door de Minister van Justitie dient te zijn aangewezen. Ook is het mogelijk de executie te doen plaatsvinden in een elders in het Koninkrijk aangewezen inrichting met het oog op de noodzakelijke behandeling. Wellicht kan een gezamenlijke Caribische forensisch-psychiatrische inrichting worden gesticht. Uiteraard zou plaatsing in Nederland uitvoerig dienen te worden afgewogen tegen de kosten, die daarmee gemoeid zullen zijn en de belangen van de tbs-gestelde (ver van huis, geen betrekken van het thuisfront bij de behandeling, wat juist vaak nodig is).”
IV. Het middel en de bespreking daarvan 8. Het middel klaagt dat de artikelen 1:81 en 1:82 SrC, art. 402 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao, art. 104, tweede lid, van de Staatsregeling van Curaçao en de artikelen 5 en 6 van het EVRM zijn geschonden “doordat onvoldoende verband bestaat tussen de gronden voor de oplegging van de tbs-maatregel en de beoogde plaats en omstandigheden van haar tenuitvoerlegging, in elk geval doordat het Hof de oplegging van de tbs-maatregel onvoldoende c.q. niet op behoorlijke wijze, en in het bijzonder niet zonder schending van voornoemd artikel 5, heeft gemotiveerd”.
De verdachte heeft geen ziektebesef. Hij heeft geen inzicht in zijn ziektebeeld en zijn verslavingsproblematiek. Op dit moment is er op Curaçao geen structurele oplossing voorhanden voor beperking van het recidiverisico. Het Land moet zijn verantwoordelijkheid nemen in het creëren van een oplossing. Opname in de Caprileskliniek heeft in het verleden niet tot een oplossing geleid. In 2020 hebben we nog contact gehad met de Caprileskliniek en men bleef erbij dat een oplossing daar niet voorhanden is. Helaas zien wij geen verdere mogelijkheden voor de verdachte. […] De deskundige [betrokkene 5] , directeur van Brasami, verklaart als volgt:
Ik heb niets toe te voegen aan het rapport van 31 mei 2021. Vanuit onze ervaring is er op Curaçao geen geschikte plek waar mensen met verslavingsproblematiek in combinatie met een psychische problematiek zoals die van de verdachte kunnen worden begeleid. Mocht de verdachte in Brasami blijven, dan zetten wij een aanvraag voor onderstand door. […] De procureur-generaal rekwireert als volgt:
Er is van alles geprobeerd om een oplossing te vinden voor de verdachte, maar ik moet constateren dat het niet heeft geleid tot een oplossing. De verdachte is op zichzelf niet een kandidaat voor een TBS met een intramuraal karakter, maar een TBS onder voorwaarden blijkt op Curaçao niet uitvoerbaar voor deze verdachte. Gebleken is dat geen enkele instelling met hem in zee kan gaan. Daar komt bij dat de verdachte op cruciale momenten ook niet thuis heeft gegeven. Met name bij Un Miho Mahan ging het mis. De conclusie is dat de TBS met dwangverpleging, zoals het Gerecht in eerste aanleg had opgelegd, de enige oplossing is. De verdachte is een gevaar voor de samenleving als hij niet wordt behandeld en zijn medicatie niet inneemt. Hopelijk kan de verdachte in het SDKK met behulp van maatschappelijk werk en reclassering gaan werken aan zijn situatie, zodat bij de volgende evaluatie na twee jaar bepaalde stappen zijn gemaakt en zodat de verdachte dan misschien vrij kan komen en binnen de maatschappij zijn behandeling kan voortzetten. De verdachte moet zich dan wel gaan realiseren dat hij ziek is en zijn medicatie moet innemen. Ik vorder bevestiging van het beroepen vonnis. […] De raadsman voert als volgt het woord tot verdediging:
Ik verzoek uw Hof het beroepen vonnis niet te bevestigen. Het SDKK is niet geschikt voor de tenuitvoerlegging van TBS. Er dient te worden gezocht naar alternatieven. Het onderzoek kan daartoe nogmaals worden geschorst. De Caprileskliniek kan alsnog kijken naar alternatieven. Cliënt is bereid zich aan permanente begeleiding bij het innemen van zijn medicijnen te onderwerpen. Hij ziet in dat inname van zijn medicijnen belangrijk is. Er kan worden gewerkt aan het herstellen van contact met zijn dochter in Nederland en ook inkomen en huisvesting kunnen geregeld worden. Brasami was al bezig een onderstandsuitkering voor cliënt aan te vragen. In de toekomst zijn er mogelijkheden voor huisvesting; ik heb daartoe al contact gehad met een [betrokkene 6] .
Mocht uw Hof toch het vonnis bevestigen, dan kan ingevolge artikel 1:84 Wetboek van Strafrecht worden gekeken of tenuitvoerlegging elders in het Koninkrijk een oplossing biedt, aangezien er op Curaçao geen reële mogelijkheid is.”
In de Rapportage 2017 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken betreffende de Internationale Mensenrechtenprocedures wordt op pagina 41 onder het cursiefje “Murray (10511/10, 26 april 2016, Grote Kamer” meegedeeld dat bij het Comité van Ministers een Action Plan is ingediend “waarin wordt aangegeven dat Aruba en Curaçao recent een werkgroep hebben opgezet die de mogelijkheid onderzoekt om een tbs-faciliteit op te richten op een van de eilanden om een betere behandeling van gevangenen met ernstige psychische problemen mogelijk te maken” en dat in Curaçao “het proces gaande is om bij landsverordening de bestaande wettelijke mogelijkheid om een tbs-maatregel op te leggen verdere praktische invulling te geven”.
De gedachten daarbij gingen (en gaan vermoedelijk nog) uit naar een gezamenlijke Caribische forensisch-psychiatrische instelling, maar voor zover mij bekend heeft dit voornemen nog niet tot iets concreets geleid.
In het kader van de tenuitvoerlegging van een tbs met verpleging van overheidswege komt ook in beeld de Forensische Observatie Behandelafdeling (FOBA) van het Sentro di Detenshon i Kerekshon Korsou (Centrum voor Detentie en Correctie; hierna: het SDKK), vroeger bekend onder de naam Bon Futura. Deze FOBA beschikt over een gesloten setting waar in beperkte mate in verpleging en een vorm van behandeling kan worden voorzien. Van een tbs-kliniek die enigszins gedifferentieerd is toegesneden op de psychische of psychiatrische toestand van de terbeschikkinggestelde en waar een uitgestippeld behandeltraject kan worden ingeslagen met uitzicht op een gefaseerd re-integratieproces is echter geen sprake.
Ook elders in het Caribisch deel van het Koninkrijk is niet voorzien in een voor terbeschikkinggestelden bestemde tbs-kliniek. Mogelijk kan uiteindelijk nog wel een beroep worden gedaan op de artikelen 36 en 40 Statuut, met als doel de behandeling te doen plaatsvinden in een tbs-kliniek in Nederland.
Art. 184 SrC geeft daarvoor de wettelijke grondslag.
Omdat op de terechtzitting de deskundige [betrokkene 5] te kennen heeft gegeven dat er in Curaçao geen geschikte plek is waar verslaafden met psychische aandoeningen kunnen worden begeleid en de procureur-generaal geen ander perspectief dan tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel in het SDKK in het vooruitzicht heeft gesteld, had het Hof “(op zijn minst!) in zijn vonnis [moeten] laten blijken dat hij zich hiervan rekenschap heeft gegeven, en dat hij desondanks, in overeenstemming met het doel van art. 5 lid 1(e), een voldoende verband aanwezig acht tussen de gronden van de vrijheidsbeneming en plaats en de omstandigheden van de tenuitvoerlegging”, aldus de toelichting op het middel.
Ondanks de geruime tijd die daarvoor was uitgetrokken, is geen passend alternatief gevonden. Die negatieve uitslag betreft ook de tbs met voorwaarden; blijkens de overwegingen van het Hof is daarvoor geen geschikte modaliteit beschikbaar. Bij dit een en ander heeft het Hof zowel het ontbreken van passende behandelmogelijkheden voor de verdachte, als de noodzaak tot beveiliging voor de samenleving betrokken. Omstandigheden die door het Hof zijn meegewogen, zijn (ik vat samen): het hoge recidiverisico, het gebrek aan ziektebesef, de verslavingsproblematiek, het gebrek aan bereidheid tot medewerking, de ‘medicatie- en therapieontrouw’ en het ontbreken van een vaste verblijfplaats. Daar tegenover staat dan dat de verdachte kennelijk wel betrekkelijk goed functioneert in een gesloten setting.
In navolging van het Gerecht komt het Hof dan ook tot de slotsom dat vooral met het oog op het hoge recidiverisico en het zwaarwegende belang van de beveiliging van de samenleving er geen andere uitweg resteert dan oplegging van de tbs met verpleging van overheidswege. Dat het Hof zich heeft gerealiseerd dat het opleggen van deze maatregel niet de schoonheidsprijs verdient, blijkt wel uit zijn kritische bewoordingen over het ernstig in gebreke zijn van het land Curaçao met het treffen van de noodzakelijke voorzieningen, waardoor “de tenuitvoerlegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege in de praktijk erop neer[komt] dat daartoe veroordeelden in het SDKK op de FOBA-afdeling worden gehuisvest, alwaar zij weliswaar medicatie ontvangen, maar overigens een op maat gesneden behandeling achterwege blijft.”
V. Uitleiding 20. Zowel het Wetboek van Strafrecht van Curaçao als de Landsverordening beginselen gevangeniswezen anticipeert op de totstandkoming van een tbs-kliniek in Curaçao (dan wel elders in het Caribisch gebied deel uitmakend van het Koninkrijk). Zo een kliniek is er dus nog altijd niet. De uitvoering van die regelingen is beperkt tot de aanwijzing van twee locaties waar tbs-gestelden ondergebracht kunnen worden. Die locaties zijn echter niet specifiek met het oog daarop ingericht en voldoen daarom in de praktijk niet echt aan de specifieke zorg- en veiligheidsbehoefte. Zolang een tbs met voorwaarden in een concreet geval geen optie is en een tbs met verpleging van overheidswege door de Curaçaose rechter wordt opgelegd, kan het algemeen psychiatrisch ziekenhuis Capriles in beeld komen, maar in de praktijk zal toch een plaatsing in de FOBA van de Curaçaose gevangenis met de meeste veiligheidswaarborgen zijn omgeven.
Het Europees Hof toonde tot op zekere hoogte begrip voor de plaatsingsproblematiek, maar constateerde ook dat sprake was van een structureel probleem waarmee de Nederlandse autoriteiten al jarenlang bekend waren en daarom voor hen voorzienbaar was. Niet verlangde het dat de Staat in elk individueel geval er maar voor te zorgen heeft dat onmiddellijk tot plaatsing in de aangewezen tbs-kliniek wordt overgegaan. Er is ruimte voor een redelijke afweging tussen de verschillende belangen (het EHRM spreekt van een ‘reasonable balance’). Zo heeft enerzijds de terbeschikkinggestelde er belang bij zo snel mogelijk toegang te krijgen tot een instelling waar de sanctie passend kan worden tenuitvoergelegd, maar is het anderzijds door de capaciteitsdruk soms onvermijdelijk dat er enige tijd overheen gaat alvorens een plaats vrijkomt.
Het Europees Hof merkt daarbij wel nadrukkelijk op dat een significante vertraging het welslagen van de behandeling binnen de wettelijke tweejaarstermijn beperkt en een langer verblijf in detentie waarschijnlijker maakt. Deze overwegingen moeten worden geplaatst tegen de vooropstellingen die het Europees Hof in het Brand-arrest formuleert: (i) er moet een verband bestaan tussen de grond van de vrijheidsbeneming en de plaats en condities waaronder de detentie ten uitvoer wordt gelegd en (ii) de detentie van iemand met psychische klachten is in beginsel slechts rechtmatig als de detentie wordt geëxecuteerd in een ziekenhuis, een kliniek of een ander daarvoor geschikt instituut. Het ontbreken van een ‘reasonable balance’ in de zaak van Brand tegen Nederland, maakte dat de passantentermijn onrechtmatig werd bevonden.
Deze onrechtmatigheid was gelegen in het uitblijven van een tijdige aanvang van de behandeling en niet in de vrijheidsbeneming op zich (de voortgezette detentie). Het oordeel van het Europees Hof luidt in die zaak dan ook dat art. 5, eerste lid, EVRM was geschonden. Bij deze zienswijze zijn kritische kanttekeningen geplaatst. Deze komen er op neer dat het Europees Hof teveel nadruk legt op het belang van de betrokkene bij behandeling en (nagenoeg) voorbijgaat aan de primaire grondslag en de primaire doelstelling van de tbs met verpleging van overheidswege, die beide zijn gelegen in het beveiligingsaspect van deze maatregel, dat wil zeggen in de beveiliging van de maatschappij tegen iemand met een hoog recidiverisico.
De behandeling die deze persoon in verband met zijn psychische stoornis nodig heeft, is wat betreft de intramurale tbs-maatregel daaraan secundair. Bleichrodt en Vegter schrijven in hun handboek Sanctierecht (mijns inziens terecht): “Hoezeer het ook wenselijk is dat de behandeling in een daarvoor bestemde kliniek snel kan aanvangen, dat maakt naar onze mening nog niet dat het verblijf van de veroordeelde in een huis van bewaring strijdt met de primaire beveiligingsgrondslag van de door de rechter opgelegde maatregel.”
These examples make it possible to conclude that appropriate and individualised treatment is an essential part of the notion of “appropriate institution”. This conclusion stems from the now inevitable finding that the deprivation of liberty contemplated by Article 5 § 1 (e) has a dual function: on the one hand, the social function of protection, and on the other a therapeutic function that is related to the individual interest of the person of unsound mind in receiving an appropriate and individualised form of therapy or course of treatment. The need to ensure the first function should not, a priori, justify the absence of measures aimed at discharging the second. It follows that, under Article 5 § 1 (e), a decision refusing to release an individual in compulsory confinement may become incompatible with the initial objective of preventive detention contained in the conviction judgment if the person concerned is detained due to the risk that he or she may reoffend, but at the same time is deprived of the measures – such as appropriate therapy – that are necessary in order to demonstrate that he or she is no longer dangerous (see Lorenz, cited above, § 58; see also, mutatis mutandis, with regard to Article 5 § 1 (a), Ostermünchner, cited above, § 74;
H.W., cited above, § 112; and Klinkenbuß, cited above, § 47).”
En l’espèce, il ressort du dossier que, à partir de février 2019, le DAP a adressé de nombreuses demandes d’accueil aux REMS de la région Latium et à celles présentes sur le territoire national afin de trouver une place pour le requérant, mais sans succès, faute de places disponibles (paragraphes 28 et suivants ci-dessus). La Cour relève que, face à ces refus, les autorités nationales n’ont pas créé de nouvelles places au sein des REMS ni trouvé une autre solution. Il leur revenait d’assurer au requérant qu’une place en REMS serait disponible ou de trouver une solution adéquate. La Cour ne saurait donc considérer l’absence de places comme une justification valable au maintien du requérant en milieu pénitentiaire.”
III. Slotsom 28. Ik meen (als eerder opgemerkt) dat het middel faalt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Deze Landsverordening is sinds 13 augustus 1999 van kracht en geldt, voor zover ik heb kunnen nagaan, nog steeds.
Thans onderdeel van het Sentro di Detenshon i Kerekshon Korsou (SDKK).
Zie H. de Doelder, S.R. Bakker, B.A. Salverda en J.H.J. Verbaan, Wetboek van strafrecht Curaçao, tweede druk, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2017, p. 345-346, waarin de memorie van toelichting (Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2009-2010, nr. 3) bij de Landsverordening houdende de invoering van een nieuw Wetboek van Strafrecht is verwerkt.
Art. 402 bepaalt in het vierde lid dat het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en in het vijfde lid dat bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.
Art. 104 bepaalt in het tweede lid dat de uitspraken de gronden bevatten waarop zij zijn gewezen of uitgevaardigd en, in strafzaken, de aanwijzing van de artikelen van de wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust.
Zie daarover het lezenswaardige artikel van A.D. Marchena-Slot, ‘Perspectieven Post-Murray voor gedetineerden met een psychische stoornis in Curaçao’, in: Strafblad 2019/18, afl. 2, p. 52-60. In deze publicatie werpt de auteur ook een blik in de toekomst bezien vanuit de voorontwerpen die (met ontwerp-memories van toelichting) ter uitvoering van de nieuwe sancties van het Wetboek van Strafrecht zijn ingediend bij de Staten van Curaçao.
Dat ingevolge art. 2, derde lid aanhef en onderdeel b, van de Aanwijzingsbeschikking Gestichten 1999 een afdeling voor terbeschikkinggestelden is bestemd in de strafgevangenis (thans het SDKK), lijkt te wringen met art. 4, eerste lid, van de Landsverordening beginselen gevangeniswezen, waar is bepaald dat in de gevangenissen uitsluitend de gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd (behoudens het bepaalde in respectievelijk art. 11 en art. 29 van het oude Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, dat de maatregel van tbs niet kende).
De verminderd toerekeningsvatbare Murray zat in Aruba en vervolgens in Curaçao een levenslange gevangenisstraf uit. Verzoeken tot gratie waren tot kort voor zijn dood steeds afgewezen vanwege het blijvende recidiverisico, dat verband hield met het voortduren van zijn psychische toestand en het gebrek aan mogelijkheden om hem in detentie te behandelen. Het EHRM zag “a close link in the present case between the persistence of the risk of the applicant's reoffending on the one hand and the lack of treatment on the other” (par. 122), terwijl het uit de feiten en omstandigheden van de zaak afleidde dat “treatment constituted, in practice, a precondition for the applicant to have the possibility of progressing towards rehabilitation, reducing the risk of his reoffending” (par. 123).
Het EHRM oordeelde dat art. 3 EVRM was geschonden omdat “the lack of any kind of treatment or even of any assessment of treatment needs and possibilities meant that, at the time the applicant lodged his application with the Court, any request by him for a pardon was in practice incapable of leading to the conclusion that he had made such significant progress towards rehabilitation that his continued detention would no longer serve any penological purpose. This finding likewise applies to the first, and in fact only, periodic review that was carried out of the applicant's life sentence. This leads the Court to the conclusion that the applicant's life sentence was not de facto reducible as required by Article 3.” (par. 125).
D. Drayer, ‘Vrijgelaten psychopaat toont kwetsbaarheid Justitie Curacao’, 1 juni 2016 (deel 1), www.caribischnetwerk.ntr.nl. Zie ook ‘Klinika Capriles terug bij af’, Antiliaans Dagblad, 6 juni 2017.
Raad voor de Rechtshandhaving, Behandeling van personen met verslavingsproblematiek en psychische stoornis in de strafrechtsketen. Inspectie onderzoek van de Raad voor rechtshandhaving naar de organisatie van Brasami, Willemstad: 2016; L. Schenk, ‘TBS-maatregel louter wet op papier’, www.caribischnetwerk.ntr.nl, 10 maart 2014.
Zie ook L. Leidel-Schenk, ‘Geen plek voor de tbs-patiënt op de eilanden: waar ligt de verantwoordelijkheid van Nederland?’, www.caribischnetwerk.ntr.nl, 24 maart 2019.
Art. 36 van het Statuut bepaalt dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten elkander hulp en bijstand verlenen en art. 40 biedt de opening om onder meer vonnissen, door de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten gewezen, ten uitvoer te leggen waar ook in het Koninkrijk (met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt).
Vgl. EHRM 29 september 2005, nr. 24919/03 (Mathew tegen Nederland): “The court accepts that accommodation suitable for prisoners of the applicant’s unfortunate disposition did not exist on Aruba at the relevant time (…). However, it is not Aruba but the Kingdom of the Netherlands which is the Party responsible under the Convention for ensuring compliance with its standards. Judicial orders given in one of the three counties of the Kingdom – the Realm of Europe, the Netherlands Antilles and Aruba – can be executed throughout the Kingdom (…)” (par. 204).
Mogelijk ziet de raadsman hiervoor ook een praktisch aanknopingspunt, aangezien door hem er op is gewezen dat de verdachte een dochter in Nederland heeft.
In de toelichting op het middel wordt verwezen naar EHRM 6 januari 2005 (Nakach tegen Nederland) – ik, A-G, begrijp EHRM 30 juni 2005, nr. 5379/02 –, EHRM 7 januari 2016, nr. 23279/14 (Bergmann tegen Duitsland, welke zaak betrekking heeft op een preventieve detentie) en, wat betreft de passantenproblematiek destijds in Nederland, EHRM 11 mei 2004, nr. 49902/99 (Brand tegen Nederland).
Zie hierover uitgebreider de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafvordering in: H. de Doelder e.a., Caribisch Wetboek van Strafvordering. Tweede, aangevuld concept. Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2021, p. 358-359. Zie over civielrechtelijke consequenties die mogelijk kunnen worden verbonden aan de afwezigheid van een passende behandelmogelijkheid voor psychisch gestoorde delinquenten in Curaçao: S. Bakker, ‘Tbs en Curaçao. Zon, zee en zorgplichten’, NJB 2020/643.
Indien daarvoor een aanleiding is, kan ook na een verlengingsbeslissing de gang naar het Europees Hof worden ingezet; zie bijv. EHRM 31 juli 2012, nr. 21203/10 (Van der Velden tegen Nederland).
EHRM 11 mei 2004, nr. 49902/99 (Brand tegen Nederland) par. 53. Vgl. ook EHRM 11 mei 2004, nr. 48865/99 (Morsink tegen Nederland). Zie voor een meer recente Straatsburgse uitspraak EHRM 7 januari 2016, nr. 23279/14, par. 99 en 118 (Bergmann tegen Duitsland).
Zie voor een uitvoerige bespreking van deze passantenproblematiek in het licht van de toenmalige wetgeving, de rechtspraak van de Hoge Raad en de daaropvolgende uitspraken van het Europees Hof (onder meer in het Brand-arrest): mijn bijdrage in Tekst & Commentaar Strafrecht, zevende druk, 2008, art. 37c, aant. 5.
Vgl. voorts de brief van minister Weerwind aan de Tweede Kamer, 33 628 nr. 92.
Dat is de eerste termijn waarvoor de opgelegde tbs (zowel in Nederland, als in Curaçao) geldt. Zie wat betreft het Curaçaose Wetboek van Strafrecht art. 1:91, eerste lid (hierboven aangehaald).
EHRM 11 mei 2004, nr. 49902/99, par. 62-66 (Brand tegen Nederland).
Dit uitgangspunt is meermalen in de rechtspraak van het EHRM herhaald, zo ook in het arrest van de Grote Kamer, EHRM 31 januari 2019, nr. 18052/11 (Rooman tegen België), par. 190. De Grote Kamer van het EHRM overweegt in par. 141 van zijn arrest van 4 december 2018, nr. 10211/12 en nr. 27505/14 (Ilnseher tegen Duitsland): “The approach taken by the Court thus implies that the detention of a person of unsound mind on the basis of the same detention order may become lawful and thus comply with Article 5 § 1 once that person is transferred to a suitable institution. Under the above-mentioned interpretation of the term “lawfulness”, there is indeed an intrinsic link between the lawfulness of a deprivation of liberty and its conditions of execution. This stance is further comparable to the approach taken in the assessment of the compliance of conditions of detention with Article 3, where a change in the conditions of detention is also determinative for assessing compliance with the prohibition on degrading treatment (see, in particular, Muršić v. Croatia [GC], no. 7334/13, §§ 136 et seq., ECHR 2016). It follows that the relevant point in time, or period, for assessing whether a person was detained in a suitable institution for mental health patients is the period of detention at issue in the proceedings before this Court, and not the time when the detention order was made.”
Zie F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 207 (par. 5.3.4.3) en de NJ-noot van Paul Mevis onder EHRM 11 mei 2004, ECLI:NL:XX:2004:AS5239, NJ 2005/57.
Deze analyse lijkt mij juist. Het is hier echter niet de plaats daarop uitvoerig in te gaan. Zie over de grondslagen en doelstellingen van de TBR/TBS nader mijn proefschrift TBR en TBS, Arnhem: Gouda Quint 1987, en mijn studiepocket TBS, Deventer: Kluwer 2003, p. 92 e.v.
Bleichrodt en Vegter, a.w., p. 207 (par. 5.3.4.3).
Vgl. EHRM 11 mei 2004, nr. 49902/99 (Brand tegen Nederland), par. 63.
EHRM 31 januari 2019, 18052/11 (Rooman tegen België), par. 201, waarin tevens wordt verwezen naar andere in dit verband relevante rechtspraak van het Europees Hof.
EHRM 24 januari 2022, 11791/20 (Sy tegen Italië). In die zaak was de verdachte in een gewone gevangenis gedetineerd terwijl hij, op grond van een rechterlijke beslissing vanwege de psychische stoornis en de verslaving waaraan hij leed, eigenlijk zou moeten verblijven in een instelling voor de tenuitvoerlegging van een veiligheidsmaatregel (“une résidence pour l’exécution des mesures de sûreté”; in het Italiaans “residenza per l’esecuzione delle misure di sicurezza” (de REMS)). Plaats in zo een instelling was er echter niet voor hem.
Een vergelijkbare opdracht is te herkennen in uitspraken van het EHRM in zaken waarin het gaat om personen met een verslavingsproblematiek: zie bijv. EHRM (Grote Kamer) 19 februari 2009, nr. 3455/05 (A. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk), par. 164: “To avoid being branded as arbitrary, detention under Article 5 § 1 (f) must be carried out in good faith; it must be closely connected to the ground of detention relied on by the Government; the place and conditions of detention should be appropriate; and the length of the detention should not exceed that reasonably required for the purpose pursued”. Vgl. voorts EHRM 18 april 2013, nr. 67474/11 (Azimov tegen Rusland), par. 172: “Detention with a view to expulsion should not be punitive in nature and also should be accompanied by appropriate safeguards”.
A-G: zie mijn voetnoot 13 hierboven.