PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04976 Zitting 2 september 2022 CONCLUSIE E.B. Rank-Berenschot In de zaak Hoch Capital Ltd. eiseres tot cassatieadvocaat: mr. A.C. van Schaick tegen [verweerster] verweerster in cassatieadvocaat: mr. R.P. Streng Dit kort geding ziet op een bevel tot een Europees bankbeslag als bedoeld in de EAPO-Verordening. De Nederlandse voorzieningenrechter heeft op verzoek van verweerster in cassatie (hierna: [verweerster] ) een bevel gegeven om conservatoir beslag te leggen op een bankrekening van eiseres tot cassatie (hierna: Hoch Capital) in Duitsland. In de onderhavige procedure vordert Hoch Capital intrekking van dit bevel (art. 33 EAPO-Verordening). Evenals de rechtbank heeft het hof deze vordering afgewezen. In cassatie richt Hoch Capital zich tegen het oordeel van het hof dat het, bij de beoordeling van de vraag of het bevel moet worden ingetrokken, ex nunc zal toetsen. Ook worden klachten gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de op grond van de EAPO-Verordening door de schuldeiser te stellen zekerheid. Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (
(18)(..) Afhankelijk van het nationale recht kan de zekerheid worden gesteld in de vorm van een borgsom of een andere waarborg, zoals een bankgarantie of een hypotheek. Het gerecht moet de vrijheid hebben om het bedrag van de zekerheid te bepalen dat toereikend is om misbruik van het bevel te voorkomen en vergoeding van de schuldenaar te garanderen en het gerecht moet, indien het bedrag van de mogelijke schade niet duidelijk vaststaat, het bedrag waarvoor het bevel tot conservatoir beslag zal worden uitgevaardigd, kunnen gebruiken als richtsnoer voor het bepalen van het bedrag van de zekerheid. In gevallen waarin de schuldeiser nog geen rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen die de schuldenaar ertoe verplicht de vordering van de schuldeiser te voldoen, moet het stellen van een zekerheid de regel zijn, waarbij het gerecht slechts bij uitzondering, indien het zekerheidstelling in het licht van de omstandigheden ongepast, overbodig of onevenredig acht, mag afwijken van deze regel of een lager bedrag mag eisen. Zulke omstandigheden kunnen bijvoorbeeld zijn dat de schuldeiser bijzonder overtuigend bewijs levert maar te weinig middelen heeft om een zekerheid te stellen, dat de vordering betrekking heeft op onderhoudsgeld of op uitbetaling van loon, of dat de vordering van een zodanige omvang – bijvoorbeeld een geringe bedrijfsschuld – is dat de schuldenaar waarschijnlijk geen schade ondervindt van het bevel. (…)” 3.49 Het is aan de aangezochte rechter om de hoogte van de zekerheid te bepalen. Dit bedrag moet voldoende hoog zijn om misbruik te voorkomen en vergoeding van mogelijke schade van de schuldenaar te garanderen. Indien de rechter het gelasten van zekerheidstelling ongepast, overbodig of onevenredig acht, kan de rechter ook een zekerheid gelasten tot een lager bedrag, in plaats van in het geheel geen zekerheid te verlangen. 3.50 Met betrekking tot de vorm van de zekerheid geeft de EAPO-Verordening geen eigen regeling, maar verwijst zij naar het nationale recht van de lidstaten. In Nederland bepaalt art. 6:51 BW dat zekerheid kan worden gesteld in de vorm van persoonlijke zekerheid (bijvoorbeeld een bankgarantie, depot, borgtocht of hoofdelijkheid) of zakelijke zekerheid (bijvoorbeeld een pand- of hypotheekrecht). In de Beslagsyllabus is opgenomen dat de zekerheid in de zin van art. 12 EAPO-Vo, indien deze verlangd wordt, in beginsel moet worden gesteld door middel van een Nederlandse abstracte bankgarantie. Wanneer dat niet mogelijk is, dient op andere wijze zekerheid te worden gesteld in een aanvaardbare vorm. 3.51 Art. 33 lid 2 EAPO-Vo bepaalt dat de in art. 12 bedoelde beslissing betreffende de zekerheidstelling, op verzoek van de schuldenaar, wordt herzien door het bevoegde gerecht van de lidstaat van herkomst, indien niet aan de voorwaarden en vereisten in dat artikel is voldaan. Als het gerecht vervolgens beslist dat de schuldeiser een (aanvullende) zekerheid moet stellen, is art. 12 lid 3 EAPO-Vo van toepassing en verklaart het gerecht dat het bevel tot conservatoir beslag zal worden ingetrokken of gewijzigd indien de gevraagde (aanvullende) zekerheid niet binnen de door het gerecht gestelde termijn wordt gesteld. 3.52 Er zijn in Nederland maar weinig uitspraken van feitenrechters gepubliceerd waarin de door de schuldeiser in het kader van een Europees bankbeslag te stellen zekerheid aan de orde komt. In een uitspraak van 27 november 2018 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek om een Europees bevel afgewezen, omdat verzoekster de door de voorzieningenrechter bepaalde zekerheid ter hoogte van 30% van de hoofdvordering niet had gesteld. Uit de uitspraak blijkt niet in welke vorm de zekerheid diende te worden gesteld. De rechtbank Noord-Holland heeft in twee beschikkingen van 15 januari 2020 de door de schuldeisers te stellen zekerheid op nihil bepaald, omdat zij bijzonder overtuigend bewijs van hun vorderingen leverden, maar te weinig middelen hadden om zekerheid te stellen. Voorts schrijven Van der Plas en Beunk dat de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van door hen gestelde vragen hebben laten weten zekerheidstellingen te vragen ter hoogte van 10% tot 30% van de hoofdvordering, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, en dat in een enkel geval van de verzoeker een zekerheidstelling ter hoogte van de volledige hoofdvordering is verlangd. 3.53 In de zaak waar het hier om gaat heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland naar aanleiding van het verzoek van [verweerster] om een Europees bevel (kennelijk) aan de advocaat van [verweerster] medegedeeld dat [verweerster] eerst zekerheid diende te stellen tot een bedrag van 10% van haar vordering. [verweerster] heeft deze zekerheid gesteld in de vorm van een door de eenmanszaak van de echtgenoot van [verweerster] afgegeven garantie. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het bevel tot Europees bankbeslag afgegeven. 3.54 Hoch Capital heeft in de onderhavige procedure tot intrekking van het Europees bevel in eerste aanleg gesteld dat de door [verweerster] gestelde zekerheid niet voldoet aan de minimale verplichtingen, omdat een garantiestelling die wordt afgegeven door een kleine eenmanszaak (een caravanopslag) niet kan worden aangemerkt als een solide zekerheid zoals de Europese wetgever die voor ogen heeft gehad. 3.55 De voorzieningenrechter heeft hierover in het vonnis van 24 juni 2020 als volgt geoordeeld: “5.14. Op grond van artikel 12 EAPO-Vo is uitgangspunt dat de beslagrechter verlangt dat de schuldeiser zekerheid stelt ten belope van een bedrag dat volstaat om misbruik te voorkomen van de procedure waarin deze verordening voorziet en eventuele door de schuldenaar als gevolg van het bevel geleden schade te vergoeden. Dat heeft de voorzieningenrechter in het onderhavige geval ook gedaan en bepaald dat [verweerster] voor een bedrag van 10% van de vordering zekerheid stelt. [verweerster] heeft bij het vragen van het bevel aangegeven daartoe bereid te zijn in de vorm van een garantstelling door de hiervoor bedoelde eenmanszaak. Daarbij heeft [verweerster] ook aangevoerd dat banken geen bankgarantie afgeven voor een zaak als deze, waarbij een particulier procedeert. Door geen nadere voorwaarden aan de zekerheidstelling te verbinden heeft de voorzieningenrechter kennelijk deze vorm aanvaardbaar geacht op de voet van lid 3 van artikel 12 EAPO-Vo. Anders dan Hoch Capital kennelijk meent, heeft de voorzieningenrechter een discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van de zekerheid: hij kan hij op basis van zijn nationale recht bepalen welke vorm van zekerheid aanvaardbaar is (art. 12 lid 3 EAPO-Vo). Verder geldt dat de voorzieningenrechter de mogelijkheid heeft om in het geheel geen zekerheid te stellen, zoals in het geval waarin de schuldeiser bijzonder overtuigend bewijs levert maar te weinig middelen heeft om zekerheid te stellen (considerans 18 EAPO-Vo). Daaruit volgt dat hij ook – in een geval als deze waarin [verweerster] overtuigend bewijs heeft geleverd (zie 5.12) maar weinig mogelijkheden tot zekerheidstelling heeft – de mogelijkheid heeft om zekerheid te laten stellen in een lichtere vorm dan een borgsom, waarborg, bankgarantie of hypotheek.” 3.56 In hoger beroep heeft Hoch Capital zich met grief 6 tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat de voorzieningenrechter slechts een discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot de hoogte van de verlangde zekerheid, maar dat hij bij het beoordelen van de vorm waarin de zekerheid wordt verstrekt is gebonden aan de richtlijnen die in de EAPO-Verordening worden gegeven, waarin een solide zekerheid tot uitgangspunt is genomen. 3.57 Het hof heeft in rov. 4.22 overwogen dat de EAPO-Verordening streeft naar een juist evenwicht tussen de belangen van de schuldenaar en schuldeiser en voorziet in specifieke waarborgen tegen misbruik van het bevel tot conservatoir beslag en ter bescherming van de rechten van de schuldenaar. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.23 vooropgesteld dat, als de schuldeiser nog geen titel heeft verkregen, het stellen van zekerheid ten belope van het bedrag dat volstaat om misbruik te voorkomen de regel is, en dat op die regel slechts een uitzondering kan worden gemaakt als de rechter deze zekerheidstelling in het licht van de omstandigheden niet passend (ongepast, overbodig of onevenredig) acht. Aan de schuldeiser wordt meegedeeld voor welk bedrag hij zekerheid moet stellen en in welke vorm (art. 12 lid 3 EAPO-Vo). 3.58 In rov. 4.24 overweegt het hof dat de rechter in dit verband een grote mate van vrijheid heeft, en dat het erop aankomt wat in het licht van de door de rechter te waarderen omstandigheden passend is. Die vrijheid is volgens het hof niet beperkt tot het bepalen van de hoogte van de zekerheid, maar geldt ook bij het bepalen van de vorm waarin zekerheid moet worden gesteld. Daarbij is de rechter niet beperkt tot de in overweging 18 van de considerans genoemde vormen van zekerheid, aldus het hof. 3.59 Vervolgens oordeelt het hof in rov. 4.25 dat de door de voorzieningenrechter vastgestelde zekerheid door middel van een garantiestelling door de eenmanszaak, een caravanopslag, voor 10% van het bedrag waarvoor beslag is gelegd, een aanvaardbare vorm van zekerheid is. Daaraan heeft het hof de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd: - deze zekerheid is vastgesteld tegen de achtergrond (
- i)dat de voorzieningenrechter het voldoende waarschijnlijk acht dat de vordering van [verweerster] wordt toegewezen op grond van agressieve handelspraktijken en (
- ii)dat [verweerster] aanvoert dat banken geen bankgarantie afgeven voor een zaak als deze, waarin een particulier procedeert; - dat laatste is door Hoch Capital niet (voldoende gemotiveerd) weersproken; - door Hoch Capital is verder onvoldoende concreet gesteld dat en waarom deze zekerheid onder deze omstandigheden niet aanvaardbaar is tegen de achtergrond van het door de EAPO-Verordening nagestreefde evenwicht; - weliswaar trekt zij de kapitaalkracht van de onderneming in twijfel, maar zij onderbouwt dit niet nader; - het nagestreefde evenwicht wordt niet alleen bereikt door zekerheidstelling, maar ook door de aansprakelijkheid van de schuldeiser voor eventuele schade die door het bevel tot conservatoir beslag aan de schuldenaar wordt berokkend; dat brengt mee dat een schuldeiser niet lichtvaardig zal proberen een bevel tot conservatoir beslag te verkrijgen. 3.60 Uit het voorgaande volgt dat het hof niet heeft miskend dat zekerheidstelling de hoofdregel is. Het heeft die hoofdregel met zoveel woorden vooropgesteld (rov. 4.23). De overweging van het hof in rov. 4.24, dat de rechter “in dit verband” een grote mate van vrijheid heeft, ten aanzien van zowel de hoogte als de vorm van de zekerheid, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De vorm waarin zekerheid dient te worden gesteld is door de EAPO-Verordening immers uitdrukkelijk overgelaten aan het nationale recht. Het hof heeft terecht overwogen dat in de considerans, onder 18, slechts voorbeelden worden genoemd (“zoals”). Evenmin heeft het hof in dit verband de verdeling van de stelplicht miskend. Het heeft tot uitdrukking gebracht dat de door de voorzieningenrechter vastgestelde zekerheid in beginsel wordt gerechtvaardigd door (
- i)het overtuigend bewijs van de toewijsbaarheid van de vordering en (
- ii)de – niet (voldoende) weersproken – stelling van [verweerster] dat zij geen bankgarantie kan krijgen. Het heeft vervolgens van Hoch Capital kunnen verlangen dat zij daartegenover (“onder deze omstandigheden”) concreet zou stellen dat en waarom deze zekerheid niet aanvaardbaar zou zijn. De eerste klacht van onderdeel 2 faalt dan ook. 3.61 Uit het voorgaande volgt verder dat de discussie in feitelijke instanties was toegespitst op de vraag of de vorm van de door [verweerster] gestelde zekerheid (een garantiestelling door de eenmanszaak van de echtgenoot van [verweerster] ) aanvaardbaar was. Tegen de hoogte van de zekerheidstelling (10% van de beslagvordering) is Hoch Capital in feitelijke instanties niet opgekomen. Uit rov. 4.21 van het bestreden arrest volgt dat het hof het standpunt van Hoch Capital ook zo heeft begrepen. Dit betekent dat de tweede klacht uit onderdeel 2 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Die klacht heeft immers betrekking op de hoogte van de zekerheidstelling, en niet op de vorm. 3.62 Ook de derde klacht uit het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De in het kader van deze klacht in de toelichting bij het onderdeel (p.i., nr. 12) aangevoerde stellingen zijn in feitelijke instanties namelijk niet (duidelijk) door Hoch Capital aangevoerd. De rechter is immers niet gehouden om zelf uit de bij de processtukken gevoegde producties bepaalde conclusies te trekken. Het hof hoefde dan ook niet op deze stellingen in te gaan. Voor zover in de s.t. (nr. 7) nog is aangevoerd dat het hof ambtshalve had moeten vaststellen dat [verweerster] haar stelling dat zij geen bankgarantie kan krijgen, onvoldoende heeft gemotiveerd en dat deze stelling onaannemelijk is, is deze klacht te laat aangevoerd. Bovendien heeft Hoch Capital niet onderbouwd op grond waarvan het hof dit ambtshalve had moeten vaststellen, zodat de klacht in zoverre ook niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. 3.63 De vierde en laatste klacht slaagt evenmin. Als gezegd is de vorm van de te stellen zekerheid uitdrukkelijk overgelaten aan het nationale recht. Het onderdeel klaagt niet dat een persoonlijke garantie van een derde geen aanvaardbare zekerheid kan zijn volgens het Nederlandse nationale recht. Bovendien acht ik het oordeel van het hof dat deze vorm van zekerheid, gelet op het overtuigend bewijs van de toewijsbaarheid van de vordering, in dit geval aanvaardbaar is, niet onbegrijpelijk. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Ontleend aan rov. 2.1 en 4.1-4.3 van het bestreden arrest in kort geding van het hof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9639, RF 2022/4 m. wenk R. van de Meerakker (hierna: het bestreden arrest), in samenhang met rov. 2.1-2.4 van het vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2301. Zie het formulier ‘Verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen’ met bijlagen d.d. 10 december 2019 (CvA/CvE rec., annex 4, prod. 46). Zie het formulier ‘Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen’, delen A en B (prod. 1 bij inl. dagv.). Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, PbEU 2014 L 189/59. Inmiddels is een eindvonnis gewezen in de bodemprocedure. Zie Rb. Midden-Nederland 24 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5725, NTHR 2022, afl. 2, p. 57, RCR 2022/49 m. wenk R.H.G. van Schaik. Voorafgaand aan deze dagvaarding heeft Hoch Capital het Europees formulier ‘Instellen van een rechtsmiddel’ (gedateerd op 1 april 2020) met bijlagen bij de rechtbank ingediend (prod. 2 bij inl. dagv.). Op 3 april 2020 heeft de rechtbank de advocaat van Hoch Capital bericht dat een dergelijke procedure geen verzoekschriftprocedure, maar een dagvaardingsprocedure is, en Hoch Capital op de voet van art. 69 Rv in de gelegenheid gesteld [verweerster] in kort geding te dagvaarden. Bestreden arrest, rov. 3.1. Hoch Capital heeft tevens (in cassatie niet meer relevante) subsidiaire vorderingen ingesteld, met de strekking dat het teveel waarop beslag is gelegd wordt vrijgegeven. Zie de e-mail van 3 april 2020 van de rechtbank aan de advocaat van Hoch Capital. Bestreden arrest, rov. 3.2. Rb. Midden-Nederland 24 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2301. Bestreden arrest, rov. 3.3. De subsidiaire vorderingen van Hoch Capital zijn in hoger beroep niet meer aan de orde, omdat de teveel beslagen gelden door Wirecard op 5 augustus 2020 zijn vrijgegeven. Zie rov. 4.4 van het bestreden arrest. Bestreden arrest, rov. 4.4. Bevolen bij tussenarrest van 23 februari 2021. Volgens rov. 1.2 van het bestreden arrest is van de mondelinge behandeling proces-verbaal opgemaakt. Dit bevindt zich echter niet in de procesdossiers. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9639, RF 2022/4 m. wenk R. van de Meerakker. HvJEU 7 november 2019, C-555/18, ECLI:EU:C:2019:937, punt 40 en de conclusie van de advocaat-generaal, EU:C:2019:652. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (“Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”). Considerans onder 14. Considerans onder 17. Considerans onder 18. Considerans onder 19. Considerans onder 18. Considerans onder 18. Op grond van art. 402 lid 2 jo. 339 lid 2 Rv bedraagt de cassatietermijn in kort geding zaken acht weken. Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, PbEU 2014 189/59. De afkorting EAPO is afgeleid van de Engelse term European Account Preservation Order. Met uitzondering van Denemarken. Art. 1 lid 1 EAPO-Vo en overwegingen 5 en 47 van de considerans bij de EAPO-Vo. Zie ook M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 4. Art. 1 lid 2 EAPO-Vo en overweging 6 van de considerans bij de EAPO-Vo. Zie ook M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 4; B.A. de Ruijter, ‘Internationaal conservatoir beslag: een interessante maar onbeminde optie’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/54.6. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1823 van de Commissie van 10 oktober 2016 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, PbEU 2016 L 283/1. Uitvoeringswet verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen, Stb. 2016, 440, i.w. 18 januari 2017. B.A. de Ruijter, ‘Internationaal conservatoir beslag: een interessante maar onbeminde optie’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/54.6. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 5. Art. 2 lid 1 EAPO-Vo. Er kan geen bevel tot een Europees bankbeslag worden verkregen in fiscale zaken, douanezaken, bestuursrechtelijke zaken, of zaken betreffende aansprakelijkheid van de Staat wegens uitoefening van openbaar gezag (art. 2 lid 1 EAPO-Vo), en voor vorderingen uit hoofde van huwelijksvermogensrecht, erfrecht, faillissement, arbitrage of sociale zekerheid (art. 2 lid 2 EAPO-Vo). Art. 3 lid 1 EAPO-Vo. Art. 5 EAPO-Vo. Art. 6 EAPO-Vo. Art. 3 lid 1 Uitvoeringswet. Zie ook B.A. de Ruijter, ‘Internationaal conservatoir beslag: een interessante maar onbeminde optie’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/54.6. Overweging 14 van de considerans bij de EAPO-Vo. Zie o.a. HvJEU 7 november 2019, ECLI:EU:C:2019:937, NJ 2021/372, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 40. O.a. B.A. de Ruijter, ‘Internationaal conservatoir beslag: een interessante maar onbeminde optie’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/54.6; C.G. van der Plas en D. Beunk, ‘Het Europees bankbeslag in de Nederlandse praktijk’, FIP 2018/312, p. 35; C.A. Oudshoorn, Grensoverschrijdend bankbeslag op geldvorderingen, 2018/7.5.2.2.; K.J. Krzeminski, Beslag- en executierecht geschetst, 2022, par. 6.6.2. Zie ook Beslagsyllabus, versie augustus 2022, p. 53, waar is opgenomen dat het criterium uit art. 7 lid 2 EAPO-Vo een verstrekkender overtuiging impliceert van de voorzieningenrechter dan bij het criterium van de “summierlijk deugdelijkheid” zoals die wordt gehanteerd bij het reguliere Nederlandse conservatoire beslag. Zie voorts hof ’s-Hertogenbosch 29 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3764, rov. 3.18.1, waar het hof uit de (aldaar geciteerde) totstandkomingsgeschiedenis van art. 7 lid 2 EAPO-Vo afleidt dat deze strenge eis ook daadwerkelijk is beoogd. Volgens Ten Brink, Gardien en Poutsma gaat het echter ook hier slechts om een summiere toetsing van het vorderingsrecht, aangezien de inhoudelijke beoordeling immers plaatsvindt tijdens de behandeling van de hoofdzaak. Zie Th.P. ten Brink, M.H. Gardien en S.E. Poutsma, ‘Het Nederlandse bankbeslag; hoe kunnen de knelpunten worden opgelost?’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/31.3.4, voetnoot 41. Zie art. 700 lid 2 Rv: “(…) De voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. (…)” Zie ook Beslagsyllabus, versie augustus 2022, p. 17. Beslagsyllabus, versie augustus 2022, p. 11. B.A. de Ruijter, ‘Internationaal conservatoir beslag: een interessante maar onbeminde optie’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/54.6; C.G. van der Plas en D. Beunk, ‘Het Europees bankbeslag in de Nederlandse praktijk’, FIP 2018/312, p. 35; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/210; K.J. Krzeminski, Beslag- en executierecht geschetst, 2022, par. 6.6.5. Art. 8 lid 1 EAPO-Vo. Art. 8 lid 2 sub h EAPO-Vo. Art. 8 lid 3 EAPO-Vo. Art. 17 lid 1 EAPO-Vo. Art. 9 lid 2 EAPO-Vo (‘Bewijsverkrijging’). In dat geval beslist het gerecht uiterlijk op de vijfde werkdag na de zitting (art. 18 lid 3 EAPO-Vo). Zie ook M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 19. Art. 11 EAPO-Vo. Art. 17 lid 2 EAPO-Vo. Art. 18 lid 1 EAPO-Vo. Art. 18 lid 2 EAPO-Vo. Art. 19 lid 1 EAPO-Vo. Wordt het verzoek afgewezen, dan geschiedt dit bij een beslissing van de rechter waarvoor de verordening niet een afzonderlijk standaardformulier bevat. Gezien het feit dat ingevolge art. 12 lid 1 Uitvoeringswet de regels voor verzoekschriftprocedures in aanvulling op de bepalingen van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, zal deze beslissing bij een beschikking door de voorzieningenrechter worden genomen. Zie M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 19. Art. 28 EAPO-Vo. Art. 41 EAPO-Vo. Rechtsbijstand kan in de lidstaten wel worden vereist in de procedures inzake de rechtsmiddelen tegen het uitvaardigen van een bevel tot Europees bankbeslag, dan wel in een procedure tegen de weigering van de uitvaardiging van zo’n bevel, zoals geregeld in hoofdstuk 4 EAPO-Vo (art. 7 Uitvoeringswet). Zie ook M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 18. Art. 22 EAPO-Vo. Art. 23 lid 1 EAPO-Vo. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 31. Art. 24 lid 5 EAPO-Vo. Art. 24 lid 6 EAPO-Vo. Zie ook M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 31. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 23. Overweging 13 van de considerans bij de EAPO-Vo. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 28; Th.P. ten Brink, M.H. Gardien en S.E. Poutsma, ‘Het Nederlandse bankbeslag; hoe kunnen de knelpunten worden opgelost?’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, 2018/31.3.5. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 29. Art. 6 lid 2 Uitvoeringswet. Art. 7 Uitvoeringswet. Art. 37 EAPO-Vo. Kamerstukken II 2015-2016, 34 462, nr. 3 (MvT), p. 16, waar is opgenomen dat, nu hier niets over is geregeld in de verordening, uit het nationale recht volgt dat cassatie mogelijk is, net zoals dit geldt voor de nationale procedure tot het verkrijgen van een beslagverlof. Art. 20 EAPO-Vo. Rb. Midden-Nederland 24 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5725, NTHR 2022, afl. 2, p. 57, RCR 2022/49 m. wenk R.H.G. van Schaik. In dit eindvonnis heeft de rechtbank (o.a.) voor recht verklaard dat dat de tussen partijen gesloten raamovereenkomst en alle daaruit voortvloeiende CFD’s zijn vernietigd en Hoch Capital veroordeeld om het bedrag van € 347.226,59 alsmede een bedrag van € 250.000 aan verbeurde dwangsommen aan [verweerster] te betalen. Zie over de zgn. ‘afstemmingsregel’: Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/24 e.v. B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/198 en de daar genoemde rechtspraak. De toelichting bij het onderdeel (p.i., nr. 7) verwijst naar HvJEU 6 oktober 2021, C-561/19 (Consorzia Italian Management/Rete Ferroviaria Italiana). Het hof doelt kennelijk op MvG, grief 3 en nr. 8 (tegen het ex nunc-oordeel van de Vrz. betreffende de voorwaarde van de dringende behoefte (art. 7 lid 1 EAPO-Vo) en MvG, nr. 14 (tegen het ex nunc-oordeel van de Vrz. betreffende de voorwaarde van waarschijnlijke gegrondheid (art. 7 lid 2 EAPO-Vo). Zie ook bestreden arrest, rov. 4.14 (m.b.t. art. 7 lid 1 EAPO-Vo). Zie de vorige voetnoot. O.a. HvJEU 15 april 2021, C-194/19, ECLI:EU:C:2021:270, JV 2021/93 (H.A./Belgische Staat), punt 25 e.v.. Zie ook R. Schütze, European Union Law, 2021, p. 313 e.v. Vaak een kort geding op grond van art. 705 Rv. De vordering tot opheffing kan echter ook - bijv. in reconventie of bij provisionele eis - aanhangig gemaakt worden in de hoofdzaak (indien die voor de Nederlandse rechter gebracht is). De in art. 705 Rv aan de voorzieningenrechter verleende bevoegdheid tot opheffing van een beslag is niet een uitsluitende, maar een aanvullende bevoegdheid, naast die van art. 254 Rv. Zie A.J. Gieske, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 705 Rv, aant. 2a. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074, NJ 2017/155 m.nt. A.I.M. van Mierlo (Hwang/Nidera), rov. 3.5. Zie ook A.J. Gieske, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 705 Rv, aant. 3; A.I.M. van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 705, aant. 5. Daarin verschilt het onderhavige geval van de situatie die aan de orde was in de uitspraak van het HvJEU van 15 april 2021, C-194/19, ECLI:EU:C:2021:270 (H.A./Belgische Staat). In die zaak stelde de Belgische Raad van State het HvJEU de vraag of art. 27 lid 1 Dublin III-verordening in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter bij het onderzoek van een bij hem ingesteld beroep tot nietigverklaring van een overdrachtsbesluit geen rekening mag houden met omstandigheden die dateren van na de vaststelling van dat besluit. In de prejudiciële beslissing benoemt het hof het beginsel van procedurele autonomie en toetst het aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het hof oordeelt vervolgens dat art. 27 lid 1 Dublin III-verordening, gelezen in het licht van overweging 19 van die verordening, en art. 47 van het Handvest, zo moeten worden uitgelegd dat zij inderdaad in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de rechter bij het onderzoek van een bij hem ingesteld beroep tot nietigverklaring van een overdrachtsbesluit geen rekening mag houden met omstandigheden van na de vaststelling van dat besluit, tenzij die regeling voorziet in een specifiek rechtsmiddel dat een ex nunc-onderzoek van de situatie van de betrokken persoon omvat. In die zaak ging het echter om een nationale procedure die werd gebruikt om EU-rechten te waarborgen, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een aparte EU-procedure. HvJEU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:799, JB 2021/179 m.nt. J. Krommendijk, AB 2022/133 m.nt. R. Grimbergen, BNB 2022/48 m.nt. P.J. Wattel (Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi) (hierna ook: overzichtsarrest van 6 oktober 2021), punt. 28. HvJ EG 6 oktober 1982, ECLI:EU:C:1982:335, NJ 1983/55 (Cilfit), punt 21. Zie het overzichtsarrest van 6 oktober 2021, punt 33. Overzichtsarrest van 6 oktober 2021, punt 51. Overzichtsarrest van 6 oktober 2021, punt. 34. HvJEU 7 november 2019, ECLI:EU:C:2019:937, NJ 2021/372 m.nt. A.I.M. van Mierlo (K.H.K. (Saisie conservatoire des comptes bancaires)). O.a. overzichtsarrest van 6 oktober 2021, punt. 39-40; HvJ EG 6 oktober 1982, ECLI :EU:C:1982:335, NJ 1983/55 (Cilfit), punt 16. Overzichtsarrest van 6 oktober 2021, punt 41-50, en de daar genoemde rechtspraak. Zie hierover ook Wiedemann, in: Rauscher, Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht, 5. 2022, Artikel 33 EU-KPfVO, par. 5, waarin is opgenomen: “Die Formulierung von lit. a im Präsens suggeriert, dass der Zeitpunkt der Entscheidung über den Rechtsbehelf für das Vorliegen der Bedingungen und Voraussetzungen maßgeblich ist. Andere Sprachfassungen und ErwGr. 32 Abs. 1 S. 2 EU-KPfVO zeigen hingegen, dass sich lit. a auf die Sachlage zum Zeitpunkt des Beschlusserlasses bezieht.“ Overwegingen 5 en 47 van de considerans bij de EAPO-Vo. Overweging 14 van de considerans bij de EAPO-Vo. Overweging 17 van de considerans bij de EAPO-Vo. Art. 13 EAPO-Vo en overweging 19 van de considerans. Overweging 30 van de considerans bij de EAPO-Vo. Overweging 30 van de considerans bij de EAPO-Vo. Volgens het middel (p.i., nr. 11) verwijt het hof Hoch Capital tevens dat zij haar schade niet voldoende heeft gemotiveerd, maar een overweging van die strekking valt in rov. 4.25 niet te lezen. Het onderdeel verwijst naar annex 7 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie. Het onderdeel verwijst naar annex 7 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie. Het onderdeel verwijst naar antwoordakte (tweede termijn) in conventie/conclusie van antwoord in reconventie, onder 26-27. M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, aanhef EAPO-Vo, aant. 22; C.G. van der Plas en D. Beunk, ‘Het Europees bankbeslag in de Nederlandse praktijk’, FIP 2018/312, p. 36; Lugani, Münchener Kommentar zur ZPO 6, Auflage 2022, EuKoPfVO Art. 12, IV. Lugani, Münchener Kommentar zur ZPO 6, Auflage 2022, EuKoPfVO Art. 12, V. Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/210. Beslagsyllabus, versie augustus 2022, p. 53. Het oordeel van het gerecht dat niet aan de vereisten uit art. 12 EAPO-Vo is voldaan, leidt dus – in tegenstelling tot hetgeen Hoch Capital in de s.t. (nr. 6) stelt – niet automatisch tot intrekking van het bevel tot beslag. Rb. Rotterdam 27 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9770. Rb. Noord-Holland 15 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1471 en Rb. Noord-Holland 15 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1472. C.G. van der Plas en D. Beunk, ‘Het Europees bankbeslag in de Nederlandse praktijk’, FIP 2018/312, p. 36. Conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, annex 7 (e-mail van 17 december 2019 van mr. Dol aan Actus Notarissen en e-mail van 19 december 2019 van mr. Dol aan ING). Conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, annex 4, productie 47. Prod. 1 bij inl. dagvaarding. Toelichting bij het formulier instellen van een rechtsmiddel, nr. 6.1.1.7. Memorie van grieven, nrs. 27-31. B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie 2019/116.