ECLI:NL:PHR:2022:855
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01701 Zitting 27 september 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 7 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren’ veroordeeld tot 40 uren taakstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden. Het hof heeft voorts 19 honden verbeurd verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. Baar en M.M. Kuyp, beiden advocaat te Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Bewezenverklaring en bewijsvoering 4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: ‘hij op 21 februari 2019 te [plaats] , als houder van dieren, te weten 19 honden, de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden, immers was in de schuur/garage waarin zich honden bevonden:
Op donderdag 21 februari 2019, omstreeks 10:00 uur, was ik, verbalisant, samen met districtsinspecteur [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, twee vrijwillige medewerkers van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en twee collega's van de noodhulp ter plaatse bij het hondenpension [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] [het hof begrijpt: in de gemeente [plaats] ]. Er was eerst een controle op het hondenpension gehouden. Daarna, ben ik, verbalisant samen met [verbalisant 2] na vertoon van een machtiging tot binnentreden van een woning, onderzoek gaan doen in de woning.
Vanuit de hal kon je naar links. Ik vroeg aan [verdachte] de deur open te maken welke toegang gaf tot een aangebouwde garage/schuur. Zodra deze deur open ging rook ik een sterke ammoniaklucht welke mijn ademhaling bemoeilijkte en mijn ogen irriteerde. Er werd in deze ruimte nagenoeg niet geventileerd. Ik zag dat er kennels waren gehuisvest. In de meeste kennels zaten herdershonden. Ik zag dat het in sommige kennels erg donker was. De meeste honden zaten in vervuilde kennels. Ik zag dat sommige honden het zogenaamd kennelsyndroom vertoonden.
Nadat ik dit alles gezien had, vond ik dit samen met [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een onhoudbare situatie voor de honden. Op verzoek van het Openbaar Ministerie heb ik, verbalisant, een dierenarts laten komen. Dit was dierenarts [getuige] van dierenartsenpraktijk [B] , en die heeft geoordeeld dat alle aanwezige herders direct van de locatie dienden te worden verwijderd in verband met alle voorgenoemde problemen. De honden zijn toen door mij, verbalisant, in beslag genomen.
Op donderdag 21 februari 2019, omstreeks 10:00 uur, kwam ik, verbalisant [verbalisant 2] , samen met districtsinspecteur [verbalisant 3] van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en 2 vrijwillige medewerkers van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en dierenpolitieagent [verbalisant 1] vergezeld door twee politiemedewerkers van de noodhulp, ter plaatse bij het hondenpension [A] aan de [a-straat 1] te [plaats] . Hierna zijn dierenpolitieagent [verbalisant 1] , verdachte [verdachte] en ik naar de bijbehorende schuur/garage gegaan. In deze ruimte aangekomen rook ik, verbalisant [verbalisant 2] , direct een enorm sterke ammoniaklucht. Deze lucht bemoeilijkte mijn ademhaling en irriteerde mijn ogen.
Na een tijdje in deze ruimte te hebben moeten staan werd ik misselijk en ben ik een aantal keer naar buiten gelopen om adem te kunnen halen. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat er een aantal ramen aanwezig was in deze ruimtes maar dat deze dicht waren. Aan de achterzijde van de schuur/garage werd er op twee punten een klein beetje geventileerd maar dat was absoluut onvoldoende om de aanwezige herdershonden van schone verse lucht te voorzien. Deze honden moesten dus in deze zware ammoniaklucht leven op de momenten dat zij in deze kennels waren gehuisvest. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat deze garage/schuur was volgebouwd met kennels van diverse formaten en dat er weinig licht in deze ruimtes aanwezig was waardoor de aanwezige honden veelal in een donkere kennel zaten.
Ik zag dat er op de bodem van alle kennels een dikke laag urine/ontlasting van de aanwezige honden lag. Ik zag dat er pas opgestrooid vezel over deze uitwerpselen heen lag waardoor de vervuiling op het eerste zicht niet goed zichtbaar was. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , voelde een vieze natte ondergrond onder de vezel liggen waardoor de dieren in hun eigen ontlasting moesten leven. Ik zag dat alle kennels waarin honden zaten waren vervuild door ontlasting. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de vloer van deze kennels was vervaardigd uit beton met een ongelijke oppervlakte waardoor deze niet eenvoudig te reinigen valt. Er bestond geen toplaag van een coating of iets dergelijks waardoor de urine in het beton kan trekken.
Uitgeschreven bevindingen in de garage/schuur:
Eerste kennel rechts, 200 x 154 cm rechts, vervuiling door natte ondergrond voorzien van ontlasting waarin een zwarte herder was gehuisvest.
Tweede kennel rechts, 200 x 154 cm, vervuiling ondergrond door ontlasting waarin een bruine herder was gehuisvest. Deze kennel was veel te donker waardoor deze hond geen beschikking had over een dag- en nachtritme.
Derde kennel, 200 x 154 cm, waarin een Vario bench stond. In deze kennel stond een Vario bench. De ondergrond waar de zwarte herder op moest leven was vervuild met ontlasting waardoor deze aanwezige hond geen schone en hygiënische huisvesting had.
Vierde kennel, 200 x 154 cm, waar een herder in was gehuisvest. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat deze kennel was vervuild met ontlasting en dat de vloer net bestrooid was met een dun laagje vlas.
Vijfde kennel, 200 x 156 cm, waarin een herder was gehuisvest. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat deze kennel was vervuild met ontlasting en dat de vloer net bestrooid was met een dun laagje vlas.
Zesde kennel, 210 x 156 cm, waarin een zwarte herder was gehuisvest. Deze kennel was vervuild door ontlasting met een dun laagje vlas wat nog niet al te lang daarvoor was opgestrooid. De herder moest hierdoor in de vervuiling leven.
Zevende kennel. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat hierin een zwarte herder was gehuisvest die in de vervuiling moest leven van ontlasting en urine. De ondergrond was erg nat door deze vervuiling.
Achtste kennel, 200 x 250 cm, waarin een herder was gehuisvest. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat er weinig daglicht in deze ruimte kwam waardoor deze hond in een redelijk donkere ruimte moest leven en dat deze kennel tevens vervuild was door ontlasting- en urineresten.
Hierna zijn we een tweede ruimte binnen deze garage/schuur binnen gegaan waarin de volgende kennels waren gerealiseerd:
Eerste kennel, 194 x 185 cm. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat hierin een zwarte herder was gehuisvest die geen beschikking over een schone en hygiënische huisvesting had doordat de bodem was voorzien van een laag ontlasting en urine. Hierop lag een dun laagje vers opgestrooid vlas.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat er een klein raampje van ongeveer 100 x 100 cm zat waardoor weinig licht naar binnen kwam en dat er één TL-verlichting hing waardoor deze hele ruimte erg donker was waardoor de aanwezige honden onvoldoende beschikking over een dag- en nachtritme hadden. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , rook in deze ruimte ook een ernstige ammoniaklucht.
Tweede kennel, 200 x 185 cm. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat deze kennel ook ernstig was vervuild doordat er een laag ontlasting/urine op de grond lag waarop de hond moest leven en dat dit onlangs was opgestrooid met een dun laagje vlas.
Derde kennel, ongeveer 175 x 185 cm, waarin een zwart/bruine herder was gehuisvest. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de vloer was voorzien van een laag ontlasting/urine met een dun laagje vlas erop. Deze hond moest leven in deze vervuiling en had geen beschikking over drinkwater.
Ik ben werkzaam als dierenarts. U heeft mij gevraagd om op donderdag 21 februari 2019 te komen naar dierenpension [A] en de daarbij behorende woning, gevestigd [a-straat 1] te [plaats] . U vertelde mij dat u daar met de Landelijke Inspectie Dienst een controle aan het doen was en dat de komst van een dierenarts gewenst was om de leefomstandigheden van de daar aanwezige honden te bekijken en te beoordelen.
Via de voordeur van de woning ging ik naar binnen. Ik rook gelijk een ammoniaklucht en ik zag een vervuilde gang. Daarna gingen we vanuit de woning een soort schuur binnen. Ik rook toen een nog zwaardere ammoniaklucht. Ik zag een tamelijk donkere ruimte met daarin veel kennels met honden erin. Ik zag dat toen ik langs de kennels liep, er geen goede bedding in de kennels lag, slechts een beetje stro. Hoe verder ik in de schuur kwam, hoe zwaarder en penetranter de geur werd. Een zware ammoniaklucht. Ook werd het steeds donkerder. De honden maakten op mij een nerveuze indruk en ik zag veel honden met verstoord gedrag.
Ik woon in [plaats] op de [a-straat 1] . Ik woon daar alleen. Ik heb honden. Er zaten 6 honden in het pension tijdens uw komst. Er liepen er drie buiten. Er zijn door jullie 25 honden in beslag genomen. Ik heb dus 34 honden in totaal. Naast mijn woning is een soort schuur waar ik kennels heb gebouwd.
Ik ben wat makkelijker voor mijn eigen honden. Ik maak natuurlijk wel de kennels van mijn eigen honden schoon maar dat zal minder vaak gebeuren.
Er waren een aantal TL-lampen kapot waardoor niet iedere hond de beschikking had over voldoende verlichting.
Het kan best zijn dat de urine in de betonvloer is getrokken en dat daardoor een ammoniaklucht in deze ruimte hangt.
Dat de ondergrond nat en vol met urine zat was omdat ik niet voldoende had schoon gemaakt. Ik ben het met u eens dat het schoner moet en dat ik dat ook kan.
Het klopt dat er negentien kennels waren in mijn schuur en dat daar plaats was voor zoveel honden. Tijdens de controle zaten er zestien honden in de kennels in de schuur en liepen er drie honden buiten.’ 6. Het hof heeft voorts het volgende overwogen: ‘De beslissing dat het bewezenverklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft overeenkomstig een ter terechtzitting overgelegde pleitnota verschillende bewijsverweren, strekkende tot vrijspraak, gevoerd. Voor zover daarover hierna niet nader wordt overwogen, vinden die verweren reeds hun weerlegging in de bewijsmiddelen. Het hof overweegt in dat verband dat het geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zoals door hen respectievelijk op ambtsbelofte en ambtseed vastgelegd in processen-verbaal. Zij vinden over en weer op belangrijke details steun in elkaar en in de getuigenverklaring van dierenarts [getuige] . Bovendien worden zij gedeeltelijk ook bevestigd door de verdachte. Het hof wijst er nog op dat, hoewel het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] niet is ondertekend, uit een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2021 van deze verbalisant volgt dat het geheel naar waarheid door hem op ambtseed is opgemaakt.
Met de verdediging en de advocaat-generaal acht het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de honden geen droge en zindelijke ligplek hadden, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Weliswaar waren de kennels vervuild, maar niet is komen vast te staan dat die vervuiling zodanig was dat er in de kennels in het geheel geen droge/zindelijke ligplek was.
Datzelfde geldt voor de tenlastegelegde omstandigheden dat er geen (het hof begrijpt: onvoldoende) water aanwezig was en dat het wel aanwezige water vervuild was. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat zijn honden de bakken met water vaak omgooiden en dat sommige honden daarom geen water hadden tijdens de controle. Ook heeft hij verklaard dat het niet haalbaar is om de honden constant over water te laten beschikken, maar dat hij de honden wel meerdere keren per dag water geeft. Volgens de dierenartsverklaringen in het dossier is bij de onderzochte dieren geen sprake (geweest) van dorst. Dat de honden onvoldoende schoon water te drinken kregen, is het hof dan ook niet gebleken. Het hof zal de verdachte daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Met de verdediging en de advocaat-generaal acht het hof evenmin bewezen dat een of meerdere dieren onvoldoende medische zorg hebben ontvangen. Weliswaar volgen uit dierenartsverklaringen in het dossier aanwijzingen dat een aantal honden medische problemen had waaraan deze honden behandeld moesten worden. De verdediging heeft echter onderbouwd gesteld dat de verdachte zijn honden waar nodig door de dierenarts liet behandelen. Daar komt bij dat uit informatie van de opslaghouder van de onder de verdachte in beslag genomen herders, zoals weergegeven in het proces-verbaal van districtsinspecteur [verbalisant 2] van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d. 26 maart 2019 (…), niet volgt dat het door de dierenarts beschreven medisch ingrijpen bij de honden noodzakelijk is gebleken. Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs vrijspreken.
Naar het oordeel van het hof is op grond van de omstandigheden die het hof wél bewezen acht (kort gezegd: de vervuiling in de kennels, de sterke ammoniaklucht en het gebrek aan ventilatie en verlichting in de schuur), in onderling verband en samenhang bezien, komen vast te staan dat de verdachte de nodige verzorging heeft onthouden aan de negentien honden die op 21 februari 2019 in verdachtes schuur verbleven. Dat drie van deze honden volgens de verdachte ten tijde van de controle buiten liepen, doet daar niet aan af nu ook deze drie honden hun verblijf hadden in de schuur waarvan is vastgesteld dat dit niet aan de eisen voldeed die daaraan mogen worden gesteld. Uit de hiervoor weergegeven omstandigheden leidt het hof af dat geen sprake was van een eenmalige, voor het eerst op het moment van de controle bestaande toestand van de verblijfplaats van de honden. Het hof verwerpt derhalve de gevoerde verweren voor zover zij strekken tot algehele vrijspraak van het tenlastegelegde.’ Pleitnota 7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2021 heeft de raadsman van de verdachte een pleitnota overgelegd. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘Zorgonthouding en aantasting van het welzijn of de gezondheid 15. Het is inderdaad niet zo dat moet blijken van aantasting van de gezondheid of het welzijn van dieren voordat tot een bewezenverklaring van het onthouden van de nodige zorg gekomen kan worden, zoals de politierechter aldus terecht overweegt (p. 5 van 8 vonnis). Dit heeft de verdediging, anders dan de politierechter meent, ook nooit willen betogen.
Vervuiling 25. Waar het gaat om de vervuiling, is van belang dat uit het proces-verbaal blijkt dat in de kennels enige mate van vervuiling aanwezig was. Echter, in eerste aanleg is in dat kader uitgebreid naar voren gebracht dat cliënt de kennels regelmatig schoonmaakte, maar dat hij daar op het moment van controle nog niet aan toe was gekomen. Het feit dat nergens uit blijkt dat de honden zelf vervuild waren, of vervuiling in de vacht hadden of iets dergelijks, alsmede het feit dat vaker controles bij [verdachte] zijn uitgevoerd waarbij de huisvesting schoon was, ondersteunt die verklaring. Belangrijk is om in dat verband dat in die dertien jaar dat cliënt daar zit, enkel de kennel is gecontroleerd, er is nooit aanleiding gezien het woonhuis en de schuur te controleren.
Ammoniak 28. De verdediging miskent niet dat hoge ammoniakconcentraties, met name langdurige blootstelling daaraan, slecht zijn voor de luchtwegen van dieren. Echter, van belang hier is dat de enkele aanwezigheid van een sterke ammoniaklucht tenlastegelegd is als zorgonthouding. Naar het de verdediging voorkomt kan echter niet op basis van het enkel op enig moment vaststellen dat een sterke ammoniaklucht te ruiken is, geoordeeld worden dat van een zorgonthouding sprake is.
Licht en ventilatie 32. Waar het gaat om de aanwezigheid van voldoende licht en voldoende ventilatie, stelt de politierechter -kort gezegd- dat er geen reden is om aan de bevindingen van de LID te twijfelen.
Voorts zou uit de bewijsmiddelen niet blijken waarom het enkel waarnemen van een ammoniaklucht maakt dat aan dieren de nodige zorg zou zijn onthouden. De stellers van het middel wijzen in dat verband op een andere uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, van 14 september 2021. Wat betreft de ventilatie en verlichting zou het hof ongemotiveerd voorbij zijn gegaan aan het standpunt dat de ammoniaklucht in de materialen in de huisvesting zou kunnen zijn getrokken en aan het standpunt dat uit de zich in het dossier bevindende foto's zou blijken dat er ramen en verlichting aanwezig was, dat er regelmatig werd geventileerd en dat het gelet op het moment van controle (in de winter) niet vreemd is dat het 'donkerder' was.
Ook zou uit niets blijken dat de dieren in enige mate gevolgen hebben ondervonden van een gebrek aan ventilatie of verlichting. Uit de bewijsvoering zou aldus niet kunnen worden afgeleid dat sprake was van zorgonthouding.
Art. 2.5 Bhd is van toepassing op (kort gezegd) dieren die voor ‘landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden’ (art. 2.2 Bhd) en ziet derhalve niet op honden. Het vierde lid luidt als volgt: ‘De luchtcirculatie, het stikstofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.’ Het CBb wijst erop dat deze norm niet is ingevuld door (nadere) regelgeving (rov. 8.4.1). Verweerder heeft ter invulling van deze norm aansluiting gezocht bij een rapport waarin omgevingskenmerken (een te hoge CO2-concentratie en een te hoge NH3-waarde) en dierkenmerken (dierbevuiling, staartbijten en rode en/of vuile ogen) belangrijke parameters zijn voor de beoordeling van de kwaliteit van de stallucht. Volgens het rapport kan als richtlijn gelden ‘dat van de dierkenmerken minstens één overschrijding te zien moet zijn om samen met de omgevingskenmerken te komen tot een totaal aantal overschrijdingen van drie of meer voor het slechtste hok’ (rov. 8.4.2). Het CBb overweegt dat verweerder dit rapport als handvat mag gebruiken maar dat het niet kan ‘dienen als vervanging van een wettelijke norm’ (rov. 8.4.3). Het CBb komt vervolgens onder meer tot het oordeel dat de niet-naleving van de norm door appellante op 21 januari 2019 niet deugdelijk is gemotiveerd nu daaraan ‘enkel de overschrijding van de CO2- en NH3-waardes ten grondslag’ is gelegd (rov. 8.7).
Bij enkele kennels was het zo donker dat de hond geen of onvoldoende beschikking had over een dag- en nachtritme (bewijsmiddel 2). Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] houdt in dat het ging om een ‘tamelijk donkere ruimte’ en dat hoe verder [getuige] de schuur inkwam, het ‘steeds donkerder’ werd (bewijsmiddel 3). En het proces-verbaal van verhoor van de verdachte houdt als diens verklaring in dat ‘een aantal TL-lampen kapot (was) waardoor niet iedere hond de beschikking had over voldoende verlichting’ (bewijsmiddel 4). Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat ‘de ruimte niet, althans onvoldoende, (werd) geventileerd’ en dat ‘de ruimte onvoldoende (werd) verlicht, zoals is bewezenverklaard.
Daaraan doet niet af dat de raadsman heeft gewezen op foto’s waaruit anders zou kunnen worden afgeleid; ik neem daarbij in aanmerking dat selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. En daaraan doet evenmin af dat de raadsman heeft aangevoerd dat de ammoniaklucht in de materialen in de huisvesting getrokken kan zijn. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gebrek aan ventilatie niet (alleen) uit de ammoniaklucht is afgeleid. Daarbij moet de ventilatie ook toereikend zijn om de overlast van in de materialen getrokken ammoniak tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
Bespreking van het tweede middel 24. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat er geen aanleiding is om een geldelijke vergoeding toe te kennen in de zin van art. 33c, tweede lid, Sr onbegrijpelijk is en onvoldoende met redenen is omkleed. Het hof zou door de cumulatie van beide straffen uitzonderlijk hoog boven ‘de gegeven ijk- of uitgangspunten’ hebben gestraft. De totale straf zou dan ook in hoge mate 'verbazing' wekken.
De verdachte, destijds 70 jaar oud, had tijdens een controle op 21 februari 2019 de zorg over 34 honden. Naar het oordeel van het hof is uit die controle komen vast te staan dat aan negentien van deze (herders)honden, die een verblijf hadden in verdachtes schuur, de nodige verzorging is onthouden. De verblijven waren vervuild, er hing een sterke ammoniakgeur, er werd onvoldoende geventileerd en er was onvoldoende licht. Eerdere controles richtten zich op verdachtes nabijgelegen pension. Daarbij is hij meermalen op tekortkomingen in de verzorging van de dieren gewezen en is aan hem ook een last onder dwangsom opgelegd. Verdachte was, met andere woorden, doordrongen van de ernst van de situatie en het belang van dierenwelzijn. De verdachte heeft naar aanleiding hiervan weliswaar verbeteringen doorgevoerd in zijn pension, maar op 21 februari 2019 is gebleken dat hij heeft nagelaten de verblijven in de schuur van zijn eigen honden in overeenstemming te brengen met de eisen die daaraan worden gesteld. Volgens verdachtes eigen verklaring is hij wat makkelijker voor zijn eigen honden. Die honden zijn echter wel volledig afhankelijk van verdachtes zorg. De omstandigheden waaronder zij werden aangetroffen, rekent het hof de verdachte aan. Het hof rekent het de verdachte ook aan dat hij ter terechtzitting er geen blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.
Dat neemt niet weg dat het hof er niet aan twijfelt dat de verdachte om zijn honden geeft en dat de inbeslagneming daarvan een grote impact op hem heeft gehad. Het hof kan zich echter niet aan de indruk onttrekken dat de verzorging van zoveel honden tegelijk de verdachte boven het hoofd is gegroeid. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht over zijn huidige financiële situatie. Dat de verdachte zich ervan bewust lijkt te zijn dat het teveel is geworden, vindt bevestiging in het feit dat hij inmiddels met het dierenpension is gestopt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de verblijven van zijn eigen honden – dat zijn er nu nog 14 – in de schuur inmiddels in orde zijn gemaakt. Het hof weegt deze positieve ontwikkelingen ten gunste van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 januari 2021. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Er is evenwel geen sprake van recente specifieke recidive. Ook blijkt uit het uittreksel niet van nieuwe strafbare feiten.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en verdachtes proceshouding, waaruit volgt dat verdachte de hem verweten gedragingen bagatelliseert, acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf geboden. Het hof houdt echter rekening met het feit dat de negentien honden waarop nog beslag rust worden verbeurd verklaard en dat de verdachte in zoverre al door dit arrest wordt getroffen. Bovendien acht het hof een stok achter de deur van belang om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten. Dat risico is aanwezig nu de verdachte ook nu nog de zorg heeft over een groot aantal honden. In combinatie met voornoemde positieve ontwikkelingen ziet het hof aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte gedurende de proeftijd niet meer honden houdt dan thans het geval is, teneinde te bewerkstelligen dat verdachte de honden de nodige verzorging kan bieden. Om toezicht daarop mogelijk te maken, zal het hof voorts bepalen dat de verdachte dient mee te werken aan controles, waarbij het hof aan die controles wel enkele beperkingen stelt om de daarmee samenhangende inbreuk op verdachtes persoonlijke levenssfeer beperkt te houden.
Beslag Uit hetgeen ter terechtzitting door en namens de verdachte naar voren is gebracht, begrijpt het hof dat van de onder de verdachte in totaal 25 in beslag genomen honden er zes aan hem zijn teruggegeven en dat er op dit moment nog beslag rust op in totaal negentien honden. Deze negentien in beslag genomen en nog niet teruggegeven honden, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn naar het oordeel van het hof vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan.
Door de verdediging is onder verwijzing naar artikel 33c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht verzocht om aan de verdachte een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen teneinde te voorkomen dat de verdachte door verbeurdverklaring van de honden onevenredig zou worden getroffen. De verdediging heeft daarbij onder vermelding van het adres van een website gesteld dat de waarde per hond op minimaal € 2.000,-- dient te worden geschat. Op die website is over de economische waarde van herdershonden het volgende te lezen: “(…) De ODH [het hof begrijpt: Oud Duitse herder] is geen erkend ras wat de LSTH [het hof begrijpt: Longstockhaar herder] wel is, nu deze door de rasvereniging is erkend. In principe is de ODH geen ras. Ook betaalt men vaak veel meer voor een ODH (prijzen rond de 1500 euro en voor de apartere, niet erkende kleuren zelfs 2000 euro en meer). ”
De waarde van de honden waarop nog beslag rust is door de verdediging niet nader onderbouwd. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij pups met stamboom voor € 675,-- verkoopt (dossierpagina 62). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat er onduidelijkheid is over de leeftijd van deze honden. Volgens de stukken in het dossier waren slechts drie van de destijds 25 in beslag genomen honden ten tijde van de inbeslagneming jonger dan twee jaar (tussen de 20 en 23 maanden) en zijn deze honden inmiddels ruim vier jaar oud. Het merendeel van de honden was ten tijde van de inbeslagneming ouder dan drie jaar (thans ouder dan vijf jaar). Ter terechtzitting is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat van sommige honden die door de dierenarts in leeftijd onder de tien jaar werden geschat, ver boven de tien waren, sommige zelfs veertien of vijftien jaar, terwijl de gemiddelde levensverwachting van dit soort honden volgens de verdediging ongeveer tien jaar is. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij onder meer de hond Gaby niet heeft teruggekregen. Deze hond is volgens het dossier op 8 januari 2007 geboren en indien zij nog zou leven op dit moment ruim veertien jaar oud.
Gelet op deze omstandigheden is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat niet is gebleken dat de negentien honden waarop het beslag nog rust, en die de puppyleeftijd ver zijn overstegen, een economische waarde vertegenwoordigen die in zijn totaliteit het bedrag van de maximale geldboete op het bewezenverklaarde strafbare feit overstijgen. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de verdachte door verbeurdverklaring van de negentien honden onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen, terwijl het hof die verbeurdverklaring wel geboden acht. Het verzoek van de verdediging wordt afgewezen.
Het hof heeft bij zijn oordeel over het beslag rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. (…) BESLISSING Het hof: (…) Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 19 (negentien) honden.’ 26. De raadsman van de verdachte heeft blijkens de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten): ‘Strafmaat 41. In eerste aanleg is al uitgebreid stilgestaan bij de verbeurdverklaring in relatie tot de strafoplegging. Ook bij appelschriftuur is daaraan aandacht besteed.
Vervolgens wijst het hof erop dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij pups met stamboom voor € 675,- verkoopt. Het hof neemt voorts in aanmerking dat er onduidelijkheid is over de leeftijd van de honden. Volgens de stukken in het dossier waren drie van de destijds 25 inbeslaggenomen honden ten tijde van de inbeslagneming jonger dan twee jaar. Het merendeel van de honden was ten tijde van de inbeslagneming ouder dan drie jaar. De verdachte heeft verklaard dat honden die door de dierenarts in leeftijd onder de tien jaren waren geschat ‘ver boven de tien waren, sommige zelfs veertien of vijftien jaar, terwijl de gemiddelde levensverwachting van dit soort honden volgens de verdediging ongeveer tien jaar is’.
Gelet op deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat niet is gebleken dat de 19 honden waarop het beslag nog rust en die de puppyleeftijd ver zijn overstegen, ‘een economische waarde vertegenwoordigen die in zijn totaliteit het bedrag van de maximale geldboete op het bewezenverklaarde strafbare feit overstijgen’. Ook heeft het hof geoordeeld dat anderszins niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door verbeurdverklaring van de 19 honden onevenredig in zijn vermogen wordt getroffen. Het hof heeft ten slotte overwogen dat het bij zijn oordeel over het beslag rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Afronding 39. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de cassatieschriftuur wordt vermeld dat het ‘de uitdrukkelijke bedoeling van verzoeker tot cassatie (is) om de cassatie te beperken tot de gedachtestreepjes waarvoor bewezenverklaring is gevolgd’. Nu het cassatieberoep alleen in de akte van cassatie kan worden beperkt en niet in de schriftuur (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3455) ga ik daaraan voorbij. Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, tiende druk Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 84.
CBb 28 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:379.
CBb 14 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:888.
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1, 3.8.2 en 3.8.4. Zie ook HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, NJ 2020/129, rov. 2.3.
In CBb 28 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:379 was sprake van pups in een kinderbox die volgens verbalisanten ‘zeer ernstig was vervuild met urine en ontlasting’. Verweerder had de stelling van appellante ‘dat zij elke dag de kinderbox schoonmaakt, en daar die dag nog niet aan was toegekomen’ onvoldoende weerlegd. Uit het toezichtrapport volgde niet hoelang de aangetroffen situatie al voortduurde Zo bleek niet dat ‘opgedroogde/aangekoekte ontlasting;’ was aangetroffen. Ik wijs er verder nog op dat in onderhavige zaak niet alleen sprake was van ‘vervuiling’.
CBb 14 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:888.
Besluit van 5 juni 2015, Stb. 2014, 210.
Vgl. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338 m.nt. Reijntjes, rov. 2.3.
Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 366 e.v.
Wet van 16 april 1920, Stb. 1920, 194. Zie voor een eerder en vollediger overzicht van de wetsgeschiedenis de conclusie van A-G Spronken voor HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1081 (art. 81 RO). Zie ook E.C. De Bordes, Dieren in het geding: een juridisch-historische analyse van het verbod op dierenmishandeling, Den Haag, SDU Uitgevers 2010.
Wet van 25 januari 1961, Stb. 1961, 19.
Kamerstukken II 1954/55, 3868, nr. 3, p. 6.
Wet van 24 september 1992, Stb. 1992, 585.
Vgl. Kamerstukken II 1984-1985, 16 447, nr. 7, p. 31. Het artikel was toen nog genummerd als art. 37d.
Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 345. Dit artikellid is in werking getreden op 1 juli 2014 (Stb. 2014, 211).
Zie Kamerstukken II 2007-2008, 31 389, nr. 3, p. 40: ‘Het houden van dieren behelst uiteraard mede de verzorging van dieren. Voorgesteld wordt deze verantwoordelijkheid van de houder als verplichting in de wet neer te leggen. Artikel 2.2, vijfde lid, bevat deze verplichting. Deze is thans verwoord in artikel 37 van de GWWD.’ Zie ook p. 101: ‘Dit lid benadrukt dat het houden van dieren niet vrijblijvend is. Wie dieren houdt, draagt verantwoordelijkheid voor zijn dieren. Op grond van deze bepaling kan ook worden opgetreden tegen het zonder verzorging achterlaten van huisdieren’. Daarbij merk ik op dat het huidige art. 2.2, achtste lid, Wet dieren in het oorspronkelijke wetsvoorstel was neergelegd in het vijfde lid van die bepaling, zie Kamerstukken II 2007-2008, 31 389, nr. 2.
Zie ook de conclusie van A-G Schipper voor HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8955, randnummer 9, en de conclusie van A-G Machielse voor HR 24 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1498, randnummer 4.2.
Vgl. Kamerstukken II 1954-1955, 4034, nr. 3, p. 10: ‘Er doen zich vaak gevallen voor, dat de justitie gegronde redenen heeft bepaalde voorwerpen liever niet in handen van de delinquent te zien blijven, terwijl anderzijds het verlies van de vermogenswaarde dier zaken een onevenredig hoge straf ware voor zijn vergrijp. Met het oog op deze gevallen wordt in artikel 33c voorgesteld, de mogelijkheid te openen van verbeurdverklaring met gehele of gedeeltelijke vergoeding der waarde.’ Conclusie voor HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6751, onder 13. Zie ook F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, derde druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 388-389. In de context van art. 1:37 Algemene douanewet, waar art. 33c Sr van overeenkomstige toepassing is verklaard, heeft Uw Raad ook in deze zin overwogen, vgl. HR 16 december 2014:ECLI:NL:HR:2014:3632.
Zie HR 15 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC4404, NJ 1989/352; HR 13 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AJ5657, NJ 1990/138; HR 23 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9071, NJ 1993/7 en HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3470. Ik besprak deze rechtspraak in de conclusie voor HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1553 (art. 81 RO). Zie ook de conclusie van A-G Hofstee voor HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:467 (art. 81 RO).
Zie het Besluit van 14 november 2017, tot wijziging van de bedragen van de categorieën, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, Stb. 2017, 433.
Zie in verband met de toepassing van art. 24 Sr bij de geldboete HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3257, NJ 2005/82, waarin alleen art. 24 Sr was aangehaald. In andere arresten heeft Uw Raad genoegen genomen met de overweging dat rekening is gehouden met de draagkracht (vgl. HR 2 juli 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8051, NJ 1991/67 m.nt. Van Veen, rov. 6.2; HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7663, NJ 2007/530). Bleichrodt en Vegter, a.w., p. 376, noemen de controle in cassatie op de naleving van art. 24 Sr ‘niet streng’ en brengen dat in verband ‘met de omstandigheid dat afstemming van een boete op de draagkracht een feitelijke waardering vergt, die in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst’. Dat geldt ook voor de afstemming van de verbeurdverklaring op de draagkracht.
Naar ik begrijp doelen de stellers van het middel op de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing (2015R017), Stcrt. 2015, 4241.