ECLI:NL:PHR:2022:924
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02100 W Zitting 11 oktober 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de veroordeelde I. Inleiding De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 12 mei 2022 ontoelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van de rechtbank Chișinău van 9 november 2016 waarbij aan de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden is opgelegd wegens (in de Nederlandse vertaling) “perverse handelingen, meermalen gepleegd en het aanschaffen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen”.
Het beroep is ingesteld namens het openbaar ministerie. Bij schriftuur heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag, en plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de veroordeelde heeft R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
II. Het middel 3. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting, behelst de klacht dat de rechtbank de omstandigheid dat de veroordeelde tijdens het opsporingsonderzoek en het strafproces in Moldavië niet was voorzien van een (juiste) tolk “(kennelijk) heeft aangemerkt als een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging waardoor de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Moldavische rechter moet worden geweigerd, respectievelijk als een zodanige strijd met de grondbeginselen van de rechtsorde van Nederland dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in Nederland in redelijkheid niet kan worden genomen, althans is haar oordeel ontoereikend gemotiveerd.” Daarbij wordt onder meer gewezen op art. 6 EVRM en op art. 6, aanhef en onderdeel a, Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIG) in samenhang met art. 30, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS). Dit leidt volgens de steller van het middel tot de slotsom dat het bestreden oordeel van de rechtbank, inhoudend dat tenuitvoerlegging van de rechtelijke beslissing ontoelaatbaar moet worden verklaard en de vordering verlof tenuitvoerlegging ex art. 18 WOTS van de officier van justitie moet worden afgewezen, niet in stand kan blijven.
III. De bestreden uitspraak 4. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen: “Beoordeling van de weigeringsgrond Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht de tenuitvoerlegging van de Moldavische uitspraak te weigeren. Hiertoe is namens de veroordeelde (onder andere) aangevoerd dat er sprake is van een flagrante inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna hel EVRM). Er is geen eerlijk proces geweest omdat de veroordeelde zowel bij de politieverhoren als de behandelingen ter zitting geen tolkbijstand heeft gehad en daardoor niet in staat was om de inhoud van het strafdossier en de vervolging te begrijpen. Het geven van een strafkorting in reactie op de inbreuk van het recht op een eerlijk proces volstaat daarbij niet.
Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar kan worden verklaard. De strafkorting herstelt de schending van artikel 6 van het EVRM in deze zaak voldoende, omdat de veroordeelde in de opsporingsfase meermalen heeft verklaard de Roemeense taal goed te beheersen. De rechtbank Chișinău is in haar vonnis ervan uitgegaan dat de veroordeelde de Roemeense taal beheerst, hoewel zij niet kon inschatten hoe goed.
Beoordeling Uitgangspunt bij de beoordeling van een vordering als de onderhavige, waarin zowel de verzoekende staat (Moldavië) als de aangezochte staat (Nederland) is toegetreden tot het EVRM, is het vertrouwen dat de verzoekende staat de bepalingen van dat verdrag heeft geëerbiedigd. Dit brengt met zich mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de veroordeelde in de verzoekende staat een strafproces heeft gehad dat voldoet aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM. Dit is slechts anders indien blijkt dat in de verzoekende staat de gerechtelijke beslissing tot stand is gekomen na een flagrante inbreuk van de aan de veroordeelde toekomende rechten. Indien de veroordeling het resultaat is van zo'n flagrante inbreuk, dan moet volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis worden geweigerd.
Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 6, eerste lid, sub a van het Verdrag [AG: EVIG] waarin is bepaald dat de tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, indien de tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte staat.
Uit het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Chișinău blijkt dat in de opsporingsfase en tijdens de rechtsvervolging in Moldavië geen (juiste) tolk voor de veroordeelde is opgeroepen. De rechtbank Chișinău heeft in het vonnis zelf met zoveel woorden vastgesteld dat zijn recht om gebruik te maken van een tolk is geschonden en heeft vanwege die schending op dat recht een strafvermindering met één derde toegepast.
Naar het oordeel van de rechtbank behoort het recht van een verdachte om aan zijn proces te kunnen deelnemen in een voor hem begrijpelijke taal tot de kern van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en tot de grondbeginselen van de Nederlandse (straf)procesorde. Een schending van dat recht zoals hier is vastgesteld merkt zij dan ook aan als een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en op bedoelde grondbeginselen. Deze inbreuk wordt niet hersteld of gecompenseerd door een strafvermindering. Door een strafvermindering kan het strafproces immers niet alsnog als eerlijk worden aangemerkt.
De flagrante inbreuk noodzaakt volgens het EHRM tot weigering van tenuitvoerlegging. In diezelfde zin oordeelt de rechtbank daarnaast dat vanwege de ernstige strijdigheid met de Nederlandse grondbeginselen een beslissing tot tenuitvoerlegging in redelijkheid niet kan worden genomen, zoals bedoeld in artikel 30 WOTS. Op grond van diezelfde bepaling moet dit leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van de tenuitvoerlegging. Gelet op het vorenstaande dient de tenuitvoerlegging van de betrokken gerechtelijke beslissing van Moldavië ontoelaatbaar te worden verklaard.”
IV. Relevante onderdelen uit de uitspraken in eerste aanleg en in hoger beroep van de Moldavische rechter 5. Blijkens het in het Nederlands vertaalde vonnis van de rechtbank te Chișinău van 9 november 2016 is voor deze rechtbank door de verdediging (enkel) aangevoerd dat art. 5, tweede lid, EHVM is geschonden omdat er geen tolk aanwezig was bij de aanhouding en tijdens de strafvervolging. In reactie daarop heeft de rechtbank overwogen dat stukken nietig kunnen worden verklaard (onder meer) indien bepalingen omtrent de aanwezigheid van een tolk niet juist zijn toegepast. Dit impliceert, denk ik, uitsluiting van deze stukken voor het bewijs. Voorts citeer ik uit het (in het Nederlands vertaalde) vonnis van de rechtbank te Chișinău het volgende (bladen 2 en 8): “In het begin verscheen verdachte [veroordeelde] Jude op de terechtzittingen, ook nadat de preventieve maatregel werd vervangen, maar later kwam hij niet meer opdagen en ontweek hij om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting.
De raadsman Lazari Constantin, in het belang van de verdachte, heeft de rechtbank geïnformeerd dat verdachte [veroordeelde] het grondgebied van Republiek Moldavië heeft verlaten, zonder rekening te houden met het feit dat toen de rechtbank Chisinau, locatie Răşcani op 2 juni 2015 besloten had dat de preventieve maatregel van voorlopige hechtenis vervangen zou worden met de maatregel van voorwaardelijke voorlopige vrijlating onder gerechtelijk toezicht, een van de voorwaarden was dat hij zijn woonplaats niet mocht verlaten (stad [plaats] , str. [a-straat 1] ), behalve onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden.
Volgens het besluit van rechtbank Chisinau, locatie Răşcani van 20 november 2015, werd verdachte [veroordeelde] Jude als gezocht opgegeven en de maatregel van voorwaardelijke voorlopige vrijlating onder gerechtelijk toezicht werd vervangen met voorlopige hechtenis. […] […] Wat wel tot het nietig verklaren van de stukken leidt, is de overtreding van de wetsbepalingen m.b.t.: de bevoegdheid of de hoedanigheid van een persoon, de samenstelling van de rechtbank, de publiciteit rondom de zaak, deelname van partijen in de gevallen waarin de aanwezigheid is verplicht, de aanwezigheid van de tolk, vertaler indien verplicht ingevolge de wet. Zodoende, leidt de overtreding van elke andere wetsbepalingen dan de bovengenoemde tot het nietig verklaren van de akte indien het verzocht werd tijdens de uitvoering van de handeling - wanneer de partij aanwezig was, of aan het einde van de strafvervolging - wanneer de partij kennis neemt van de stukken uit het dossier, of op de zitting - wanneer de partij afwezig was tijdens de proceshandeling. De rechtbank zal het argument van de verdediging dat er geen tolk aanwezig was wel toelaten. […] De verdachte is een burger van Nederland, land waar men de Nederlandse taal spreekt. De rechtbank is in feite overtuigd dat de verdachte de Roemeense taal beheerst. Dit blijkt uit de gesprekken op sociale media die al[s] bewijs zijn voorgelegd. De benadeelde partij en de getuige hebben zelf ook bevestigd dat ze met de verdachte in het Roemeens hebben gecommuniceerd omdat zij geen Engels spraken. Sterker nog, de verdachte heeft ook op Roemeens grondgebied handelingen verricht en hij heeft de verklaringen - afgelegd tijdens de opsporingsfase in de Roemeense taal - ondertekend.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank voor een tolk Roemeens-Engels gezorgd om het proces goed te laten verlopen. Omdat de verdachte burger van een ander land is, kon de rechtbank niet inschatten hoe goed de verdachte de Roemeense taal beheerst. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om het requisitoir naar het Engels te laten vertalen omdat de verdachte aangegeven heeft dat hij die taal beheerst. Echter, de rechtbank kan ook niet inschatten in welke mate de verdachte Engels spreekt, gezien het feit dat het niet zijn moedertaal is.
In deze zaak heeft de verdachte de opsporingsdienst echter misleidt omdat hij verklaard heeft dat hij de Roemeense taal beheerst en geen tolk nodig heeft. Derhalve, het feit dat er geen tolk opgeroepen werd tijdens de rechtsvervolging leidt niet tot het nietig verklaren van de genoemde processtukken. Hij heeft geen bezwaar gemaakt tegen die stukken zoals de wet voorziet, tijdens de vervolging of op het moment dat hij in kennis werd gesteld van de stekken uit het dossier.”
De straf die [veroordeelde] Jude, op grond van art. 175 Wetboek van Strafrecht heeft opgelegd gekregen, is voor een periode van 4 (vier) jaar. Overeenkomstig art 385 lid (4) Sv, omdat het vastgesteld is dat zijn recht om gebruik te maken van een tolk tijdens de rechtsvervolging is geschonden, zal zijn straf verminderd worden naar 3 (drie) jaar gevangenisstraf, waarbij de straf In een halfopen inrichting zal worden uitgezeten.
De straf die [veroordeelde] Jude op grond van art. 208¹ Wetboek van Strafrecht heeft gekregen, is voor een periode van 2 (twee) jaar, overeenkomstig art, 385 lid (4) Sv, maar omdat het vastgesteld is dat zijn recht om gebruik te maken van een tolk tijdens de rechtsvervolging is geschonden, zal zijn straf verminderd worden naar 1 (één) jaar gevangenisstraf, waarbij de straf in een halfopen inrichting zal worden uitgezeten.
Op grond van art. 84 lid (1) Wetboek van Strafrecht, bij samenloop van inbreuken, door gedeeltelijke cumulatie van opgelegde straffen, heeft [veroordeelde] een definitieve gevangenisstraf gekregen voor een periode van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden, waarbij de straf In een halfopen inrichting zal worden uitgezeten.”
V. Het juridisch kader (waar van toepassing in de Nederlandse vertaling) 8. Uitgangspunt is dat de exequaturrechter bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming, aldus HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545 (zie ook randnummer 15).
Onder de Eerste Afdeling van Hoofdstuk III is onder meer art. 53 EVIG gerangschikt, dat over het ‘ne bis in idem’-beginsel handelt. Als achtergrondinformatie voor het verder neerzetten van het juridisch kader hieronder, geef ik het eerste lid daarvan weer.
Art. 30 WOTS: “1. Bevindt de rechtbank: (…)d. in een geval waarin volgens het toepasselijke verdrag tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in Nederland in redelijkheid niet kan worden genomen; dan verklaart zij de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.”
Het gaat hier om terminologie, die, net als het begrip openbare orde in het internationaal privaatrecht, slechts aan de hand van concrete gevallen in de jurisprudentie invulling zal krijgen. Zoveel kan er wel over worden gezegd, dat het dient te gaan om grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde, niet iedere afwijking van een gebruik, dat bij ons een beginsel wordt genoemd, rechtvaardigt de toepassing van deze weigeringsgrond. Het dient te gaan om omstandigheden die zozeer de totstandkoming van het buitenlandse vonnis hebben beïnvloed en zozeer haaks staan op de Nederlandse opvattingen over een behoorlijke procesvoering, dat van de Nederlandse justitie niet verwacht mag worden zich voor de bevordering van de tenuitvoerlegging van dat vonnis op enigerlei wijze in te zetten. Gedacht zou kunnen worden aan een veroordeling, berustende op door middel van foltering verkregen bekentenissen. Wanneer er betrekkelijk weinig ruimte voor praktische toepassing van deze weigeringsgrond lijkt te bestaan, dient wel te worden bedacht, dat een aantal andere weigeringsgronden ook tot de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde zijn terug te brengen, zoals het ontbreken van strafbaarheid van het feit naar Nederlands recht, en de in de artikelen 5-7 van het wetsontwerp omschreven weigeringsgronden.”
VI. Bespreking van het middel 17. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld heeft ingevolge art. 6, derde lid aanhef en onderdelen a en e, EVRM het recht onverwijld op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging in een taal die hij verstaat (ad a) en tevens het recht zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt (ad e). Art. 6, derde lid, EVRM beperkt zich in dit verband niet tot alleen mondelinge verklaringen afgelegd op de terechtzitting, maar strekt zich ook uit over schriftelijke stukken en het vooronderzoek voor zover dat nodig is voor een ‘fair trial’. De lidstaten zijn in zoverre verplicht tot naleving van deze rechten. Het belang daarvan is duidelijk: gewaarborgd moet zijn dat de verdachte weet waarvan hij wordt beschuldigd, zodat hij actief aan het strafproces kan deelnemen en zich (ter terechtzitting) adequaat tegen deze beschuldiging kan verdedigen.
VII. Slotsom 23. Het middel slaagt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Aldus de Nederlandse vertaling. In de (niet genummerde) Engelse vertaling staat (op blad 6) ‘nullity of the procedural act’.
Dit Verdrag is op 28 mei 1970 tot stand gekomen (Trb. 1971, 137).
De WOTS is op 1 januari 1988 in werking getreden (Stb. 1986, 464 en Stb. 1987, 44).
EHRM 26 juni 1992, nr. 12747/87 (Drozd en Janousek tegen Frankrijk en Spanje), ECLI:NL:XX:1992:AD1709, NJ 1995/258, m.nt. Knigge. In deze zaak werd overigens ook geklaagd over de gebrekkige vertaling van stukken.
EHRM 17 januari 2017, nr. 8139/09 (Othman (Abu Quatada) tegen het Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/360, m.nt. Keijzer (i.h.b. par. 258-262). Vgl. ook EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering tegen het Verenigd Koninkrijk), NJ 1990/158, m.nt. Alkema.
Vgl. EHRM 17 januari 2017, nr. 8139/09 (Othman (Abu Quatada) tegen het Verenigd Koninkrijk), NJ 2013/360, m.nt. Keijzer (par. 260).
Met het EHRM-arrest Drozd en Janousek (1992) kon uiteraard in 1970 bij de totstandkoming van het EVIG en in 1988 bij de inwerkingtreding van de WOTS geen rekening worden gehouden. Art. 30 WOTS is laatstelijk (redactioneel) gewijzigd bij wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 240. Kennelijk vormde de EHRM-jurisprudentie geen aanleiding voor een materiële aanpassing van de wettekst.
Zie voor een toelichting het Explanatory Report to the European Convention on the International Validity of Criminal Judgements, European Treaty Series, nr. 70, Den Haag 28 mei 1970, p. 20-23. Ik citeer daaruit: “The general expression "the fundamental principles of the legal system" was carefully chosen to make it possible to establish this broad ground of incompatibility and still respect the particular distinctive characteristics of each system of law. In any case the legal principles enunciated in Article 6, which lists conditions of refusal, have to be interpreted in the light of the law of the State to which the request for enforcement is made. However, there is provision for the rejection of a request for enforcement for the following reasons: the protection of the State's domestic legal system, the character of the offences, the nature of the sanction, the safeguard of the State's prerogatives in the matter of criminal proceedings, the observance of international undertakings, ascertainment of a defect in the evaluation of the grounds and conditions underlying the request for enforcement and application of the provisions of national law with regard to lapse of time and the convicted person's age. (…) This clause, which confirms that the requested State may judge for itself what action to take on the request, avoids resort to explicit rules which would necessarily have been too restrictive. It seeks to ensure that solutions appropriate to each individual case are found and applied. The requested State is indeed entitled to review on its own behalf the original assessment of the situation made by the requesting State. The situation leading originally to the request may prove to have changed or the circumstances may appear in a different light due to the information obtained subsequently. This is particularly important when it affects the prospects of rehabilitation. The requested State may therefore re-examine all relevant aspects of the case and relate its own judgment to that of the requesting State.”
Kamerstukken II 1984/85, 18 129, nr. 6 p. 21-22.
De weigering geschiedt dan immers op grond van het EVRM (Drozd en Janousek) en niet volgens de lijn van art. 6 EVIG in verbinding met art. 30 WOTS.
Zie ook HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1875.
Zie de schriftuur, blad 3 onder 2.1.
EHRM 19 december 1989, nr. 9783/82, (Kamasinski tegen Oostenrijk), ECLI:NL:XX:1989:AD0982, NJ 1994/26, m.nt. Alkema (par. 74).
Toen uiteraard nog als verdachte. Dat geldt ook voor de hiernavolgende gedachtestreepjes.
Overigens merk ik op dat ook het gerechtshof te Chișinău in hoger beroep (kennelijk) heeft vastgesteld dat de veroordeelde de Roemeense taal kende, dat de benadeelde partijen met hem in het Roemeens communiceerden en dat hij sms’jes in het Roemeens schreef.
De officier van justitie heeft blijkens het proces-verbaal van de WOTS-zitting van 14 april 2022 het volgende naar voren gebracht: “Ten aanzien van het ontbreken van een tolk merk ik het volgende op. De aangifte die de veroordeelde zelf heeft gedaan in 2012 is opgesteld in het Roemeens en daarin heeft hij verklaard dat hij de Roemeense taal goed kent. De rechtbank in Moldavië gaat daar ook van uit aan de hand van de gesprekken opgenomen in het Moldavische strafdossier en de verklaring van de veroordeelde op de eerste zitting in Moldavië. De veroordeelde krijgt als buitenlandse verdachte dan toch strafkorting door het ontbreken van een tolk en wat mij betreft is daarmee een eventuele schending van artikel 6 EVRM hersteld. Ten aanzien van de rechtsbijstand is navraag gedaan bij de autoriteiten van Moldavië. Zij hebben in hun bericht laten weten dat niet is gebleken dat de raadsman Lazari de verdediging op enig moment heeft neergelegd. Deze raadsman wordt ook in alle uitspraken genoemd als raadsman van de veroordeelde. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank in de onderhavige procedure uitgaan van de juistheid van deze berichten. Ik verwijs voor de volledigheid ten aanzien van dit punt nog eens extra naar mijn eerdere schriftelijke standpunt.” Zie ook het standpunt van de officier van justitie zoals weergegeven in de uitspraak van de rechtbank (hierboven randnummer 4).