PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/01184 Zitting 11 oktober 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 5 maart 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1 primair. ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’, veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen. Er bestaat samenhang met de zaak 21/01183. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste middel bevat een bewijsklacht. Het tweede middel bevat een klacht over ‘s hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van een aantal getuigen. Ik bespreek eerst het tweede middel en vervolgens het eerste middel. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, enkele passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en enkele andere stukken van het geding alsmede de bewijsmotivering van het hof weer. Bewezenverklaring, bewijsmotivering, proces-verbaal van de terechtzitting en andere stukken van het geding 5. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: ‘hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 5 januari 2018 in de gemeente [plaats] opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, te weten in perceel [a-straat 1] , een hoeveelheid, te weten 533 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 533 hennepplanten;’ 6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij, (…), afgesloten op 21 maart 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , beiden brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland (…), inhoudende: '(...) Naar aanleiding van bovenstaande feiten en omstandigheden is op vrijdag 5 januari 2018, omstreeks 09.35 uur, een onderzoek ingesteld in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . (...) Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. (...) Ik, [verbalisant 1] , betrad de woning via de achterdeur van de woning en rook gelijk een sterke henneplucht. Ik ben via de trap naar de eerste verdieping gelopen waar ik rechts naast de trap, 1e verdieping, een wit deurtje zag waar langs een fel licht brandde gelijkende op licht van assimilatielampen. Achter deze deur trof ik, [verbalisant 1] , een in werking zijnde hennepkwekerij aan (ruimte 1) met 279 hennepplanten. (...) Na het aantreffen van de kweekruimte 1 liep ik, [verbalisant 1] , naar de zolder van de woning. Aldaar trof ik een in werking zijnde hennepkwekerij aan (ruimte 2). In totaal stonden er 254 hennepplanten.’ 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, (…), afgesloten op 10 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland (…), inhoudende: ‘(...) Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hebben daarop de slaapkamer betreden. Wij zagen daar twee voeten onder het bed vandaan komen. Wij zagen dat het dekbed van dit bed opzij getrokken was, zodat er niet goed onder het bed gekeken kon worden. Ik, [verbalisant 2] , heb daarop de deken weg getrokken. Daarop zagen wij een manspersoon, naar later bleek verdachte [verdachte] , onder het bed liggen.’ 3. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3], (…), afgesloten op 4 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland (…), inhoudende: ‘(…) Sinds deze buren weg zijn komt er vrijwel dagelijks iemand naar het huis. (...) Deze man kan ik als volgt omschrijven: licht getinte man (net zo getint als de bewoners uit Syrië) tussen 30 en 40 jaar oud en is kaal, hij is rond 175 cm lang en heeft een stevig postuur.’ 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, (…), afgesloten op 4 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland (…), inhoudende: ‘De getuige had gezien dat de mogelijke verdachte in een klein blauwe auto stapte voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Na de bevraging bij de Rijksdienst voor het wegverkeer bleek het voertuig te naam te staan van: [verdachte] . (...) Tijdens deze bevraging zag ik de foto van de te naam gestelde van het genoemde voertuig in het registratiesysteem voor vreemdelingen. Ten behoeve van het opsporingsonderzoek heb ik deze foto aan getuige [betrokkene 3] getoond. De getuige herkende de persoon op deze foto als de kale man die zij regelmatig op het adres [a-straat 1] zag lopen.’’’ 7. Op 22 oktober 2018 heeft de raadsman van de verdachte een appelschriftuur ingediend. Deze houdt (onder meer) het volgende in: ‘In de zaak met opgemeld parketnummer bericht ik u op te treden als raadsman van cliënt, [verdachte] . Ik bericht u met het oog op art. 410 Sv, als volgt. Cliënt kan zich niet verenigen met de veroordeling en de ontnemingsmaatregel en heeft consequent aangegeven dat hij niets met de hennepkwekerij van doen heeft. Onderzoekswensen. Cliënt verzoekt om het horen van 1. [betrokkene 4] , [b-straat 1] , [plaats] Bovengenoemde persoon is de huurder van de woning waar cliënt in is aangetroffen en zou volgens cliënt weten van wie de kwekerij is.’ 8. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Voorzittersbeslissing in de strafzaak en ontnemingszaak’ tegen de verdachte van 9 april 2019, inhoudend dat [betrokkene 4] als getuige zal worden opgeroepen om te worden gehoord ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal van verhoor getuige, betreffende een verhoor van [betrokkene 4] door de raadsheer-commissaris in ‘de straf- en ontnemingszaak’ tegen de verdachte, dat plaatsvond op 24 september 2019 en onder meer de volgende passages bevat: ‘Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoordt de getuige als volgt: (…) U vraagt mij of ik een [verdachte] ken. Ja, ik ken een [verdachte] (…). Op de vragen van de raadsman antwoordt de getuige als volgt; U vraagt mij waar ik [verdachte] van ken. Ik heb hem in het AZC leren kennen via een mevrouw. Dat was ongeveer vier jaar geleden. (…) U vraagt mij of ik ook buiten het AZC contact heb gehad met [verdachte] . Ja, ik zag hem ook wel buiten het AZC in [plaats] en hij is ook wel bij mij thuis geweest met die mevrouw. U vraagt mij of ik [betrokkene 2] (…) ken. Nee. Wat is uw woonadres en hoe lang woont u daar al? [b-straat 1] in [plaats] . Ik woon daar 8 á 10 jaar. Wie is de verhuurder van uw woning? Woningstichting [A] . Het huurcontract staat momenteel op mijn naam. Met welke gezinsleden woont u op dit adres? Met z’n zevenen. Twee volwassenen en vijf kinderen. (…) Heeft u een bankrekening in Nederland? Zo ja, bij welke bank(en)? Ja, bij de ING. U vraagt mijn bankrekeningnummer. De laatste vier cijfers zijn [001] . U houdt mij voor een kopie waarop staat [betrokkene 4] en een ING-rekeningnummer dat eindigt op [001] en legt mij uit dat [verdachte] stelt dat dit een kopie is van een afschrift van de bankrekening van [betrokkene 2] en dat de betaling van € 700,00 bestemd was voor de huur. De RHC merkt op dat de overgelegde kopie geen ander bankrekeningnummer vermeldt dan het ING-nummer dat eindigt op [001] , niet te zien is van welk rekeningnummer deze kopie een afschrift is. De kopie zal aan het proces-verbaal van het verhoor worden gehecht. Ik herken mijn rekeningnummer. U, RHC, vraagt mij of ik op 3 januari 2018 € 700,00 heb overgemaakt vanaf mijn rekening. Het kan zijn dat ik zo’n bedrag destijds heb overgemaakt aan mijn vrouw. Dat doe ik wel vaker omdat dat makkelijker is. Zij heeft een rekening bij de SNS-bank. Klopt het dat u op 3 januari 2018 een bedrag van € 700= hebt betaald aan [betrokkene 2] van deze rekening? De RHC merkt op dat het aan getuige zelf is om zijn gegevens wel of niet ter inzage te laten zien. Ik wil dat wel doen. Ik kijk nu op de app van mijn bank en zie dat ik op 3 januari 2018 een bedrag van € 700,00 op mijn eigen rekening heb gestort. Ik wil u op dit moment geen inzage geven in mijn bankgegevens op de app. U vraagt mij om naar het papier te kijken en vraagt of ik die dag € 700,00 gestort heb. Ik heb € 700,00 op mijn eigen rekening gestort. Ik heb geen € 700,00 overgeschreven van mijn rekening naar [betrokkene 2] , Ik ken hem niet. Ik houd u voor dat [verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 2] een schriftelijke verklaring heeft afgelegd waarin hij aangeeft dat hij de bovenverdieping van zijn huis in [plaats] verhuurd zou hebben aan [betrokkene 4] voor een bedrag van € 700,00. Klopt dit? Nee. Heeft U een huurcontract? U houdt mij voor dat er een mondelinge huurafspraak zou zijn. Waarom zou ik een huis huren als ik een eigen huis heb in [plaats] ? (…) U houdt mij voor dat in de verklaring ook staat dat er een wietplantage in de woning zou zijn aangetroffen en dat daarover contact met mij zou zijn geweest en dat ik daarin dreigend zou zijn geweest. Nee, dat klopt helemaal niet. (…)’ 9. Blijkens het daarop geplaatste stempel is op 3 januari 2020 een brief van de raadsman bij het hof binnengekomen, die gericht is aan de voorzitter van de meervoudige strafkamer. Deze brief houdt onder meer het volgende in: ‘In opgemelde zaak heb ik eerder – en wel op 9 oktober 2019 – een verzoek aan het openbaar ministerie en aan de raadsheer-commissaris gericht, (…). Tot op heden heb ik daar geen antwoord op gekregen, reden dat ik mij namens cliënt nu tot het gerechtshof wend. Heet verzoek om nader onderzoek in de zaak is hierna enigszins aangepast geformuleerd. In opgemelde zaak is op dinsdag 24 september 2019 de getuige [betrokkene 4] (hierna verder te noemen “getuige”) verhoord bij de raadsheer-commissaris (…). U leest daarin dat ik vragen heb gesteld over eventuele overschrijvingen van de rekening van de getuige, nu cliënt stelt dat de getuige het huis aan de [a-straat 1] te [plaats] (meer specifiek de bovenverdieping) zou hebben gehuurd van [betrokkene 2] de originele huurder van de [a-straat 1] te [plaats] , hetgeen inmiddels twee keer bevestigd is door [betrokkene 2] , op 13 december 2018 en 23 oktober 2019 (…). In het kader van de waarheidsvinding verzoek ik u gezien de voorgaande gang van zaken, zonodig ambtshalve het openbaar ministerie opdracht te geven een vordering ex. art. 126nd te richten aan de ING bank ten einde inzicht te krijgen in de overschrijvingen van de ING rekening van [betrokkene 4] over de periode juni 2017 t/m februari 2018. Immers als daaruit blijkt dat de getuige [betrokkene 4] inderdaad een of meerdere keren het bedrag van € 700,= heeft betaald aan [betrokkene 2] , dan heeft de getuige overduidelijk een meinedige verklaring afgelegd en vraagt dat tevens om een nadere uitleg van de getuige. Het zou eveneens betekenen dat de verklaring van mijn cliënt niet zomaar terzijde kan worden geschoven. Ik verzoek u een nieuwe regie-zitting te bepalen danwel het bovenstaande eenvoudige verzoek ex art. 126nd Sv middels een voorzittersbeslissing te gelasten. 10. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van bevindingen dat op 24 maart 2020 is opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in: ‘Op woensdag 12 februari 2020 kreeg ik, als taakaccenthouder Financieel Rechercheren, het verzoek van officier van justitie Z. Rajcevic om in deze zaak een aanvraag vordering historische financiële gegevens op te maken. Deze zaak gaat over een hennepkwekerij welke werd aangetroffen in de woning van verdachte [verdachte] , aan de [a-straat 1] te [plaats] . Kennelijk heeft zijn verdediging een verzoek ingediend. Daarin stellen zij dat verdachte [betrokkene 4] de (onder)huurder was van de bovenverdieping van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , waar de hennepkwekerij werd aangetroffen. Verdachte [betrokkene 4] zou via zijn bankrekening huur hebben betaald voor deze bovenverdieping en dat zou hij gedaan hebben vanaf zijn bankrekening met nummer [001] . De bedragen zouden overgemaakt worden aan ene ‘ [betrokkene 2] ’ of ‘ [betrokkene 2] ”. Vordering Op donderdag 20 februari 2020 deed ik een aanvraag vordering verstrekking historische financiële gegevens, gericht aan de ING-bank. Het betreft hier alle saldo- en transactiegegevens van rekeningnummer [001] , welke op naam staat van [betrokkene 4] in de periode van 1 juni 2017 tot en met 28 februari 2018. Op dinsdag 25 februari 2020 werd deze vordering doorgestuurd naar de ING-bank. Bevindingen met betrekking tot het transactieoverzicht Op donderdag 19 maart 2020 ontving ik van de ING-bank de gevorderde gegevens. In het transactieoverzicht, dat als bijlage 3 bij die proces-verbaal is gevoegd, zie ik de volgende opvallende transacties: (…) Transactie 82. 3 januari 2018. Overboeking van 700 euro, naar: [betrokkene 2] // Omschrijving: […] // IBAN: [002] . (…) Enkel in transactie 82 wordt de naam [betrokkene 2] genoemd, waarover de verdediging het heeft. Opvallende zaken: - Er worden diverse keren een contant geldbedrag gestort, waarvan de herkomst niet duidelijk is. - Er wordt geld overgeboekt naar diverse rekeningen met als omschrijving ‘lening’, maar er is niet te zien dat al die leningen ook terugbetaald worden. Dit zou een verhulling kunnen zijn. - [betrokkene 4] ontvangt geld uit Oostenrijk en uit Oman. - Het verweer stelt dat de bovenverdieping van [verdachte] gehuurd werd door [betrokkene 4] en dat het geld voor de huur werd overgeboekt naar [betrokkene 2] . De onderzoeksperiode rondom de hennepkwekerij is een periode van 8 maanden. 700 euro lijkt een zeer gering bedrag voor het huren van een bovenverdieping voor die periode en het lijkt een zeer geringe vergoeding, ook voor het risico dat men loopt qua veiligheid en strafrechtelijke vervolging.’ 11. Op 19 oktober 2020 heeft een eerste terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden. De verdachte en zijn raadsman zijn daar niet verschenen. De voorzitter deelde mee dat de raadsman van de verdachte, mr. T. der Bedrosian, een verzoek tot aanhouding had gedaan omdat hij wegens ziekte niet ter zitting aanwezig kon zijn. Ook de tolk had laten weten dat hij door ziekte niet ter zitting aanwezig kon zijn. Het hof heeft vervolgens het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. 12. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 19 februari 2021, heeft de raadsvrouw van de verdachte, mr. J.O.A.N. de Vries, op 5 februari en op 18 februari 2021 een e-mailbericht inhoudende onderzoekswensen aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden. Het e-mailbericht van 18 februari houdt, voor zover van belang, het volgende in: ‘Geacht Hof en geachte advocaat-generaal, Hierbij verzoek ik u nogmaals om nader onderzoek te verrichten. Uit het pv bevindingen d.d. 24 maart 2020 met bijlagen – dat ik recent van uw gerechtshof heb mogen ontvangen – blijkt dat [betrokkene 4] in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 september 2019 heeft gelogen. [betrokkene 4] heeft immers verklaard dat hij [betrokkene 2] niet kent (RhC, p.2 bovenaan) en verklaard dat hij – na raadplegen van de app van zijn bank – op 3 januari 2018 geen € 700 heeft overgemaakt van zijn rekening naar de rekening van [betrokkene 2] (RhC, p. 2 halverwege). Uit het PV bevindingen blijkt echter dat [betrokkene 4] op 3 januari 2018 wel degelijk € 700 heeft overgemaakt van zijn bankrekening naar de bankrekening van [betrokkene 2] . Cliënt heeft na zijn aanhouding vanuit de Syrische gemeenschap vernomen dat [betrokkene 4] bekend staat als een persoon die Syriërs in AZC’s benadert om een deel van hun woning te verhuren, zodat hij hier hennepkwekerijen kan beginnen. Een bekende handelswijze (zie bijlagen: De Volkskrant en NOS). Uit het pv bevindingen d.d. 24 maart 2020 blijkt dat [betrokkene 4] diverse keren een contant geldbedrag gestort krijgt op zijn bankrekening waarvan de herkomst niet duidelijk is en dat er sprake zou kunnen zijn van verhullingen ten aanzien van betalingen aan derden. Ondersteuning voor de verdenking dat [betrokkene 4] betrokken is bij de hennepteelt. 1. Verzoek horen getuigen Gelet op het voorgaande en gelet op het standpunt van de advocaat-generaal dat er in de ogen van het Openbaar Ministerie nog niet afdoende zou zijn aangetoond dat een ander dan cliënt verantwoordelijk is voor de hennepteelt en het verkregen voordeel hiervan in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] acht de verdediging het noodzakelijk om de navolgende getuigen te horen: 1. [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1965, wonende aan [b-straat 1] te [plaats] ; 2. [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1995, huurder van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ; 3. [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1990, huurster van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ; 4. [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1957, wonende aan de [a-straat 2] te [plaats] ; 5. NN ‘storter’ van geldbedrag € 700,00 d.d. 4 oktober 2017 Motivering 1 [betrokkene 4] heeft eerder bij de raadsheer-commissaris aantoonbaar gelogen. De verdediging wenst hem hiermee – onder ede – te confronteren en hem te bevragen waarom hij hierover heeft gelogen, waar hij [betrokkene 2] van kent, waarom hij € 700 naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt en of hij verder maandelijks via [C] € 700 per maand naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt. Voorts zou ik hem graag willen confronteren met de getuigenverklaringen van de andere verzochte getuigen en een foto van hem willen maken die gebruikt kan worden om aan getuige [betrokkene 3] te tonen. Motivering 2 en 3 [betrokkene 2] heeft een officiële schriftelijke verklaring afgelegd waarin hij heeft verklaard dat [betrokkene 4] de bovenverdieping van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] van hem heeft gehuurd en dat hij cliënt heeft gevraagd zorg te dragen voor de benedenverdieping van het huis en de post. De verdediging wenst [betrokkene 2] en zijn vrouw [betrokkene 1] hierover als getuigen te horen en hierbij onder meer de volgende vragen te stellen: of het klopt dat zij de bovenverdieping aan [betrokkene 4] hebben verhuurd, welk bedrag zij hiervoor maandelijks ontvingen, hoe de [betrokkene 4] dit bedrag aan hen overmaakte, of het klopt dat [verdachte] de sleutels van hun woning had om zorg te dragen over de benedenverdieping en de post, wat zij wisten van de hennepkwekerij in hun woning en of cliënt hier volgens hen een rol bij heeft gehad. Ook wenst de verdediging hen te bevragen of cliënt een bemiddelende / tolkende rol heeft gehad bij hun gesprekken met hun woningbouwvereniging [B] . Motivering 4: [betrokkene 3] is de buurvrouw van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Zij stelt dat cliënt als tolk zou hebben gefungeerd voor de buren toen zij naast haar kwamen wonen (…), terwijl de politie heeft geconstateerd dat cliënt de Nederlandse taal onvoldoende beheerst (…). De verdediging wenst [betrokkene 1] te bevragen in hoeverre zij de woning aan [a-straat 1] in de gaten heeft gehouden, haar willen bevragen waarom zij denkt dat cliënt zou hebben getolkt en hoe zeker zij is dat dit geen andere Syrische man betrof, of zij een grijze Hyundai met kenteken [kenteken 1] bij de woning heeft waargenomen (dit betreft de auto van [betrokkene 4] , zie foto in de bijlage), of zij de twee mannen van mogelijk Syrische afkomst die ze heeft gezien nader kan omschrijven en hoe vaak zij deze twee mannen heeft waargenomen in de buurt van de woning aan de [a-straat 1] . Tot slot wenst de verdediging haar te confronteren met de foto van [betrokkene 4] met de vraag of zij deze persoon heeft gezien en zo ja, hoe vaak, waar en wanneer. Motivering 5: [betrokkene 4] heeft de huur maandelijks aan [betrokkene 2] overgemaakt. De verdediging heeft aangetoond dat het huurbedrag ad € 700 onder andere op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] is overgemaakt en op 3 januari 2018 via de bankrekening van [betrokkene 4] . Om aan te tonen dat [betrokkene 4] de huur betaalde, wenst de verdediging persoon te horen die het huurbedrag op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt om te vragen in wiens opdracht deze betaling gebeurde en met welke reden.’ 13. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte de bovengenoemde verzoeken herhaald en nader toegelicht. Tevens heeft het hof op de verzoeken beslist. Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang het volgende in: ‘De voorzitter deelt mondeling mede dat het hof en de advocaat-generaal op 5 februari 2021 en 18 februari 2021 per e-mail een aantal stukken hebben ontvangen van de raadsvrouw van verdachte, waarbij ook is verzocht om nader onderzoek te verrichten. De voorzitter geeft de raadsvrouw het woord om de verzoeken nader toe te lichten. De raadsvrouw reageert – zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb deze zaak in een laat stadium overgenomen en ik realiseer mij dat het noodzaakscriterium van toepassing is op de door mij gedane verzoeken. Toch vraag ik u om rekening te houden met het verdedigingsbelang. De verdediging acht het noodzakelijk om de volgende getuigen te horen: 1. [betrokkene 4]: de verdediging wil de getuige onder ede confronteren met het gegeven dat hij heeft gelogen bij de raadsheer-commissaris. De verdediging wil de getuige vragen waarom hij heeft gelogen over het feit dat hij [betrokkene 2] niet zou kennen, terwijl hij wel een geldbedrag heeft overgeschreven naar de rekening van [betrokkene 2] . Ook is belangrijk om te vragen of hij op een andere wijze geld heeft overgemaakt. Daarnaast wil de verdediging hem confronteren met andere getuigenverklaringen. Tenslotte kan er een foto gemaakt worden van deze getuige die gebruikt kan worden om te tonen aan getuige [betrokkene 3] om daarmee aannemelijk te maken dat niet cliënt maar meneer [betrokkene 4] verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij. 2. [betrokkene 2] en 3. [betrokkene 1] : Getuige [betrokkene 3] beweert dat mijn cliënt als tolk heeft opgetreden tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] met de woningcorporatie. De verdediging wil aan deze twee getuigen vragen of dit klopt. Cliënt spreekt namelijk geen Nederlands en kent [betrokkene 1] ook niet. Daarnaast wil de verdediging [betrokkene 2] vragen of het klopt dat hij de bovenverdieping heeft verhuurd aan [betrokkene 4] , welk bedrag zij hiervoor maandelijks ontvingen, hoe [betrokkene 4] dit bedrag aan hen overmaakte, of het klopt dat cliënt de sleutels van hun woning had om zorg te dragen over de benedenverdieping en de post, wat zij wisten van de hennepkwekerij in hun woning en of cliënt hier volgens hen een rol bij heeft gehad. 4. [betrokkene 3] : getuige [betrokkene 3] is de buurvrouw van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De verdediging wenst de getuige te vragen in hoeverre zij de woning aan [a-straat 1] in de gaten heeft gehouden, hoe vaak zij thuis was, waarom zij denkt dat cliënt zou hebben getolkt, hoe zeker zij is dat dit geen andere Syrische man betrof en of zij een grijze Hyundai met kenteken [kenteken 1] bij de woning heeft waargenomen. Tot slot wenst de verdediging haar te confronteren met de foto van [betrokkene 4] met de vraag of zij deze persoon heeft gezien en zo ja, hoe vaak, waar en wanneer. 5. NN ‘storter’ van het geldbedrag € 700,- d.d. 4 oktober 2017: [betrokkene 4] heeft de huur maandelijks aan [betrokkene 2] overgemaakt. De verdediging heeft aangetoond dat het huurbedrag ad € 700,- onder andere op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] is overgemaakt en op 3 januari 2018 via de bankrekening van [betrokkene 4] . Om aan te tonen dat [betrokkene 4] de huur betaalde, wenst de verdediging persoon te horen die het huurbedrag op 4 oktober 2017 via [C] naar [betrokkene 2] heeft overgemaakt om te vragen in wiens opdracht deze betaling gebeurde en met welke reden. 6. [betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1977, te bereiken via [e-mailadres]: dit is een aanvullende getuige die niet in de e-mail van 18 februari 2021 staat. Deze getuige blijkt als jurist benaderd te zijn door [betrokkene 2] en [betrokkene 4] om een overeenkomst op te stellen. Dat is uiteindelijk niet gelukt omdat er onenigheid ontstond over wat er in die overeenkomst moest komen te staan. Deze jurist zou kunnen bevestigen dat beide heren bij hem kwamen om een huurovereenkomst vast te leggen over de woning aan de [a-straat 1] . Dit is ook om duidelijk te maken dat cliënt niet betrokken was bij de hennepteelt, maar dat dit anderen zijn geweest. Met betrekking tot het verzoek opstellen aanvullend proces-verbaal licht ik het volgende toe. In het proces-verbaal van 24 maart 2020 zijn de bankrekeningafschriften van [betrokkene 4] opgevraagd. De verdediging wenst de bankrekeningafschriften van [betrokkene 2] ook in te zien, om te kijken of hij maandelijks € 700,- gestort heeft gekregen via [C] of anderszins. Daarnaast moet onderzocht worden wie zich op 4 oktober 2017 bij [C] heeft gelegitimeerd bij het storten van het huurbedrag op de bankrekening van [betrokkene 2] . Tot slot moet onderzoek plaatsvinden ter verificatie dat de grijze Hyundai met kenteken [kenteken 1] toebehoort aan [betrokkene 4] . Dat is van belang als getuige [betrokkene 3] zegt dat zij deze auto heeft zien staan. Dan staat ook vast aan welke persoon deze auto toebehoort. De advocaat-generaal zegt dat als er eenmaal een bedrag is overgemaakt dit nog niet direct betekent dat de bovenverdieping verhuurd is. Getuige [betrokkene 2] zou kunnen bevestigen dat wel sprake is geweest van een huurovereenkomst. Ik heb ook nog een vertaald bericht van [betrokkene 2] gericht aan mijn cliënt waarin hij aangeeft dat [betrokkene 4] bij hem kwam en een stapel geld meenam. Dit bericht stuur ik nu door naar het hof en de advocaat-generaal. De advocaat-generaal voert het woord -zakelijk weergegeven- als volgt: Ik hoor de raadsvrouw zeggen dat zij zich realiseert dat het noodzaakscriterium van toepassing is, maar dat zij vraagt om enige coulance omdat zij de zaak heeft overgenomen. Dat is wat mij betreft niet aan de orde. We hebben hier niet te maken met een verdachte die geen professionele verdediging heeft gehad en in een laat stadium pas een advocaat heeft ingeschakeld. Er was een advocaat en toen is de zaak overgedragen, maar dat is dan geheel in de stand waarin het zich op dat moment bevond. Er is geen aanleiding om coulant om te gaan met het toetsingscriterium. Dus is het noodzaakscriterium van toepassing. Door de verdediging wordt aangevoerd dat verdachte er niet bij is geweest. Verdachte wordt verweten dat hij een kwekerij heeft gehad en dat hij geld heeft verdiend. De verzoeken komen in een laat stadium. Verdachte is in de woning aangetroffen onder het bed. Hij komt nu pas met dit verhaal. Er is al nader onderzoek gedaan door een getuige te horen. Er wordt nu gezegd dat die getuige heeft gelogen en dat hij nog een keer gehoord moet worden. De verzoeken gaan ook over de overschrijvingen van de huur. De vraag is of het noodzakelijk is om vast te stellen en te beoordelen hoe het financieel zat. Ook bij het openbaar ministerie is bekend dat in Nederland hennepkwekerijen professioneel worden neergezet en dat er andere organisaties achter kunnen zitten. Ik vraag mij af wat we hier dan aan het uitzoeken zijn. Verdachte is verantwoordelijk voor zijn eigen aandeel hierin. De verdediging zegt dat een van de getuigen de verdachte is. Ik zie geen noodzaak om getuigen [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] te horen. Het is ook niet noodzakelijk om uit te zoeken wie het bedrag bij [C] heeft gestort of om de getuige die ter zitting is toegevoegd aan de verzoeken, [betrokkene 5] , te horen. De verzoeken om een aanvullend proces-verbaal op te stellen dienen ook te worden afgewezen. Het is niet noodzakelijk om dit te onderzoeken. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad. De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt als beslissing van het hof mede dat de verzoeken van de verdediging worden afgewezen. Waar het om lijkt te gaan is de betrokkenheid van [betrokkene 4] bij de verhuur van de twee verdiepingen van de woning en of hij daar betrokkenheid bij heeft. Daartoe worden een aantal onderzoeksvragen geformuleerd en gevraagd om nadere getuigen te horen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak van deze verzoeken onvoldoende is onderbouwd omdat het enkel betrekking heeft op een andere persoon die een deel van de woning heeft gehuurd. Het hof acht zich op grond van de voorhanden zijnde stukken in zoverre voldoende voorgelicht om de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen beantwoorden. De beslissing om de verzoeken af te wijzen geldt zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak.’ 14. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘Verdachte heeft ontkend dat hij wist dat de hennepkwekerij zich bevond in de woning waar hij werd aangetroffen en dat hij iets met de hennepkwekerij te maken heeft gehad. De raadsvrouw heeft bepleit verdachte integraal vrij te spreken. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Op 5 januari 2018 werd een hennepkwekerij aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . De eerste verdieping en de zolder van de woning waren ingericht als kweekruimtes waarin in totaal 533 hennepplanten stonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 10 januari 2018 volgt dat zij verdachte in de slaapkamer op de eerste verdieping onder het bed zagen liggen. De woning wordt sinds 24 april 2017 gehuurd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Verdachte is op 5 januari 2018 door de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij beschikte over de sleutel van de woning waarin hij werd aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij vrijwel dagelijks bij de woning kwam. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door getuige [betrokkene 3] . De getuige is op 4 januari 2018 door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat er vrijwel dagelijks iemand bij de woning komt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 4 januari 2018 volgt dat hij een foto van verdachte aan getuige [betrokkene 3] heeft getoond. De getuige [betrokkene 3] herkende de persoon op deze foto als de kale man die vrijwel dagelijks bij het huis komt. Uit het dossier volgt niet dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer andere personen. Het hof komt, anders dan de rechtbank, dan ook niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 -impliciet primair- tenlastegelegde medeplegen van het aanwezig hebben van de hennepplanten. Wat het hof, gelet op het voornoemde, wel bewezen acht, is het onder 1 -impliciet primair-tenlastegelegde telen/bereiden/bewerken en verwerken van hennep. Verdachte heeft aangevoerd dat hij enkel in de woning kwam om de post op te halen ten behoeve van de voormalige bewoner die in het buitenland verbleef en voorts dat hij niet op de bovenverdieping kwam omdat hem dat door deze persoon was verboden in verband met het feit dat daar gesluierde vrouwen zouden vertoeven. Dat hij desondanks toch op de bovenverdieping onder het bed was aangetroffen had zijn reden hierin volgens verdachte dat hij als gevolg van traumatische ervaringen met de politie in Syrië naar boven was gevlucht toen de politie aan de deur kwam. Het hof acht die verklaringen onaannemelijk en stelt deze terzijde en merkt daarbij op dat verdachte aanvankelijk sterk wisselend heeft verklaard over de frequentie waarmee hij naar de woning kwam, en evenmin eenduidig heeft verklaard waarom hij dan - vrijwel dagelijks - de post kwam checken. Voorts is de aanwezigheid van gesluierde dames die op de bovenverdieping zouden verblijven door verdachte naar zijn zeggen zelf niet op enig moment vastgesteld en evenmin verklaart getuige [betrokkene 3] erover deze dames te hebben gezien. Ook het verweer dat een andere persoon verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij en dat de bovenverdieping aan een ander was onderverhuurd acht het hof onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden.’ Bespreking van het tweede middel 15. Het tweede middel bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof het verzoek tot het horen van een aantal getuigen ( [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , de nog onbekende storter van het huurbedrag ad € 700,- d.d. 4 oktober 2017 en [betrokkene 5] ) op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft afgewezen. De steller van het middel richt haar pijlen daarbij eerst op de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 3] . Zij attendeert erop dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tot gevolg heeft dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld. De afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 3] zou in dat licht niet zonder meer begrijpelijk zijn, nu aan dat verzoek ‘mede ten grondslag is gelegd dat de strekking van de eerder door getuige [betrokkene 3] afgelegde en in het dossier gevoegde verklaringen belastend is’ voor de verdachte. 16. Het EHRM maakt in Keskin v. Nederland onderscheid tussen enerzijds het recht ‘to obtain the attendance and examination of defence witnesses’ en anderzijds het recht ‘to cross-examine prosecution witnesses’. Het overweegt dat ‘it is for the domestic courts to assess the relevance of the evidence which defendants seek to adduce’ (par. 43). Het ligt op de weg van de verdediging om een getuigenverzoek te onderbouwen ‘by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard, and their evidence must be capable of influencing the outcome of a trial or must reasonably be expected to strengthen the position of the defence’. Het EHRM hanteert daarbij een drieledige test: ‘(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.