PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/04312 Zitting 18 oktober 2022 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 10 december 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
(2011); dat [betrokkene 8] in verband met de aankoop van de zaak van [betrokkene 9] , de schulden van [betrokkene 9] aan de Zweedse Roma vereniging [E] heeft overgenomen, en dat [betrokkene 9] diverse antecedenten ter zake van vermogensdelicten heeft. Het hof is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang gezien, in combinatie ook met de informatie uit de hiervoor vermelde processen-verbaal van verdenking jegens diverse andere leden van de familie, met name voor wat betreft het veelvoud aan Zweedse renteloze leningen ten behoeve van de financiering van alle panden, de verdenking van witwassen jegens [betrokkene 8] en [betrokkene 9] rechtvaardigt. Het hof merkt daarbij nog op dat het - evenals de rechtbank - de informatie van de Belastingdienst betreffende [betrokkene 9] bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing laat, nu de betreffende artikel 126nd-Sv vordering op dat moment nog niet was gedaan. Proces-verbaal verdenking inzake [verdachte] d.d. 1 mei 2012 De verdenking jegens [verdachte] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [betrokkene 1] , het tijdens de doorzoeking van het pand aan de [f-straat 1] te [plaats] op 3 april 2012 aangetroffen geldbedrag ad € 5.500,00 en de vier Mercedessen op naam van [verdachte] en de via voornoemde artikel 126nd Sv-vorderingen verkregen informatie van de Belastingdienst, waaruit onder meer het volgende bleek: dat van [verdachte] over de jaren 2005 tot en met 2010 geen inkomsten bekend zijn en hij tot aan de datum van het proces-verbaal geen uitkering ontvangt; dat aan [verdachte] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van het pand aan de [f-straat 1] een renteloze lening is verstrekt door de Zweedse organisatie [B] , waarvan [betrokkene 1] de voorzitter is; dat de bankrekening van [verdachte] vanaf 2005 met grote regelmaat wordt gevoed door middel van contante stortingen van onbekende herkomst waarmee de aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten worden betaald. Voorts wordt [verdachte] door diverse medeverdachten aangemerkt als de ‘boekhouder’ van de familie. Het hof is van oordeel dat deze informatie, in het bijzonder de contante stortingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, de verdenking van witwassen jegens [verdachte] rechtvaardigt. Conclusies Uit het vorenoverwogene volgt dat de processen-verbaal van verdenking naar het oordeel van het hof voldoende feiten en omstandigheden bevatten waaruit een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit jegens de genoemde verdachten en dat de daarin gebruikte informatie - met uitzondering van de informatie van de Belastingdienst inzake [betrokkene 9] , welke informatie evenwel door het hof, evenals door de rechtbank, bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing is gelaten - is verkregen door middel van voorafgaande vorderingen ex artikel 126nd Sv. Het hof constateert dat het begin van het onderzoek drie poten heeft: 1) de FIU-melding, 2) de gegevens van de Belastingdienst en 3) de meld misdaad anoniem-melding. De FIU-melding had betrekking op grote hoeveelheden contant geld die werden gestort en de melding van de Belastingdienst had betrekking op een groot bedrag aan contant geld en een grote hoeveelheid sieraden die waren aangetroffen. Tevens kwam uit de als betrouwbaar beoordeelde MMA-melding naar voren dat er geld werd witgewassen. Naar het oordeel van het hof levert de informatie zoals vermeld in het start-proces-verbaal, voldoende verdenking op ten aanzien van gepleegde strafbare feiten en kan de daarin gebruikte informatie worden gehanteerd voor de start van het onderzoek, met uitzondering van - zoals gezegd - de informatie van de Belastingdienst jegens [betrokkene 9] , welke informatie bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing is gelaten. Op basis hiervan kon een strafrechtelijk onderzoek worden opgestart. De vraag of de politie daarnaast uit het verkennend projectonderzoek wellicht verder nog iets wel of niet wist omtrent de verdachten, is dan ook niet van belang. In het proces-verbaal van aanvang wordt ook vermeld dat er op 15 maart 2010 een projectvoorbereiding is gestart. Daarbij is melding gemaakt van het feit dat onderzoek is gedaan in de openbare registers en politiesystemen. In het kader van het onderzoek BRZ191 is eveneens onderzoek gedaan naar eventuele strafrechtelijke antecedenten van de leden van de [ familie 1] . In het proces-verbaal wordt hierover het volgende vermeld. ‘VERDACHTE SITUATIES, DIEFSTALLEN EN CJIB Van de verdachten [mededader 2] , [mededader 7] , [mededader 1] , [mededader 4] en [mededader 5] was geen of nauwelijks documentatie bekend met betrekking tot vermogensdelicten over de laatste 10 jaar. Wel bleek uit onderzoek dat de inwonende familieleden meermalen werden veroordeeld voor vermogensdelicten en in de politiesystemen voorkwamen als verdachte dan wel betrokkenen bij het plegen van strafbare feiten en in verdachte situaties. Teneinde inzicht te krijgen in de activiteiten die door de [ familie 1] ontplooid werden, dan wel nog steeds ontplooid worden, werden de bedrijfsprocessensystemen van de politie geraadpleegd op alle verdachte situaties of andere situaties waarbij een lid van de [ familie 1] en/of een voertuig van de familie betrokken was. Uit deze systemen bleek dat nagenoeg alle (volwassen) leden van de [ familie 1] met regelmaat in aanraking kwamen en komen met politie en/of justitie ter zake vermogensdelicten. Voor verdere bijzonderheden wordt verwezen naar de processen-verbaal van bevindingen opgenomen onder de dossierpagina’s 182, 253, 283 en 332, opgenomen in het algemeen proces-verbaal. Uit bovengenoemd onderzoek bleek eveneens dat door diverse familieleden een aantal bekeuringen vanuit het Centraal Justitieel Incasso Bureau werd ontvangen. In totaal werden gedurende een periode van ruim 9 jaar 365 bekeuringen ontvangen, voor een totaalbedrag van € 27.199,25. Voor verdere bijzonderheden wordt verwezen naar de processen-verbaal van bevindingen opgenomen onder de dossierpagina’s 150, 164 en 174. In de beschrijvingen van de onderzoeken die zijn verricht naar het criminele verleden van de leden van de familie staat onder andere het volgende: OPLICHTINGEN/VERDUISTERINGEN/FLESSENTREKKERIJ Onder de in beslaggenomen documenten tijdens de doorzoeking op 3 april 2012 bevonden zich diverse aanmaningen en rekeningen van bedrijven die betrekking hadden op de onderzoeksperiode van onderzoek 228D1100191 (BRZ191). Uit deze bescheiden bleek dat een aantal bedrijven goederen had geleverd aan en op woonadressen van leden van de [ familie 1] . Tevens bleek uit een aantal documenten dat de rekeningen van deze geleverde goederen/diensten geheel niet of deels niet waren betaald. Uit een ingesteld onderzoek bleek dat de [ familie 1] tot op het moment van het opmaken van dit dossier, totaal voor € 112.109,17 diensten c.q. goederen had besteld en ontvangen en daarvoor niet had betaald. ONDERZOEK POLITIESYSTEMEN Uit de mutaties bleek dat [mededader 5] en zijn familieleden in vorengenoemde periode in totaal voorkomen in 109 mutaties/registraties die in relatie staan tot vermogensdelicten. Het hof begrijpt dit onderzoek naar betrokkenheid van leden van de [ familie 1] bij strafbare feiten in verband met de vraag waar de gelden van het vermeende witwassen mee zouden kunnen zijn verkregen. Met betrekking tot dit onderdeel constateert het hof geen onrechtmatigheden. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of eventuele onrechtmatigheden met betrekking tot de start van het onderzoek tot niet-ontvankelijkheid zouden moeten leiden. 3.2.2.2 Verweer dat de start van het strafrechtelijk onderzoek eerder ligt Zoals hierboven is vermeld en ook in het start-proces-verbaal van het onderzoek wordt benoemd, is er voor de start van het onderzoek sprake geweest van een projectvoorbereiding. Deze projectvoorbereiding is ‘Fret’ genoemd. Door de raadslieden van de verdachten is aangevoerd dat aan de hand van stukken die zij hebben waargenomen in het Fret-dossier, onder meer een observatieverslag uit 2007 en stukken met betrekking tot het onderzoek Hosta 1 en 2, geconstateerd moet worden dat het strafrechtelijk onderzoek eerder is aangevangen. Deze stukken zouden zich thans niet (meer) in het Fret-dossier bevinden. Met de rechtbank overweegt het hof in dit verband dat uit de door de raadsman van [mededader 7] , [mededader 2] en de Stichting ter terechtzitting overgelegde pagina uit het dossier Fret, betreffende het onderzoek ‘Hosta’, enkel van betrokkenheid van [betrokkene 9] in een winkeldiefstallenonderzoek blijkt, gevolgd door een veroordeling van [betrokkene 9] ter zake daarvan, welk veroordeling het hof ook aantreft in de justitiële documentatie betreffende [betrokkene 9] . Ook het door een van de raadslieden in dat kader genoemde aantreffen van documenten achter het tabblad ‘Hosta’ in het dossier Fret, te weten brieven en bewijzen van lening met betrekking tot de schadevergoeding van de Jumbo en de [g-straat 1] uit 2005 en 2007, leidt niet reeds tot het oordeel dat sprake is geweest van een eerder startmoment van dit onderzoek. Dat geldt eveneens voor de door de raadsman van [mededader 7] , [mededader 2] en de Stichting in het kader van zijn verzoek ex artikel 25 Wet politiegegevens verkregen informatie, dat in 2007 sprake is geweest van een observatie. Zoals hierboven reeds is vermeld, zijn leden van de [ familie 1] ook buiten het onderhavige strafrechtelijk onderzoek veelvuldig in onderzoek geweest in verband met (mogelijk) gepleegde strafbare feiten. In verband hiermee is het absoluut niet ondenkbaar dat in het kader daarvan op enig moment een observatie heeft plaatsgevonden. Dat zulks heeft plaatsgevonden betekent dus niet dat dat in het onderhavige strafrechtelijk onderzoek is geweest. Het hof ziet daarvoor geen enkele aanwijzing en ook de verdediging heeft dat geenszins aannemelijk gemaakt. Kortom, uit het feit dat er in 2007 een observatie heeft plaatsgevonden kan dus niet worden afgeleid dat het strafrechtelijk onderzoek in de onderhavige zaak eerder zou zijn gestart dan hierboven is vermeld. Het hof neemt daarbij, met de rechtbank, met name in aanmerking dat - zoals hiervoor reeds is overwogen - er een concrete aanleiding was voor het onderhavige onderzoek, te weten de zes meldingen van de Rabobank inzake contante stortingen, welke meldingen via het Intranet Verdachte Transacties (IVT) ter kennis zijn gekomen van verbalisant [verbalisant 1] (werkzaam bij de politie), die op zijn beurt vanuit zijn functie als financieel expert in de politieregio Brabant-Noord periodiek het IVT diende te controleren en verdachte transacties moest veredelen door middel van onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen. Deze beperkte, bevraging van openbare bronnen en politiesystemen viel binnen de normale taakuitoefening van [verbalisant 1] en kan worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet en artikel 15 van de Wet politiegegevens. De raadslieden hebben in eerste aanleg inzage gehad in een dossier dat op dat moment Fret-dossier werd genoemd en in hoger beroep zijn (tweemaal) stukken verstrekt door het Openbaar Ministerie met de betiteling Fret-dossier. Aan de hand van hetgeen met betrekking tot het Fret-dossier aan de orde is geweest, constateert het hof dat dit projectdossier niet op het moment van het starten van het strafrechtelijk onderzoek is gesloten, gebundeld, genummerd en naar een archief is gebracht. Het projectonderzoek is als een soort ‘voorloper’ ook daarna nog op het politiebureau - en later bij het Openbaar Ministerie - aanwezig geweest. Het feit dat op enig moment stukken in dit dossier zijn gezien, wil naar het oordeel van het hof dan ook niet zeggen dat zeker is dat die stukken ook deel uitmaakten van het Fret-dossier vóórdat het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak van start is gegaan. Als in het Fret-dossier stukken zijn gezien die verder gaan dan het opvragen van politiegegevens, welke stukken niet in dat dossier zouden moeten zitten, betekent dat dus ook niet zonder meer dat sprake is van een of meer onrechtmatigheden. Ter onderbouwing van het standpunt van de eerdere start van het onderzoek is door de verdediging ook gewezen op het feit dat de politie op 8 december 2010 aanwezig is geweest in panden waar door de Belastingdienst en de gemeente binnen werd getreden, hetgeen zou duiden op het feit dat het politieonderzoek al liep. Het hof heeft in doos ‘BRZ191 = 81’, document H05-1-15 aangetroffen, het draaiboek van de politie voor die dag. Op de voorpagina van dit draaiboek staat ‘ondersteuning Belastingdienst en gemeente [plaats] ’. Verder staat vermeld: ‘Voor de adressen waar zal worden binnengetreden, bestaat dit team uit een HOvJ, een locatiecoördinator en acht medewerkers van politie, welk team per adres minimaal twee deurwaarders van de Belastingdienst en diverse medewerkers van de gemeente zullen ondersteunen’. Dat op dat moment reeds een strafrechtelijk onderzoek liep, kan naar het oordeel van het hof uit deze ondersteuning door politiemensen niet worden afgeleid. Dat de politie op deze actiedag ook de naam ‘Fret’ als codenaam heeft gebruikt, duidt volgens het hof evenmin op een eerder gestart strafrechtelijk onderzoek. Wanneer er een projectonderzoek loopt tegen (onder andere) dezelfde personen van de [ familie 1] , ligt het voor de hand om ook bij deze actie dezelfde codenaam te gebruiken. Dat de medewerkers van de Belastingdienst en de gemeente zich tijdens de binnentreding van de panden lieten bijstaan door de sterke arm acht het hof alleszins voorstelbaar, nu de leden van de [ familie 1] zich, zeker in groepsverband, redelijk intimiderend kunnen gedragen, zoals het hof ook zelf heeft ervaren tijdens de zitting van 15 juni 2020 en 22 september 2020. Met betrekking tot de vraag of de politie bij deze inval onrechtmatig is opgetreden op grond waarvan niet-ontvankelijkheid zou moeten volgen, komt het hof verderop in dit arrest nog terug. Met betrekking tot dit onderdeel constateert het hof geen onrechtmatigheden en komt daarbij dus niet toe aan de vraag of eventuele onrechtmatigheden tot niet-ontvankelijkheid zouden moeten leiden. 3.2.2.3 Opmaken processen-verbaal door de FIU Door de verdediging is voorts nog naar voren gebracht dat door de FIU ten onrechte een proces-verbaal met betrekking tot ongebruikelijke transacties is opgemaakt, omdat de FIU daartoe niet bevoegd is. Dit proces-verbaal heeft aan de basis gestaan van het strafrechtelijk onderzoek BRZ191, waardoor het onderzoek geen rechtmatige start heeft gehad, aldus de verdediging. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat, nu de FIU geen opsporingsbevoegdheid heeft, de FIU ook geen proces-verbaal kan opmaken. In een brief van de Minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer is onder andere het volgende opgenomen: ‘Een ander punt dat in de gesprekken tussen de FIU, de politie en mijn ministerie naar voren is gekomen, is dat medewerkers van de FIU processen-verbaal opmaakten. Dit terwijl de FIU geen opsporingstaak heeft en zij daartoe ten behoeve van de FIU-taak niet bevoegd waren. De werkprocessen van de FIU zijn hierop aangepast. De medewerkers van de FIU maken niet langer een proces-verbaal op, maar een rapportage. In de praktijk betekent dit een kleine wijziging. De rapportages bevatten dezelfde informatie als de voormalige processen-verbaal. Bovendien gaat de politie de gegevens die worden aangeleverd door de FIU altijd na en kan de informatie van de FIU nog steeds als bewijsmiddel dienen in strafzaken.’ In de periode waarin het proces-verbaal door de FIU werd opgemaakt was men nog niet tot dit inzicht gekomen. Achteraf gezien kon de informatie van de FIU dus niet in een proces-verbaal worden gevat, maar had die via een rapportage moeten worden bericht aan de politie. Het hof is van oordeel dat aan het feit dat de FIU de informatie ten onrechte in een proces-verbaal heeft vervat geen consequenties dienen te worden verbonden. Ook op basis van een rapportage van de FIU met precies dezelfde inhoud als het ‘proces-verbaal’ had de politie nader onderzoek in gang kunnen zetten. Aan de rechtmatigheid van het onderzoek doet dit naar het oordeel van het hof ook niet af. 3.2.2.4 Ontbrekende stukken uit het Fret-dossier Zoals hierboven opgemerkt, is uit de stukken duidelijk geworden dat er eerder een voorbereidend onderzoek heeft gelopen tegen de [ familie 1] . Dit onderzoek was een projectonderzoek en was niet gericht op de opsporing van strafbare feiten, zoals ook blijkt uit het door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte losse proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2014. Het daarvan opgemaakte dossier, ‘Fret’ genaamd, is door de raadslieden ter gelegenheid van de procedure in eerste aanleg ingezien en ter gelegenheid van het hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie stukken aan het hof en de verdediging doen toekomen die als Fret-dossier werden omgeschreven. Het hof heeft geconstateerd dat diverse stukken waarvan de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep heeft medegedeeld dat deze deel uitmaakten van het (ten tijde van de inzage in eerste aanleg geldende) Fret-dossier, zich ook bij de stukken bevinden die in juni 2020 door het Openbaar Ministerie aan het hof en de verdediging als ‘Fret’-dossier zijn aangeboden. Het hof merkt op dat de stukken van het Fret-dossier geen onderdeel uitmaakten van het procesdossier BRZ191, het procesdossier in de onderhavige strafzaak. In eerste aanleg heeft de verdediging die stukken uit het Fret-dossier mogen inzien en in tweede aanleg is aan haar een kopie verstrekt van hetgeen toen als Fret-dossier door het Openbaar Ministerie werd aangemerkt. Door deze laatste handeling is dat Fret-dossier aan het procesdossier toegevoegd. Het hof merkt voorts op, dat essentiële vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek door kunnen werken in het latere procesdossier en in zoverre van belang zijn bij de beoordeling of met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. In dat geval dient inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak te zijn gemaakt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet door een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Het hof acht het in het kader van het opzetten van een grootschalig onderzoek goed denkbaar dat daaraan een verkennend projectonderzoek voorafgaat. In het algemeen maakt een dergelijk verkennend projectonderzoek geen deel uit van het latere procesdossier, waardoor dit verkennend projectonderzoek veelal aan het zicht van de strafrechter onttrokken blijft. Door de raadslieden van de verdachten is naar voren gebracht dat er nog steeds stukken in het Fret-dossier ontbreken die zij in eerste aanleg hebben gezien tijdens de inzage van dat dossier. Het hof kan niet zelf vaststellen of gegevens in een eerder stadium wel of niet onderdeel hebben uitgemaakt van het Fret-dossier. Over de omvang van het Fret-dossier zijn verschillende, uiteenlopende uitlatingen gedaan. Zo heeft de raadsman van verdachte [betrokkene 9] gesproken over acht archiefdozen en heeft de als getuige gehoorde [mededader 4] junior (niet te verwarren met de verdachte [mededader 4] ), het over ‘een karretje met losse stukken, zo’n acht tot tien stapels’. Het hof constateert in elk geval dat onderdelen van het Fret-dossier die in eerste aanleg door de verdediging van belang werden geacht en toen zijn benoemd, thans deel uitmaken van het Fret-dossier. De verdediging heeft aangevoerd dat bepaalde stukken uit het Hosta-dossier thans ontbreken. Uit het verhandelde ter terechtzitting is het het hof echter gebleken dat het Hostadossier geen betrekking heeft op de in deze zaak tenlastegelegde feiten. Het betreft een ander strafdossier, dat geen rol speelt in de onderhavige strafzaak. Ook is aangevoerd dat een observatieverslag ontbreekt. Zoals het hof hiervóór al heeft overwogen, is geenszins aannemelijk geworden dat die observatie in het kader van het onderhavige strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, zodat dat verslag niet tot de conclusie kan leiden dat het strafrechtelijk onderzoek eerder een aanvang heeft genomen. De verdediging heeft voorts gewezen op thans ontbrekende handgeschreven aantekeningen, waaruit zou blijken dat sprake was van een ongeoorloofde uitwisseling van gegevens tussen de Belastingdienst, de gemeente en de politie. Tijdens de inzage van het Fret-dossier in eerste aanleg zijn door een van de verdachten foto’s gemaakt van een aantal van die handgeschreven aantekeningen. Deze foto’s zijn opgenomen in een in hoger beroep overgelegde pleitnota. Zoals het hof hierna nog zal bespreken, is van een onrechtmatige uitwisseling van gegevens echter geen sprake geweest, omdat die uitwisseling heeft plaatsgehad op basis van een convenant. Het hof kan niet uitsluiten dat in het in hoger beroep overgelegde Fret-dossier meer stukken ontbreken dan de zojuist genoemde. Het hof gaat er echter van uit dat als dat stukken zouden zijn die voor de onderhavige strafzaak van belang zouden zijn, de verdediging dat kenbaar zou hebben gemaakt. Zij heeft immers in eerste aanleg ook inzage gehad in het oorspronkelijke Fret-dossier. Vervolgens ligt de vraag voor of het feit dat thans stukken ontbreken in het Fret-dossier tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging zou moeten leiden. Zoals hiervóór is overwogen, is deze sanctie alleen mogelijk, indien door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Ten eerste merkt het hof op, dat niet kan worden vastgesteld welke stukken precies ontbreken in het in hoger beroep overgelegde Fret-dossier. Door de verdediging zijn echter geen ontbrekende stukken genoemd waarvan aannemelijk is dat die wezenlijk van belang zouden zijn voor de beoordeling van de onderhavige strafzaak. Bovendien heeft de verdediging die thans ontbrekende stukken dan in elk geval ingezien tijdens de inzage in eerste aanleg. Toen is immers inzage verleend in alle stukken die op dat moment deel uitmaakten van het Fret-dossier, inclusief de handgeschreven aantekeningen. Van het onthouden van stukken aan de verdediging is derhalve in het geheel geen sprake geweest. Het procesdossier is door de politie ingeleverd en het verkennend vooronderzoek is (ergens) achtergebleven.Inmiddels zijn er - sinds de eerste inzage - jaren verstreken. Het hof acht het daarbij niet ondenkbaar dat stukken van een onderzoek - dat reeds lang geleden is afgerond - op enig moment in het ongerede zijn geraakt, waaronder (persoonlijke) handgeschreven aantekeningen. Echter, het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een situatie waarin aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat sprake is van een onherstelbare inbreuk op dat recht die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze in hoger beroep is gecompenseerd. Het hof is derhalve van oordeel dat - voor zover er sprake is van ontbrekende stukken - dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden. Evenmin is het hof van oordeel dat alsnog nader onderzoek moet worden gedaan naar het ‘verdwijnen’ en ‘terugvinden’ van het Fret-dossier, zodat het verzoek tot het wijzen van een tussenarrest wordt afgewezen. Ook de overige (voorwaardelijke) verzoeken die door de verdediging zijn gedaan in het kader van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zoals het nader horen van getuigen, worden mitsdien door het hof afgewezen. 3.2.3 Ontbrekende stukken uit het onderzoeksdossier BRZ191 Na de laatste inhoudelijke zittingsdag, maar vóór de sluiting van het onderzoek, is door de verdediging schriftelijk naar voren gebracht - kort gezegd - dat uit nadere bestudering van de stukken en uit nadere inventarisatie van de aan de verdediging ter inzage gegeven dozen die op een politiebureau lagen en die het onderzoeksdossier BRZ191 en het Fret-dossier zouden bevatten, is gebleken dat dat niet de toegezegde 86 dozen waren, doch slechts een 75-tal dozen. Daaruit volgt volgens de verdediging dat het Openbaar Ministerie wederom slechts een deel van het dossier heeft verstrekt. De verdediging heeft verzocht om het Openbaar Ministerie duidelijkheid op dit punt te laten verschaffen. Het hof begrijpt dat dit verweer in het kader van de niet-ontvankelijkheid wordt gevoerd, nu het aansluit bij eerdere door de verdediging gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. Met de verdediging constateert het hof dat er geen sprake is geweest van het aanleveren van 86 dozen. Het hof constateert dat het om 76 dozen gaat, één meer dan door de verdediging op basis van een foto van de rolcontainers met die dozen is geteld. In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] d.d. 30 juli 2018 is gerelateerd dat het dossier BRZ191 en Fret tezamen 86 dozen zouden moeten beslaan. Het hof stelt vast dat het als ‘Fret’ bestempelde dossier, dat in dezelfde periode na de zitting van 15 juni 2020 is verstrekt aan het hof en de verdediging, geen deel uitmaakt van deze 76 dozen. Er kunnen naar het oordeel van het hof diverse mogelijke verklaringen zijn voor het afwijken van het aantal dozen: wanneer de dozen van het Fret-dossier worden meegerekend, bestaat het dossier uit een groter aantal dozen; het kan zijn dat in de archivering, waarvan in het proces-verbaal van bevindingen wordt gesproken, een opschoning heeft plaatsgevonden, waarbij dubbele stukken of stukken die reeds deel uitmaakten van het procesdossier zijn verwijderd; de stukken kunnen na het genoemde proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] uit oogpunt van ruimtebesparing simpelweg in minder dozen zijn gestopt (ook nu zijn immers niet alle dozen volledig vol; sommige dozen bevatten slechts één bundel, terwijl andere er twee of drie bevatten); en het kan een simpele typefout betreffen, in die zin dat in het genoemde proces-verbaal van bevindingen abusievelijk 86 is getypt in plaats van 76. Wat hiervan ook zij, de vraag die naar het oordeel van het hof voorligt is niet zozeer of het aantal dozen al dan niet minder is dan in het proces-verbaal van bevindingen is vermeld, maar of uit het feit dat er minder dozen zijn verstrekt dan het aantal dat eerder is gerelateerd, kan worden afgeleid dat aan het hof en de verdediging informatie is onthouden. Het hof merkt daarbij op dat het niet gaat om de hoeveelheid dozen waarin de stukken zijn verpakt, maar om de inhoud van die dozen. Het hof constateert dat in het procesdossier op een aantal plaatsen wordt verwezen naar het onderzoeksdossier, bijvoorbeeld met betrekking tot alle BOB processen-verbaal, BOB-bevelen en alle stukken die als gevolg van deze bevelen door de diverse instanties (onder andere banken, de gemeente en de Belastingdienst) zijn verstrekt. Het hof constateert dat al deze stukken zich in de aangeleverde dozen bevinden. Tevens bevatten de dozen onder andere het complete strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Het hof mist in die dozen in het geheel geen stukken. Het onderzoeksdossier dat zich in de aangeleverde 76 dozen bevindt en dat voor alle duidelijkheid betrekking heeft op het onderzoek BRZ191, dus op de periode nadat het onderzoek BRZ191 een aanvang had genomen, bevat wat het krachtens het procesdossier ook zou moeten bevatten. Door de verdediging is niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat in die dozen stukken zouden ontbreken die betrekking hebben op de periode nadat het onderzoek BRZ191 was aangevangen. Uit het enkele feit dat het aantal dozen in 2020 10 minder is dan in het in 2018 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd, kan dit in elk geval niet worden afgeleid.Met betrekking tot dit onderdeel constateert het hof geen onrechtmatigheden en komt het hof derhalve niet toe aan de vraag of eventuele onrechtmatigheden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden moeten leiden. 3.2.4 De gang van zaken omtrent het Fret-dossier In eerste aanleg heeft er door de verdediging inzage plaatsgevonden in het Fret-dossier. Door het hof is in hoger beroep op verzoek van de verdediging bepaald dat dit dossier van het vooronderzoek aan de verdediging moet worden verstrekt. Aan de verdediging zijn vervolgens stukken ter beschikking gesteld waarvan door haar naar voren werd gebracht dat deze niet het (volledige) Fret-dossier bevatten. Hierna is op verzoek van het hof door het Openbaar Ministerie een zoekslag gemaakt, waarna werd medegedeeld dat er geen andere stukken waren aangetroffen. Een paar dagen nadat door de [ familie 1] voor een politiebureau in ’s-Hertogenbosch was gedemonstreerd, werd op de laatst geplande dag van de inhoudelijke behandeling, op 15 juni 2020, alsnog een aantal stukken aangetroffen op het arrondissementsparket Oost-Brabant, die mogelijk (onderdelen van) het Fret-dossier vormden. Vanwege de geldende coronamaatregelen, nam een aantal verdachten en raadslieden via een livestream, een Skype-verbinding, deel aan die zitting op 15 juni 2020. Tijdens een pauze heeft de advocaat-generaal tegen een aantal personen dat zich op dat moment in de zittingszaal bevond uitlatingen gedaan met betrekking tot het Fret-dossier, terwijl die livestream nog liep. Deze uitlatingen zijn kennelijk door een van de verdachten die de zitting via de livestream volgde opgenomen en zijn vervolgens in de media terechtgekomen. Tijdens de daaropvolgende zittingen hebben verschillende verdachten herhaald wat de advocaat-generaal tijdens die pauze heeft gezegd, onder andere dat sprake was van een ‘vuil spel’ en dat het Openbaar Ministerie wat haar betreft niet-ontvankelijk zou mogen worden verklaard. De vraag die voorligt is of deze gang van zaken met betrekking tot het Fret-dossier tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden. Het hof stelt vast dat niet direct gevolg is gegeven aan zijn beslissing om het Fret-dossier (volledig) te verstrekken aan de raadslieden en het hof. Het hof heeft echter geen aanwijzingen dat bij het verstrekken van de eerste stapel stukken onder de benaming ‘Fret’, de politie of het Openbaar Ministerie het hof opzettelijk op het verkeerde been heeft willen zetten. Het hof gaat ervan uit dat, zoals door de advocaat-generaal is betoogd, de politie de gegevens die betrekking hadden op het projectonderzoek voorafgaande aan BRZ191 uit de systemen had gehaald, terwijl de stukken op een later moment alsnog bij het arrondissementsparket zijn aangetroffen. Het hof beschouwt dit als een buitengewoon ongelukkige gang van zaken, die tot vertraging van de procedure en tot ergernis van alle bij de procedure betrokken personen heeft geleid. De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van 22 september 2020 naar voren gebracht, dat haar gewraakte uitlatingen tijdens een pauze uit emotie zijn gedaan en dat die niet het standpunt van het Openbaar Ministerie weergaven. Het hof gaat ervan uit dat deze uitlatingen, nu zij tijdens de pauze zijn gedaan en bestemd waren voor de personen met wie de advocaat-generaal op dat moment in gesprek was, niet wetende dat de livestream nog liep, uit pure emotie en frustratie omtrent de gang van zaken zijn gedaan. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde uitlatingen niet het standpunt van het Openbaar Ministerie betreffen. Het hof gaat dan ook aan deze uitlatingen voorbij. Het hof is van oordeel dat door deze gang van zaken geen sprake is van een situatie waarin het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat hierdoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het gaat naar het oordeel van het hof namelijk niet om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze in hoger beroep is gecompenseerd. Daarbij neemt het hof in overweging dat de verdediging, zowel in eerste aanleg als uiteindelijk in hoger beroep, heeft gekregen waarom zij had gevraagd, namelijk inzage in respectievelijk verstrekking van het Fret-dossier. Wel heeft de gang van zaken hieromtrent geleid tot een langere duur van het strafproces. Dit aspect zal hierna worden meegenomen bij de beoordeling van de redelijke termijn. 3.2.5 Ongeoorloofde gegevensuitwisseling Door de verdediging is aangevoerd dat uit de Fret-stukken naar voren komt dat er overleg is gepleegd tussen de belastingautoriteiten enerzijds en de gemeente en de politie anderzijds en dat daarbij ongeoorloofde gegevensuitwisseling heeft plaatsgevonden, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden. Het hof stelt het volgende voorop. In het kader van de aanpak van de ondermijnende criminaliteit wordt overleg tussen de gemeente, de Belastingdienst en het politieapparaat als positief beoordeeld. Om deze aanpak te stroomlijnen en te bevorderen worden hieromtrent convenanten gesloten. In beginsel is er niets mis met het feit dat de gemeente, de Belastingdienst en de politie samenwerken bij de aanpak van ondermijning. Dit wordt alleen anders wanneer in strijd met wettelijke regels informatie zou zijn uitgewisseld. Anders dan de rechtbank, overweegt het hof dat deze gegevensuitwisseling plaats heeft kunnen vinden op basis van het in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegde convenant, zijnde het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad, Regio Brabant-Noord, Midden en West Brabant en Zeeland (Breda, d.d. 27 oktober 2009). In dit convenant is vastgelegd - het hof wijst daarbij op artikel 4.1, 4.2, 4.4 en 5.1, 5.3-5.5 - onder welke voorwaarden gegevensuitwisseling tussen de decentrale convenantpartners kan plaatsvinden. Het hof stelt allereerst vast de gegevensuitwisseling heeft plaatsgevonden in overeenstemming met dit convenant. Bij de gegevensuitwisseling speelt voorts een rol dat de gegevensverstrekking heeft plaatsgevonden van de zijde van de Belastingdienst dan wel de gemeente richting de politie. Dat de politie informatie zou hebben verstrekt aan de gemeente of de Belastingdienst is niet aannemelijk gebleken. De gegevensverstrekking heeft derhalve niet plaatsgevonden door ambtenaren die bij de opsporing en vervolging zijn betrokken en de handelwijze van deze ambtenaren speelt derhalve in het kader van al dan niet gepleegde vormverzuimen in het strafrechtelijk onderzoek geen rol. Daarbij merkt het hof nog op dat, blijkens het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 24 juni 2014 en zijn verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 29 september 2015, het onderlinge contact tussen gemeente, Belastingdienst en politie in eerste instantie zag op het verkennen van de mogelijkheden van een gezamenlijk handhavend optreden en dat uiteindelijk het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) erbij is betrokken, welke instantie een voorstel heeft gedaan om overlap tussen de onderzoeken door politie, de Belastingdienst en de gemeente te voorkomen. Van een willekeurige verstrekking van informatie aan onbekende derden is derhalve geen sprake geweest; er is uitsluitend overleg geweest tussen functionarissen om tot een afgestemde aanpak te komen. Van een vormverzuim is dan ook geen sprake, zodat het hof niet toekomt aan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. 3.2.6 Schending verbaliseringsplicht Door de verdediging is aangevoerd dat in het kader van het voorbereidend onderzoek door de verbalisanten de verbaliseringsplicht is geschonden. Artikel 152 luidt als volgt: ‘1. De ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. 2. Het opmaken van proces-verbaal kan onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie achterwege worden gelaten.’ Nu er sprake was van een verkennend vooronderzoek en dit onderzoek niet heeft plaatsgehad in het kader van de opsporing van strafbare feiten, is dit artikel niet direct van toepassing. Dat betekent echter niet, zo blijkt ook uit de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie, dat in de fase die aan het opsporingsonderzoek voorafgaat, al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek, mag worden afgezien van verslaglegging in enigerlei vorm, aangezien immers - zo nodig - moet kunnen worden teruggegrepen op hetgeen in die voorfase is bevonden in het geval die voorfase wordt gevolgd door een opsporingsonderzoek. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de verantwoording van de (wijze van ontstaan van
- de)verdenking, zoals neergelegd in de hiervoor reeds geanalyseerde processen-verbaal van verdenking tegen de verdachten en het- op verzoek van de officier van justitie opgestelde - aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 24 juni 2014 ter zake van de fase voorafgaand aan het opsporingsonderzoek, een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om alle bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen en de verdediging de beschikking heeft gekregen over de stukken die door het Openbaar Ministerie als Fret-dossier zijn benoemd en waarvan het hof heeft geconstateerd dat een groot deel van de bescheiden, die volgens de verdediging deel uitmaakten van het in eerste aanleg ingeziene Fret-dossier, ook deel uitmaken van het uiteindelijk in hoger beroep aan de verdediging en het hof verstrekte Fret-dossier, zijnde de stukken met betrekking tot het verkennend projectonderzoek voor het onderzoek BRZ191. Ook hier is derhalve geen sprake van een vormverzuim. 3.2.7 Schending van het nemo-teneturbeginsel Door de verdachten, in het bijzonder [mededader 2] , is naar voren gebracht dat tussen de [ familie 1] en de Belastingdienst een goede verstandhouding bestond en dat zij in de loop der jaren een groot aantal gegevens aan de Belastingdienst hebben verstrekt, onder meer met betrekking tot de verantwoording van de financiering van de onroerende bezittingen die verdachten op hun naam hadden staan. Verdachten zouden, volgens de verdediging, op grond van de wet (artikel 47 AWR) telkens ook verplicht zijn om deze informatie - op verzoek van de Belastingdienst - te verstrekken. Omdat verdachten, vanwege hun culturele achtergrond, niet beschikten over schriftelijke stukken waaruit kon blijken wat de herkomst van de gelden waren waarmee in de loop van de tijd de verschillende panden waren aangekocht (in de cultuur van verdachten zou mondelinge vaststelling gebruikelijk zijn en ook volstaan), zouden verdachten, mede op aangeven van de Belastingdienst, ertoe zijn overgegaan om de herkomst van deze gelden achteraf schriftelijk vast te leggen in overeenkomsten en verklaringen, teneinde op die manier te kunnen voldoen aan het verzoek van de Belastingdienst om gegevens te verstrekken. Gelet hierop dienen deze door verdachten op verzoek van de Belastingdienst opgestelde en aan laatstgenoemde ter beschikking gestelde stukken te worden aangemerkt als wilsafhankelijk bewijsmateriaal, zoals bedoeld in de uitspraak van het EHRM in de zaak Saunders v. VK. Het betreft hier bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen, waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van verdachte en dat om die reden niet voor het bewijs in de onderhavige strafzaak mag worden gebruikt, omdat dat in strijd zou komen met het beginsel dat een verdachte niet gedwongen mag worden om aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt. Door de rechtbank is opgemerkt dat de verdediging niet erg nauwgezet is in het benoemen van de gegevens die verdachten op de voet van artikel 47 AWR hebben verstrekt en waar het beroep op het nemo-teneturbeginsel betrekking op heeft. Naar de rechtbank begrijpt worden daar in ieder geval mee bedoeld de bescheiden waar de aan verdachten verweten valsheidsdelicten betrekking op hebben. In de pleitnota’s in de zaken van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] lijkt het verweer echter mede gericht te zijn op andere gegevens die verdachten naar aanleiding van de brieven van de Belastingdienst van 21 februari 2011 en 25 november 2011 aan de Belastingdienst hebben verstrekt. Nu echter niet nader is toegelicht of gespecificeerd welke concrete invloed laatstbedoelde informatie heeft uitgeoefend op (de aanvang c.q. de loop van) het onderzoek (zo al kan worden aangenomen dat de Belastingdienst die informatie met de politie heeft gedeeld) acht de rechtbank het verweer in zoverre ontoereikend onderbouwd. Voor zover het verweer betrekking heeft op de (veertien) schriftelijke stukken die blijkens de onderscheidenlijke tenlasteleggingen valselijk zouden zijn opgemaakt, heeft de rechtbank het navolgende overwogen. Door de rechtbank is overwogen dat, voor zover verdachten stukken spontaan aan de Belastingdienst hebben verstrekt ter onderbouwing van door hen ingediende bezwaarschriften tegen opgelegde belastingaanslagen, geen sprake kan zijn van schending van het verbod op zelfincriminatie, nu immers in zoverre niet gesproken kan worden van afgedwongen afgifte. De rechtbank verwijst naar de verklaring van [betrokkene 16] ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 september 2014 op pagina 5: ‘ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door de [ familie 1] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten.’ Door de verdediging is betoogd dat de veertien overeenkomsten moeten worden beschouwd als wilsafhankelijk materiaal, reeds nu de betreffende documenten immers door verdachten zelf zijn opgesteld en derhalve afhankelijk van hun wil tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft deze uitleg verworpen, omdat de omstandigheid dat de verdachte het document zelf heeft vervaardigd niet beslissend is bij de beoordeling of sprake is van wilsafhankelijk materiaal. Beslissend voor het antwoord op de vraag of het nemo-teneturbeginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een - al dan niet in een document vervatte - verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. De beantwoording van deze vraag hangt af van de aard van de in het document vervatte verklaring, waarbij de omstandigheid dat de verdachte de verklaring zelf heeft vervaardigd, niet beslissend is (vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666, rov. 4.3.). De rechtbank is van oordeel dat, gezien de inhoud en het karakter van de documenten, deze documenten geen (afgedwongen) verklaringen inhouden van verdachten waarvan het gebruik in de onderhavige strafprocedure het recht van de verdachten om niet aan hun eigen veroordeling mee te werken zinledig zou maken. Een aantal van de tenlastegelegde documenten betreffen immers verklaringen die, blijkens de inhoud, kennelijk zijn afgelegd door [betrokkene 17] (twee keer) en [betrokkene 18] ; deze kunnen reeds uit dien hoofde niet (tevens) inhouden een verklaring van verdachten. Voor wat betreft de overige documenten heeft de rechtbank vastgesteld dat het overeenkomsten betreft waarbij behalve (één of meer van
- de)verdachten, telkens ook een derde partij als contractant betrokken is. Ook indien [mededader 4] wordt gevolgd in zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg dat de overeenkomsten zijn opgesteld nadat de Belastingdienst de familie had gevraagd om schriftelijke stukken met betrekking tot de verschillende leningen, dan betekent dit nog niet dat de naar aanleiding daarvan opgestelde overeenkomsten daardoor het karakter hebben gekregen van een verklaring van verdachten, te meer nu niet gezegd kan worden dat verdachten verplicht waren om dergelijke stukken (al dan niet achteraf) op te stellen teneinde deze ter beschikking van de Belastingdienst te stellen. Voor zover het beroep op het nemo-teneturbeginsel ertoe strekt bezwaar te maken tegen het gebruik van genoemde veertien documenten (als wilsafhankelijk materiaal) in het kader van de aan verdachten verweten betrokkenheid bij het valselijk opmaken ervan, wordt daarbij volgens de rechtbank miskend dat het ingeroepen beginsel geen excuus vormt om onjuiste c.q. valse informatie te verstrekken. Het recht ‘to remain silence’ omvat niet het recht onwaarheid te spreken of valse verklaringen af te geven en het recht ‘not to contribute to incriminating himself’ omvat niet het recht alles te doen wat ertoe kan bijdragen een ‘een verdenking te vermijden of af te wenden’. Of anders gezegd: het nemo-teneturbeginsel vormt geen vrijbrief om onwaarheid te verkondigen of documenten met een bewijsbestemming valselijk op te maken en het staat niet aan een vervolging van verdachten in de weg ingeval er aanwijzingen bestaan dat zij daar op enigerlei strafbare wijze bij betrokken zijn (geweest). Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de rechtbank aan. Ter aanvulling overweegt het hof het volgende. Voorop dient te worden gesteld dat een belastingplichtige op grond van artikel 47 AWR verplicht is om aan de belastinginspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. Daaraan staat artikel 6 EVRM niet in de weg (vgl. EHRM 10 september 2002, no. 76574/01, ECLI:NL:XX:2002:BI9566 (Allen tegen het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 21 april 2009, no. 19235/03, ECLI:NL:XX:2009:BJ3599, NJ 2009/557 (Marttinen tegen Finland, rov. 68). Het hof stelt vast dat in casu ten tijde van de bovengenoemde contacten met de Belastingdienst het strafrechtelijk onderzoek jegens de verdachten nog niet was gestart. Van enige bijdrage tot het bewijs van de verdenking van strafbare feiten was dan ook geen sprake, omdat deze verdenkingen immers nog niet bestonden (vgl. HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1141, rov. 6.5.2.). Daarbij komt dat niet alleen de enkele omstandigheid dat de verdachte de verklaring zelf heeft vervaardigd - zoals hiervoor door de rechtbank reeds aangegeven - niet beslissend moet worden geacht. Evenmin wordt in dezen de enkele omstandigheid dat de medewerking van de verdachte nodig is ter verkrijging van documenten waarin een verklaring van de verdachte is vervat, als zodanig beslissend geacht (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3354, rov. 2.4. en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129, rov. 3.8.2.). Van schending van het nemo-teneturbeginsel is derhalve geen sprake. 3.2.8 Schending geheimhoudingsplicht De verdediging heeft zich beklaagd over het feit dat de fiscale autoriteiten de ingevolge artikel 67 AWR op hen rustende geheimhoudingsplicht hebben geschonden door: reeds vóórdat er vorderingen ex artikel 126nd Sv waren gedaan onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallende informatie uit te wisselen, en bij het verstrekken van informatie naar aanleiding van de successievelijke artikel 126nd Sv-vorderingen ook gegevens te verstrekken met betrekking tot andere belastingplichtigen dan degene op wie de vordering betrekking heeft. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat wat dit laatste aangaat dat het verweer - onder verwijzing naar hetgeen omtrent de start van het onderzoek en naar aanleiding van de analyse van de successievelijke processen-verbaal van verdenking en de BOB-stukken is overwogen -feitelijke grondslag ontbeert en in zoverre moet worden verworpen. Voor wat betreft de uitwisseling van fiscale gegevens voorafgaand aan formele vorderingen ex artikel 126nd Sv moet het verweer worden verworpen bij gebreke van een nadere toelichting waarom de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht door de fiscale autoriteiten een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert met alle (eventueel) daaraan te verbinden rechtsgevolgen van dien, in aanmerking nemende dat de gewraakte gedragingen niet zijn verricht door het Openbaar Ministerie noch door opsporingsambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Door de verdediging wordt wel gesteld dat, maar niet toegelicht waarom het gebruik maken van deze (door het onrechtmatig handelen van anderen) verkregen gegevens een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert en dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring. Het Openbaar Ministerie is echter niet verantwoordelijk voor de eventuele schending van geheimhoudingsverplichtingen door medewerkers van de Belastingdienst in het kader van de uitwisseling van fiscale gegevens en het staat hem in beginsel vrij om gebruik te maken van de gegevens die door de fiscale autoriteiten zijn verstrekt. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd welke kunnen leiden tot een ander oordeel, terwijl het hof van het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden bij kennisneming van het dossier ook niet is gebleken. Nu het in dezen gaat om handelen van ambtenaren die niet bij de opsporing en vervolging betrokken zijn, betreft het handelen dat buiten het voorbereidend onderzoek valt zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Eventuele onrechtmatige uitoefening van bevoegdheden die niet onder het voorbereidend onderzoek valt, vormt geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. 3.2.9 3.2.9 Het beginsel van zuiverheid van oogmerk Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, daarin bestaande dat bij het onderzoek niet de materiële waarheidsvinding voorop heeft gestaan. Uit de (wijze van) verhoren van (oud-) [notaris] respectievelijk het aanvankelijk afzien van een verhoor van kandidaat-notaris [betrokkene 10] , zou volgens de verdediging blijken dat de opsporingsambtenaren er slechts op uit waren om belastend bewijsmateriaal tegen verdachten te vergaren. Dit werd verder versterkt door het fenomeen ‘othering’, waarbij de (van verbalisanten) afwijkende cultuur, afkomst en achtergrond van verdachten een negatieve invloed uitoefende op het onderzoek en de bejegening van verdachten. Met de rechtbank verwerpt het hof dit verweer reeds vanwege het feit dat - zo al sprake is geweest van vooringenomenheid bij het verhoor van [notaris] c.q. bij de beslissing om af te zien van verhoor van [betrokkene 10] - dit geen onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv, nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad de betrokken personen (nader) te doen horen bij de rechter-commissaris en daarmee in zoverre eventuele gebreken c.q. tekortkomingen in het onderzoek heeft kunnen corrigeren. Naar mag worden aangenomen heeft bij die gelegenheid het fenomeen ‘othering’ geen verstorende invloed uitgeoefend, althans de verdediging heeft daarvan geen melding gemaakt. Ter gelegenheid van het hoger beroep is dit verweer in allerlei bewoordingen zowel door de verdachten als door de raadslieden herhaald: omdat er sprake was van een andere cultuur stonden de verdachten met 3-0 achter, de politie wilde nergens naar kijken, maar wilde maar één ding, de verdachten veroordeeld krijgen, aldus de verdediging. Dergelijke bewoordingen werden in hoger beroep niet alleen gebruikt jegens de opsporingsambtenaren, maar ook jegens het Openbaar Ministerie en jegens het hof. Toen het hof de behandeling van de zaak ter terechtzitting op 15 juni 2020 aanhield omdat (onderdelen van) het Fret-dossier mogelijk waren teruggevonden, om welk dossier zowel de verdachten als de raadslieden meermalen hadden verzocht, riep [mededader 4] zelfs ‘racisten’ naar de leden van het hof. Met verve werd betoogd dat in het gehele onderzoek de verdachten werden gediscrimineerd en dat zij daarom geen eerlijk proces kregen. Het hof wijst al deze beweringen met klem van de hand. Er heeft een zeer uitvoerig onderzoek plaatsgevonden en de verdachten werden allen bijgestaan door zeer kundige raadslieden. In het kader van de behandeling in eerste aanleg is tegemoet gekomen aan een groot deel van de onderzoekswensen: er is een rapport opgemaakt over de cultuur van de Roma door een daartoe aangewezen deskundige, er zijn diverse getuigen gehoord en de rechtbank heeft ruim de tijd genomen om tijdens een groot aantal zittingsdagen alle onderdelen van de zaak, waaronder de persoonlijke omstandigheden en de cultuur van de Roma, aan de orde te laten komen. Ook het hof heeft in hoger beroep diverse onderzoekswensen van de verdediging toegewezen. Het hof heeft in het zeer uitgebreide strafrechtelijke onderzoek op geen enkele wijze kunnen constateren dat de verdachten, die deel uitmaken van een culturele minderheid, vanwege die achtergrond anders zijn behandeld dan verdachten zonder een dergelijke achtergrond zouden zijn behandeld. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden geconstateerd dat er op deze gronden geen sprake zou zijn van een eerlijk proces. Het hof komt aan eventuele conclusies daaromtrent dan ook niet toe. Het hof merkt voorts het volgende op. De verdachten waren tijdens de gehele procedure en op alle zittingen in meer of mindere mate boos en verontwaardigd. Daarbij werd in het bijzonder gewezen op de ‘inval’ in december 2010 door medewerkers van de Belastingdienst en de gemeente, vergezeld van een aantal politieagenten. Het gebeuren werd door de verdachten vergeleken met het optreden door de SS en de Nazi’s. Na die inval hebben de verdachten naar eigen zeggen nooit meer goed kunnen functioneren; men heeft er een trauma door opgelopen. De moeder respectievelijk oma van een aantal verdachten deed dit denken aan de Tweede Wereldoorlog en is korte tijd daarna overleden. Ze waren schandalig behandeld door de Nederlandse overheid. De raadsman van [mededader 5] heeft bij pleidooi zelfs betoogd dat de Nederlandse samenleving zich diep zou moeten schamen voor de manier waarop zij deze minderheid heeft behandeld. Het hof stelt voorop, dat het handelen van de Belastingdienst en de gemeente niet ter beoordeling aan hem voorligt, maar nu deze boosheid en verontwaardiging tijdens de zittingsdagen zo een belangrijke rol hebben gespeeld, acht het hof het juist om hier iets over op te merken. Het hof begrijpt deze boosheid en verontwaardiging van de verdachten niet. Geen van de verdachten had ten tijde van de inval een (legale) baan of een bedrijf, althans, geen van de familieleden had aan de Belastingdienst aangifte gedaan van enig inkomen. De meeste van hen hadden een bijstandsuitkering. Ondertussen woonden zij in huizen met een totale WOZ-waarde van ongeveer 7 miljoen euro. Een aantal van die huizen waren - blijkens Google Streetview, een openbaar toegankelijke bron op internet - villa’s, gelegen op grote percelen met een oprijlaan. Daarnaast beschikte de familie over een luxe wagenpark, waarvan meerdere Mercedessen, een Rolls Royce en een Hummer deel uitmaakten. Ook werden er contante stortingen gedaan van zeer grote geldbedragen. De meeste mensen kunnen alleen maar dromen van een dergelijke levensstandaard. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet onbegrijpelijk dat de Belastingdienst en de gemeente in het kader van hun controlebevoegdheden poolshoogte wilden nemen in de woningen van de verdachten. Ook is het voorstelbaar dat zij zich daarbij lieten bijstaan door de politie. Zoals het hof hiervóór al heeft overwogen, kunnen de leden van de [ familie 1] zich namelijk, zeker in groepsverband, redelijk intimiderend gedragen, zoals het hof zelf ook heeft ervaren tijdens de terechtzitting op 15 juni 2020 en 22 september 2020. 3.2.10 3.2.10 De ‘inval ’ op 8 december 2010 Door de verdediging is een aantal niet-ontvankelijkheidsverweren verbonden aan de ‘inval’ die plaatsvond op 8 december 2010 in het pand aan de [d-straat 1] te [plaats] . Op die datum is door de Belastingdienst in de voornoemde woning onderzoek gedaan. Dit is gedaan met een ‘overmacht’ aan personen. Aangevoerd is dat dit onderzoek eigenlijk een politieonderzoek betrof en dat daarbij onrechtmatig is binnengetreden en onrechtmatig is opgetreden. De politie zou handelingen hebben verricht waartoe zij niet gerechtigd was, zoals het doorzoeken van de woning. Hieromtrent is volgens de verdediging ook geen openheid van zaken gegeven. De Belastingdienst heeft aldus onrechtmatig opgétreden, aldus de verdediging. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. In het aanvangsproces-verbaal is gerelateerd dat door de Belastingdienst een omvangrijk onderzoek is verricht op 8 december 2010, waarbij de Belastingdienst is vergezeld door de politie. Het hof gaat er niet vanuit dat dit onderzoek in een aantal woningen bij aanvang een strafrechtelijk onderzoek was, nu bij het onderzoek geen rechter-commissaris betrokken was, hetgeen voorschrift is bij (mogelijke) doorzoekingen in het kader van het strafrecht. Daarbij verwijst het hof eveneens naar het hiervóór overwogene met betrekking tot het draaiboek van de actie. Uit dit draaiboek komt naar voren dat het ging om een ondersteunende actie van de politie. Hierin is immers het volgende vermeld: ‘Voor de adressen waar zal worden binnengetreden bestaat dit team uit een HOvJ, een locatiecoördinator en acht medewerkers van Politie, welk team per adres minimaal twee deurwaarders van de Belastingdienst en diverse medewerkers van de gemeente zullen ondersteunen.’ Het feit dat de Belastingdienst zich in verband met de orde en veiligheid laat vergezellen door politieambtenaren, is in dat kader niet onrechtmatig. Uit de stukken is naar voren gekomen dat de ambtenaren van de Belastingdienst bovendien met toestemming van de bewoners zijn binnengetreden. Voor wat betreft dat aspect is er derhalve ook geen sprake van enige onrechtmatigheid. Voor zover de verweren betrekking hebben op eventuele onrechtmatige handelingen die gepleegd zouden zijn door belastingambtenaren, gaat het hof aan dit verweer voorbij, nu het bij handelingen gepleegd door belastingambtenaren niet gaat om handelen van ambtenaren die bij de opsporing en vervolging zijn betrokken en het derhalve handelen betreft dat buiten het voorbereidend onderzoek valt zoals bedoeld in art. 359a Sv. Eventuele onrechtmatige uitoefening van bevoegdheden die niet onder het voorbereidend onderzoek valt, vormt geen vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Evenmin is gebleken dat daarbij toezichtsbevoegdheden onrechtmatig werden gebruikt ter opsporing, waardoor (eigenlijk) sprake was van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek Het hof wijst voorts nog op de volgende, reeds eerder geciteerde passage, afkomstig uit het proces-verbaal van aanvang van het onderzoek. ‘Op 8 december 2010 werd door de Belastingdienst Oost-Brabant en de gemeente [plaats] een controle ingesteld in de woning aan de [d-straat 1] te [plaats] . Door de Belastingdienst werd een aantal aanslagen betekend (vanaf 2005) en er werd beslag gelegd op een aantal onroerende goederen. Gedurende deze actie werden meerdere panden doorzocht. In het kader van integrale aanpak maakte de gemeente [plaats] deel uit van deze actie. De politie droeg die dag zorg voor de veiligheid van belasting- en gemeenteambtenaren, en was daartoe aanwezig gedurende de voornoemde actie. In de woning werd onder andere de hoofdbewoner aangetroffen, genaamd [mededader 8] , geboren op [geboortedatum] 1992. Aantreffen wapens en munitie Gedurende de actie van de Belastingdienst op 8 december 2010 werd munitie aangetroffen, welke strafbaar is gesteld in de Wet Wapens en Munitie. Door de Belastingdienst werd het onderzoek in de woning bevroren. Vervolgens werd de zaak overgedragen aan de politie. Door de politie werd vervolgens een doorzoeking verricht op grond van de Wet Wapens en Munitie, naar aanleiding van het feit dat er munitie was aangetroffen. Gedurende de doorzoeking werden wapens en munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. Hiervan werd een afzonderlijkproces-verbaal opgemaakt door de plaatselijke politie. Dit proces-verbaal wordt niet opgenomen in dit einddossier.’ Het hof constateert dat in het kader van dit onderzoek door de Belastingdienst naar aanleiding van een vondst van munitie, de woning is ‘bevroren’ en is overgedragen aan de politie, waarna een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking zijn kennelijk, afgaande op het bovenstaande, wapens en munitie aangetroffen. Het hof sluit niet uit dat het politieonderzoek en de doorzoekingen waar de politieambtenaren over hebben verklaard tijdens hun verhoren bij de raadsheer-commissaris betrekking hebben op dit onderzoek. Zelfs wanneer dat anders is en de politieambtenaren op enig moment ongeoorloofd gedrag zouden hebben vertoond, bijvoorbeeld door in strijd met de wet te (door)zoeken, is niet gesteld of gebleken dat dit tot bevindingen heeft geleid die in het onderzoek BRZ191 - dat op dat moment nog niet was gestart - op enigerlei wijze een rol hebben gespeeld. Het hof gaat dan ook aan dit verweer voorbij en is van oordeel dat dit niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. 3.2.11 Schending van de redelijke termijn Anders dan de verdediging stelt, kan overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.21; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9532, rov. 2.2. en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, rov. 2.4.). De strekking van het in artikel 6 van het EVRM neergelegde vereiste van behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is dat de verdachte niet te lang in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn zaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat politie of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte hebben aangestuurd op een lang tijdsverloop, dan wel dat aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat hierdoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, is dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Niet-ontvankelijkheid vanwege schending van de redelijke termijn is dan ook niet aan de orde. Dat neemt niet weg dat wel sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals het hof hierna zal overwegen bij de op te leggen sanctie. Het hof zal daarmee rekening houden bij de bepaling van de hoogte van de straf. 3.3 Conclusie De verweren met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging worden verworpen. Nu ook overigens geen gronden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging in de weg staan, kan het Openbaar Ministerie hierin worden ontvangen.” 4.2 De eerste drie deelklachten van het middel hebben telkens in de kern betrekking op de vermeende onvolledigheid van het onderzoeksdossier zoals dat aan de verdediging ter beschikking is gesteld dan wel waar zij inzage in heeft kunnen krijgen, in het bijzonder (gedeelten van) de dossiers die zijn aangemerkt als het “Fret-dossier” en het “BRZ191-dossier”. Als gevolg van de onvolledigheid zou de verdediging de stelling dat sprake zou zijn van een “eerder aanvangsmoment” van het opsporingsonderzoek onvoldoende hebben kunnen onderbouwen, mede waardoor ze het op artikel 6 EVRM geënte niet-ontvankelijkheidsverweer onvoldoende kon schragen, terwijl het hof – gelet hierop onterecht – aan de verdediging zou hebben tegengeworpen dat het de vermeende vormverzuimen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vierde deelklacht heeft betrekking op de gegevensuitwisseling tussen en daarmee samenhangende schending van geheimhoudingsplichten van bij het onderzoek betrokken partijen, waaronder de “belastingautoriteiten”, de gemeente en de politie. Betwist wordt dat het “convenant” waarover in de bestreden uitspraak wordt gerept hiervoor een toereikende basis zou bieden, terwijl voorts wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat een en ander zich niet zou lenen voor sanctionering langs de weg van art. 359a Sv omdat eventuele vormverzuimen zich niet zouden hebben afgespeeld in het onderzoek naar het tenlastegelegde feit onbegrijpelijk zou zijn, gelet op het feit dat ook buiten dit onderzoek ruimte zou zijn voor het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen. 4.3 Ik meen dat geen van deze klachten kan slagen. Daartoe wijs ik op het volgende. Voor het slagen van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM is vereist dat – kort gezegd – geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Voor de sanctie van bewijsuitsluiting geldt eveneens dat deze niet snel aan de orde komt als niet anders van een schending van art. 6 EVRM sprake zou zijn (vgl. 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021, 169, m.nt. Jörg). Uit de uitvoerige overwegingen van het hof blijkt naar mijn idee dat verschillende pogingen zijn ondernomen om eventuele lacunes in de dossiervorming te verhelpen, terwijl het hof de vraag of er uiteindelijk daadwerkelijk stukken hebben ontbroken in het midden heeft gelaten. De bij de verdediging levende overtuiging dat de stukken niet compleet zouden zijn vindt haar oorsprong in hoofdzaak in het feit dat de verdediging in eerste aanleg inzage zou hebben gekregen in enkele tientallen dozen waarvan een gedeelte, volgens de verdediging, in appel niet meer vindbaar bleek. Welke stukken in deze fase precies ontbraken is door de verdediging volgens het hof onvoldoende gesubstantieerd. Dat het hof dit aan de verdediging heeft tegengeworpen acht ik niet onbegrijpelijk. Uiteraard kan niet van de verdediging gevergd worden dat alle ter inzage aangeboden stukken haar, ook jaren later, nog gedetailleerd voor de geest staan. Maar indien sprake zou zijn van aanknopingspunten die een schending van art. 6 EVRM in beeld zouden brengen zou, naar het mij voorkomt, van de verdediging wel een in enige mate nader toegelicht verzoek mogen worden verwacht waarin wordt ingegaan op de aard en/of globale inhoud van de vermeendelijk ontbrekende stukken alsmede de aard van de (dreigende) schending van art. 6 EVRM. Voor wat betreft de klacht dat sprake zou zijn van ontoelaatbare gegevensuitwisseling (de vierde deelklacht) geldt dat, zo al sprake zou zijn van enig vormverzuim, mij niet duidelijk wordt op welke manier dit zou resulteren in een met bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid te sanctioneren schending van het recht op een eerlijk proces. Dat sprake zou zijn van een schending van art. 8 EVRM en langs die weg besloten zou moeten worden tot bewijsuitsluiting is mij evenmin gebleken en, voor zover ik kan zien, ter zitting in hoger beroep ook niet aangevoerd. 4.4 Het middel faalt. 5. Het tweede middel heeft betrekking op het onder 1 tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat het hof in de bewezenverklaring een gedraging heeft opgenomen waarvan het de verdachte blijkens de bewijsoverwegingen heeft willen vrijspreken, waardoor het arrest op dit punt innerlijk tegenstrijdig is. 5.1 Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat: “hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2005 tot en met 3 april 2012 in Nederland (telkens) alleen: voor zover betreffend de gedragingen onder a en tezamen en in vereniging met een ander of anderen: voor zover betreffend de gedragingen onder b en c van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door van meer voorwerpen de herkomst te verhullen en door voorwerpen te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en van die voorwerpen gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of(een of meer van) zijn mededader(s), a. in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 april 2012 hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van € 88.889,78 in ontvangst genomen en in giraal geld omgezet door contante stortingen op bankrekeningen ten name van [verdachte] , te weten de navolgende geldbedragen: - € 54.061,50 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij RABOBANK; - € 34.828,28 in totaal gestort op een rekening aangehouden bij ICS (VISA); b. in de periode van 12 april 2005 tot en met 26 mei 2010, hierna te noemen woningen en recht van erfpacht aangekocht en/of op naam verkregen, tot een totaal bedrag van ongeveer € 1.414.000,00 te weten de navolgende woningen en recht van erfpacht: - een woonhuis staande en gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] , aangekocht voor een geldbedrag van € 880.000,00 en op 29 december 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [mededader 4] en op 26 mei 2010 notarieel overdragen en geleverd aan en verkregen door [mededader 8] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] , aangekocht voor een geldbedrag van € 285.000,00 en op 30 november 2007 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [mededader 5] ; - het recht van erfpacht betreffende een (camping)winkel op het recreatieterrein [G] , staande en gelegen aan de [g-straat 1] te [plaats] , aangekocht voor een geldbedrag van € 70.000,00 en op 12 april 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [betrokkene 9] en op 20 april 2009 verkocht voor een geldbedrag van € 70.000,00 en notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [betrokkene 8] ; - een woonhuis staande en gelegen aan de [h-straat 1] te [plaats] , aangekocht voor een geldbedrag van € 179.000,00 en op 16 december 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [mededader 4] ; c. in de periode van 12 april 2005 tot en met 3 april 2012 het gebruik genoten van hierna te noemen woningen en recht van erfpacht, te weten - een woonhuis staande en gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] , en - een woonhuis staande en gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] , en - het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [G] , staande en gelegen aan de [g-straat 1] te [plaats] , en - een woonhuis staande en gelegen aan de [h-straat 1] te [plaats] , en - een woonhuis staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;” 5.2 Het bestreden arrest bevat voor zover relevant ten eerste de volgende overweging (p. 79): “3.4.3 Vrijspraak witwassen panden door [verdachte] Met betrekking tot het moment van aankopen van de panden ( [I-straat 1] te [plaats] , [d-straat 1] te [plaats] , [c-straat 1] te [plaats] , [g-straat 1] te [plaats] , [h-straat 1] te [plaats] en [a-straat 1] te [plaats] ) en de verdenking van het witwassen van gelden die hiermee gemoeid zijn wordt door de betrokken familieleden slechts in algemene termen over [verdachte] gesproken, voor zover er al over hem wordt gesproken. Aan de hand van de algemene context en de verklaringen van familieleden dat [verdachte] de zaken regelde, komt het hof niet tot het wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] bij het aanschaffen van de onderscheiden panden een zodanige rol heeft gespeeld dat zijn handelen als het medeplegen van witwassen moet worden aangemerkt. Met betrekking tot deze onderdelen van de tenlastelegging zal hij dan ook worden vrijgesproken. 5.3 Vervolgens bevat het arrest een uitvoerige bespreking van de “afzonderlijke panden en overeenkomsten”, waarin het hof per woning en recht van erfpacht motiveert welke verdachten zich bij de aanschaf daarvan hebben schuldig gemaakt aan witwassen en/of valsheid in geschrifte (p. 83-127). Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende passages relevant: Op p. 84-94: “3.5:2 [h-straat 1] te [plaats] 3.5.2.1 Met betrekking tot feit 1: witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) (…) 3.5.2.5 Conclusie witwassen Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [betrokkene 9] en [mededader 4] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken. Op p. 97-99: “3.5.3 [d-straat 1] te [plaats] 3.5.3.1 Met betrekking tot feit 1: witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) (…) 3.5.3.3 Conclusie witwassen Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [betrokkene 9] en [mededader 4] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken..” Op p. 107-112: “3.5.5 [g-straat 1] te [plaats] 3.5.5.1 Met betrekking tot feit 1: witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting) (…) 3.5.5.4 Conclusie witwassen Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [mededader 4] , [betrokkene 9] en [betrokkene 8] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.” Op p. 116-120 “3.5.6 [c-straat 1] te [plaats] 3.5.6.1 Met betrekking tot feit 1: witwassen (alle verdachten uitgezonderd de Stichting) (…) 3.5.6.3 Conclusie witwassen Het hof acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [mededader 5] bewezen. De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.” 5.4 Een volgend onderdeel van het arrest (onder het kopje “gebruik panden”, p. 128-129) bevat de bewijsmotivering ter zake van het gebruik van het in de tenlastelegging genoemde vastgoed. Deze bewijsmotivering bevat voor zover relevant het volgende: 3.7 Gebruik panden (witwassen, tenlastegelegd bij alle verdachten) (…) 3.7.1 Conclusie gebruik panden (feit 1c of 1d) Het hof acht het bewezen dat: (…) - [verdachte] het gebruik van woonhuizen staande en gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] , de [c-straat 1] te [plaats] en de [h-straat 1] te [plaats] , alsmede het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [G] , staande en gelegen aan de [g-straat 1] te [plaats] , heeft genoten, terwijl zij wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk— afkomstig waren uit enig misdrijf.” 5.5 Ten slotte bevat het arrest nog een bewijsmotivering over het witwassen van geldbedragen (p. 130-133): “3.9 Witwassen geldbedragen (tenlastegelegd bij alle verdachten) Verdachten is tevens tenlastegelegd dat zij van misdrijf afkomstige geldbedragen na ontvangst hebben witgewassen door middel van stortingen op één of meerdere bankrekening(-
- en)(feit la). Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Uit de zich in het dossier bevindende overzichten van stortingen op de diverse bankrekeningen van de verdachten over de periode 2005 tot en met 3 april 2012 blijkt het volgende: (…) - [verdachte] heeft een bedrag van € 54.061,50 gestort op Rabobankrekening [003] en een bedrag van € 34.828,28 op ICS-rekening [004] , derhalve in totaal een bedrag van € 88.889,78; (…) 3.9.5 Conclusie witwassen geldbedragen Gelet op al het voren overwogene acht het hof dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen voor wat betreft: (…) - de stortingen van in totaal € 88.889,78 door [verdachte] op Rabobankrekening [005] en op ICS-rekening [006] ;” 5.6 Een vergelijking van de bewezenverklaring en de bewijsmotivering levert het volgende op. Wat betreft het onder 1a bewezenverklaarde is geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheid. De bewezenverklaarde transacties corresponderen met het daarvoor relevante gedeelte van de bewijsmotivering, zoals in deze conclusie onder 5.5 is weergegeven. Wat betreft het onder 1b bewezenverklaarde is wel sprake van tegenstrijdigheid, nu het hof blijkens de onder 5.3 van deze conclusie weergegeven passages uit de bewijsmotivering de verdachte van de in dit onderdeel van de bewezenverklaring genoemde gedragingen heeft willen vrijspreken. Ook de onder 5.2 weergegeven passage, waarin het hof overweegt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte “bij het aanschaffen van de onderscheiden panden een zodanige rol heeft gespeeld dat zijn handelen als het medeplegen van witwassen moet worden aangemerkt”, toont aan dat het hof beoogd heeft de verdachte van onderdeel 1b van de tenlastelegging vrij te spreken. Het middel klaagt hierover op zichzelf genomen terecht. Ten slotte wijs ik er nog op dat ook sprake is van een discrepantie tussen de bewezenverklaring van onderdeel 1c en de bewijsmotivering. Bewezen is onder meer verklaard dat de verdachte het gebruik heeft genoten van het woonhuis staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , terwijl deze woning niet wordt genoemd in het hiervoor relevante en onder 5.4 weergegeven gedeelte van de bewijsmotivering. Over dit laatste onderdeel wordt in cassatie evenwel niet geklaagd. 5.7 Ik meen dat de genoemde tegenstrijdigheden het gevolg zijn van kennelijke misslagen die geen cassatie rechtvaardigen, maar verbeterd kunnen worden gelezen. Het lijkt mij ook niet zo te zijn dat sprake is van onduidelijkheden die zouden kunnen doorwerken in de strafoplegging. In dit verband wijs ik er op dat het hof de verdachte weliswaar heeft willen vrijspreken van het ten laste gelegde witwassen voor zover dit het verwerven van de genoemde vermogensbestanddelen betreft, maar het de verdachte wel heeft veroordeeld voor valsheid in geschrifte bij de aanschaf van al deze vermogensbestanddelen. Verwezen zij naar de pagina’s 95-96 ( [h-straat 1] , [plaats] ), 100 ( [d-straat 1] , [plaats] ), 114-115 ( [g-straat 1] , [plaats] ) en 121-122 ( [c-straat 1] , [plaats] ) van het bestreden arrest. In zoverre kan dus niet de minste twijfel bestaan over het materiële verwijt dat het hof de verdachte in relatie tot de aanschaf van deze objecten heeft gemaakt. Het hof heeft immers wel geoordeeld dat de verdachte betrokken was bij deze aanschaf, maar heeft zijn betrokkenheid steeds alleen als valsheid in geschrifte en niet als witwassen gekwalificeerd. Daarnaast geldt dat het hof tevens heeft geoordeeld dat de verdachte wel witwasgedragingen heeft begaan voor zover zij hebben bestaan uit het gebruik van deze voorwerpen. 5.8 Het middel leidt niet tot cassatie. 6. Het derde middel heeft eveneens betrekking op het onder 1 tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat het hof met de bewezenverklaring het verbod van terugwerkende kracht als verwoord in art. 7 EVRM en art. 1 lid 1 Sr zou hebben geschonden. 6.1 De in het derde middel vervatte klacht heeft betrekking op het verwerven van de volgende vermogensbestanddelen: [d-straat 1] te [plaats] , [h-straat 1] te [plaats] en het recht van erfpacht betreffende de campingwinkel staande en gelegen aan [g-straat 1] te [plaats] . Dit betreft onderdelen van de bewezenverklaring die – zoals hiervoor bij de bespreking van het tweede middel overwogen – als een kennelijke misslag moeten worden aangemerkt. Om die reden rechtvaardigt het derde middel geen afzonderlijke bespreking in cassatie. 6.2 Het middel faalt. 7. Het aanvullende middel heeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het bevat de klacht dat – nu ook in de onderhavige zaak één of meerdere raadsheren niet op de door de wet voorgeschreven wijze beëdigd is/zijn – sprake zou zijn van een fundamenteel gebrek dat tot nietigheid zou moeten leiden. 7.1 Op gronden als vermeld in de vordering van de procureur-generaal tot cassatie in het belang der wet van 13 september jongstleden (ECLI:NL:PHR:2022:819) ben ik van mening dat deze klacht tevergeefs is voorgesteld. 7.2 Het middel faalt. 8. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG