PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04066 Zitting 14 oktober 2022 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak 1. [eiser 1] (hierna: ‘ [eiser 1] ’); en 2. [eiseres 2] (tezamen met [eiser 1] : ‘ [eisers] ’) tegen [verweerder] (hierna: ‘ [verweerder] ’) [eisers] hebben een koopovereenkomst met [verweerder] gesloten voor de overname tegen betaling van € 150.000 van een winkel, inventaris, voorraden en een huurovereenkomst. [eisers] hebben € 100.000 betaald en de winkel gedurende vijf maanden geëxploiteerd, waarna zij het winkelpand hebben leeggehaald en de sleutel van het pand bij de eigenaar daarvan (niet [verweerder] ) hebben ingeleverd. Vervolgens hebben zij [verweerder] in deze procedure aangesproken tot – in de kern – terugbetaling van de reeds aanbetaalde € 100.000 wegens tekortschieten door [verweerder] in diens verbintenissen uit de koopovereenkomst. Op zijn beurt heeft [verweerder] in reconventie, juist omdat [eisers] de koopprijs niet volledig hadden betaald, een verklaring voor recht gevorderd dat hij de koopovereenkomst heeft ontbonden althans gevorderd dat de koopovereenkomst alsnog gerechtelijk zou worden ontbonden, met veroordeling van [eisers] tot schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW. Zowel rechtbank als hof zijn tot de conclusie gekomen dat [verweerder] niet en [eisers] wel zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenissen, alsook dat [verweerder] de koopovereenkomst in verband hiermee buitengerechtelijk heeft ontbonden. In cassatie gaat het enkel om de veroordeling door het hof van [eisers] tot schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW. Daarbij heeft het hof, in cassatie niet bestreden, aan de hand van een deskundigenbericht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat, op het moment dat [eisers] de sleutels van de winkel inleverden, de winkel enige positieve waarde vertegenwoordigde die op de schade van [verweerder] in mindering moet worden gebracht. Het hof heeft daarom de volledige koopprijs van € 150.000 als ontbindingsschade van [verweerder] aangemerkt. Tegen dit oordeel van het hof richt zich het cassatiemiddel van [eisers] 1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 [verweerder] is vennoot in de vennootschap onder firma Me Georgeous!, die meerdere winkels in parfums en cosmetica drijft, waaronder de winkel ‘Catwalk Look’ in Rotterdam. 1.3 In november 2014 zijn [eisers] met [verweerder] overeengekomen dat zij laatstgenoemde winkel en wat daarbij hoorde – de inventaris, de handelsnaam, de voorraden en de huurovereenkomst – van [verweerder] kochten. In cassatie kan worden uitgegaan van een (mondeling) overeengekomen koopprijs van € 150.000, hoewel [verweerder] in feitelijke instanties heeft gesteld dat de koopprijs € 173.000 bedroeg. Van de koopprijs hebben [eisers] € 100.000 aan [verweerder] betaald. 1.4 Medio januari 2015 hebben [eisers] de sleutel van het winkelpand gekregen; vanaf dat moment zijn zij de winkel gaan uitbaten. 1.5 Op 29 mei 2015 heeft [verweerder] met drie anderen de winkel bezocht en gezegd dat [eiser 1] uit de winkel moet vertrekken. [eiser 1] heeft de politie gebeld, waarop [verweerder] en de zijnen zijn vertrokken. [eisers] hebben de winkel daarna niet meer voor publiek geopend. 1.6 Op 1 juni 2015 is aan [eisers] een huurovereenkomst voor de winkel op eigen naam aangeboden, onder de voorwaarde van betaling aan [verweerder] van € 50.000 (het restant van de koopprijs). [eisers] zijn niet op dit aanbod ingegaan. [eisers] zijn de winkel vervolgens gaan leeghalen. 1.7 Bij brief van 15 juni 2015 heeft de toenmalig advocaat van [verweerder] [eisers] gesommeerd om het restant van de verschuldigde koopprijs uiterlijk op 19 juni 2015 te voldoen. Aan deze sommatie hebben [eisers] geen gehoor gegeven. 1.8 Op 18 juni 2015 hebben [eisers] de sleutel van de inmiddels lege winkel bij de eigenaar van het pand ingeleverd. 1.9 [verweerder] heeft op 21 december 2016 de ontbinding van de volgens hem gesloten koopovereenkomst ingeroepen in zijn conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. 2Procesverloop Eerste aanleg 2.1 Op 27 oktober 2016 hebben [eisers] [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Zij hebben gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 91.777, omdat hij zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de koopovereenkomst. In de kern is de vordering gericht op terugbetaling door [verweerder] van het door [eisers] reeds betaalde deel van de koopprijs. 2.2 In reconventie heeft [verweerder] een verklaring voor recht gevorderd met als inhoud dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en subsidiair gevorderd de koopovereenkomst alsnog bij vonnis gerechtelijk te ontbinden, met veroordeling van [eisers] tot betaling van € 103.425,91. [verweerder] heeft betoogd dat juist [eisers] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenissen uit de koopovereenkomst. [verweerder] heeft gesteld dat vanwege de ontbinding over en weer ongedaanmakingsverplichtingen zijn ontstaan en een schadevergoedingsplicht tot opheffing van het geleden nadeel. 2.3 Bij vonnis van 15 november 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] de op hem rustende verbintenissen uit de koopovereenkomst is nagekomen en [eisers] de op hen rustende betalingsverbintenis uit de koopovereenkomst niet zijn nagekomen (rov. 4.3.). [eisers] zijn te dien aanzien in verzuim geraakt, waarna [verweerder] de koopovereenkomst mocht ontbinden (rov. 4.5.). 2.4 Ten aanzien van de gevolgen van de ontbinding (bevrijding van nog openstaande verbintenissen (zoals de verplichting van [eisers] tot betaling van het restant van de koopprijs (rov. 4.7.) (hierna randnummer 2.5)) en ongedaanmaking van de reeds verrichte prestaties (zoals restitutie door [verweerder] van de aanbetaling van € 100.000 (rov. 4.8.)) heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering in conventie van [eisers] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 91.027 en de vordering in reconventie van [verweerder] tot een bedrag van € 40.493,15. Na verrekening heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eisers] van € 50.553,85 en voor recht verklaard dat [verweerder] de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. 2.5 De rechtbank heeft de reconventionele vordering van [verweerder] afgewezen voor zover die zag op betaling van het restant van de koopsom door [eisers] : “Gevolgen ontbinding 4.6. Een ontbinding bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Artikel 6:277 BW bepaalt dat indien een overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden, de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. 4.7. [verweerder] vordert de betaling van het restant van de koopsom. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen omdat de ontbinding [eisers] bevrijdt van nakoming van de betalingsverbintenis uit de koopovereenkomst, ook al diende deze verbintenis al voor de ontbinding te worden nagekomen (zie het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307).” Hoger beroep 2.6 [verweerder] is bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Hij heeft daarin onder meer gevorderd dat [eisers] worden te veroordeeld tot betaling van € 107.723,83. 2.7 Bij tussenarrest van 23 april 2019, dat in cassatie niet wordt bestreden, heeft het hof, net als de rechtbank, geoordeeld dat [eisers] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en [verweerder] niet, waardoor [verweerder] de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden (rov. 6.4.-6.10.). Vervolgens is het hof ingegaan op de gevolgen van deze ontbinding en wat een en ander betekent voor de vorderingen van [eisers] respectievelijk [verweerder] . 2.8 Ten aanzien van de vordering van [eisers] heeft het hof, voor zover in cassatie nog van belang, aldus overwogen: “De vordering van [eisers] 6.11. De vordering van [eisers] in eerste aanleg was opgebouwd uit (a.) het door hem betaalde deel van de koopprijs (€ 100.000), vermeerderd met (b.) een bedrag van € 4.750 dat [eiser 1] naar zijn zeggen contant aan [verweerder] heeft betaald voor de huur van de winkel, onder aftrek van (c.) door hem gegenereerde contante verkoopopbrengsten van € 8.973 en de opbrengst van de door hem verkochte restantvoorraad van € 4.000: € 100.000 + € 4.750 - € 8.973 - €4.000 = € 91.777. 6.12. Het hof merkt hierover het volgende op. Ad. a. Het betaalde deel van de koopprijs vormt een aftrekpost in de vordering van [verweerder] [tot schadevergoeding ex art. 6:277 BW, A-G]. In zoverre staat deze vordering niet ter discussie. (…)” 2.9 Daarop volgt een bespreking van de vordering van [verweerder] . In dit verband heeft het hof overwogen, ook hier voor zover in cassatie nog van belang, dat [verweerder] vergoeding van ontbindingsschade vordert (art. 6:277 lid 1 BW) en dat de waarde die de winkel/het huurcontract vertegenwoordigde op het moment dat [eisers] de winkel medio juni 2015 aan [verweerder] hebben “teruggegeven”, bij de begroting van de schade van [verweerder] moet worden verdisconteerd: “De primaire vorderingen van [verweerder] (voorts) 6.13. Bij de beoordeling van de geldvordering van [verweerder] stelt het hof het volgende voorop. Op grond van de ontbinding van de koopovereenkomst hebben partijen over en weer aanspraak op ongedaanmaking van reeds door de ander ontvangen prestaties (artikel 6:271 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en waarde- respectievelijk schadevergoeding voor zover de betreffende prestaties naar hun aard niet ongedaan kunnen worden gemaakt (artikel 6:272 BW) of aan de betreffende ongedaanmakingsverbintenissen niet is of wordt voldaan (artikel 6:74 BW). Daarnaast heeft [verweerder] aanspraak op vergoeding van de schade die hij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, doch ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden (artikel 6:277 lid 1 BW). 6.14. [verweerder] vordert primair ontbindingsschade (artikel 6:277 lid 1 BW). Zijn standpunt luidt dat hij bij wederzijdse nakoming de volledige koopprijs van € 173.000,- (post A (…)) zou hebben ontvangen. Van of vanwege [eisers] heeft [verweerder] een aanbetaling op de koopprijs en pinbetalingen ontvangen; deze bedragen trekt hij van zijn koopprijs af (posten B en C). Verder stelt [verweerder] dat hij bij wederzijdse nakoming diverse door hem gemaakte kosten van [eisers] vergoed zou hebben gekregen of niet zou hebben gemaakt. Deze telt hij dus weer bij zijn schade op (posten D-H). [verweerder] stelt dat het resultaat, uitkomend op een bedrag van € 107.723,83, de schade is die hij heeft geleden (…). [verweerder] gaat er bij de berekening van zijn vermogenspositie bij de ontbinding van uit dat de winkel die [eisers] medio 2015 heeft terug[ge]geven (bestaande uit de handelsnaam, de toen nog aanwezige inrichting en inventaris en, in zijn relatie tot [eisers] , het bijbehorende huurcontract) op dat moment voor hem geen (positieve) waarde vertegenwoordigde, zodat deze herkrijging niet in mindering strekt op zijn schade. [eisers] betwist dat: volgens hem vertegenwoordigde de winkel/het huurcontract wel waarde. [verweerder] betwist – terecht – niet dat als (het oordeel zou moeten luiden dat) de winkel/het huurcontract waarde vertegenwoordigde, deze dient te worden verdisconteerd bij de begroting van zijn schade.” 2.10 Het hof heeft in het tussenarrest van 23 april 2019 verder geoordeeld dat [verweerder] voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de winkel, inclusief het huurcontract en de handelsnaam ‘Catwalk Look’, per medio juni 2015 waardeloos was (rov. 6.29.). Volgens het hof lag het in de rede om in dit kader een deskundigenbericht te gelasten (rov. 6.30.). Bij tussenarrest van 26 november 2019 heeft het hof een deskundige benoemd. 2.11 Bij eindarrest van 6 juli 2021 (het bestreden arrest) heeft het hof overwogen dat de deskundige (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.