PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02092 P Zitting 7 februari 2023 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de betrokkene Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 29 april 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 42.113,60. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in het geval van niet-betaling bepaald op 842 dagen. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel keert zicht tegen de verwerping van hetgeen als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel c.q. de omvang van de betalingsverplichting. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De hoofdzaak 4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof evenals de rechtbank de betrokkene veroordeeld wegens onder 1 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”. Tegen het arrest in de strafzaak is geen cassatieberoep ingesteld. Het eerste middel 5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof hetgeen als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht, inhoudende dat betrokkene slechts een beperkte rol (“als tussenpersoon”) ter zake speelde en dat het hof derhalve aan de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel een onjuiste berekening ten grondslag heeft gelegd, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De bewijsvoering 6. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer het volgende overwogen: “Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 115.137,54 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 115.137,54. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.113,60 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 43.113,60. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De betrokkene is bij arrest van dit hof van 29 april 2021 21-004978-20 terzake van het overtreden van de artikelen 2 onder A en 2 onder B van de Opiumwet veroordeeld tot straf. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het onder 1 bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 42.113,60. Het hof komt als volgt tot deze schatting: Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat er tien drugszendingen hebben plaatsgevonden. Het hof zoekt hierbij aansluiting bij de motivering van de rechtbank. Het hof zal dan ook de berekening van de rechtbank volgen, met dien ter verstande dat het hof de kosten voor het betalen van [betrokkene 1] voor het versturen van de drugspakketjes mee zal rekenen bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De berekening van het hof luidt dus als volgt: Hoeveelheden verdovende middelen In het rapport is er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van uitgegaan dat de drie onderschepte zendingen de volgende verdovende middelen bevatten: 4461 XTC pillen, 1631 LSD zegels, 43,86 gram ketamine en 1,02 gram cocaïne. Per zending wordt dan uitgekomen op 1487 XTC pillen, 543,66 LSD zegels. 14,62 gram ketamine en 0,34 gram cocaïne. Overeenkomstig hetgeen hierover in het arrest is vastgesteld zal het hof alleen de verdovende middelen in zijn berekening betrekken waarvan het hof heeft geoordeeld dat bewezen kan worden dat veroordeelde betrokken is geweest bij de uitvoer hiervan. Dit betreffen de XTC pillen en cocaïne. Ten aanzien van de berekening van de hoeveelheid van deze verdovende middelen overweegt het hof als volgt. Uit de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen inzake de in beslag genomen zendingen blijkt dat uit een indicatieve test is gebleken dat 1,02 gram wit poeder/brokjes cocaïne betreft. Een monster van dit/die witte poeder/brokjes is onderzocht door het Nederland Forensisch Instituut (NFI). Daarbij is gebleken dat het monster cocaïne bevat. Uit de processen-verbaal onderzoek verdovende middelen blijkt verder dat uit indicatieve tests is gebleken dat 4238,5 pillen positief zijn getest op MDMA. Van deze pillen heeft het NFI een drietal monsters onderzocht van in totaal 202 pillen. Daarbij is gebleken dat alle 202 onderzochte pillen MDMA bevatten. Gelet op het voorgaande acht het hof het aannemelijk dat de drie onderschepte zendingen 1,02 gram cocaïne bevatten en 4238,5 XTC pillen. Dit komt neer op 0,34 gram cocaïne per zending en 1412,8 XTC pillen. Het hof zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van 1412 XTC pillen per zending. De totale hoeveelheid verzonden verdovende middelen wordt dan als volgt berekend: 10 x 0,34 gram cocaïne = 3,4 gram cocaïne. 10 x 1412 XTC pillen = 14.120 XTC pillen. Opbrengst uitvoer verdovende middelen Nu uit het onderzoek niet is gebleken wat de exacte verkoopprijzen zijn geweest van de verschillende soorten drugs is in het rapport gebruik gemaakt van de lijst ‘Drugs Prijzen 2018’. Hieruit blijkt dat de gemiddelde verkoopprijs van een XTC pil € 3,50 per stuk is en de verkoopprijs van 1 gram cocaïne € 48,- bedraagt. Het hof zal de opbrengst dan als volgt berekenen: 14.120 XTC pillen x € 3,50 € 49.420,- 3,4 gram x € 48,- € 163,20 Totaal € 49.583,20. Kosten uitvoer verdovende middelen Aangezien uit het onderzoek ook niet is gebleken wat de inkoopprijzen van de verdovende middelen zijn geweest zal het hof ten aanzien van de kosten ook rekenen met de lijst ‘Drugs Prijzen 2018’. Ook zal het hof de kosten van [betrokkene 1] meerekenen. Dit leidt tot de volgende berekening. 14.120 XTC pillen x € 0,45 € 6.354,- 3,4 gram x €34,- € 115,60 [betrokkene 1] € 1.000,- Totaal € 7.469,60. Netto verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel Opbrengst uitvoer verdovende middelen € 49.583,20 Kosten uitvoer verdovende middelen € 7.469,60 Wederrechtelijk verkregen voordeel € 42.113,60. De conclusie Het hof stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 42.113,60. De verplichting tot betaling aan de Staat Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.” 7. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 april 2021 heeft de betrokkene (ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel) het volgende naar voren gebracht: “Verdachte wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op dat hij het oneens is met de hoogte van de ontneming. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Ik was een tussenpersoon. Ik heb iemand leren kennen op een festival op oudejaarsdag 2018. Hij heeft mij gevraagd of ik enveloppen wilde bestellen voor hem. Toen wist ik nog niet dat het met drugs te maken had. Vervolgens spraken wij af op een locatie, zodat ik hem de enveloppen kon geven. Het ging om drie verschillende bestellingen. Dat waren ongeveer 800 enveloppen. Ik kreeg van deze jongen terug wat ik had uitgegeven en daarbij 40 à 50 euro. Dit was dus geen bedrag dat ik gek vond. In augustus 2019 hoorde ik dat het ging om het versturen van drugs. Ik heb toen aangegeven dat ik dat niet wilde. Ik heb dit ook met [betrokkene 1] besproken en hij wilde de drugs wel versturen. Toen heb ik tegen de kennis gezegd dat ik de drugs zou versturen. Vervolgens kreeg ik een tasje met daarin een machine, drugs, labels en uitleg. Het bestellen van enveloppen was in januari of februari 2019. Dat had niks met drugs te maken. Voor het klaarmaken van de pakketten kreeg ik ongeveer € 500,-. Ik gaf [betrokkene 1] ongeveer € 10,- per pakket. De zending met 31 pakketten was de uitzondering. Hier heb ik meer betaald voor gekregen. Meestal ging het om een zending met 10 of 15 pakketjes. Ik kreeg ongeveer € 500,- per verzending. Ik heb dus in totaal ongeveer € 5000,- overgehouden aan het versturen van de drugs. Omdat ik de tasjes met drugs aannam en verpakte, zou je kunnen zeggen dat ik een grotere rol heb gehad dan [betrokkene 1], maar aan de andere kant bood hij zichzelf aan. Ik had nooit zelf de pakjes verstuurd. Het klopt dat er drugs door mijn handen heb laten gaan. Het gaat echter niet om kilo's of honderdduizenden pillen, maar om ongeveer 20.000 à 25.000 pillen. Nadat er in augustus en september een paar zendingen waren onderschept ben ik gestopt. Ik kreeg foto's van mijn opdrachtgever opgestuurd om mij te verleiden om toch weer pakketjes te gaan versturen. U vraagt mij waarom degene van wie ik de drugs kreeg niet zelf de pakketjes maakte. Ik denk dat hij meerdere tussenpersonen had. Hij telde de pillen niet, maar woog ze af daardoor hield ik soms nog wat pillen over. (…) De vordering tot ontneming is een van de redenen dat ik hier zit. Dat bedrag heb ik niet gekregen voor het versturen van de pakketten. Als het bedrag wordt opgelegd, zal ik het, met een betalingsregeling moeten afbetalen.” 8. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 april 2021 heeft de raadsman van de betrokkene (ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel) het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. In de pleitnota zijn de volgende aantekeningen opgenomen: “WVV aanzienlijk lager dan becijferd. Bedrag van €115.137,54 Eerste werd bedrag bekend op €36.914,15 Te voortvarend geabstraheerd op grond van 3 gebeurtenissen, op 17 en 29 augustus en 2 september 2019. Wie waren erbij betrokkenen voor welk aandeel/opbrengst? VD verklaart: staat nog geen [ik begrijp: ‘een’, A-G] persoon boven [betrokkene]: betreft [betrokkene 2] te [plaats] (pv blz. 737: tevens betaling: febr. 2019 van €50,=). Cliënt is niet de organisator geweest; tussenpersoon: kreeg opdrachten van ander, drugs verpakt, heeft [betrokkene 1] benaderd. Op geen enkele wijze blijkt dat cliënt financieel terzake betrokken was; ondanks uitgebreid financieel onderzoek. In pv wordt aangegeven, (blz. 049,429, 694) dat cliënt in dat verband gebruik zou maken van de chatfunctie 'Wickr'; onduidelijk is waarop dat wordt gebaseerd. Idem terzake van Wirex en Coinbase: conclusie: 'dan ook bitcoins'; nee, blijkt niets van: "geen transacties plaats gevonden." Contra-indicatie. Getracht is om via de kasmethode berekening te maken: echter, bankgegevens en overige uitgaven laten niet zien dat sprake is van onverklaarbare uitgaven/inkomsten: blz. 723. Slechts suggesties, insinuaties. Als cliënt de organisator/initiator zou zijn en cliënt zou daarbij de persoon zijn die die transacties heeft verricht, dan zou er toch iets gevonden moeten zijn dat duidt op die transacties? Niets, immers cliënt is ook maar een tussenpersoon. Primair: Hij ontving gemiddeld €500,= per keer, totaal derhalve €5.000,=; uitgaande van 10x. Kosten: Aan [betrokkene 1]: €10,= per pakket, zoals [betrokkene 1] meerdere malen heeft aangegeven. Portokosten: volgens [betrokkene 1]: € 17,= per pakket (en zie ook blz. 303: gegevens verzending). Subsidiair: Hoe vaak zijn er enveloppen verzonden, hoeveel telkens; inhoud?? Jumbo ([betrokkene 3]) zegt dan wel 'misschien al wel meer als 20 keer'; geen onderliggende stukken: had door OM kunnen/moeten worden onderzocht. Indien door het hof wordt uitgegaan van meer dan 10 keer, dan (voorwaardelijk) verzoek: alsnog dit nader onderzoek laten verrichten. Aantal zendingen: 3 postpakketen verzonden op 17 augustus, 28 augustus en 2 september, betekent niet een zending om de 6 dagen. Gesteld kan ook worden tussen 18 augustus en 1 september: 1 zending, dus 1 zending per 15 dagen. Vanaf begin juni tot begin september: 6x. Voorbeeld: over een afstand van 10 meter staat om de meter 1 paaltje: 11 paaltjes totaal. Dat betekent niet, dat als je 3 paaltjes ziet, dat er dan 3 paaltjes op 2 meter staan; dat zijn en blijven er 2. Dan ook terecht, rechtbank: 10 zendingen. Hoeveel enveloppen. [betrokkene 1] geeft aan: maximaal 10 keer (blz. 1845, 1847, 1888 en zowel [betrokkene 1] als OM ter zitting van 9 november 2020). Blz. 1896: "Ik ben ook wel eens met 2 of 3 enveloppen geweest." En, blz. 1897: "ik heb in het begin niet zoveel enveloppen weggebracht." [betrokkene 1] ook: de eerste keer kwam cliënt met VW Golf; daarna niet meer: dus kort voor 5 augustus 2019, want tot die dag Golf op naam cliënt; althans uit te gaan van (kort voor) 19 juni 2019: alleen die keer met VW Golf, indien juist dan dus veel korte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.