PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02973 Zitting 7 februari 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 6 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘opzetheling, meermalen gepleegd’ en 2. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, veroordeeld tot 80 uren taakstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren taakstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betreft de bewijsvoering van feit 1; het tweede middel ziet op de bewijsvoering van feit 2. Voordat ik de twee middelen bespreek geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van beide feiten weer. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1. hij in de periode van 9 mei 2019 tot en met 28 december 2019 te Amsterdam, - een notebook (merk HP), goednummer 5858623 (aangifte [aangever 1] , 2019214848) en - meerdere pasjes ten name van [aangever 2] , goednummers 5858727 en 5858731 en een jas (merk Nobis), goednummer 5859090 (aangifte [aangever 2] , 2019272404) - en een e-reader (merk Kobo), goednummer 5858601 (gekoppeld aan [naam] , 2019165916), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; ‘2. hij op 28 december 2019 te Amsterdam opzettelijk een opsporingsambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "tabon yemek (je moeders kut)".’’ 5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde 1. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisanten: Op 28 december 2019 omstreeks 18.25 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op de [a-straat] te [plaats] . Ter hoogte van de gemeenschappelijke box-/kelderingang van perceel [a-straat 1] zagen wij de algemene boxdeur open staan. Ik, eerste verbalisant, zag daar de later door ons aangehouden verdachte [verdachte] staan. Tevens zag ik dat er rondom [verdachte] diverse koffers en andere goederen stonden. Wij zijn gaan kijken bij de ingang van de gemeenschappelijke boxingang. Wij, verbalisanten, hoorden vanuit de gemeenschappelijke boxingang bonkende geluiden komen, lijkende op harde slagen met een hamer. Ik, eerste verbalisant, wilde de gemeenschappelijke boxingang betreden, echter, dit werd mij belet door [verdachte] . Ik vroeg [verdachte] of hij aan de kant wilde gaan, zodat ik en mijn collega’s de boxingang konden betreden. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] hierop aan ons verklaren: “Nee, dat wil ik niet. Het is mijn box en ik wil niet dat jullie hier naar binnen gaan”. Hierop betraden wij, verbalisanten, desalniettemin de gemeenschappelijke boxgang en liepen in de richting van waar het bonkende geluid kwam. Wij hoorden dat het gebonk stopte en een manspersoon in onze richting kwam aangelopen. Wij zagen en hoorden dat hij [verdachte] , die ons eerder de toegang tot de boxgang had versperd tot kalmte maande. Hierop zagen wij dat de manspersoon weer terug liep naar een box om vervolgens weer te gaan timmeren. Wij zagen in de boxgang diverse goederen zoals laptoptassen, fotocameratassen alsmede koffers liggen. Hierop liep ik, eerste verbalisant, door de gemeenschappelijke boxgang en sloeg ik linksaf. Aan mijn rechterzijde zag ik een deur open staan welke behoorde tot perceel [a-straat 1] . Ik zag dat alhier de manspersoon een stellage aan het opzetten was. Ik vroeg hierop aan [verdachte] of de spullen, welke in de gemeenschappelijke boxgang lagen, hem toebehoorden. Wij, verbalisanten, hoorden hem hierop aan ons verklaren: “Ja, die spullen zijn van mij en die box is ook van mij”. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] zich zenuwachtig gedroeg. Wij zagen namelijk dat hij met zijn handen vuistjes aan het maken was en hoorden dat hij onsamenhangend sprak en van stemming wisselde. Ook zagen wij dat hij heen en weer liep. Tevens roken wij een ineens een indringende lucht, alsof er iemand een scheet had gelaten. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] ons ongevraagd een rijbewijs overhandigde, waarop hij ons opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] . Wij, verbalisanten, zagen dat een vrouw de gemeenschappelijke boxgang in kwam lopen. Zij verklaarde de hoofbewoner van perceel [a-straat 1] te zijn en identificeerde zich als: [betrokkene 1] , wonende te [a-straat 1] te [plaats] . Zij verklaarde aan ons: “Die jongen die bij jullie staat is mijn zoon [verdachte] . Hij gebruikt mijn box voor rare dingen. Ik wil de sleutel van mijn box terug.” In de box van perceel [a-straat 1] lagen diverse waardevolle goederen. Hierop zijn vanuit zowel de box behorende bij perceel [a-straat 1] als de gemeenschappelijke boxgang goederen in beslag genomen. Daarvan zijn kennisgevingen van inbeslagneming opgemaakt. Wij, verbalisanten, hebben [verdachte] aangehouden. Tijdens het overbrengen van [verdachte] was hij verbaal agressief in de richting van mij, eerste verbalisant. Zo hoorden wij, verbalisanten, hem aan ons verklaren: “Ik pak jullie. Je neukt me diep. Je vind dit lekker hè.' Wacht maar” of woorden van gelijke strekking. Ook hoorden wij dat [verdachte] mij, eerste verbalisant, aan het uitschelden was. Zo hoorden, wij, verbalisanten, hem onder andere tegen mij, eerste verbalisant, met een luide stem roepen: “Tabon yemek”. Het is mij (naar het hof begrijpt: eerste verbalisant) ambtshalve bekend dat dit een scheldwoord is wat vrij vertaald ‘je moeders kut’ betekent. Ik, derde verbalisant, zag dat [verdachte] dit specifiek deed in de richting van de eerste verbalisant. Ik zag namelijk dat [verdachte] ten tijde van het roepen van bovenstaande in de richting van eerste verbalisant keek. Ik, eerste verbalisant, voelde mij door deze woorden beledigd en in mijn eer aangetast. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde 2. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant: De onderstaande goederen zijn zowel door mij, verbalisant, als door politiecollega’s in de box behorende bij perceel [a-straat 1] [het hof begrijpt: te [plaats] ] aangetroffen: - e-reader van het merk Kobo; - een laptop van het merk Hewlett Packard; - doosje met daarin diverse pasjes. 3. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant: Op 29 december 2019 omstreeks 18:05 uur betrad ik, verbalisant, het perceel [a-straat 1] te [plaats] . Ik hoorde [betrokkene 1] , de moeder van [verdachte] , terwijl zij de deur van een slaapkamer opende, aan mij verklaren: “dit is de kamer van mijn zoon en zijn broertje”. Ik zag in de kamer een zwartkleurige parka jas aan een kapstok hangen. Ik herkende de zwartkleurige parka jas als de jas van het merk Nobis die ik op 28 december 2019 tijdens de inbeslagname van de vermoedelijk gestolen goederen in zowel de boxgang als in de box van perceel [a-straat 1] had zien liggen. Ik hoorde [betrokkene 1] verklaren: “Die jas heb ik mee naar boven genomen. Ik dacht dat deze jas van mijn zoon was”. Hierop heb ik de parka jas in beslag genomen (…, bijzonderheden: keppeltje in jaszak). 4. Een geschrift, zijnde een afschrift van aangifte (…) van 11 oktober 2019, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , (…). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de aangever [aangever 1] : Auto-inbraak te Amsterdam op 8 oktober 2019 tussen 18:30 en 22:00 uur. Laptoptas met inhoud gestolen. Inhoud van de laptoptas: laptop, HP Elitebook 840 G3, grijs, serienummer 5CG8054WFC. 5Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] , [plaats] Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur Omstandigheden: aangetroffen bij ibn opslagbox Goednummer: PL1300-2019271941 -5858623 Object: computer (notebook) Merk/type: HP Elitebook Kleur: grijs Serienummer: 5CG8054WFC 6. Een proces-verbaal aangifte (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [aangever 2] : Ik doe aangifte van een diefstal uit mijn voertuig, die plaatsvond op 28 december 2019 tussen 19:00 en 23:45 uur te Amsterdam. Ik mis onder andere: - een zwart rijbewijs mapje met de volgende pasjes: American Express creditcard, airmiles, Q-park, Schipholpas, vispas2019, Euroshell-card, kentekenbewijs [001] , kentekenbewijs [002] , kentekenbewijs [003] , betaalpas ING en nog overige pasjes; - jas merk Nobis. 7Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] , [plaats] Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur Goednummer: PL1300-2019271941-5858727 Object: document Inhoud: op naam van [aangever 2] bijzonderheden: 5x waardepas, 1x prioritypas, 1x vispas2019, 1x AMC, 1x Emirates Goednummer: PL1300-2019271941-5858731 Object: document Aantal: 8 stuks Bijzonderheden: 3x kentekenbewijs, 1x Qpark, 1x Shell, 2x overig 8. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant: Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de aangetroffen pasjes. De meeste pasjes staan op naam van [aangever 2] . Goederen: PL1300-2019271941-5858727 en PL1300-2019271941-5858731. 9. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 29 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant: Ik, verbalisant, ben gebeld door collega [verbalisant 1] [die mij mededeelde] dat hij een zwarte keppel had gevonden in een jas van het merk Nobis die hij had aangetroffen op de [a-straat 1] te [plaats] . Ik heb telefonisch contact opgenomen met de aangever [aangever 2] en gevraagd of hij nog iets in zijn weggenomen jas had zitten. Aangever [aangever 2] verklaarde mij dat hij een zwarte keppel in zijn jaszak had zitten. 10Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming (…). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] , [plaats] Datum en tijd: 28 december 2019 te 18:32 uur Goednummer: PL 1300-2019271941-5858601 Object: Computer (e-reader) Merk/type: Kobo 11. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 1 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , (…). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisant: Ik, verbalisant [verbalisant 7] , heb onderzoek gedaan naar het goed 5858601, een e-reader van het merk Kobo, en ben ik contact gekomen met een eigenaar middels een e-mailadres dat in de accountinstellingen te vinden was. Via e-mail kreeg ik van voornoemde eigenaar, genaamd [naam] , het bericht dat zij inderdaad haar e-reader van dat merk mist en dat deze gestolen is tijdens een woninginbraak. De inbraak zou in haar woning gepleegd zijn te [plaats] op 6 augustus 2019. Het sporenonderzoek is verwerkt onder proces-verbaalnummer 2019165916. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde 12. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 12 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van voornoemde verbalisant: Ik, verbalisant [verbalisant 7] , kreeg op 6 oktober 2020 een verzoek van justitie inzake 2019271941-11. Ik nam telefonisch contact op met politieambtenaar [verbalisant 1] en stelde hem de vraag of hij beledigd was door [verdachte] ten tijde van de aanhouding. [verbalisant 1] liet mij weten dat hij in de Marokkaanse taal door [verdachte] was beledigd. Ook op mijn vraag of hij beledigd was de woorden ‘je moeders kut’ gaf [verbalisant 1] mij een bevestigend antwoord. Op mijn vraag hoe hij wist dat het op hem gericht was, antwoordde [verbalisant 1] : “Ik wist dat het naar mij gericht was, omdat hij mij aankeek.”’ 6. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘Uit de omstandigheid dat de verdachte kon beschikken over een reeks aan goederen die bij drie verschillende diefstallen zijn ontvreemd leidt het hof af dat de verdachte actief was in een circuit waarin werd gehandeld in gestolen goederen. Nu de verdachte niet op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is verschenen - terwijl de oproeping voor de zitting van 6 juli 2021 hem in persoon is betekend - heeft hij daar geen verklaring kunnen afleggen die een ander licht op die omstandigheid kan werpen. Bij die stand van zaken acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.’ 7. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof tot een bewezenverklaring van opzetheling van een notebook, meerdere pasjes, een jas en een e-reader is gekomen, terwijl zulks niet uit de bewijsmiddelen blijkt, zodat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. ‘s Hofs oordeel dat de verdachte wist dat de goederen die in zijn garagebox lagen gestolen waren zou niet uit de bewijsmiddelen volgt. Feitelijk zou door het hof niet meer zijn geoordeeld dan dat er een aangifte lag ten aanzien van de goederen. Dat het hof heeft overwogen dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep niet is verschenen zou niet relevant zijn nu de verdachte ten overstaan van de recherche vragen heeft beantwoord. 8. In een arrest van 29 januari 2019 heeft Uw Raad enkele overwegingen geformuleerd in verband met de bij opzetheling geldende eis dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Uw Raad merkt eerst op dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Maar dat de rechter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking mag nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (rov. 2.3.3). Voorts mag de rechter bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf ‘ten tijde van’ onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen (rov. 2.5.4). 9. Het hof had in de betreffende zaak bewezenverklaard dat de verdachte een auto (Renault Captur) voorhanden had gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof had vastgesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.