ECLI:NL:PHR:2023:204
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/04286 Zitting 21 februari 2023 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte Inleiding De verdachte is bij arrest van 16 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens "medeplegen van verduistering gepleegd door bewindvoerders, ten opzichte van enig goed dat zij als zodanig onder zich hebben, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij de duur van de gijzeling is bepaald op 365 dagen, een en ander zoals nader in het bestreden arrest omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/04381. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte hebben M.M. Kuyp en J.L. Baar, beiden advocaat te Laren (Noord-Holland), vier middelen van cassatie voorgesteld.
Bewezenverklaring en bewijsvoering 4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij in de periode 17 oktober 2007 tot en met 7 juli 2008 in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk één of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van vier miljoen euro), te weten
In het testament is verder bepaald dat gedurende de minderjarigheid op het bewind mede de wettelijke bepalingen omtrent het voogdijbewind van toepassing zijn.
Verdachte en [medeverdachte] zijn door erflater beiden tevens benoemd tot executeur van de nalatenschap. Ten tijde van het overlijden van erflater was [benadeelde] twaalf jaar oud. Verdachte en [medeverdachte] hebben, ieder voor zich, zowel het executeurschap als het bewindvoerderschap aanvaard. Beiden ontvingen € 100.000,- voor het executeurschap en tussen de € 8.000,- en € 5.000,- per maand als vergoeding voor het bewindvoerderschap.
De waarde van de nalatenschap is door verdachte en [medeverdachte] als executeurs bepaald op (afgerond) € 16.600.000,- (het saldo van de bezittingen ten bedrage van ongeveer € 34.000.000,- en de schulden ten bedrage van (afgerond) € 17.400.000,-).
Erflater had bij leven een deel van zijn vermogen geïnvesteerd in [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ), handelend onder de naam [B] , dan wel in aan [A] gelieerde CV’s.
Uit de akte van boedelbeschrijving blijkt dat een ander deel van de nalatenschap bestond uit (100% van) de aandelen in de [C] B.V. Deze vertegenwoordigden op het moment van overlijden een waarde van € 17,784.247,-.
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat erflater van 4 april 1986 tot aan zijn overlijden enig directeur is geweest van de [C] B.V. Daarna werden verdachte en [medeverdachte] directeur van die vennootschap. Hiermee hadden zij (ook) de beschikkingsmacht over het vermogen van de [C] B.V. [medeverdachte] is bestuurder geweest van [A] van 18 juli 2007 tot 9 maart 2009. [medeverdachte] was ook (middellijk) aandeelhouder van [A] .
Verdachte en [medeverdachte] hebben in hun hoedanigheid van bewindvoerders zes maal een geldbedrag uit het vermogen van [benadeelde] overgeboekt naar een rekening van [A] . Volgens de daarvan opgemaakte aktes gaat het om de volgende (achtergestelde) leningen:
A. Op 17 oktober 2007 is een bedrag van € 400.000,- van de rekening van [erven] overgeboekt naar de rekening van [A] . Hiervan is een Overeenkomst van geldlening. Ten behoeve van voorfinanciering van ‘Diverse projecten’ opgemaakt. Dit stuk, waarin [benadeelde] is aangemerkt als schuldeiser, vertegenwoordigd door verdachte en [medeverdachte] (bewindvoerders), en [A] als schuldenaar, vertegenwoordigd door [medeverdachte] , is opgemaakt op 19 oktober 2007. In dit contract is voorzien in een rente van 10% en aflossing op 17 december 2007.
B. Op 7 juni 2008 is er een bedrag van € 150.000,- en op 7 juli 2008 is er een bedrag van € 500.000,- van de rekening van [benadeelde] overgeboekt naar de rekening van [A] . In verband met beide transacties is één Overeenkomst van geldlening opgemaakt. Daarin is de lening als volgt omschreven: ‘Schuldenaar heeft behoefte aan financiering in het kader van haar ondernemingsactiviteiten, in casu voorfinanciering van diverse projecten’.
Deze overeenkomst, tussen [C] B.V. als schuldeiser, vertegenwoordigd door verdachte en [medeverdachte] (directie), en [A] als schuldenaar, vertegenwoordigd door (onder anderen) [medeverdachte] , is opgemaakt op 23 december 2008. In het contract is voorzien in een rente van 10% en een looptijd tot 6 juni 2008.
C. Op 30 november 2007 is een bedrag van € 700.000,- van de rekening van [erven] overgeboekt naar de rekening van [A] . In dit verband is een Overeenkomst van achtergestelde geldlening opgemaakt, waarin de lening als volgt is omschreven: ‘Schuldenaar heeft behoefte aan financiering in het kader van haar ondernemingsactiviteiten’. Deze overeenkomst tussen [benadeelde] als schuldeiser, vertegenwoordigd door verdachte en [medeverdachte] (als bewindvoerders), en [A] als schuldenaar, vertegenwoordigd door [medeverdachte] , is opgemaakt op 21 december 2007. In het contract is voorzien in een rente van 10% en een looptijd van zes maanden, welke aanvangt op de dag van ondertekening van de overeenkomst.
D. Op 13 februari 2008 is een bedrag van € 250.000,- en op 17 maart 2008 is een bedrag van € 2.000.000,- van de rekening van [erven] overgeboekt naar de rekening van [A] . In verband met beide transacties is één Overeenkomst van geldlening opgemaakt, waarin de lening als volgt is toegelicht: ‘Schuldenaar heeft behoefte aan financiering in het kader van haar ondernemingsactiviteiten, in casu voorfinanciering van diverse projecten’. Deze overeenkomst tussen [benadeelde] als schuldeiser, vertegenwoordigd door verdachte en [medeverdachte] (als bewindvoerders), en [A] als schuldenaar, vertegenwoordigd door [medeverdachte] , is opgemaakt op 25 juni 2008. In het contract is voorzien in een rente van 10%, met een looptijd van zes maanden, eindigend op 15 december 2008.
Op 8 juni 2010 is het faillissement van [A] uitgesproken. De curator in het faillissement van [A] heeft de kantonrechter geïnformeerd over de leningen die door de bewindvoerders uit de nalatenschap van erflater aan [A] zijn verstrekt.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2011 de bewindvoerders met ingang van 15 juli 2011 uit die hoedanigheid ontslagen en [betrokkene 1] (hierna te noemen: [betrokkene 1] ) benoemd tot bewindvoerder van [benadeelde] . [betrokkene 1] heeft op 7 januari 2013 als bewindvoerder van [benadeelde] aangifte gedaan van verduistering door verdachte en [medeverdachte] als bewindvoerders.
Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken, omdat hij zich de gelden van [benadeelde] niet opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.
De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd, dat:
Het oordeel van het hof Naar het oordeel van het hof is met het overboeken - en daarna daarover beschikken - door verdachte en [medeverdachte] van zes geldbedragen van in totaal € 4.000.000,- uit het vermogen van [benadeelde] naar de rekening van [A] , telkens sprake van het opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van het desbetreffende geldbedrag.
Het hof overweegt daartoe het volgende:
Verantwoordelijkheid overboekingen € 2.000.000,- en € 500.000,- De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de overboekingen van de bedragen van € 2.000.000,- en € 500.000,- omdat verdachte - kort gezegd - aan deze overboekingen feitelijk part noch deel heeft gehad en deze bedragen door [medeverdachte] zijn overgemaakt.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het overboeken van de € 2.000.000,-, welk bedrag is verkregen door de verruiming van het kredietlimiet bij de Friesland Bank. Uit de stukken blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte] de kantonrechter op 9 maart 2008 schriftelijk heeft verzocht om toestemming voor verruiming van het rekening-courantkrediet bij de Friesland Bank.
Op 14 maart 2008 is deze toestemming verleend en op 17 maart 2008 is er vanaf de betreffende rekening een bedrag van € 2.000.000,- overgeboekt naar [A] . Dit bedrag is diezelfde dag doorgeboekt naar [D] B.V., een crediteur van [A] . Op 25 juni 2008 is de bijbehorende overeenkomst tot geldlening door verdachte en [medeverdachte] ondertekend.
Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank op 11 mei 2017 verklaard dat deze overboeking tussen hem en [medeverdachte] is besproken. Verdachte heeft verklaard: ‘Die twee miljoen heeft [medeverdachte] besproken met de rayondirecteur van de Friesland Bank. Ik heb niet voor alle bedragen de opdracht tot overboeking gegeven. Dat komt omdat we ( [medeverdachte] en ik) beiden de bevoegdheid hadden om de overboeking te regelen. Ik was wel op de hoogte van alle bedragen die naar [B] zijn overgemaakt. (...) Toen die € 2.000.000,- moest worden geïnvesteerd, was ik het daar niet mee eens, omdat er ook andere betalingen moesten worden gedaan en omdat het een groot bedrag in één keer was. Maar toen ik in maart hoorde van de aanstaande fusie met [E] , waarna uit het fusiegeld een groot bedrag terug zou vloeien naar [benadeelde] , dacht ik dat het goed was. (...) Na de betaling van die € 2.000.000,- en dat er zicht was op terugbetaling vanuit de fusie met [E] , was ik van mening dat de liquiditeitskrapte ook opgelost zou zijn. (...) [medeverdachte] en ik hebben er samen over gesproken en hij zei dat het op korte termijn zou worden opgelost. Dan hoef ik niet meteen naar de kantonrechter te vliegen’.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte eerst wellicht zijn twijfels had bij deze geldlening, maar dat hij wel met deze geldlening heeft ingestemd. Bovendien blijkt uit een e-mailbericht van verdachte aan [medeverdachte] dat verdachte op de dag van de overboeking akkoord was met deze geldlening. Verdachte schrijft op 17 maart 2008 aan [medeverdachte] : ‘ [medeverdachte] , Op 2 dec. 2007 hebben we een aansprakelijkheidsverklaring getekend m.b.t. de overboeking ad € 700/m. Ik [heb] voor de overboeking van vandaag ad € 2.000/m ook weer een verklaring opgesteld. Ik wil je verzoeken deze te ondertekenen en aan mij te retourneren. Verder vraag ik me af of ik er misschien niet verstandig aan doe om dit notarieel vast te leggen. Deze verklaring is tussen ons wel voldoende, maar op het moment dat het niet goed gaat, hebben deze verklaringen geen enkele rechtskracht en word ik overal in meegetrokken terwijl ik er niets aan kan doen en dan stelt [a-straat 1] niet zo veel voor’.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte (ook) heeft ingestemd met de overboeking van € 2.000.000,-, zodat hij hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Dat [medeverdachte] de bank deze opdracht tot overboeking heeft gegeven, maakt dit niet anders.
Ditzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de overboeking op 7 juli 2008 van € 500.000,- aan [A] . Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat alle geldleningen zijn besproken en dat hij op de hoogte was van alle bedragen die naar [A] zijn overgemaakt. Nu verdachte op 23 december 2008 de overeenkomst betreffende deze lening mede heeft ondertekend, is verdachte ook voor deze overboeking verantwoordelijk te houden. Ook hiervoor geldt dat het enkele feit dat het [medeverdachte] is geweest die de bank de opdracht tot deze overboeking heeft gegeven, nog niet maakt dat verdachte als mede-bewindvoerder niet verantwoordelijk zou zijn.
Wederrechtelijke toe-eigening (zonder toestemming kantonrechter) Erflater heeft in zijn testament bepaald dat op het bewind mede de wettelijke bepalingen omtrent het voogdijbewind van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de bewindvoerders ingevolge artikel 1:350 BW machtiging van de kantonrechter nodig hadden voor elke belegging en het uitlenen van geld van [benadeelde] .
In het kader van de bewindvoering heeft de kantonrechter in oktober 2007 benadrukt dat bij het beleggen van het vermogen van [benadeelde] risico’s zoveel mogelijk moeten worden beperkt. De bewindvoerder dient volgens de Richtlijnen voor de bewindvoerder, die aan verdachte en medeverdachte zijn uitgereikt, te zorgen voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder bewind staat en niet besteed hoeft te worden aan voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan dus zelfstandig en zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende of de kantonrechter bijvoorbeeld een spaarrekening openen met een marktconforme rente. ‘Voor risicovoller beleggingen of herbeleggingen in bijvoorbeeld aandelen of effecten is wel toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter nodig, behalve wanneer dat gebeurt binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd, en hooguit gematigd defensief beleggingsplan’, zo staat in de Richtlijnen voor de bewindvoerder.
Uit de stukken blijkt - zoals hiervoor weergegeven - dat er in de periode van 17 oktober 2007 tot en met 7 juli 2008 door verdachte en [medeverdachte] als bewindvoerders zes keer een geldbedrag is overgeboekt uit het vermogen van [benadeelde] naar de rekening van [A] . Van deze zes overboekingen zijn vier leningsovereenkomsten opgesteld. Daarbij was telkens geen sprake van enige vorm van zekerheid voor terugbetaling van de schuld. In de desbetreffende aktes staat telkens vermeld: ‘Schuldenaar heeft behoefte aan financiering in het kader van haar ondernemingsactiviteiten, (in casu voorfinanciering van diverse projecten)’. Vanuit deze geldstortingen werden vrijwel meteen na het beschikbaar stellen van het geld verschillende schuldeisers van [A] betaald. Dit betrof betalingen waarvoor [A] kennelijk zelf niet voldoende liquide middelen had.
Het hof is van oordeel dat de geldbedragen die uit het vermogen van [benadeelde] naar [A] zijn overgeboekt, anders dan verdachte wil doen geloven, geen beleggingen waren in projecten van [A] , maar leningen aan [A] . Deze geldverstrekkingen stroken naar het oordeel van het hof niet met de in 2007 met de kantonrechter gemaakte afspraken en passen niet bij de opdracht om risico’s zoveel mogelijk te beperken. Ook al zou, zoals verdachte stelt, een algemene machtiging zijn afgegeven door de kantonrechter om vermogen van [benadeelde] te (her)beleggen, dan kwalificeren de geldverstrekkingen niet als zodanig, laat staan dat zij aangemerkt zouden kunnen worden als neutrale of (gematigd) defensieve beleggingen waarbij risico’s zoveel mogelijk worden vermeden.
Nu het hof de zes geldverstrekkingen ziet als geldleningen aan [A] , waarvoor geen toestemming is verkregen van de kantonrechter, acht het hof eerder bedoelde overboekingen ten laste van [benadeelde] wederrechtelijk.
Het opzet op de wederrechtelijkheid De kantonrechter, [betrokkene 7] , die tijdens de bewindvoering van verdachte en [medeverdachte] het toezicht op het bewind had, heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 30 januari 2020 verklaard dat hij niet op de hoogte is gesteld van de zes geldleningen en dat hij ook nooit overeenkomsten van geldlening onder ogen heeft gehad. De kantonrechter heeft desgevraagd verklaard dat hij indien hem was gevraagd een machtiging af te geven voor deze geldleningen hij dat nooit zou hebben gedaan.
Ook [medeverdachte] is gehoord bij de raadsheer-commissaris. Hij heeft (onder andere) verklaard: ‘U houdt mij voor dat u op de rekening en verantwoording niet de 6 geldleningen, waar het in deze zaak om gaat, ziet staan. Ze staan er misschien niet met naam en toenaam, maar ze staan er wel. U vraagt mij of deze 6 geldleningen concreet met de kantonrechter zijn besproken of niet. Niet per betaling. U houdt mij voor dat er een bespreking is geweest op 29 oktober 2007 en dat de eerste lening daarvoor verstrekt was en vraagt mij of er toen over de lening is gesproken. Nee. U houdt mij voor dat op 5 februari 2008 inmiddels een tweede betaling had plaatsgevonden en dat er twee overeenkomsten van geldlening waren opgesteld en vraagt mij of dat toen met de kantonrechter is besproken. We hebben diverse dingen besproken, ik kan mij nu niet meer herinneren of die leningen er expliciet bij zaten’.
Verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris op 4 februari 2020 eveneens verklaard dat de betreffende geldleningen niet expliciet zijn genoemd bij de kantonrechter en dat je uit de overgelegde rekening en verantwoording niet kunt opmaken dat de betreffende gelden naar [A] zijn gegaan. Verdachte heeft hierover (onder andere) verklaard: ‘U vraagt mij of de 6 geldleningen concreet met de kantonrechter zijn besproken of niet. Concreet besproken niet. U vraagt mij of ik in mijn ogen al heb uitgelegd waarom dit niet concreet besproken is. Met name dat het dus meer in de vennootschap terecht kwam, en dus eigenlijk in de jaarstukken van de BV [het hof: de [C] B.V.] is verantwoord.’ Uit bovenstaande leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] de betreffende zes geldleningen aan [A] vooraf noch nadien (expliciet) met de kantonrechter hebben besproken en dat deze geldleningen niet duidelijk en herleidbaar zijn verantwoord in de bij de kantonrechter afgelegde rekening en verantwoording.
Nu verdachte noch [medeverdachte] van de omvangrijke geldleningen - van in totaal € 4 miljoen - aan de met het toezicht belaste kantonrechter enige actieve melding heeft gedaan en ook de bedragen of de ‘leenconstructie’ niet expliciet heeft genoemd in de rekening en verantwoording aan de kantonrechter, terwijl dat bij uitstek in de rede lag, is het hof van oordeel dat sprake is van het opzet op het verhullen van het overmaken van in totaal € 4 miljoen en dus telkens van het opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van in totaal datzelfde bedrag.
Dat verdachten de kantonrechter bewust geen openheid van zaken hebben gegeven over de geldleningen van [benadeelde] aan [A] blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de aangevraagde verruiming van de kredietlimiet bij de Friesland Bank (die gebruikt is voor het verstrekken van lening D). Verdachten hebben aan de kantonrechter een machtiging gevraagd tot verhoging van de kredietlimiet in verband met het voldoen van allerlei verplichtingen uit de nalatenschap, zoals het betalen van rekeningen van een juwelier en de tuinman.
Verdachten hebben die verhoging echter niet aangewend voor dat doel, maar de kredietruimte gebruikt om naar [A] € 2.000.000,- van lening D over te maken, waarna medeverdachte meteen nadat dat geld beschikbaar was een crediteur van [A] voor een bedrag van € 2.000.000,- heeft laten afbetalen.
Nu verdachte tegenover de kantonrechter geen melding van de hier aan de orde zijnde geldverstrekkingen en overeenkomsten van geldlening heeft gemaakt, pleit het hem niet vrij dat de kantonrechter deze geldleningen in de - in het kader van het bewind opgestelde - rekening en verantwoording niet heeft doorzien en hem daardoor niet ter verantwoording heeft geroepen.
Het gaat niet aan enerzijds de betreffende transacties bewust verhuld te presenteren en anderzijds de kantonrechter een tekortkoming in zijn toezichthoudende taak te verwijten.
Toe-eigening De hiervoor vermelde bedragen zijn alle overgeboekt voordat de desbetreffende aktes van geldlening waren ondertekend. De termijn daartussen liep van twee dagen tot ruim zes maanden. Door [A] is zoals gezegd voor het aangaan van de leningen geen enkele vorm van zekerheid gesteld, terwijl het substantiële bedragen betrof. Eén van de leningen, ter grootte van € 700.000,-, had zelfs een achtergesteld karakter. De vergoeding van de leningen was vastgesteld op 10% en de leningen hadden een looptijd van tussen de twee en zes maanden, waarna de lening zou worden terugbetaald. Vaststaat ook dat geen rente is betaald en er niet is afgelost.
Met het uitgeleende geld werden vrijwel direct na ontvangst door [A] schulden aan derden afgelost. Ook heeft [medeverdachte] vanuit de eerste lening van [benadeelde] aan [A] op 17 oktober 2007 een bedrag van € 30.000,- aan zichzelf overgemaakt. Hierdoor vloeiden de gelden van [benadeelde] weg, zonder dat daar enige zekerheid tegenover stond. Dit geldt ook voor het geld dat is verkregen via de met machtiging van de kantonrechter tot stand gekomen verhoging van de kredietlimiet in de rekening-courantverhouding met de Friesland Bank. Anders dan door de kantonrechter was voorgeschreven zijn geen verplichtingen uit de nalatenschap voldaan, maar is wederom geld verstrekt aan [A] en is een schuldeiser van [A] betaald.
Door zonder toestemming van de kantonrechter vermogen van [benadeelde] te gebruiken om op deze wijze en onder deze omstandigheden gelden te verstrekken aan [A] , hebben verdachte en [medeverdachte] als heer en meester daarover beschikt en zich die gelden derhalve wederrechtelijk toegeëigend.
Opzet op de toe-eigening Uit de stukken blijkt dat de liquiditeit van [A] al sinds 25 mei 2007 onder druk stond. In een mailbericht van 30 september 2007 van [medeverdachte] gericht aan [betrokkene 2] , die toen medebestuurder van [A] was, geeft [medeverdachte] een korte beschouwing over de situatie bij [A] op dat moment: ‘Liquide middelen: Grote nood; wil eigenlijk heel graag faillissement aanvragen, maar weet dat dit niet kan’. Ook blijkt uit dit emailbericht dat er veel problemen zijn met de lopende projecten.
Ook uit andere stukken valt af te leiden dat [A] al vanaf september 2007, en dus al vóór de eerste geldlening van 17 oktober 2007, liquiditeitsproblemen had.
Zo staat in een e-mailbericht van 17 oktober 2007 van [betrokkene 3] Hoofd Specialisten Teams, van de ABN AMRO Bank N.V. - de bank van [A] - aan (onder anderen) [medeverdachte] : ‘Tot mijn grote spijt en teleurstelling heb ik moeten constateren dat de rekeningen inmiddels nog steeds (ondanks herhaalde toezeggingen) niet zijn aangezuiverd en dat ook de nieuwe renteboekingen inmiddels hebben plaatsgevonden waardoor de rekeningen nu ieder ruim € 12.000,= over de limiet staan. De brieven voor aanzuivering zijn vandaag dan ook naar alle heren persoonlijk verstuurd.
Hierbij is aangegeven dat de rekening[en] reeds meer dan 90 dagen over de limiet staan en dat aanzuivering voor 21-10 moet hebben plaatsgevonden. In de brief is tevens vermeld dat alle limieten per 01-11-2007 zullen vervallen en dat daarmee ook de debetstanden van € 375.000,= moeten zijn ingelost.
Vooralsnog zie ik geen redenen om tot een verlenging (ook niet op een lager niveau) van de limieten over te gaan, het continue niet nakomen van de rentebetalingen en daarmee samenhangende afspraken is voor ABN AMRO niet langer acceptabel.
Persoonlijk vind ik het heel spijtig dat ik op deze wijze moet communiceren, maar ik heb geen andere keus als bij herhaling afspraken niet worden nagekomen’.
Ook na de eerste, tweede en derde geldlening van [benadeelde] aan [A] bleef de liquiditeit binnen [A] een probleem. Crediteuren eisten na ommekomst van de beleggingsperiode hun geld terug en [A] kon blijkbaar niet aan die verplichtingen voldoen.
Zo houdt een e-mailbericht van [betrokkene 4] van 15 april 2008 aan [betrokkene 2] , en door [betrokkene 2] diezelfde dag doorgestuurd aan [medeverdachte] , in: ‘(...) Zoals je al hebt kunnen opmaken ben ik zeer teleurgesteld in [B] . Jij hebt mij verzocht jouw organisatie een half miljoen euro voor een week te lenen en je verzekerde mij dat dit uiterlijk vrijdag 11 april weer op mijn rekening teruggestort zou worden. (...) Echter de praktijk is anders. (...) Hier moet ik vrijdagavond achter komen, niemand heeft mij gebeld dat er niet betaald zou worden ik moet er zelf achteraan bellen (mind you) we praten niet over zakgeld. !!! het getuig[t] van geen enkel respect. En het enige wat ik hoor als ik dan bel[, is] dat het nog niet een[s] bekend is wanneer het dan wel komt! (...) Het zal je niet verbazen dat dit de laatste keer is dat ik jou bij het [B] help (...)’.
Ook de aflossing van de lening van [D] aan [A] van € 1.900.000,- kon [A] niet uit eigen middelen financieren. Dit betrof een lening met een looptijd van drie maanden, waarvan de aflossing op 12 maart 2008 moest plaatsvinden en waarbij een rentevergoeding van € 100.000,- was overeengekomen. [medeverdachte] stond voor deze geldlening persoonlijk borg. Toen duidelijk was dat [D] zijn investering, ondanks verzoeken van [medeverdachte] hiertoe, niet wilde ‘doorrollen’, maar zijn geld zoals afgesproken terug wilde, is er geld van [benadeelde] gebruikt.
Op 17 maart 2008 is zoals gezegd vanaf de rekeningcourantrekening van [benadeelde] bij de Friesland Bank € 2.000.000,- overgeboekt naar de rekening van [A] . Dit geld is rechtstreeks doorgeboekt naar [D] en dus niet besteed aan het voldoen van verplichtingen uit de nalatenschap zoals de kantonrechter was voorgehouden.
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [A] al vanaf september 2007 financieel in zwaar weer verkeerde en dat dit bleef voortduren.
Wetenschap verdachte omtrent liquiditeit [A] Zowel uit de omschrijvingen van de leningovereenkomsten - bijvoorbeeld ‘Ten behoeve van voorfinanciering van “diverse projecten”’ en ‘Schuldenaar heeft behoefte aan financiering van haar ondernemingsactiviteiten’ - als uit een e-mailbericht van verdachte aan [medeverdachte] van 3 december 2007, in samenhang bezien met deze omschrijvingen, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte op de hoogte was van de financiële problemen binnen [A] .
In het e-mailbericht van verdachte aan [medeverdachte] van 3 december 2007 wordt door verdachte zelfs concreet gesproken over liquiditeitsproblemen binnen [A] . Verdachte noemt deze liquiditeitsproblemen in combinatie met de eerste geldlening van [benadeelde] . Verdachte schrijft: ‘(...) maar er wel bij gemeld dat indien er enige liquiditeit in [A] aanwezig is, [benadeelde] wel een van de eersten moet zijn die alsnog zijn rente ontvangt’.
Ook blijkt uit de eerder genoemde verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van de rechtbank dat hij voor de overboeking van € 2.000.000,- op 17 maart 2008, wist dat de liquiditeitsproblemen nog steeds bestonden. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft ingestemd met deze lening omdat hij dacht dat de liquiditeitskrapte die er toen was zou worden opgelost.
Dat verdachte zich ook bewust was van het feit dat de geldleningen aan [A] grote risico’s met zich meebrachten, blijkt naar het oordeel van het hof uit het feit dat verdachte heeft geïnitieerd dat er overeenkomsten tussen hem en [medeverdachte] zijn opgemaakt, inhoudende dat [medeverdachte] aansprakelijk is voor het bedrag van de geldlening en niet hij, verdachte.
Ondanks het feit dat de eerdere geldleningen van [benadeelde] niet volgens afspraak werden afgelost en er zelfs geen rente werd uitgekeerd, werden er door verdachte en medeverdachte van de bankrekening van [benadeelde] nieuwe bedragen overgeboekt. Het hof is van oordeel dat deze geldleningen onder zodanige omstandigheden zijn aangegaan dat op voorhand duidelijk was dat de geleende bedragen niet konden worden terugbetaald. [A] was dusdanig verlieslijdend dat het de verdachten bij voorbaat duidelijk moet zijn geweest dat het geld van [benadeelde] zou verdwijnen in een (bijkans) bodemloze put.
Medeplegen Voor de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger is vereist dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte medebewindvoerder over het vermogen van [benadeelde] was, dat de door verdachte - in het kader van het afleggen van rekening en verantwoording - opgestelde jaaroverzichten onduidelijk en onvolledig waren doordat de leningen aan [A] niet expliciet werden vermeld, dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van een groot deel van de overboekingen en dat hij de leenovereenkomsten mede heeft ondertekend, en dat alles terwijl verdachte wist van de slechte liquiditeitspositie van [A] .
Hieruit kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de verduistering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.”
Het tweede middel 7. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de (voorwaardelijke) verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [medeverdachte] heeft afgewezen, dan wel deze afwijzing onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens de stellers van het middel heeft het hof weliswaar het juiste criterium gehanteerd, maar schort het aan de invulling daarvan.
Het hof wijst het verzoek tot het horen van de volgende getuigen toe: [medeverdachte] [betrokkene 7] [betrokkene 8] [betrokkene 9] [betrokkene 10] […]”
Het hof is van oordeel dat dit verzoek, gelet op het moment waarop het is gedaan en mede gelet op het feit dat [medeverdachte] in hoger beroep al is gehoord door de raadsheer-commissaris, beoordeeld dient te worden aan de hand van het noodzaakcriterium.
Uit de hiervoor gegeven bewijsoverwegingen blijkt dat verdachte medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor de zes ten laste gelegde overboekingen. Het hof heeft zich daarbij onder andere gebaseerd op de eigen verklaring van verdachte en het gegeven dat hij de overeenkomsten mede heeft ondertekend. In dat licht bestaat er met oog op de volledigheid van het onderzoek geen noodzaak om deze personen (nader) als getuige te horen over de overboekingen van € 2.000.000,- en € 500.000,-. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, maar wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen. Uiteindelijk gaat het in cassatie bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.
Het eerste middel en de bespreking daarvan 21. Het eerste middel behelst de klacht dat wat betreft het medeplegen en het opzet de bewezenverklaring van de gekwalificeerde verduistering van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Voorts wordt geklaagd dat het hof zijn verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging onvoldoende met redenen heeft omkleed. Aldus valt het middel, ook bezien in samenhang met de toelichting daarop, uiteen in drie deelklachten. Deze zal ik hieronder afzonderlijk bespreken.
Medeplegen 22. Allereerst klagen de stellers van het middel dat het hof niet afdoende heeft vastgesteld waaruit de nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan, althans dat de verdachte een bijdrage van zodanig gewicht heeft geleverd dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Volgens de stellers van het middel heeft de verdachte geen enkele rol bij de uitvoering vervuld.
Opzet 28. De tweede deelklacht richt zich tegen het bewezenverklaarde opzet. De stellers van het middel klagen dat niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd waaruit het opzet heeft bestaan en om welke vorm van gradatie het daarbij gaat.
Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachten de kantonrechter bewust geen openheid van zaken hebben gegeven over de bedoelde geldleningen aan [A] , hetgeen naar het oordeel van het hof mede blijkt uit de aangevraagde verruiming van de kredietlimiet bij de Friesland Bank. De verdachten hebben toen de verkregen verhoging voor een ander dan het vermelde doel gebruikt door het bedrag van € 2.000.000 van de rekening van [erven] over te boeken naar de rekening van [A] , waarna medeverdachte [medeverdachte] – meteen nadat het geld beschikbaar was – een crediteur van [A] voor een bedrag van € 2.000.000,- heeft laten afbetalen. Voorts blijkt uit de bewijsvoering dat de kantonrechter in oktober 2007 heeft benadrukt dat bij het beleggen van het vermogen van [benadeelde] risico’s zoveel mogelijk moeten worden beperkt en de bewindvoerder volgens de aan de verdachte en [verdachte] uitgereikte Richtlijnen voor de bewindvoerder hebben te zorgen voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende.
In deze Richtlijnen staat onder meer dat de toestemming van de rechthebbende – in casu [benadeelde] – of machtiging van de kantonrechter nodig is, behalve wanneer dat gebeurt binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan.
From: [verdachte] @wanadoo.nl To: [medeverdachte] @gmail.com Subject: [benadeelde] / liquiditeitspositie Sent: 3 december 2007 [medeverdachte] , Zie onderstaand.
Aangezien er voor de [C] dus ook geen geld van jullie kant komt, zit ik hier dus een liquiditeitsprobleem.
Na de overboeking ad € 700/m is het overboeken van de rente over het jaar 2006 m.b.t. r/c DGA ook geen optie meer.
Heb [betrokkene 5] vorige week ook over deze overboeking ingelicht, maar er wel bij gemeld dat indien er enige liquiditeit in [A] aanwezig is, [benadeelde] wel een van de eersten moet zijn die alsnog zijn rente ontvangt. We moeten echt even overleggen omtrent dit verhaal, aangezien er nog diverse zaken op stapel liggen die wellicht ook geld gaan kosten (privé).”
Motivering verwerping verweer/uitdrukkelijk onderbouwd standpunt 39. Tot slot klagen de stellers van het middel dat het hof de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer onvoldoende met redenen heeft omkleed, althans dat het niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging aangaande het medeplegen en het opzet van de verdachte.
Het derde middel en de bespreking daarvan 43. Het derde middel klaagt dat het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten onrechte heeft bepaald dat gijzeling van 365 dagen kan worden toegepast, derhalve meer dan 360 dagen, zulks terwijl de wet in de voor de verdachte gunstigste zin is gewijzigd.
Het vierde middel en de bespreking daarvan 47. Het vierde middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu in de cassatiefase de redelijke (inzend)termijn is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.
Slotsom 50. De eerste twee middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde en het vierde middel slagen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1407.
Wat betreft het overzichtsarrest van 1 juli 2014 gaat het in het bijzonder om rov. 2.8-2.9 en 2.61.
Zie HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:1629, NJ 2023/58, m.nt. Reijntjes (rov. 2.4.3).
Zie de bewijsmiddelen 56, 59 en 60.
Uit de desbetreffende overweging van het hof kan worden afgeleid dat [medeverdachte] daadwerkelijk als getuige door de raadsheer-commissaris is gehoord (zie randnummer 11).
Zie onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. Rozemond, en meer recentelijk HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1655.
Ik verwijs daarvoor onder meer naar: HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256 (rov. 5.3); HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4091 (rov. 3.4); HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9110, NJ 2010/411 (rov. 2.3); HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620 (rov. 2.3); HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, NJ 2014/187, m.nt. Keijzer (rov. 2.3); HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771 (rov. 2.5); HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2638, NJ 2017/415 (rov. 2.3); en HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:805 (rov. 2.3). Zie voorts Noyon/Langemeijer/Remmeling (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 321, aant. 1.1 en 1.2 (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt tot 9 oktober 2019).
Zie hierover nader NLR, art. 321 Sr, aant. 1.
Ik wijs met name op de bewijsmiddelen 8, 11, 16 en 19.
Bewijsmiddel 61.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.
Zie onder meer HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498 en HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714, NJ 2022/199.