PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03143 Zitting 10 maart 2023 CONCLUSIE F.F. Langemeijer In de zaak van [de vrouw] tegen [de man] In deze alimentatiezaak heeft het gerechtshof, na verwijzing door de Hoge Raad, de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw opnieuw vastgesteld. De klachten in cassatie hebben hoofdzakelijk betrekking op de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing en op de terugbetalingsverplichting van de alimentatiegerechtigde. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de door het hof vastgestelde feiten, hieronder verkort weergegeven: 1.2 Het huwelijk van partijen is op 14 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Partijen, hierna aangeduid als de vrouw en de man, zijn de ouders van twee kinderen, geboren in 2002 respectievelijk 2005. 1.3 Als voorlopige voorziening was op 22 december 2016 ten laste van de man een voorlopige bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie) bepaald van € 3.270,- per maand met ingang van 29 november 2016. 1.4 Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Den Haag bij beschikking van 5 februari 2018 bepaald dat de man met ingang van die datum aan de vrouw een partneralimentatie dient te betalen van € 5.700,- per maand en vanaf 1 januari 2019 een bedrag van € 4.902,- per maand, alles uitvoerbaar bij voorraad. 1.5 Na hoger beroep van de man en incidenteel hoger beroep van de vrouw heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 27 februari 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:530) de beschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Het hof heeft de partneralimentatie met ingang van 5 februari 2018 vastgesteld op € 3.546,- per maand, met ingang van 1 juli 2018 op € 1.675,- per maand en met ingang van 1 september 2019 op nihil. Bij dezelfde beschikking heeft dat gerechtshof de kinderalimentatie bepaald op € 705,- per kind per maand, met ingang van 5 februari 2018. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 1.6 Op 24 juli 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1965) heeft het gerechtshof Den Haag beslist op een verzoekschrift van de vrouw tot herstel van die beschikking op de voet van art. 31 Rv op verscheidene punten. Het hof heeft bepaald dat de verzoeken (behoudens het verzoek van de vrouw tot wijziging van haar voornamen) zich niet lenen tot verbetering in de zin van dat artikel. 1.7 Op 10 september 2019 heeft de man bij de rechtbank Den Haag een wijzigingsverzoek ingediend, strekkende tot verlaging van de kinderalimentatie en tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 juni 2019, omdat de vrouw inmiddels over eigen inkomsten zou beschikken. 1.8 Bij beschikking van 19 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1081) heeft de Hoge Raad, na gegrondbevinding van de onderdelen 2.1.4.III en 2.3 van het toenmalige cassatiemiddel van de vrouw, de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. 1.9 Nadat de zaak aanhangig was gemaakt bij het gerechtshof Amsterdam hebben partijen gestreden over de vraag welke geschilpunten nog ter beoordeling stonden na de verwijzing. Volgens de man staat zijn draagkracht niet langer ter discussie en gaat het uitsluitend over de behoeftigheid van de vrouw en de gevolgen van de verplichting van de vrouw om teveel betaalde alimentatie aan de man terug te betalen. Volgens de vrouw is bij het gerechtshof Amsterdam de alimentatieverplichting van de man in volle omvang aan de orde. Zij betoogde dat het inkomen van de man in 2018 en 2019 hoger was dan het inkomen waarvan eerder door de rechters in Den Haag werd uitgegaan. 1.10 De zaak is mondeling behandeld op 15 februari 2021. In overweging 4.4 van zijn tussenbeschikking van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2946) heeft het gerechtshof Amsterdam zich eerst uitgesproken over de in deze fase van het geding nog te nemen beslissingen. In overweging 4.6 heeft dit hof vastgesteld dat de beslissing van het gerechtshof Den Haag ten aanzien van de verzochte kinderalimentatie in stand is gebleven, omdat de Hoge Raad de cassatiemiddelen die daarop betrekking hadden op 19 juni 2020 heeft verworpen. De vaststelling van de partneralimentatie moet volgens het hof (rov. 4.7) wel in volle omvang worden beoordeeld, zij het met inachtneming van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad. 1.11 Tussen partijen staat vast dat de vrouw op 1 juni 2019 opnieuw een betaalde dienstbetrekking heeft gevonden. Vanaf die datum kan zij volgens het hof volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien en is zij niet langer behoeftig (rov. 4.8). Met betrekking tot de verzochte partneralimentatie over het verstreken tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 en de consequenties van een eventuele terugbetalingsverplichting heeft het hof nadere inlichtingen verzocht. 1.12 Partijen hebben zich hierover uitgelaten. Op 24 mei 2022 heeft het hof een eindbeschikking gegeven (ECLI:NL:GHAMS:2022:1526). Daarin heeft het hof partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun op de kinderalimentatie betrekking hebbende verzoeken. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2018 vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de partneralimentatie. Het hof heeft deze vastgesteld als volgt: met ingang van 5 februari 2018 € 5.423,- bruto per maand; met ingang van 1 juli 2018 € 3.544,- bruto per maand; met ingang van 1 januari 2019 € 659,- bruto per maand, alles uitvoerbaar bij voorraad. In het dictum heeft het hof verstaan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de partneralimentatie voor het tijdvak vanaf 1 juni 2019 en dat het daarop betrekking hebbende verzoek in zoverre is ingetrokken. 1.13 Op 23 augustus 2022 heeft de vrouw – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking van het gerechtshof Amsterdam. 1.14 De man heeft een verweerschrift in cassatie, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, ingediend. De vrouw heeft daarop geantwoord in een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. 2Bespreking van het principaal cassatiemiddel Omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing 2.1 In navolging van partijen maak ik vooraf enkele opmerkingen over de omvang van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. Ingevolge art. 424 Rv dient de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Een uitgangspunt daarbij is dat de verwijzingsrechter de zaak behandelt in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gedaan. De verwijzingsrechter is in beginsel gebonden aan de in de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten of omstandigheden. Het vorenstaande laat onverlet dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (een wijziging van) feiten en omstandigheden die zich eerst na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden, en dat de rechter die na verwijzing over de zaak oordeelt, de hiervoor bedoelde (wijziging van) feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken. Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkómt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken juridische of feitelijke gegevens. 2.2 In haar conclusie voor de zo-even aangehaalde beslissing van de Hoge Raad heeft A-G Wesseling-van Gent een overzicht gegeven van de rechtsleer. Zij noteerde dat in de rechtspraak een uitzondering is aanvaard voor alimentatiezaken en andere zaken die naar hun aard moeten worden beoordeeld naar de actuele toestand. 2.3 Om een vergelijkbare reden bestaat bij de behandeling van alimentatiezaken in hoger beroep ruimte om af te wijken van de in beginsel strakke regel dat elke partij in het hoger beroep slechts eenmaal gelegenheid krijgt om haar standpunt schriftelijk uiteen te zetten in een verzoekschrift, respectievelijk verweerschrift. 2.4 In rov. 4.4 van de thans bestreden tussenbeschikking heeft het gerechtshof Amsterdam de hiervoor genoemde uitspraak van HR 4 december 1998, NJ 1999/675, tot uitgangspunt genomen. In die zaak had de Hoge Raad overwogen dat de rechter die na verwijzing een alimentatiegeschil in volle omvang opnieuw heeft te beoordelen, zijn beslissing dient te geven op basis van alle op dat moment bestaande en ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij past niet dat de rechter gebonden zou zijn aan een in het in cassatie vernietigde arrest gegeven, maar in cassatie niet bestreden oordeel over de duur van de alimentatie. 2.5 Op 20 mei 2016 heeft de Hoge Raad de ratio van het oordeel in HR 4 december 1998 onder woorden gebracht als volgt: “3.5.2 (…) Die regel – die een uitzondering inhoudt op de hoofdregel dat de verwijzingsrechter is gebonden aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen – wordt gerechtvaardigd door de aard van een alimentatiegeschil. Rechterlijke uitspraken aangaande alimentatie zijn immers in beginsel vatbaar voor wijziging, zelfs met terugwerkende kracht, op de in art. 1:401 BW vermelde gronden; beide partijen bij een dergelijk geschil hebben daarom belang erbij dat de vaststelling van de alimentatie berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak. De aard van dit geschil rechtvaardigt daarom dat de appelrechter bij de vaststelling van de alimentatie rekening houdt met nieuwe grieven, feiten, stellingen en verweren waarop door de partijen eerst na het formuleren van de grieven, onderscheidenlijk na het appelverweerschrift, beroep is gedaan, zodat wordt voorkomen dat op de voet van art. 1:401 BW wijziging van de rechterlijke uitspraak moet worden verzocht op die nieuwe gronden (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6741, NJ 2012/446). Daarom dient na vernietiging in cassatie ook de verwijzingsrechter met dergelijke nieuw aangevoerde gronden rekening te houden.” De Hoge Raad wees erop dat deze ratio niet opgaat voor zover in die zaak in het eerste cassatieberoep niet of tevergeefs werd opgekomen tegen het oordeel dat de alimentatiegerechtigde samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, in de zin van art. 1:160 BW. Een beslissing over die (voor)vraag gaat immers vooraf aan de eventuele vaststelling van de alimentatie en is zelf niet vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. 2.6 De rechter mag niet méér toewijzen dan is verzocht. Van de rechtspraak na 4 december 1998 noem ik nog HR 12 mei 2006, een zaak over de afdoening na cassatie en verwijzing van een verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. Aan de Hoge Raad werd onder meer de vraag voorgelegd of in de fase na cassatie en verwijzing het ingediende alimentatieverzoek kon worden vermeerderd. De Hoge Raad overwoog in rov. 3.3.3: “(…) Ingevolge rov. 3.4 van de eerdergenoemde beschikking van de Hoge Raad() had na cassatie en verwijzing het hof de taak de zaak in volle omvang opnieuw te onderzoeken. Het hof diende daarom zijn beslissing te geven op basis van alle op dat moment bestaande en ter zake dienende omstandigheden van het geval (vgl. HR 4 december 1998, (…) NJ 1999, 675, rov. 3.6). Bovendien diende het hof bij zijn beslissing rekening te houden met feiten waarop de vrouw eerst na het formuleren van haar grieven beroep deed, óók indien daarin niet anders dan een nieuwe grief kon worden gezien (vgl. HR 26 april 1991, (…) NJ 1992, 407). Een en ander leidt ertoe aan te nemen dat in een geding als het onderhavige na cassatie en verwijzing de partij die wijziging van de alimentatie verzoekt, bevoegd is haar verzoek of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, onverminderd de door art. 283 Rv. in verbinding met art. 130 lid 1 Rv. aan de wederpartij gegeven mogelijkheid daartegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Voorts brengen deze eisen mee dat de wederpartij genoegzaam de gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens haar standpunt te herzien (vgl. HR 26 april 1991, (…) NJ 1992, 407).” 2.7 Hoewel het in het algemeen voor partijen voordelig is, gebruik te maken van de mogelijkheid om beweerdelijk nieuwe of gewijzigde omstandigheden dan wel een beweerde onjuistheid in de voorafgaande alimentatiebeslissing aan de orde te stellen in het geding dat na cassatie en verwijzing wordt voortgezet, het blijft mogelijk dat een van de partijen een afzonderlijk verzoek als bedoeld in art. 1:401 BW bij de rechtbank indient. De klachten van de vrouw over de vaststelling van alimentatie 2.8 Onderdeel 1 van het cassatiemiddel heeft slechts betrekking op de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie). Met dit onderdeel keert de vrouw zich tegen rov. 4.4 en 4.6 van de tussenbeschikking van het gerechtshof Amsterdam. Blijkens subonderdeel 1.3 is de klacht mede gericht tegen de daarop voortbouwende overwegingen 1.1, 2.3 en 2.11 en het desbetreffende dictum in de eindbeschikking. 2.9 Volgens de subonderdelen 1.1 en 1.2 heeft het hof miskend dat in alimentatiezaken (ook na cassatie en verwijzing) de mogelijkheid bestaat om wijziging van een reeds vastgestelde alimentatie te verzoeken op grond van gewijzigde omstandigheden of indien de alimentatie van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de vaststelling werd uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (vgl. art. 1:401 lid 1 en lid 4 BW). Volgens de vrouw is in het geding na verwijzing naar voren gekomen dat het inkomen van de man in de jaren 2017 en 2018 aanzienlijk hoger was dan het inkomen waarvan de rechtbank en het gerechtshof Den Haag destijds zijn uitgegaan. Het hof, ingevolge artikel 25 Rv gehouden tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, had dit feit moeten kwalificeren als een impliciet beroep van de vrouw op een wijziging of een onjuist feitelijk uitgangspunt in de eerdere alimentatievaststelling, als bedoeld in art. 1:401 BW. Het hof heeft volgens de klacht hetzij deze rechtsregel miskend, hetzij onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt. De in rov. 4.6 genoemde omstandigheid dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 juni 2020 de klachten had verworpen voor zover deze (mede) betrekking hadden op de door het gerechtshof te Den Haag vastgestelde kinderalimentatie, doet volgens het middelonderdeel daaraan niet af. 2.10 De man voert tot verweer tegen dit middelonderdeel samengevat het volgende aan. Het geschil over het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie is geëindigd met de beschikking van het gerechtshof Den Haag, waarin (in afwijking van de beslissing in eerste aanleg) de kinderalimentatie werd bepaald op € 705,- per kind per maand met ingang van 5 februari 2018, zulks overeenkomstig het verzoek van de vrouw. Voor zover de klachten van de vrouw in het eerste cassatieberoep (mede) betrekking hadden op de kinderalimentatie, heeft de Hoge Raad die klachten verworpen. Het gerechtshof Amsterdam als verwijzingsrechter had slechts nog te beslissen over de partneralimentatie. Bij deze stand van zaken is er volgens de man geen ruimte voor de in het middelonderdeel beoogde ambtshalve toepassing van art. 1:401 BW ten aanzien van de kinderalimentatie. 2.11 In rov. 4.6 van zijn tussenbeschikking is het hof ervan uitgegaan dat het nevenverzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen was afgedaan. Voor zover de klachten van de vrouw in het eerste cassatieberoep betrekking hadden op de kinderalimentatie, zijn zij door de Hoge Raad verworpen. De beslissing op dit nevenverzoek heeft volgens rov. 4.6 ‘kracht van gewijsde’ gekregen. 2.12 In dit geval had de man op 10 september 2019, dus na de beschikking van het gerechtshof Den Haag, bij de rechtbank Den Haag een verzoek als bedoeld in art. 1:401 BW ingediend tot vermindering van de partner- en de kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2019 (de dag waarop de vrouw een goed betaalde baan heeft aanvaard bij een fiscaal adviesbureau). De vrouw heeft in die procedure een zelfstandig verzoek ingediend tot wijziging van (onder meer) de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2019 (petitum onder A). Zij verzocht deze te bepalen op € 719,- per maand per kind. Als ik het goed zie, is in dit bedrag de wettelijke indexering verwerkt van de eerder op € 705,- vastgestelde kinderalimentatie. Het betreft dus niet een wijzigingsverzoek waaraan een gestelde verhoging van de draagkracht van de man ten grondslag lag. In rov. 2.2 van zijn eindbeschikking, in cassatie onbestreden, heeft het hof geconstateerd dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de partner- en de kinderalimentatie voor het tijdvak vanaf 1 juni 2019. Kortom, er viel voor het gerechtshof Amsterdam niets meer te beslissen over de kinderalimentatie voor het tijdvak vanaf 1 juni 2019. 2.13 Wat betreft de kinderalimentatie over het tijdvak vóór 1 juni 2019: aanvankelijk wenste de man dat de kinderalimentatie zou worden beperkt tot € 424,- per maand per kind (vanaf 5 februari 2018); in een later stadium heeft hij zich neergelegd bij een kinderalimentatie van € 705,- per maand per kind, zoals door de vrouw verzocht. In zijn berekening van de partneralimentatie over het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 is het gerechtshof Amsterdam dan ook uitdrukkelijk uitgegaan van een bedrag van € 1.410,- (tweemaal € 705) als door de man verschuldigde kinderalimentatie. 2.14 In feite heeft het hof op grond van de bereikte overeenstemming de kinderalimentatie over het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 laten staan op het door het gerechtshof Den Haag bepaalde bedrag van € 705,- per kind per maand. In dit verband wijs ik erop dat de vrouw op blz. 3 van haar brief aan het hof van 25 januari 2021 uitdrukkelijk heeft verzocht de kinderalimentatie voor het tijdvak van 5 februari 2018 tot 1 juni 2019 te bepalen op € 705,- per maand per kind. Omdat het hof niet méér kon toewijzen dan verzocht mist de vrouw mijns inziens elk belang bij dit middelonderdeel. Onderdeel 1 faalt. 2.15 Ten overvloede merk ik over deze klacht nog het volgende op. In het dictum van zijn beschikking van 19 juni 2020 heeft de Hoge Raad de toen bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 vernietigd. Bij cumulatie van vorderingen of verzoeken is een partiële vernietiging in het dictum op zich mogelijk. In dit geval heeft de Hoge Raad de appelbeschikking vernietigd en ‘het geding’ verwezen naar het gerechtshof Amsterdam, ter verdere behandeling en beslissing. Dat lag naar mijn mening ook voor de hand, omdat na verwijzing nog onderzoek moest worden gedaan naar de behoeftigheid van de vrouw en naar een eventuele terugbetalingsverplichting. In zoverre was er sprake van samenhang tussen de kinder- en de partneralimentatie. De verwijzingsrechter dient bij de verdere afdoening uitleg te geven aan de uitspraak van de Hoge Raad. 2.16 Aan onherroepelijk geworden alimentatiebeslissingen komt gezag van gewijsde toe, maar dit gezag wordt beperkt door de omstandigheid dat in een latere rechterlijke beslissing de alimentatie kan worden gewijzigd of ingetrokken op grond van een wijziging van omstandigheden (t.a.v. de draagkracht van de alimentatieplichtige of de behoefte van de tot alimentatie gerechtigde) dan wel omdat de alimentatiebeslissing van de aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Dit betekent dat de rechter bij een wijzigingsverzoek niet gebonden is aan geschilbeslissingen in de eerdere uitspraak voor zover deze voor wijziging vatbaar zijn. Is inderdaad sprake van een relevante wijziging van omstandigheden of van een situatie als bedoeld in art. 1:401 lid 4 BW, dan moet de rechter in het nieuwe geschil de uitkering tot levensonderhoud opnieuw vaststellen, rekening houdend met alle relevante omstandigheden. De rechter is in dat geval niet gebonden aan oordelen in de eerdere uitspraak over diezelfde omstandigheden. 2.17 Als gevolg van de verwerping door de Hoge Raad van de klachten in het eerste cassatieberoep van de vrouw voor zover deze betrekking hadden op de door het gerechtshof Den Haag vastgestelde kinderalimentatie, was sprake van een eindbeslissing over dit nevenverzoek. Ik versta de aangehaalde rechtspraak aldus, dat slechts indien (en voor zover) de verwijzingsrechter toekomt aan het opnieuw vaststellen van alimentatie, hij het wijzigingsverzoek ‘meeneemt’ in zijn beslissing na verwijzing, opdat de nieuwe vaststelling zoveel aansluit bij de actuele toestand ten aanzien van behoefte en draagkracht. In het onderhavige geval was er voor het gerechtshof geen aanleiding om, wat betreft de hoogte van de kinderalimentatie in het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019, een nieuwe omstandigheid ambtshalve ‘mee te nemen’ en af te wijken van deze eindbeslissing van het gerechtshof Den Haag. Ook om deze reden falen zowel de rechtsklacht als de subsidiaire motiveringsklacht van onderdeel 1. 2.18 Onderdeel 2 heeft betrekking op de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw in het reeds verstreken tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019. Het hof heeft in het dictum van zijn eindbeschikking verstaan dat partijen overeenstemming hebben over de partneralimentatie vanaf 1 juni 2019 en dat het daarop betrekking hebbende verzoek in zoverre is ingetrokken. 2.19 De klachten van dit onderdeel zijn gericht tegen rov. 2.11 van de eindbeschikking. De klacht onder 2.1 en 2.2 houdt in dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, door niet zelf alle voor de partneralimentatie relevante feiten vast te stellen aan de hand van het debat in de procedure na cassatie en verwijzing. Door in rov. 2.11 te verwijzen naar de draagkrachtberekeningen die het gerechtshof Den Haag had gemaakt heeft het gerechtshof Amsterdam volgens de vrouw miskend dat de (verwijzings)rechter in alimentatiezaken zelf de feiten moet vaststellen. Dit betekent volgens de vrouw dat het gerechtshof Amsterdam óók acht had moeten slaan op hetgeen zij in het geding na verwijzing had aangevoerd over in die draagkrachtberekeningen nog niet meegenomen inkomsten uit verhuur en over een verschuiving (voor de inkomstenbelasting) van de woonlasten van box 1 naar box 3. 2.20 Volgens subonderdeel 2.3 geldt de noodzaak van een nieuwe vaststelling van behoefte en draagkracht in dit geval temeer, omdat de alimentatiebeslissing van het gerechtshof Den Haag op onvolledige gegevens berustte. Op blz. 2 van zijn beschikking van 24 juli 2019 op het verzoek van de vrouw tot herstel van die beschikking heeft dat gerechtshof overwogen dat het hof in zijn beschikking van 27 februari 2019, gezien de gebrekkige informatie van partijen, zelf is gaan rekenen op basis van gegevens die het hof in het dossier had aangetroffen en uit de toelichting had begrepen. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 2.21 Zowel in de tussenbeschikking (rov. 4.7) als in de eindbeschikking (rov. 2.3) laat het gerechtshof Amsterdam er geen twijfel over bestaan dat het hof de hoogte van de partneralimentatie tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 in volle omvang opnieuw heeft vastgesteld. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn draagkrachtberekeningen aan zijn eindbeschikking gehecht (rov. 2.12). De lezer kan daaruit opmaken hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. Wat betreft de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de behoefte en de draagkracht, behoefde het hof niet bij nul te beginnen. Het hof kon, vanzelfsprekend, gebruik maken van de inkomensgegevens die partijen in de eerdere stadia van dit geding hadden overgelegd en van alle gedeelten van de eerdere draagkrachtberekeningen waarvan de juistheid onomstreden was. Daarnaast heeft het hof gelet op de nieuwe informatie over het arbeidsinkomen van de man die de vrouw na verwijzing in het geding had gebracht (zie rov. 2.3 van de eindbeschikking). Wat betreft de inkomensgegevens waarover in het stadium na verwijzing nog werd gestreden, heeft het hof in rov. 2.3 – 2.7 (wat betreft 2018) respectievelijk rov. 2.8 – 2.10 (wat betreft 2019) zijn beslissing over de draagkracht van de man nader gemotiveerd. 2.22 Met betrekking tot de twee posten die subonderdeel 2.1 specifiek noemt, valt het volgende op te merken. In rov. 2.11 heeft het hof overwogen dat het ook ten aanzien van de posten die de vrouw nog ter discussie heeft gesteld, zoals de inkomsten uit verhuur en de verschuiving van (de lasten van) de woning van box 1 naar box 3, de draagkrachtberekeningen van het gerechtshof Den Haag zal volgen, nu deze posten geen deel uitmaken van het debat dat thans voorligt. Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het aan de zijde van de man uitgaat van de werkelijke opbrengst uit verhuur van de woningen in [plaats 1] en [plaats 2] van € 18.373,-, zoals vermeld in de draagkrachtberekeningen van het gerechtshof Den Haag. Het hof overweegt dat in de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 in rov. 8 weliswaar werd overwogen dat die opbrengst € 9.762,24 bedraagt, maar dat hof destijds kennelijk over het hoofd heeft gezien dat dit slechts de opbrengst is van één van beide verhuurde panden, terwijl het gerechtshof Den Haag in zijn berekeningen en in de uiteindelijk opgelegde alimentatiebedragen wel met de opbrengst van beide panden rekening heeft gehouden. 2.23 Wat betreft de stellingen van de vrouw over de werkelijke opbrengst uit verhuur, verwijst het middelonderdeel naar een passage uit de pleitnota namens de vrouw van 15 februari 2021. Daarin werd aangevoerd dat het gerechtshof Den Haag bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte alleen de inkomsten uit verhuur van de woning in [plaats 2] heeft betrokken. Bij die klacht mist de vrouw belang omdat het hof Amsterdam, zoals gezegd, de inkomsten uit verhuur van beide woningen heeft meegenomen in de berekening. 2.24 Verder verwijst het middelonderdeel naar randnummer 13 van de antwoordakte van 26 oktober 2021. Daar gaat de vrouw in op verscheidene aspecten van de systematiek van box 1 en box 3, waaronder de verschuiving van de woonlasten van de voormalige echtelijke woning van de ene box naar de andere. In het middelonderdeel wordt echter niet duidelijk gemaakt in welk opzicht het hof Den Haag destijds (in rov. 17) zou zijn uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, op welke specifieke stellingen in punt 13 van genoemde antwoordakte het onderdeel precies het oog heeft en waarom die stellingen relevant zijn. Aldus wordt voor de lezer niet inzichtelijk waarom het oordeel van het hof Amsterdam inzake de vastgestelde partneralimentatie, zoals dit tot uitdrukking komt in de door het hof gemaakte draagkrachtberekening, geen stand zou kunnen houden. Om deze reden kan de klacht ook op dit punt niet tot cassatie leiden. 2.25 Subonderdeel 2.4 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande subonderdelen en bevat geen klacht die afzonderlijk bespreking behoeft. Onderdeel 2 faalt. De klachten van de vrouw over de verplichting tot terugbetaling 2.26 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 2.13 van de eindbeschikking van het gerechtshof Amsterdam. Deze klacht heeft betrekking op een ‘eventuele’ terugbetalingsverplichting van de vrouw. Het hof heeft de partneralimentatie over het tijdvak tussen 5 februari 2018 en 1 juni 2019 bepaald op bedragen die gedeeltelijk lager zijn dan die, welke de rechtbank op 5 februari 2018 had vastgesteld: zie rov. 2.11 aan het slot. Ingevolge de beslissing van de Hoge Raad in de verwijzingsbeslissing had het hof daarom de taak opnieuw naar dit geschilpunt in hoger beroep te kijken. 2.27 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 15 februari 2021 heeft de man gesteld dat de vrouw hem nog ruim € 27.000,- moet terugbetalen. De vrouw heeft dat standpunt betwist, waarbij haar stelling over een in werkelijkheid hoger inkomen van de man in dit tijdvak, de betalingen van (ook) de kinderalimentatie en haar eigen (on)mogelijkheden om een eventuele terugbetaling te doen aan de orde kwamen. In zijn tussenbeschikking van 14 september 2021 heeft het hof, alleszins begrijpelijk, aan partijen verzocht nader inlichtingen aan het hof te verstrekken. 2.28 Nadat elk van partijen zich schriftelijk nader had uitgelaten, bleek dat partijen het niet eens zijn geworden over het door de man te betalen en over het door de man feitelijk aan de vrouw betaalde bedrag. Daarbij speelt een rol dat in hun opstellingen deels ook andere inkomsten en betalingen zijn verweven (zoals inkomsten uit verhuur en onderlinge verrekeningen). Dienaangaande overwoog het hof in rov. 2.13 van zijn eindbeschikking als volgt: “Het hof kan geen terug te betalen bedrag vaststellen omdat geen duidelijkheid is gegeven over de precieze bedragen die partijen over en weer hebben betaald. Wel geldt volgens vaste rechtspraak dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Nu de vrouw sinds de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 er rekening mee heeft kunnen houden dat zij een mogelijke terugbetalingsverplichting heeft en voorts sinds juni 2019 zelf een aanzienlijk inkomen verwerft, ziet het hof geen aanleiding de (eventuele) terugbetalingsverplichting te matigen.” 2.29 De subonderdelen 3.1 en 3.2 dienen slechts ter inleiding. Subonderdeel 3.3 valt uiteen in diverse klachten, die hierna zullen worden besproken. De klacht onder I (a en b), gericht tegen de laatste volzin van rov. 2.13, houdt in dat het hof de door de Hoge Raad in rov. 3.2.2 van zijn beschikking van 19 juni 2020 geformuleerde regels heeft miskend, althans zijn beslissing ten aanzien van de terugbetalingsverplichting ontoereikend heeft gemotiveerd. Anders dan het hof in deze volzin overweegt, gaat het volgens de vrouw niet slechts om matiging van de terugbetalingsplicht. De Hoge Raad schrijft immers voor dat de rechter, beslissend op een wijzigingsverzoek of beslissend in hoger beroep, slechts behoedzaam gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om de hoogte van de alimentatie te wijzigen met ingang van een tijdstip dat vóór de datum van zijn uitspraak ligt. Dit vereist volgens de vrouw een andere toetsing dan het hof heeft toegepast. De motiveringsklacht van subonderdeel I.b is nader uitgewerkt in de klachten onder II (a – f). Deze gaan meer in detail in op de vraag of het gerechtshof Amsterdam zich een verkeerde voorstelling heeft gemaakt van de omvang van de terugbetalingsverplichting van de vrouw en (onder II.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.