PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02866 B Zitting 21 maart 2023 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de klager 1Het cassatieberoep 1.1 De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 26 juli 2022 het door de klager op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag op een Mercedes Benz E500 met last tot teruggave aan de klager, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift. 1.3 Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel faalt en het cassatieberoep moet worden verworpen. 2De procesgang 2.1 Onder klager is op grond van art. 94 Sv een Mercedez Benz E500 met twee witte kentekenplaten ([kenteken]) inbeslaggenomen. De klager wordt ervan verdacht met de auto te hebben gereden, terwijl deze was voorzien van valse kentekenplaten. 2.2 Op 27 mei 2022 is namens klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend waarin wordt verzocht het beslag op de volgens het klaagschrift aan de klager toebehorende auto op te heffen. Het klaagschrift houdt in: “1. Onder klager is op of omstreeks 23 mei 2022 een personenauto in beslag genomen in de gemeente Utrecht. De inbeslaggenomen personenauto betreft een Mercedes, type onbekend. De zaak staat bekend onder het proces-verbaalnummer PL0900- 2022138748. 2. Klager is eigenaar van het in beslag genomen goed en hij heeft daarvan geen afstand gedaan. Klager is van mening dat het belang van strafvordering zich niet (langer) verzet tegen teruggave van voornoemd goed. 3. In het bijzonder meent klager dat een juiste proportionaliteitsbeoordeling (in het kader van onder meer artikel 1 eerste protocol bij het EVRM) vraagt om opheffing van het beslag op het voornoemde goed. Immers, de waarde van het goed daalt naar zijn aard snel, terwijl vooralsnog niet duidelijk is of, laat staan voorzienbaar is, wanneer de zaak (inhoudelijk) zal zijn afgerond. 4. Gelet op het voorgaande verzoekt klager u om de teruggave van het voornoemd goed te gelasten en tevens om ondergetekende in het bezit te (doen laten) stellen van het onderliggende dossier. 5. Nota bene, voor zover mogelijk c.q. nodig zal dit beklag nader worden aangevuld met gronden, uiterlijk bij de mondelinge behandeling van dit klaagschrift.” 2.3 Op 12 juli 2022 is dit klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Het proces-verbaal houdt (met weglating van de voetnoot) in: “Klager verklaart, zakelijk weergegeven: De auto staat op mijn naam. Toen de auto in beslag werd genomen vertelde de politieagent dat ik de auto zo snel mogelijk op mijn naam moest zetten en van een geldig kenteken moest voorzien. Ik heb toen, op aanraden van de politie, in Apeldoorn bij [A], een Oostenrijks kenteken laten maken op mijn naam. Ik heb hier ongeveer 500 euro voor betaald. De politie vertelde mij dat ik de auto weer kon ophalen zodra ik mijn kenteken had. Ik ben langsgegaan op het politiebureau in Nieuwegein. Daar vertelden ze mij dat de zaak via de rechter zou gaan. De rechter merkt op: De auto heeft 6 dagen met witte kentekenplaten gereden, dan wel gestaan. De auto stond dus eerst op de naam van uw vader, maar later dus op uw naam. Ik kan er dus vanuit gaan dat het uw auto is? Klager verklaart, zakelijk weergegeven: Ja. De auto was eerst van mijn vader, maar ik heb hem op mijn naam gezet. Het is dus mijn auto. De auto is gekocht in Duitsland. Hij was nog niet ingevoerd en er zaten witte kentekenplaten op. Toen mijn vader er niet was kwam de politie en werd de auto in beslag genomen. De agent vertelde dat er met spoed een geldig kenteken op de auto moest worden geplaatst. Dit heb ik gedaan, zoals ik hiervoor heb verklaard. De rechter merkt op: Ik vraag mij af hoe Nederland een Oostenrijks kenteken kan afgeven. Klager verklaart, zakelijk weergegeven: Als je dit opzoekt via Google kun je zien dat dit wel kan. De raadsman merkt op, zakelijk weergegeven: Ik ben ervan uitgegaan dat de auto op naam van klager stond. Ter terechtzitting blijkt dat deze eerst op naam van zijn vader stond, maar nu (waarschijnlijk) weer op zijn naam staat. Los daarvan is het zo dat er een strafvorderlijk belang moet zijn voor het voortduren van het beslag. Dit belang is er niet. De auto moet terug naar zijn vader, als eigenaar. De rechter merkt op: Het is lastig. U vraagt nu teruggave aan zijn vader. Klager verklaart, zakelijk weergegeven: lk voel mij gestrest omdat ik merk dat er onduidelijkheid is. Volgens de wet ben ik de eigenaar van de auto. Ik was erbij toen hij in beslag was genomen. Ik kon geen Nederlands kenteken krijgen, aangezien de auto niet in bezit was van het RDW, maar van de politie. Daarom heb ik er Oostenrijkse kentekentekenplaten op gezet. Deze kentekenplaten zijn 28 dagen geldig. Met dit kenteken kon ik weer een afspraak maken om een origineel Nederlands kenteken te laten maken. De officier van justitie merkt op: Ik blijf bij het standpunt, zoals eerder ingediend, om het klaagschrift ongegrond te verklaren. Hierbij merk ik op dat er wisselend wordt verklaard over de eigenaar van de auto. In de strafzaak kan het zijn dat de auto verbeurd wordt verklaard, aangezien er een verdenking ligt wegens rijden met valse kentekenplaten, hetgeen voldoende uit de stukken is gebleken. De raadsman merkt op: Ik benadruk dat de auto redelijkerwijs van verdachte is, nu geen andere eigenaar zich heeft gemeld. Het lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren indien er bijvoorbeeld een veroordeling volgt voor rijden met valse kentekenplaten, zoals de officier van justitie zojuist heeft genoemd. Het strafvorderlijk belang ontbreekt. Bovendien is het evident dat nu niet zomaar met de auto kan worden gereden, aangezien er een geldig kenteken op zal moeten worden geplaatst. Daarnaast doe ik een beroep op de proportionaliteit en verwijs hierbij voor de verdere motivering naar het ingediende klaagschrift. Klager verklaart, zakelijk weergegeven: Ik wil graag de auto terug. Ik heb de papieren en de auto staat op mijn naam.” 2.4 Op 26 juli 2022 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt in: “Procesgang Het klaagschrift strekt tot teruggave van een personenauto, te weten: een Mercedes Benz E500 met kenteken [kenteken]. (…) Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken: 1. op 17 mei 2022 is onder klager in beslag genomen: een Mercedes Benz E500 met kenteken [kenteken]; 2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen; 3. klager heeft wisselend verklaard over de eigenaar van de auto (ofwel hijzelf ofwel zijn vader zou eigenaar zijn); 4. de kentekenhouder is onbekend, aangezien de registratie van het kentekenbewijs is geëindigd op 12 januari 2022; 5. ter terechtzitting verklaart klager dat de auto op zijn naam staat en dat hij dus eigenaar is. Standpunt van de klager Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto. Namens klager is kort samengevat aangevoerd dat het belang van strafvordering zich niet (langer) verzet tegen teruggave van het goed. Een juiste proportionaliteitsbeoordeling vraagt opheffing van het beslag: de waarde van het goed daalt naar zijn aard snel, terwijl vooralsnog onduidelijk is of en wanneer de zaak (inhoudelijk) zal zijn afgerond. Bovendien is klager eigenaar van de auto. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de auto uiteindelijk verbeurd zal verklaren of zal onttrekken aan het verkeer. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. De rechtbank is op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen beëindiging van het beslag en prevaleert boven het persoonlijk belang van klager. De rechtbank merkt op dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. De rechtbank zal het beklag daarom ongegrond verklaren.” 2.5 Tegen deze beschikking is op 27 juli 2022 namens de klager beroep in cassatie ingesteld. 3Het middel 3.1 Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift en valt uiteen in een tweetal onderdelen. Onderdeel a, eerste deelklacht (de toets aan de ‘hoogst onwaarschijnlijk-maatstaf’) 3.2 In de eerste plaats wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank getuigt “van een te strenge, en dus onjuiste, rechtsopvatting omtrent het criterium ‘niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer’.” 3.3 In haar beschikking heeft de rechtbank het beoordelingskader gehanteerd dat de Hoge Raad heeft uiteengezet in zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis. In zijn beschikking van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, is de Hoge Raad nader ingegaan op het beoordelingskader beklag ex art. 552a Sv over inbeslagneming. Ten aanzien van de ‘hoogst onwaarschijnlijk-maatstaf’ heeft de Hoge Raad overwogen: “2.3.1 (…) Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv. (…) 2.3.2 Aan het hanteren van het hiervoor genoemde criterium dat (zich niet het geval voordoet dat) het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter – kort gezegd – tot de oplegging van een straf of maatregel zoals onder 2.3.1 genoemd overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, en dus voordat de strafzaak of de ontnemingszaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak of ontnemingszaak. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak. De Hoge Raad ziet mede daarom geen aanleiding dit criterium te herformuleren.” 3.4 In de onderhavige zaak is namens de klager aangevoerd dat het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag ontbreekt, nu het ‘hoogst onwaarschijnlijk’ is dat de rechter, later oordelend, de inbeslaggenomen auto zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer, indien hij de verdachte (bijvoorbeeld) veroordeelt voor rijden met valse kentekenplaten. 3.5 Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank heeft overwogen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.