← Nederland

ECLI:NL:PHR:2023:343

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/05331 Zitting 28 maart 2023 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 december 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zaak met parketnummer 05-880583-16 wegens onder 1 “medeplegen van moord”, onder 2 “medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd” en onder 3 “medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord, meermalen gepleegd”, in de zaak met parketnummer 05-780094-17 wegens “medeplegen van moord” en in de zaak met parketnummer 05-780083-17 wegens “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 21/05377, 21/05346, 21/05334 en 21/05333. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. 2Waarover de zaak gaat 2.1 De zaak betreft de betrokkenheid van de verdachte bij een aantal gevallen van (voorbereiding of poging tot) moord (onderzoek Bosnië, Brandberg en IJshamer). Voor het bewijs is onder meer gebruik gemaakt van zogenoemde ‘Ennetcom-data’. Deze data waren door het bedrijf Ennetcom opgeslagen op servers in Canada. Deze servers werden gebruikt ten behoeve van communicatie met door Ennetcom geleverde mobiele telefoons, waarmee versleutelde communicatie mogelijk was (zogenoemde ‘pgp-gesprekken’). Het eerste cassatiemiddel heeft hierop betrekking. Het tweede middel gaat over de afwijzing van een getuigenverzoek. Het derde en vierde middel betreffen bewijsklachten. Het vijfde middel heeft betrekking op de opgelegde levenslange gevangenisstraf. 3Het eerste middel 3.1 Het middel luidt als volgt: “Schending van art. 6 en 13 EVRM en/of de artt. 45, 47 en 289 Sr en/of de artt. 149a, 281, 315, 328, 331, 339, 350, 358, 359 en 415 Sv en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen Meer in het bijzonder is het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht van rekwirant op een eerlijk proces geschonden nu aan de beginselen van equality of arms, een adversaire procedure en in het bijzonder het recht van rekwirant over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken voor de voorbereiding van zijn verdediging tekort is gedaan, is aan rekwirant geen procedure geboden waarin op zijn verzoek beoordeeld kon worden of in het onderzoeksmateriaal waar hij toegang toe heeft gevraagd informatie aanwezig was op grond waarvan rekwirant nader had kunnen onderbouwen dat hij moest worden vrijgesproken, een lagere straf opgelegd zou moeten krijgen of welke informatie relevant was voor de toelaatbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van het bewijsmateriaal zoals dat door het Openbaar Ministerie in de procedure is ingebracht en op grond waarvan rekwirant ook is veroordeeld en ook de procedure als geheel niet eerlijk is geweest. Dit nu: - Deelklacht 1: Aan de verwerping van het beroep op de schending van art. 6 EVRM door het Hof ten grondslag is gelegd dat rekwirant verdergaande mogelijkheden heeft gehad van onderzoeksmateriaal kennis te nemen ter voorbereiding van zijn verdediging dan het geval is geweest en deze onjuiste voorstelling van zaken ook geacht moet worden ten grondslag te zijn gelegd aan de afwijzing van het zoek tot inzage in 154 Ennetcom e-mailaccounts zoals afgewezen op 1 juli, 30 september en 23 december 2021 en aan de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de (inhoudelijke) behandeling van de zaak zoals dit verzoek is afgewezen op 30 september 2021; - Deelklacht 2: Ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het verzoek tot inzage in de 154 accounts zoals dat was gedaan om over de tijd en faciliteiten te beschikken ter voorbereiding van de verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot voeging van relevante onderdelen bij de processtukken is afgewezen; - Deelklacht 3: Ten onrechte het verzoek tot aanhouding van de zaak zoals gedaan op 27 september 2021 aan welk verzoek ten grondslag lag dat de verdediging over voldoende tijd en faciliteiten moest kunnen beschikken de verdediging voor te bereiden en daar geen sprake van was geweest, is afgewezen nu het ten onrechte is gebaseerd op het oordeel dat de verdediging reeds voldoende de mogelijkheid had gehad de ten behoeve van de onderzoeken waarin rekwirant verdachte was samengestelde en daarmee relevante subsets te doorzoeken bij het NFI en het nutteloos en onnodig is gevonden de als gevolg van de beslissing van het Hof van 1 juli 2021 verstrekte subsets integraal te bekijken, terwijl ook van de wel beoogde extra faciliteit die het Hof heeft willen bieden door verstrekking van de subsets niet gezegd kan worden dat de verdediging daar de facto nog op zinvolle wijze kennis van heeft kunnen nemen ter voorbereiding van de verdediging (en mede met het ook op het doen van verzoeken tot voeging van relevante stukken bij de processtukken); althans is hetgeen het Hof aan de afwijzing van de verzoeken ten grondslag heeft gelegd onbegrijpelijk, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting en is het in ieder geval niet begrijpelijk gemotiveerd, waardoor het arrest dan ook niet in stand kan blijven.” 3.2 Ook bij herhaalde lezing van hetgeen hier als middel van cassatie is gesteld is het moeilijk te vatten wat de steller van het middel aan de Hoge Raad wil voorleggen. Gesuggereerd wordt dat er een hoofdklacht is die, “meer in het bijzonder”, bestaat uit schending van art. 6 EVRM. Dat is echter niet een duidelijke klacht over een beslissing van de rechter. Wat een ‘goed’ cassatiemiddel is omschrijven Van Dorst en Borgers als volgt: “Het cassatiemiddel dient stellig en duidelijk tot uitdrukking te brengen tegen welke van de beslissingen die in de bestreden uitspraak of het proces-verbaal van de zitting zijn neergelegd, of tegen welk processueel verzuim het zich richt, en waarom cassatie dient te volgen.” Aangegeven moet worden tegen welke beslissing het middel zich richt en die essentiële informatie ontbreekt in de aanloop van het middel. Daarna volgt nog wel een drietal deelklachten, maar waar die deel van uitmaken is derhalve niet bepaald duidelijk. Met welwillende lezing kan ik in de deelklachten echter twee cassatieklachten ontwaren die voor behandeling in aanmerking komen. Dat is (

  1. i)de klacht dat ten onrechte of onbegrijpelijk gemotiveerd het verzoek van de verdediging tot inzage in 154 Ennetcom-accounts is afgewezen door het hof en (
  2. ii)dat het verzoek van de verdediging tot het (nader) aanhouden van de behandeling van de zaak van 27 september 2021 op 30 september 2021 onvoldoende gemotiveerd of op gronden die onbegrijpelijk zijn is afgewezen door het hof. 3.3 Als eerste behandel ik de klacht die betrekking heeft op het door het hof afgewezen verzoek tot (nadere) aanhouding van de zaak van 27 september 2021. Het hof overweegt daaromtrent in het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2021 het volgende: “De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven: Door de verdediging is ter zitting van maandag 27 september 2021 om uitstel van de inhoudelijke behandeling verzocht en er zijn verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen gedaan. Een deel van de verzoeken is ook gedaan op 1 juli 2021, maar deze verzoeken zijn opnieuw gedaan. Het hof zal er opnieuw over beslissen. Ten aanzien van de verzoeken tot het horen van getuigen en toevoeging van datasets: (…) De verdediging stelt meer tijd nodig te hebben voor de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte. Daartoe is aangevoerd dat verdachte pas begin september 2021 toegang heeft gekregen tot een dataset met 60.000 pagina’s aan berichten en dat het maken van zoekslagen met de zoekfunctie gecompliceerder is dan met het zoekprogramma Hansken. Daarover overweegt het hof als volgt: Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep was er voor de verdediging de mogelijkheid om bij het NFI via het programma Hansken de Ennetcomdata te onderzoeken. Vanwege de eis van een beveiligde verbinding is het (nog) niet mogelijk de verdediging op een andere locatie dan bij het NFI of op een politiebureau gebruik te laten maken van het zoekprogramma Hansken. Dat kost wellicht tijd, maar die tijd heeft de verdediging de afgelopen jaren ruimschoots gehad. Het hof ziet het verschaffen van de subdatasets in PDF formaat met een zoekfunctie als een extra mogelijkheid om verdachte en verdediging te faciliteren bij het onderzoeken van de subdatasets die de afgelopen jaren al op andere wijze voor de verdediging doorzoekbaar waren. In dat verband merkt het hof op dat de stelling van de verdediging dat er tijd en gelegenheid zou moeten zijn om alle verschafte 60.000 pagina’s stuk voor stuk door te nemen onhoudbaar is. De data waarmee het openbaar ministerie haar beschuldigingen tegen verdachte wil onderbouwen bevinden zich immers al in het politiedossier. Daarvan hebben verdachte en de verdediging kennis genomen. De subdatasets die na de beslissing van het hof van 1 juli jl. aan de verdediging zijn verschaft dienen om de verdediging in staat te stellen om de volledigheid van het politiedossier en de betrouwbaarheid van de eerder verstrekte data te controleren. Onweersproken is dat de zoekfunctie bij de meest recentelijk verstrekte subdatasets naar behoren werkt. In dit verband merkt het hof op dat het niet alleen onbegonnen werk, maar ook nutteloos is om 60.000 pagina’s data, waarvan een groot deel metadata, integraal te bekijken. Het is spijtig dat het niet gelukt is om verdachte en de verdediging eerder de subdatasets op PDF-formaat te verschaffen, maar gezien het hiervoor overwogene en de eerdere mogelijkheden die er voor de verdediging zijn geweest om de Ennetcomdata, waarvan ook deel uitmaakten de data die nu aan de raadsvrouw en de verdachte in PDF-formaat zijn verstrekt, in hun totaliteit te onderzoeken, ziet het hof geen aanleiding de vastgestelde inhoudelijke behandeling uit te stellen. De verdediging heeft gevraagd om toevoeging van een aantal stukken waarvan de advocaat-generaal ter zitting toezending heeft toegezegd. Het gaat om de volgende stukken: • Het volledige proces-verbaal op een beveiligde USB-stick; • Penitentiair dossier/gedragsrapportages detentie; • De politiemutaties zoals genoemd in het PBC-rapport; • Het incidentenrapport zoals genoemd in het verhoor van [betrokkene 1] van 20 augustus 2021. Over de verstrekking van die stukken hoeft het hof geen beslissing meer te nemen. Het hof gaat ervan uit dat die stukken zo spoedig mogelijk door de advocaat-generaal aan het hof en de verdediging worden verstrekt en deze stukken zullen vervolgens aan het dossier worden toegevoegd. Ook zal het hof het al toegezonden getuigenverhoor van [betrokkene 2] in de strafzaken tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van 2 september 2021 bij de stukken voegen. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte sedert zijn verblijf in de PI Leeuwarden geen toegang meer heeft tot de USB-stick met het politiedossier. Het hof constateert dat verdachte al vanaf de behandeling in eerste aanleg beschikte over het politiedossier op een USB-stick. Die is in de PI Leeuwarden niet raadpleegbaar. Slechts bepaalde beveiligde USB-sticks kunnen in deze PI worden gebruikt. Verdachte zit al vanaf het voorjaar van 2021 in de PI Leeuwarden. Eerst afgelopen vrijdag heeft hij via zijn raadsvrouw laten weten dat de eerder aan hem verschafte USB-stick niet meer raadpleegbaar is. En nu wordt door de verdediging gesteld dat, ook indien verdachte snel de beschikking krijgt over een nieuwe USB-stick met daarop het politiedossier, hij niet voldoende tijd heeft om zijn strafzaak voor te bereiden. Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte al eerder wist c.q. te horen had gekregen dat de eerder door hem geraadpleegde USB-stick niet meer gebruikt kon worden, maar dat hij na de zitting van 1 juli 2021 in de veronderstelling was dat op de aan hem te verstrekken USB-stick met subdatasets van Ennetcom ook het dossier nog eens zou staan en dat hem pas na ontvangst van die USB-stick begin september 2021 bleek dat zulks niet het geval was. Het is het hof niet duidelijk op grond waarvan de verdachte en de raadsvrouw er vanuit gingen dat het politiedossier na de zitting van 1 juli 2021 nogmaals verstrekt zouden worden, maar het had op de weg van verdachte en/of de raadsvrouw gelegen om direct na ontdekking van het misverstand, naar zeggen van de raadsvrouw, begin september 2021 daarvan melding te maken en niet te wachten tot een tijdstip waarop het volgens de verdediging al niet meer mogelijk was zich adequaat voor te bereiden. Het hof ziet ook in de omstandigheid dat verdachte enige maanden niet in de gelegenheid is geweest zijn procesdossier te raadplegen geen aanleiding om de inhoudelijke behandeling van de zaak uit te stellen. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding dan ook af. Het hof zal 6 oktober 2021 de strafzaak inhoudelijk behandelen.” 3.4 De klachten die in de toelichting op het middel onder deelklacht 2 zijn verwoord betreffen vrijwel uitsluitend stellingen van feitelijke aard waarvan de beoordeling op de juistheid ervan niet in cassatie op zijn plaats is. Ook wordt nog gerefereerd aan de beslissing van het hof in de zaak van de medeverdachte [betrokkene 5] , waarin wel een verzoek van de verdediging om verder uitstel van de inhoudelijke behandeling is toegewezen. Dat gegeven maakt de beslissing van het hof in de onderhavige zaak echter niet onbegrijpelijk en vergde ook geen andere motivering van het hof. Voor het overige merk ik op dat het verzoek van de verdediging klaarblijkelijk betrekking heeft op de wens om gegevens te onderzoeken die geen deel uitmaken van het procesdossier. Dat het hof het verzoek voor zover dat er toe strekte om tijd te verschaffen aan de verdediging om de 60.000 pagina’s gegevens die op PDF-formaat waren verstrekt stuk voor stuk door te nemen heeft afgewezen lijkt mij niet onbegrijpelijk, gelet op de vaststelling van het hof dat voordien al ruimschoots de tijd was geweest om met behulp van de zoekfaciliteit van het programma Hansken, die de verdediging ook kon benutten, de desbetreffende gegevens te onderzoeken. 3.5 De deelklacht faalt. 3.6 Wat betreft de klachten in het middel (deelklachten 1 en 2) dat het hof het verzoek tot inzage in 154 Ennetcom-accounts heeft afgewezen geldt dat een dergelijk verzoek door de verdediging is gedaan op 1 juli 2021 en op 27 september 2021 is herhaald, weke verzoeken door het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van respectievelijk 1 juli 2021 en 30 september 2021 is afgewezen, waarna op de laatste en inhoudelijke behandeling van de zaak op 13 oktober 2021 dit verzoek nogmaals is herhaald. Het hof heeft dit laatste verzoek in zijn (eind)arrest van 23 december 2021 (nogmaals) afgewezen. 3.7 Het eerste verzoek, van 1 juli 2021, is door de verdediging als volgt gemotiveerd in de pleitnota van de raadsvrouw mr. Schoolderman: “Kennisneming mailboxen zonder retentiebeleid 29. Om zicht te krijgen op de omvang en impact van de manco’s en de incidenten, alsook de kennis die [betrokkene 6] daarover heeft gehad, alsook de invloed die hij daarop heeft gehad, wenst de verdediging toegang tot de mailboxen van het ‘team’ van en rondom Ennetcom dat toegang had tot de server, waaronder ook de mailbox van [betrokkene 6] . 30. Deze mailboxen zijn integraal beschikbaar, maar maken geen deel uit van de dataset van onderzoek Bosnië. Vanwege de beslissing van de Canadese rechter, is noodzakelijk dat u de opdracht geeft om toegang te geven tot deze gegevens. 31. Ik zal dit uitleggen. 32. Ennetcom maakte gebruik van een instelling die retentiebeleid wordt genoemd. Het retentiebeleid is een instelling die regelt dat berichten automatisch worden gewist/verplaatst. Zowel op de mailboxen van de PGP-servers (@ennetcom.biz adressen) als van de S/mime-servers (@Ennetcom.com adressen) was een retentiebeleid actief. Dit betreft voor beide type servers een ander soort retentiebeleid. Uit het dossier blijkt dat op nagenoeg alle mailboxen het betreffende beleid actief was, maar op 122 mailboxen van de PGP-servers niet en ook niet op 31 mailboxen van de S/mime-server. Er is 1 mailbox met afwijkend retentiebeleid. Het is niet bekend wat dit beleid inhoudt (BIJLAGE; proces-verbaal nr. 1513 uit 26DeVink). 33. In het dossier zitten overzichten van de mailboxen die zijn uitgezonderd van het gebruikelijke retentiebeleid (bij proces-verbaal nr. 1513). Een aanzienlijk deel van deze mailboxen is te herleiden naar medewerkers van Ennetcom, of mailadressen die betrekking hebben op het beheer van de servers, o.a. met namen als helpdesk, administrator, beheerder, et cetera. Belangrijke constatering is dat ook de mailbox van [betrokkene 6] – genaamd ‘Smoker’- één van de mailboxen op de lijsten is. Gevoelige informatie liep via de Blackberry, aldus getuige [betrokkene 7] (verhoor rc p. 7). Dus via de .biz of .com-accounts. 34. Deze mailboxen zijn dus nooit automatisch gewist en met deze mailboxen is gecommuniceerd over problemen die zich hebben voorgedaan. Bijvoorbeeld het incident van 10 april 2016, 9 dagen voordat de servers zijn gekopieerd in Canada. 35. De dataset van onderzoek Bosnië (en subset Brandberg) is samengesteld naar aanleiding van de beschikkingen van de rechter-commissaris op de verzoeken ex artikel 181 WvSv. De e-mailadressen op de lijsten van uitzonderingen van het retentiebeleid zitten daar niet bij. Die mailadressen maken dus geen deel uit van de huidige dataset. 36. Dat deze geen deel uit maken van de huidige dataset betekent niet dat de gegevens er niet zijn. Die zijn er wel degelijk. Immers, de integrale inhoud van de servers is gekopieerd en overgedragen aan Nederland. Deze complete inhoud mag vanwege de beslissing van de Canadese rechter alleen worden gebruikt voor de 4 zaken – waaronder 26DeVink – waar het rechtshulpverzoek op ziet. Toegang tot en gebruik van het materiaal voor enig ander onderzoek is niet toegestaan, tenzij hiervoor tevoren een gerechtelijke machtiging is gegeven dooreen Nederlandse rechter. 37. U kunt dus die machtiging geven. De vorm van 181 WvSv is enkel gekozen omdat die vorm daarvoor het meest geschikt lijkt in het voorbereidend onderzoek. In deze fase bent u daarvoor de aangewezen rechterlijke instantie. 38. Verzocht wordt dan ook toestemming te geven om mailadressen pp bijgevoegde bijlagen – totaal 154 stuks – in dit onderzoek te gebruiken en de opdracht te geven aan het OM ervoor zorg te dragen dat ook de verdediging hiervan kennis kan nemen bij het NFI.” 3.8 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juli 2021 is het verzoek met betrekking tot de inzage in de 154 accounts door het hof als volgt afgewezen: “Het hof ziet, gelet op de onderbouwing, geen noodzaak tot toevoeging van de verzochte 155 accounts aan de datasets van Bosnië en Brandberg en daarvoor wordt dan ook geen machtiging verleend. Dit verzoek wordt dus afgewezen.” 3.9 Het herhaalde verzoek van 27 september 2021 hield blijkens de pleitnota van de raadsvrouw het volgende in: “20. Ook wordt opnieuw verzocht om de dataset uit te breiden. Ik verwijs naar hetgeen ik naar voren heb gebracht op 1 juli 2021 onder punt 29 tot en met 38. Verzocht wordt om ermee in te stemmen dat als hier voorgedragen te beschouwen. 21. Samengevat houdt dat verzoek in dat er 154 accounts zijn uitgezonderd van het standaard retentiebeleid en die berichten zijn dus bewaard gebleven. De adressen betreffen adressen van de personen betrokken bij de bedrijfsvoering en techniek van Ennetcom, onder andere [betrokkene 6] , [betrokkene 1] en [betrokkene 8] . Ook ter compensatie is toegang tot deze berichten aangewezen.” 3.10 Op 13 oktober 2021 is tenslotte op het punt van de 154 accounts blijkens de pleitnota van mr. Kuijpers en mr. Schoolderman het volgende verzocht: “95. De Ennetcom-berichten vormen de kern van de bewijsvoering van het OM. 96. De betrouwbaarheid van dit bewijs is niet evident. Er is geen onderzoek gedaan door het OM. 97. Er zijn wel aanwijzingen voor twijfels ten aanzien van de integriteit van de berichten en het systeem. De betrouwbaarheid heeft niet kunnen worden getoetst omdat getuigen niet zijn gehoord en informatie niet is gevoegd. Het niet kunnen bevragen van een cruciale getuige is bovendien niet gecompenseerd. 98. Ook heeft de verdediging onvoldoende tijd en gelegenheid gehad om de originele berichten en metadata te bestuderen. 99. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake is van een eerlijk proces wanneer de Ennetcom-informatie zou worden gebezigd. Om het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM te verzekeren is noodzakelijk de berichten van het bewijs uit te sluiten. 100. Indien u van oordeel bent dat de betrouwbaarheid en het eerlijk proces niet in het geding zijn, dan wordt verzocht om alsnog de gelegenheid te krijgen dit bewijs te challengen middels de volgende onderzoekhandelingen: - Horen van getuigen: I. [betrokkene 6] ; II. [betrokkene 9] (RIN) III. [betrokkene 10] (Dahvo) IV. [betrokkene 11] (Bitflow) V. [betrokkene 12] (Ennetcom beveiliging) VI. [betrokkene 8] (Ennetcom; “God” gemaakt op de BES-server. - Voegen van de datasets van de 154 accounts die zijn genoemd op de lijst van accounts die zijn uitgezonderd van het retentiebeleid. - Voldoende tijd (ten minste 3 maanden) voor kennisneming van de inhoud van de verstrekte (en aangevulde) datasets en voorbereiding van de verdediging. 101. Voor de toelichting op deze verzoeken verwijs ik naar wat zojuist is bepleit en naar hetgeen hierover reeds op 27 september 2021 (punt 5 tot en met 21 en 23 tot en met 41) 1 juli 2021 (punt 13 tot en met 43), 7 april 2021 (punt 7 tot en met 20) en 18 februari 2021 (punt 12 tot en met 24) is betoogd. Verzocht wordt om die toelichtingen hief als herhaald en voorgedragen te beschouwen.” 3.11 In het arrest van 23 december 2021 is omtrent dat verzoek het volgende overwogen door het hof: “Ennetcom Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het Ennetcomsysteem niet betrouwbaar is. Hij heeft in dit verband gewezen op verschillende problemen met het systeem en de werking daarvan, zoals het hergebruiken van e-mailadressen en het retentiebeleid dat niet goed functioneerde. Volgens de raadsman is er onvoldoende informatie gegeven over de inrichting en de werking van het Ennetcomsysteem. De vele problemen rond de werking van het systeem en de onbekendheid van de oorzaak van die problemen maken dat de integriteit van de informatie afkomstig uit het Ennetcomsysteem in twijfel moet worden getrokken. Deze informatie is onbetrouwbaar en kan niet tot het bewijs worden gebruikt. Als het hof de Ennetcomdata wel voldoende betrouwbaar acht, kunnen de Ennetcomberichten niet voor het bewijs worden gebruikt omdat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. De verdediging heeft immers geen reële mogelijkheid gehad om het beslissende bewijs - te weten de Ennetcomberichten - te betwisten. In dit verband heeft de raadsman - onder meer - aangevoerd dat getuigenverzoeken van de verdediging zijn afgewezen en dat het niet is gelukt om [betrokkene 6] , de maker van het Ennetcomsysteem, als getuige te horen. Daarnaast heeft de verdediging onvoldoende tijd en gelegenheid gehad om de originele berichten en de metadata te kunnen bestuderen. Om het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM te verzekeren, is het noodzakelijk om de Ennetcomberichten van het bewijs uit te sluiten. Als het hof van oordeel is dat de betrouwbaarheid van het Ennetcomsysteem en het recht op een eerlijk proces niet in het geding zijn, dan heeft de raadsman verzocht om alsnog de volgende getuigen te horen: (…) Daarnaast heeft de verdediging de volgende verzoeken gedaan: - het voegen van de datasets van de 154 accounts die zijn genoemd op de lijst van accounts die zijn uitgezonderd van het retentiebeleid; - voldoende tijd (minstens drie maanden extra) voor kennisneming van de inhoud van de verstrekte datasets en voor de voorbereiding van de verdediging. Oordeel van het hof Verkrijging Ennetcomdata (…) Equality of arms Het hof vat het verweer van de raadsman op als een beroep op ‘equality of arms’. Het hof overweegt allereerst dat - ook gelet op andere te respecteren belangen - uit het beginsel van ‘equality of arms’ niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. Een opsporingsinstantie heeft een andere positie dan de verdediging. Het criterium is niet dat de verdediging dezelfde mogelijkheden moet hebben als de opsporingsinstantie, maar dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de resultaten van het onderzoek te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren. Het gaat om de effectieve controlemogelijkheden. De verdediging is immers ook niet gebonden aan dezelfde regels als de politie als het aankomt op opsporen. De stelling dat de verdediging over dezelfde mogelijkheden als de politie zou moeten beschikken is derhalve onjuist. De stelling miskent dat de functie van de politie, haar taakomschrijving en de regelgeving waaraan zij is gebonden bij haar taakuitoefening, waaronder die over gebruik en opslag van gegevens, nauwkeurig zijn omschreven. Dat brengt met zich dat ook de politie indien zij over een enorm bestand aan gegevens beschikt, zoals de data van de Ennetcomserver, die gegevens slechts mag onderzoeken en gebruiken voor zover dat noodzakelijk is bij haar taakuitoefening, met inachtneming van regelgeving en afweging van belangen van derden. De verdediging heeft een andere functie. Zij dient de belangen van één persoon, de verdachte. Als de verdediging, zoals zij stelt, ongebreideld en ongecontroleerd toegang zou moeten hebben tot alle informatie waarover ook de politie kan beschikken, zou dat een onaanvaardbare inbreuk opleveren op het recht op privacy van alle andere personen dan verdachte, van wie het gegevens betreft. De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om onbeperkt alle Ennetcomdata te kunnen doorzoeken, zonder de beperking dat van tevoren een toets zou plaatsvinden van de door de verdediging gebruikte zoektermen. Het hof acht een voorafgaande toets echter gerechtvaardigd en noodzakelijk met het oog op de bescherming van belangen van de vele duizenden gebruikers van Ennetcom en die van opsporing van andere strafbare feiten. Die toets dient naar het oordeel van het hof een rechterlijke toets te zijn. De stelling van de verdediging dat dit een ongeoorloofde inperking is van haar rechten is niet alleen onjuist, maar een onbeperkte toegang zou er ook toe leiden dat de verdediging een ruimere toegang tot de Ennetcomdata zou hebben dan de politie. Dat laatste kan, op grond van wat hiervoor al is besproken, in onderling verband en samenhang bezien, niet aan de orde zijn. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid gehad om bij het NFI via het speciaal daarvoor ontwikkelde zoekprogramma Hansken de Ennetcomdata te onderzoeken. Deze geboden mogelijkheid betreft de complete dataset waarover het openbaar ministerie/de politie beschikt, dus niet alleen de data die zien op het onderhavige onderzoek. In de zaak van verdachte geldt daarnaast het volgende. Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman van een medeverdachte, bij welk verzoek de verdediging zich op het laatst heeft aangesloten, heeft het openbaar ministerie verdachte en verdediging in de gelegenheid gesteld een deel van de datasets op PDF-formaat in te zien en vrij te doorzoeken met de bijgeleverde zoekfunctie. Het hof heeft het verstrekken van gegevens op PDF-formaat toegestaan. Dat heeft het hof niet gedaan omdat het van oordeel is dat de verdediging vóórdien onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om onderzoek te verrichten, maar omdat er geen reden is om de verdediging niet ter wille te zijn als er aanvullende, voor de verdediging makkelijker alternatieven voor onderzoek naar de datasets beschikbaar komen. Daarmee heeft de verdediging een extra middel verkregen om in ieder geval een deel van de Ennetcomdata (namelijk de subdatasets, zij het zonder de notities) zonder beperkingen in tijdstippen te doorzoeken. Dat de notities in deze fase niet op PDF-formaat raadpleegbaar waren leidt niet tot de conclusie dat de equality of arms geschonden is. Het hof heeft al vastgesteld dat met de eerder geboden onderzoeksmogelijkheden de verdediging voldoende mogelijkheden heeft gehad de datasets te onderzoeken. Er is dan ook niet gebleken van enige schending van het recht van [verdachte] op een eerlijk proces. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Betrouwbaarheid en authenticiteit Met de raadsman en de advocaten-generaal stelt het hof vast dat de theoretische mogelijkheid bestaat - net als bij elk ICT-systeem dat is aangesloten op het internet - om Ennetcom te hacken of de data op andere wijze door technische omstandigheden of menselijk ingrijpen te beïnvloeden. Een dergelijke algemene vaststelling is echter onvoldoende om aan te nemen dat de Ennetcomdata onbetrouwbaar zijn, te meer nu uit de stukken blijkt dat er aan een groot aantal voorwaarden voldaan moet worden om deze data te kunnen manipuleren. Ennetcom B.V. heeft de communicatie met PGP-telefoons ontwikkeld om anonieme en versleutelde communicatie tussen de gebruikers mogelijk te maken. Ongeveer 19.000 gebruikers maakten gedurende een lange periode naar volle tevredenheid gebruik van de service van Ennetcom. Uit het dossier - onder andere uit de verhoren van [betrokkene 1] , de overgelegde incidentenlijst en het onderzoek van de politie naar de betrouwbaarheid van Ennetcom - blijkt naar het oordeel van het hof dat Ennetcom ook daadwerkelijk deed wat het beloofde en dat er in al die jaren betrekkelijk weinig klachten/incidenten zijn geweest. Als deze er wel waren dan werden deze snel en adequaat opgelost. Bovendien is gebleken dat het retentiebeleid van Ennetcom - namelijk dat berichten die niet handmatig door gebruikers werden verplaatst automatisch verwijderd werden - goed werkte. Het hof overweegt ten overvloede dat uit de zich in het dossier bevindende berichten blijkt dat de berichtenuitwisseling van de niet verwijderde berichten tussen verschillende gebruikers van de PGP-telefoons adequaat verloopt. Uit de bewaarde data valt te concluderen dat de gebruikers telkens weten met wie ze berichten uitwisselen en dat (een deel van) de aangetroffen berichten op elkaar aansluit(en). Het hof acht het op voorhand onaannemelijk dat, zoals de verdediging suggereert, derden Ennetcomdata hebben gemanipuleerd om verdachte in verband te brengen met strafbare feiten waarmee hij niets te maken heeft. Allereerst kende het Ennetcom duizenden gebruikers en werden berichten versleuteld. Het systeem werd gedurende de tijd dat het gebruikt werd als onkraakbaar door politie en justitie beschouwd. Voor manipulatie was kennis van de systemen en de sleutels nodig, alsmede kennis en software om berichtenverkeer en data te manipuleren en kennis omtrent de delicten waarmee men [betrokkene 5] in verband wilde brengen. Die berichten zouden dan ook (in ieder geval grotendeels) bewaard moeten blijven. Tenslotte zou degene die manipuleerde er vanuit moeten zijn gegaan dat politie en justitie toegang tot de data zouden krijgen en die zouden kunnen ontsleutelen. Niettemin hebben rechtbank en hof de verdediging in de gelegenheid gesteld om getuigen te horen omtrent de betrouwbaarheid van de verkregen Ennetcomdata. Uit die verhoren blijkt dat er weliswaar op onderdelen problemen waren bij Ennetcom, zoals, als gezegd, overigens bij elk IT systeem van enige omvang, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden die maken dat aan de authenticiteit van de Ennetcomdata getwijfeld hoeft te worden. [verdachte] is geconfronteerd met de PGP-berichten die het openbaar ministerie belastend heeft uitgelegd en hij heeft dus de mogelijkheid gehad om op deze informatie te reageren en/of de inhoud daarvan te betwisten. Het hof stelt vast dat de verdediging niet aan de hand van concrete berichten heeft gemotiveerd dat en zo ja waarom er sprake zou zijn van onjuistheden of onvolledigheden. Met andere woorden: er is niet gemotiveerd waarom de betrouwbaarheid van deze informatie in twijfel getrokken zou moeten worden. [verdachte] heeft in dit kader enkel aangevoerd dat hij de telefoons in bewaring had voor anderen en dat hij ook zijn eigen telefoons regelmatig aan anderen uitleende. De raadsman heeft in zijn algemeenheid gewezen op de omstandigheid dat de toegang tot Ennetcom niet waterdicht was, waardoor niet vastgesteld zou kunnen worden wie welk bericht daadwerkelijk heeft gestuurd. Hij heeft hierbij gewezen op de verhoren van [betrokkene 1] . Naar het oordeel van het hof is de gegrondheid van de verweren van de verdediging over de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata niet aannemelijk geworden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat medewerkers van Ennetcom toegang hadden tot de keyservers en de kennis hadden om (metadata van) de Ennetcom-berichten en notities aan te passen. De enkele theoretische mogelijkheid dat één of meer personen over deze toegang en/of kennis beschikten, betekent niet dat aannemelijk is dat een dergelijke aanpassing daadwerkelijk is gebeurd. Ook niet aannemelijk is geworden dat anderen dan medewerkers van Ennetcom toegang hadden tot de keyservers en de kennis hadden om data aan te passen. Er zijn aanwijzingen dat men bij Dahvo beschikte over het wachtwoord van slechts één van de twee aanwezige keyservers namelijk het algemene PGP gedeelte, maar het door het openbaar ministerie verkregen materiaal betreft juist voornamelijk berichten die zijn versleuteld met keys die waren opgeslagen op de keyserver van het S/MIME gedeelte. Er zijn geen aanwijzingen dat medewerkers van Dahvo de kennis of enig motief hadden om berichten, laat staan Nederlandstalige berichten, aan te passen. Het hof deelt de conclusie dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er wel eens fouten zijn gemaakt binnen Ennetcom, maar dat wel eens sprake was van fouten is onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het gehele Ennetcom-systeem onbetrouwbaar is en dat (daarom) de data uit het systeem geen bewijswaarde hebben. Als er al sprake zou zijn van manipulatie van het systeem of van de berichten, dan is het hof van oordeel dat uit de onderbouwing van de verdediging - en ook anderszins niet - op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat dit ook gebeurd is met de berichten/accounts die worden toegeschreven aan [verdachte] . Sterker nog: gelet op het geheel aan bewijsmiddelen, ook uit andere bron, en de mate van gedetailleerdheid acht het hof dat volstrekt onwaarschijnlijk. Uit het voorgaande volgt dat het hof als uitgangspunt neemt dat de Ennetcom-berichten en de notities die zijn aangetroffen in het account van een gebruiker, afkomstig zijn van deze gebruiker of aan hem zijn verzonden en dat deze berichten of notities niet zijn aangetast of vervalst. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de inhoud van de PGP-berichten op een groot aantal onderdelen overeenkomt met de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals hierna zal worden weergegeven. De inhoud van die berichten vindt aldus bevestiging in andere bewijsmiddelen. Uit de stukken blijkt op welke wijze de politie de identiteit van de personen achter de Ennetcom-accounts - waaronder [verdachte] - heeft vastgesteld. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de Ennetcomdata betrouwbaar zijn en voor het bewijs in deze zaak kunnen worden gebruikt. Verzoeken Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de betrouwbaarheid van het Ennetcomsysteem en het recht van [verdachte] op een eerlijk proces niet in het geding zijn. Dat betekent dat thans de hiervoor genoemde voorwaardelijk geformuleerde onderzoekswensen van de verdediging aan de orde zijn. Het hof stelt voorop dat al deze verzoeken beoordeeld dienen te worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium, waarbij steeds in acht moet worden gehouden dat sprake dient te zijn van een ‘fair trial as a whole’. De verdediging wenst de zes genoemde getuigen te horen om - kort gezegd – de betrouwbaarheid van het Ennetcomsysteem te kunnen onderzoeken. Gelet op de onderbouwing die de raadsman aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd, is het. hof van oordeel dat de noodzaak om deze verzoeken toe te wijzen niet is gebleken. Het hof zal deze verzoeken dan ook afwijzen. In het bijzonder overweegt het hof nog als volgt. Op voorhand is de mogelijkheid dat de Ennetcomdata zijn gemanipuleerd onaannemelijk. Allereerst zouden derden daarvoor niet alleen toegang moeten hebben tot de door de beheerders van het systeem gebruikte software, maar ook tot de keyservers. In theorie is dat mogelijk maar aanwijzingen daarvoor zijn er niet. Vervolgens zouden die derden berichtenverkeer moeten vervalsen. Ook dat zal in theorie wellicht mogelijk zijn, maar zoals blijkt uit een verhoor van een deskundig getuige is deze getuige geen software bekend die dat mogelijk maakt. Vervolgens zouden die derden zeer specifieke kennis moeten hebben van op handen zijnde of gepleegde liquidaties om berichtverkeer te kunnen simuleren dat betrekking heeft op die liquidaties. Dat berichtverkeer moet dan ook passen bij andere onderzoeksgegevens, bijvoorbeeld gegevens verkregen uit plaatsbepaling van gebruikte telefoontoestellen. Ten slotte zouden die derden een belang moeten hebben bij manipulatie van berichtverkeer en ervan uit moeten gaan dat de politie uiteindelijk toegang zou krijgen tot de berichten van het destijds als nagenoeg onkraakbare systeem. Ondanks het feit dat manipulatie onaannemelijk is, hebben de rechtbank en het hof de verdediging in de gelegenheid gesteld getuigen te bevragen omtrent het Ennetcomsysteem. Daaruit zijn evenmin aanwijzingen gekomen voor manipulatie van het systeem. Wel heeft iemand zich ooit bij een reseller van Ennetcom ten onrechte voorgedaan als gebruiker van een account van een ander en dit account op zijn eigen toestel laten zetten, maar dat is door de oorspronkelijke gebruiker ontdekt en sindsdien zijn maatregelen ter voorkoming genomen door Ennetcom. Ook na het horen van vele getuigen is de stelling van de verkregen Ennetcomdata niet betrouwbaar zijn, volstrekt onaannemelijk gebleven. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om in dit verband nog getuigen te horen. Ten aanzien van de getuigen [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] valt, gelet op de onderbouwing van het verzoek, niet in te zien wat het belang van het horen van deze getuigen is voor de beantwoording van één van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek van de verdediging om [betrokkene 6] als getuige te horen is eerder toegewezen, maar het is, na verschillende pogingen daartoe, niet gelukt om hem te vinden. Het getuigenverhoor van [betrokkene 6] heeft daarom niet plaats kunnen vinden. De verdediging heeft het verzoek om [betrokkene 6] te horen opnieuw gedaan. Al eerder heeft het hof vastgesteld dat er voldoende inspanningen zijn verricht om zijn verblijfplaats te achterhalen. Kort voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak is zelfs nog geprobeerd om achter zijn verblijfplaats te komen via de getuige [betrokkene 13] , die volgens de verdediging mogelijk over nadere informatie over de verblijfplaats van [betrokkene 6] zou beschikken. [betrokkene 13] bleek echter ook niet te vinden. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 6] alsnog binnen een afzienbare termijn als getuige kan worden gehoord. Door het niet horen van [betrokkene 6] als getuige is onder deze omstandigheden geen sprake van een schending van het recht van [verdachte] op een eerlijk proces. De getuige [betrokkene 8] is op verzoek van de verdediging al bij de raadsheer-commissaris gehoord. Hij heeft toen een beroep op zijn verschoningsrecht gedaan. Het hof acht het niet noodzakelijk om hem opnieuw als getuige te horen, mede gelet op het feit dat hij nog steeds dit verschoningsrecht heeft en niet gebleken is dat hij thans een andere (proces)houding inneemt. De verdediging heeft de noodzaak tot het toewijzen van de overige twee verzoeken (het voegen van datasets en het geven van extra tijd) onvoldoende onderbouwd. Zo heeft de verdediging niet concreet gesteld waar zij naar op zoek is in de genoemde 154 datasets, zijn er geen zoektermen opgegeven en is er ook geen zoekstrategie kenbaar gemaakt. Gelet daarop valt ook niet zonder meer in te zien waarom de verdediging meer tijd nodig heeft om de reeds verstrekte datasets te kunnen bestuderen. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat het niet-toewijzen van de verzoeken niet maakt dat sprake zou zijn van schending van het recht van [verdachte] op een eerlijk proces. Het hof betrekt hierbij ook nog de onderzoekswensen - met name de wensen die zien op de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata - die zijn toegewezen en die wel tot resultaat hebben geleid, alsmede de overige informatie over de Ennetcomdata uit het dossier. Gelet op al het voorgaande, wijst het hof alle verzoeken van de verdediging af.” 3.12 De (herhaalde) verzoeken om inzage in de 254 Ennetcom-accounts betreffen het recht op voeging en inzage van stukken. Ik verwijs voor het juridisch kader op dit punt naar het eerdere arrest van de Hoge Raad waarin sprake was van gebruik van Ennetcom-data, van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900. Daarin overwoog de Hoge Raad als volgt: “Het juridisch kader met betrekking tot de voeging en inzage van stukken 4.3 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. - Artikel 34 Sv: “1. De verdachte kan de officier van justitie verzoeken specifiek omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en is met redenen omkleed. 2. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie toestemming verzoeken om kennis te nemen van de stukken, bedoeld in het eerste lid. 3. Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen over het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke een beslissing wordt genomen. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte. 4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.” - Artikel 149a lid 2 Sv: “Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.” - Artikel 315 lid 1 Sv: “Indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.” - Artikel 328 Sv: “Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dezen Titel kan door den officier van justitie eene vordering en door den verdachte een verzoek tot de rechtbank worden gedaan, tenzij uit eenige bepaling het tegendeel volgt.”” 3.13 Wat voor het beoordelen van verzoek om voeging bij de processtukken als maatstaf geldt heeft de Hoge Raad even verderop in hetzelfde arrest als volgt weergegeven: “4.4.3 Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.) De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 leden 2-4 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.” 3.14 Uitgangspunt bij de beoordeling door het hof van een verzoek als het onderhavige, waarbij de gevraagde stukken geen deel uitmaken van het strafdossier, is dus het ‘noodzaakcriterium’, waarbij het belang van de verdachte om zijn verdediging effectief te kunnen voorbereiden zoals bedoeld in art. 6 lid sub b EVRM moet worden meegewogen. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof dit belang ook in zijn beoordeling betrokken. 3.15 In de hierboven overweging van het hof in zijn arrest van 23 december 2021 ligt vervolgens besloten dat het hof het verschaffen van inzage in de 154 Ennetcom-accounts – die geen deel uitmaken van het procesdossier – niet noodzakelijk heeft geoordeeld. Daarbij heeft het hof blijkens zijn overweging gelet op de onderbouwing van het verzoek, die er op neerkomt dat de verdediging wil onderzoeken of de Ennetcom-data in hun totaliteit als betrouwbaar kunnen worden geoordeeld. Op dat punt heeft het hof geoordeeld dat de Ennetcom-data in ieder geval voor zover daarin berichten voorkomen die aan de verdachte worden toegeschreven wel als betrouwbaar hebben te gelden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, waarbij ook betekenis toekomt aan hetgeen omtrent de juistheid van die berichten uit de overige bewijsmiddelen voortvloeit. Dat het hof daarbij heeft overwogen dat in het verzoek niet concreet duidelijk is gemaakt waarnaar de verdediging nu in de gevraagde data wil zoeken lijkt mij niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen de verdediging aan haar verzoeken ten grondslag heeft gelegd. Of en waarom de aan de verdachte toegeschreven berichten als onbetrouwbaar zouden hebben te gelden blijkt uit de onderbouwing door verdediging ook niet. 3.16 Ook deze klacht faalt. 4Het tweede middel 4.1 Het middel klaagt over het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] . Voordat ik het middel bespreek, geef ik het getuigenverzoek en de beslissingen van het hof weer. 4.2 De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 18 februari 2020, volgens de overgelegde pleitnotities, als volgt verzocht de getuige [betrokkene 6] te horen: “4. Bij appelschriftuur zijn vijf getuigen verzocht. Ten aanzien van 1) [betrokkene 1] en 2) [betrokkene 6], verzet het OM zich niet inhoudelijk, maar wordt wel geconcludeerd tot afwijzing omdat zij niet binnen aanvaardbare termijn gehoord zouden kunnen worden. 5. Mijn wenkbrauwen fronsten toen ik dit las, maar nog meer toen ik las op welke informatie deze conclusie gestoeld is. 6. Allereerst ten aanzien van beide getuigen: reeds in dit stadium van het proces deze conclusie trekken, gaat niet aan. We zitten in de regiefase. Er is nog niet eens zicht op een inhoudelijke behandeling. Niet eens een poging wagen terwijl daarvoor wel tijd is, doet geen recht aan het verdedigingsbelang. De conclusie van het OM is hoe dan ook prematuur. 7. Er is geen reden om niet eens een poging te wagen. Belangrijkste reden daarvoor is dat de informatie waarop het OM zich baseert niet actueel is. (…) 12. Ten aanzien van [betrokkene 6]: de informatie die hierover in het proces-verbaal wordt weergegeven, stamt uit april 2019. Toen was [betrokkene 6] niet thuis, zo was reeds bekend, hij was kennelijk op vakantie. Hij staat nog steeds op het adres ingeschreven. Is er een reden om te vermoeden dat hij daar niet verblijft of om te denken dat hij nu nog steeds ‘op vakantie’ is? Er blijkt niet dat er recent nog is aangebeld of anderszins informatie is die daarop wijst. 13. De sociale recherche en Belastingdienst hebben geen informatie. Waarom daar informeren? Als er al twijfels zouden zijn, waarom dan geen bezoekje of belletje? Bij de woning of wellicht het bedrijf? [betrokkene 13] het adres en het telefoonnummer vragen? 14. De conclusie dat de getuige onvindbaar is, is te kort door de bocht. Er is geen basis om te stellen dat een verhoor binnen aanvaardbare termijn geen haalbare kaart zou zijn. 15. Ik heb justitie in zaken waar de belangen minder groot zijn, wel eens grotere inspanningen zien plegen om een verblijfplaats te achterhalen. Gezien de (
  3. te)snelle conclusie die nu aan de summiere informatie is verbonden, wordt verzocht om het OM uitdrukkelijk opdracht te geven verdergaand onderzoek te doen naar de verblijfplaatsen. In elk geval door te vragen bij de ex-partner van [betrokkene 1] naar zijn verblijfplaats, de stad, of minstgenomen het land. Dan geeft dat een aanknopingspunt om een rechtshulpverzoek te doen aldaar. 16. Ten aanzien van [betrokkene 6] lijkt extra naspeuring wellicht niet eens noodzakelijk, maar met het oog op de voortvarendheid wel wenselijk.” 4.3 Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 maart 2020 het verzoek tot het horen van onder meer de getuige [betrokkene 6] als volgt toegewezen: “Het hof stelt allereerst vast dat alle hiervoor onder 1 tot en met 5 genoemde getuigenverzoeken beoordeeld moeten worden aan de hand van het verdedigingsbelang. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de verdediging is om de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 8] en [betrokkene 20] te horen. (…) Deze getuigenverzoeken zullen daarom worden toegewezen. Met betrekking tot de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 6] overweegt het hof dat in eerste aanleg al is geprobeerd om deze getuigen te horen, maar dat dit toen niet is gelukt omdat zij onvindbaar bleken te zijn. Omdat de verblijfplaats van deze getuigen, ondanks recent nieuw onderzoek, nog steeds niet bekend is, heeft het hof thans niet zonder meer de verwachting dat [betrokkene 1] en [betrokkene 6] tijdens de procedure in hoger beroep binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Omdat deze getuigen in eerste aanleg zijn toegewezen, het openbaar ministerie op zich het belang van het horen van deze getuigen onderkent en omdat er in hoger beroep ook nog andere getuigen gehoord moeten worden waarmee de nodige tijd gemoeid zal zijn, zal het hof ook in deze zaak opdracht geven tot het laten horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 6] als getuigen. Om onevenredige vertraging van de afdoening van de strafzaak te voorkomen, stelt het hof hierbij de voorwaarde dat de verhoren van deze getuigen bij de raadsheer-commissaris alleen doorgang zullen vinden als deze binnen een aanvaardbare termijn kunnen plaatsvinden. Het hof verwacht dat alle procespartijen zich zullen inspannen om de verblijfplaatsen van de genoemde getuigen te achterhalen en dat zij eventuele nadere informatie hierover zo spoedig mogelijk doorgeven aan het kabinet van de raadsheer-commissaris.” 4.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 7 april 2021 vermeldt het volgende over eerdere pogingen tot het horen van de getuige [betrokkene 6] : “De voorzitter merkt voorts op - zakelijk weergegeven: (…) Alleen de getuigen [betrokkene 14] , [betrokkene 1] en [betrokkene 6] zijn nog niet gehoord bij de raadsheer-commissaris. Alle overige getuigenverhoren hebben inmiddels plaatsgevonden. Het kabinet raadsheer-commissaris zal nog pogingen ondernemen om de getuigen [betrokkene 14] , [betrokkene 1] en [betrokkene 6] te kunnen horen. Mogelijk bevindt [betrokkene 14] zich op dit moment niet in Nederland. Er wordt nog gekeken of zijn verblijfplaats te achterhalen is. [betrokkene 1] zal eind mei en begin juni van dit jaar in Nederland zijn vanwege de behandeling van zijn eigen strafzaak, de zaak 26DeVink. Het kabinet raadsheer-commissaris gaat proberen om het getuigenverhoor van [betrokkene 1] in te plannen in de periode dat hij in Nederland is. De raadsman van [betrokkene 6] , mr. Moszkowicz, heeft laten weten dat [betrokkene 6] psychisch niet in staat is om als getuige te worden gehoord. Daarnaast is zijn verblijfplaats niet bekend. Mogelijk bevindt hij zich in het buitenland. Het kabinet raadsheer-commissaris zal nog een poging wagen om het getuigenverhoor van [betrokkene 6] alsnog doorgang te kunnen laten vinden.” 4.5 Het hof heeft in zijn arrest van 23 december 2021 het volgende overwogen: “Het verzoek van de verdediging om [betrokkene 6] als getuige te horen is eerder toegewezen, maar het is, na verschillende pogingen daartoe, niet gelukt om hem te vinden. Het getuigenverhoor van [betrokkene 6] heeft daarom niet plaats kunnen vinden. De verdediging heeft het verzoek om [betrokkene 6] te horen opnieuw gedaan. Al eerder heeft het hof vastgesteld dat er voldoende inspanningen zijn verricht om zijn verblijfplaats te achterhalen. Kort voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak is zelfs nog geprobeerd om achter zijn verblijfplaats te komen via de getuige [betrokkene 13] , die volgens de verdediging mogelijk over nadere informatie over de verblijfplaats van [betrokkene 6] zou beschikken. [betrokkene 13] bleek echter ook niet te vinden. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat niet valt te verwachten dat [betrokkene 6] alsnog binnen een afzienbare termijn als getuige kan worden gehoord. Door het niet horen van [betrokkene 6] als getuige is onder deze omstandigheden geen sprake van een schending van het recht van [verdachte] op een eerlijk proces. (…) Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat het niet-toewijzen van de verzoeken niet maakt dat sprake zou zijn van schending van het recht van [verdachte] op een eerlijk proces. Het hof betrekt hierbij ook nog de onderzoekswensen - met name de wensen die zien op de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata - die zijn toegewezen en die wel tot resultaat hebben geleid, alsmede de overige informatie over de Ennetcomdata uit het dossier. Gelet op al het voorgaande, wijst het hof alle verzoeken van de verdediging af.” 4.6 Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat voldoende inspanningen zijn verricht om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen en niet valt te verwachten dat de getuige alsnog binnen een afzienbare termijn kon worden gehoord onbegrijpelijk is. De tweede klacht houdt in dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of door het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] nog sprake was van een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM, en/of dat het oordeel van het hof dat het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert ontoereikend is gemotiveerd. Ik zal de klachten gezamenlijk bespreken. 4.7 Art. 418 lid 1 Sv luidt: “De oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in artikel 288.” 4.8 Art. 288 lid 1 aanhef en onder a Sv luidt: “De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat: a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”. 4.9 De Hoge Raad heeft over toepassing van deze bepaling het volgende overwogen: “2.4.3 (…) Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo’n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen. 2.4.4 Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in. 2.4.5 Waar het gaat om zogenoemde “prosecution witnesses” houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een “good reason for the witness’s non-attendance” bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in “the witness’s absence owing to unreachability”. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door – kort gezegd – de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. (…) (...) 2.4.7 Waar het gaat om zogenoemde “defence witnesses” moet, als een toereikend gemotiveerd verzoek wordt gedaan om een getuige te horen, de relevantie van een verklaring van die getuige worden betrokken bij de beslissing of de getuige wordt gehoord. Dat staat er echter niet aan in de weg dat, als erop zichzelf toereikende gronden zijn om de getuige te horen, het oproepen van de getuige toch achterwege blijft vanwege “the witness’s unreachability”. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat daarbij andere maatstaven zouden gelden dan onder 2.4.5 zijn geciteerd. Wel zal de rechter in dat geval moeten beoordelen of, gegeven het ontbreken van de mogelijkheid om die getuige te (doen) ondervragen, de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (zie onder meer EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), § 42-43 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931).” 4.10 Het hof heeft in zijn arrest geoordeeld dat het na verschillende pogingen niet is gelukt de getuige [betrokkene 6] te vinden en dat het verhoor daarom niet heeft kunnen plaatsvinden. Het hof heeft ook geoordeeld dat er voldoende inspanningen zijn verricht om de verblijfplaats van de getuige [betrokkene 6] te achterhalen en dat zelfs is geprobeerd om achter die verblijfplaats te komen via een andere getuige die volgens de verdediging mogelijk over informatie over de verblijfplaats zou beschikken. Ook die andere getuige bleek echter onvindbaar. Het oordeel van het hof komt er dus op neer dat er een goede reden is voor “the witness’s absence owing to unreachability”, omdat de autoriteiten voldoende inspanningen hebben verricht om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Op basis van de feitelijke vaststellingen van het hof is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarmee faalt de eerste klacht. 4.11 Met betrekking tot het eerste deel van de tweede klacht, dat inhoudt dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of door het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] nog sprake was van een eerlijk proces, kan worden opgemerkt dat het hof heeft geoordeeld dat door het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] geen sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces. Dat deel van de klacht faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.12 Met betrekking tot het tweede deel van de klacht, dat inhoudt dat het oordeel van het hof dat het niet-horen van de getuige [betrokkene 6] geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert ontoereikend is gemotiveerd, merk ik het volgende op. Het hof heeft in zijn arrest geoordeeld dat het niet-toewijzen van de verzoeken van de verdediging – waaronder het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 6] – geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert. Het hof heeft daarbij gekeken naar de onderzoekswensen (met name de wensen die zien op de betrouwbaarheid van de Ennetcom-data) die zijn toegewezen en die wel tot resultaat hebben geleid, alsmede de overige informatie over de Ennetcom-data uit het dossier. Uit die motivering blijkt daarmee dat het hof van oordeel is geweest dat de betrouwbaarheid van deze onderzoeksresultaten niet verder hoefde te worden onderzocht, omdat dat door de toegewezen onderzoekswensen al voldoende is gebeurd. Het oordeel van het hof dat na het niet-ondervragen van een onvindbare getuige onder deze omstandigheden geen sprake is van een procedure die in het geheel bezien oneerlijk is geweest, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. 4.13 Het middel faalt. 5Het derde en vierde middel 5.1 De middelen klagen over de bewezenverklaring. Daarom zal ik hier eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering weergeven. 5.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Zaak met parketnummer 05-880583-16 (Onderzoek Bosnië): 1. primair: hij op 31 december 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1988) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met automatische vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten; 2. primair: hij op 31 december 2015 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1985) en [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met automatische vuurwapens op/in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3: hij op tijdstippen in de periode van 27 december 2015 tot en met 30 december 2015 te [plaats] en/of Amsterdam en/of [plaats] , ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf van moord in vereniging (te weten de liquidatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), (telkens) opzettelijk automatische vuurwapens en/of voertuigen (te weten een BMW en/of een Ford Fiesta), bestemd tot het in vereniging begaan van die misdrijven, voorhanden heeft gehad, en/of daarmee naar [camping] te [plaats] gereden. Zaak met parketnummer 05-780094-17 (Onderzoek Brandberg): hij op 7 november 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door tezamen met zijn mededaders, meerdere malen met twee, in elk geval één, automatisch(
  4. e)vuurwapen(s), te weten een geweer (met Ceska Zbrojovka, kaliber 7,62x39
  5. mm)en een pistool (merk Glock, kaliber 9mm Parabellum), meerdere kogels op die [slachtoffer 4] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 4] in zijn borstkas en zijn borst werd geraakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] is overleden. Zaak met parketnummer 05-780083-17 (Onderzoek IJshamer): primair: hij en zijn mededaders op 3 april 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een automatisch vuurwapen kogels hebben afgeschoten in de richting van die [slachtoffer 5] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 5.3 Voor de bewijsmiddelen verwijs ik kortheidshalve naar de aanvulling op het arrest. Dat arrest houdt, voor zover van belang, de volgende bewijsoverwegingen in: “Bewijsoverwegingen Algemeen Standpunt van de verdediging In het algemeen heeft de verdediging - kort gezegd - het volgende aangevoerd over het bewijs. De bewijswaarde van de Ennetcomberichten is beperkt. De informatie uit deze berichten kan niet leidend zijn, maar kan enkel tot het bewijs worden gebruikt als deze wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verder is het mogelijk dat de PGP-telefoons door verschillende mensen zijn gebruikt. De omstandigheid dat een persoon op een bepaald moment als de gebruiker van een bepaald Ennetcom-account kan worden geïdentificeerd, hoeft niet te betekenen dat deze persoon ook op een ander moment de gebruiker van dit account is. [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn telefoons regelmatig uitleende en dat hij daarnaast telefoons voor anderen in bewaring had. De Ford Fiesta die op zijn naam stond, werd ook door andere personen gebruikt. In deze auto zouden verschillende PGP-telefoons van die personen aanwezig zijn. De namen van deze personen kan [verdachte] niet noemen uit angst voor zijn leven en dat van zijn familie. Oordeel van het hof Het hof zal hierna waar nodig ingaan op deze algemene verweren van de verdediging. Onderzoek Bosnië De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle drie de feiten die in het Onderzoek Bosnië ten laste zijn gelegd. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende naar voren gebracht. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat [verdachte] één van de schutters is geweest. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden, bieden geen enkel aanknopingspunt voor die stelling. Specifieke persoonskenmerken zijn op deze beelden immers niet te zien. De conclusie dat de schutters ook op eerdere momenten op de camping in [plaats] aanwezig zijn geweest, kan op basis van de camerabeelden niet worden getrokken. Daarnaast moeten de analyses van de verkeersgegevens van de voertuigen en de verschillende telefoons met behoedzaamheid worden beschouwd en met terughoudendheid worden gewaardeerd, aldus de raadsman. De raadsman heeft aan de hand van enkele voorbeelden gesteld dat de conclusies van de rechtbank op basis van deze gegevens geen hout snijden. De verkeersgegevens zijn in elk geval onvoldoende om de gebruiker van de telefoontoestellen te kunnen identificeren. Ook staat niet vast dat deze gebruiker steeds dezelfde persoon was. Nu niet kan worden bewezen dat [verdachte] één van de schutters was, moet hij worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten in het Onderzoek Bosnië. [verdachte] moet ook van het onder 3 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken, omdat niet vastgesteld kan worden dat de personen die op de camerabeelden zijn gezien met een voorverkenning bezig waren, dan wel dat zij goederen voorhanden hadden die waren bestemd tot het begaan van een moord. Daarbij komt dat niet vaststaat dat de personen die in de tenlastegelegde periode op de camerabeelden te zien zijn dezelfde personen zijn als de schutters op 31 december 2015. Oordeel van het hof De door de verdediging gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Er is geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof het volgende. De feiten Op 31 december 2015 zijn [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in [plaats] , bij de [camping] , rijdend in een auto, door twee schutters beschoten. [slachtoffer 1] is als gevolg van deze schietpartij overleden. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn allebei gewond geraakt. Er zijn camerabeelden beschikbaar van de schietpartij. Op deze beelden is te zien dat er om 17.35 uur een donkere auto, een stationwagen, met dimlicht over de [a-straat] kwam aanrijden en parkeerde op de parkeerplaats van de [camping] . Op het moment dat de auto waarin de [broers] en [slachtoffer 3] zaten - een witte Mercedes – het campingterrein verliet, rende de eerste schutter de donkere auto uit. Deze schutter droeg een capuchon met een bontkraag. Hij schoot gericht op de bestuurder van de witte Mercedes. Rechtsachter deze schutter bevond zich de tweede schutter. Ook deze heeft op de Mercedes geschoten. Beide schutters hebben meer dan tien keer geschoten. Op het parkeerterrein bij de [camping] zijn hulzen aangetroffen. Op 31 december 2015 omstreeks 18.24 uur is een autobrand gemeld in Zaltbommel. Het kenteken van deze auto was [kenteken 1] . Het betrof een BMW. Rondom de auto zijn hulzen en kogelpunten gevonden. Uit onderzoek is gebleken dat deze auto gestolen was en dat voornoemd kenteken niet het originele kenteken van deze auto was. In de auto werden verbrande resten van twee wapens aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat het om twee automatische wapens van het merk CZ (kaliber 7,62mm) ging. Vervolgens is onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen de schietpartij en deze uitgebrande BMW. Daarbij is gekeken naar uiterlijke overeenkomsten van deze auto met de donkere auto die op de camerabeelden van de [camping] is te zien. Bij deze vergelijking zijn meerdere overeenkomsten aangetroffen. Verder zijn de twee (verbrande) automatische wapens vergeleken met de aangetroffen hulzen op de camping. Uit het door het NFI verrichte onderzoek leidt het hof af dat deze hulzen zijn verschoten met de twee automatische vuurwapens in de uitgebrande BMW. Er zijn ook delen van kogels aangetroffen in het lichaam van [slachtoffer 1] . Uit het onderzoek van het NFI leidt het hof af dat deze kogelmanteldelen zijn afgevuurd uit de loop van één van de twee in de BMW aangetroffen automatische vuurwapens. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de twee automatische wapens die in de in Zaltbommel aangetroffen BMW zijn gevonden, door de twee schutters zijn gebruikt bij de schietpartij bij de camping in [plaats] . Na de schietpartij zijn de schutters er in deze BMW vandoor gegaan. De voorbereiding De [broers] verbleven sinds enkele weken voor 31 december 2015 in chalet 218 op de [camping] in [plaats] . Dit chalet was moeilijk te vinden. De getuige [betrokkene 15] heeft verklaard dat hij één of twee dagen voor de schietpartij rond 19.00 uur de camping op reed en toen werd aangesproken door twee Marokkaanse jongens. Eén van deze jongens vroeg waar chalet 201 was. Chalet 201 bevindt zich net voor het pad dat leidt naar chalet 218. Uit de camerabeelden van de [camping] in de periode van 28 december tot 31 december 2015 blijkt dat twee onbekende mannen op vijf verschillende momenten een bezoek hebben gebracht aan deze camping. Het eerste bezoek vond plaats op 28 december omstreeks 20.38 uur. Eén van de twee mannen droeg een capuchon en had een vreemd loopje. Omstreeks 20.42 uur liepen de twee mannen langs de slagboom het campingterrein op. Op 29 december 2015 vonden er meerdere bezoeken plaats aan de camping in [plaats] . Om 03.20 uur ’s nachts is te zien dat een donkere auto, een stationwagen, het parkeerterrein van de camping op reed. Opnieuw liepen twee onbekende personen het campingterrein op. Bij één van de mannen was een op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp te zien. Deze man had opnieuw een afwijkende manier van lopen. Om 20.42 uur op diezelfde dag is ook te zien dat twee onbekende personen de camping opliepen. Wederom werd bij één van de mannen een afwijkende manier van lopen gezien. Daarnaast waren er qua signalementen ook andere overeenkomsten te zien met de twee onbekende mannen van de eerdere hiervoor beschreven bezoeken aan de camping. Om 21.30 uur is te zien dat een donkere stationwagen het parkeerterrein van de camping opreed. Om 22.11 uur stapten twee mannen uit deze auto en vervolgens liepen zij het terrein van de camping op. Qua kleding waren overeenkomsten te zien met de kleding van de twee mannen die om 20.42 uur de camping op liepen. Om 22.13 uur stapten de mannen weer in de donkere auto. Om 22.35 uur stapte de bestuurder uit. Hij rende toen, vermoedelijk met een vuurwapen (een automatisch geweer) in zijn hand, de auto uit. Nadat er een andere auto voorbij reed, rende deze persoon terug naar de donkere auto. Deze donkere auto vertoonde grote overeenkomsten met de auto waarmee de twee verdachten op 31 december 2015 na het schietincident zijn weggereden, te weten de BMW met het kenteken [kenteken 1] . Op 30 december 2015 omstreeks 19.20 uur liepen opnieuw twee mannen het campingterrein op. Eén van deze mannen maakte een opvallende zwabberbeweging met zijn linkerbeen. De signalementen van deze twee mannen stemmen op verschillende punten overeen met de signalementen van de schutters van de schietpartij op 31 december 2015. Bovendien zijn qua signalement overeenkomsten te zien met die van de onbekende mannen die de camping voor 31 december 2015 hebben bezocht. Het hof gaat er mede daarom van uit dat dit steeds dezelfde twee mannen waren. Er is ook onderzocht of de BMW met het kenteken [kenteken 1] in de periode voor 31 december 2015 samen heeft gereisd met een ander voertuig. Daartoe zijn de geregistreerde kentekens in de periodes van vijf minuten voor en na de registraties van het kenteken [kenteken 1] opgevraagd. Gebleken is dat een auto met het kenteken [kenteken 2] in de nacht van 29 december 2015 op drie momenten op dezelfde camera is geregistreerd als de BMW met het kenteken [kenteken 1] . Tussen deze registraties zaten slechts enkele seconden. De auto met het kenteken [kenteken 2] betrof een Ford Fiesta. Deze stond in de periode van 19 december 2015 tot en met 5 januari 2016 op naam van [verdachte] . Voornoemde BMW heeft zich dus op 29 december 2015 op verschillende momenten in de onmiddellijke nabijheid bevonden van de auto van [verdachte] . Op de camerabeelden van de [camping] is, zoals hiervoor al is beschreven, te zien dat twee mannen op 28 december 2015 omstreeks 20.38 uur bij de camping arriveerden. Om 20.30 uur, 20.32 uur en om 20.34 uur die dag was er een voertuig op de camerabeelden te zien die grote overeenkomsten vertoonde met de Ford Fiesta die destijds op naam stond van [verdachte] . Uit de bewijsmiddelen (zendmastgegevens) blijkt verder dat de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] op 28 december 2015 dezelfde reisbewegingen hebben gemaakt als de auto met het kenteken [kenteken 2] . Deze telefoonnummers zijn - zoals hierna nog zal worden overwogen - in gebruik geweest bij [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat hij de Ford Fiesta met het kenteken [kenteken 2] in gebruik heeft gehad. Hij heeft ook verklaard dat hij deze auto in de periode van 28 tot en met 31 december 2015 heeft uitgeleend. Het hof acht deze laatste verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden. Zo heeft hij niet gezegd aan wie hij zijn auto zou hebben uitgeleend. Daarnaast wijst het hof op het feit dat bij alle bezoeken aan de camping één of meerdere telefoonnummers van [verdachte] dezelfde reisbewegingen hebben gemaakt als de Ford Fiesta en dat hij het op verschillende momenten heeft over zijn auto (“m’n waggie/wakkie”), zoals in het tapgesprek van 25 december 2015 om 16.35 uur met [betrokkene 16] . In datzelfde tapgesprek wordt [verdachte] , ‘Big Head’ genoemd. Op het belang van deze benaming ‘Big Head’ zal hierna onder het kopje “ [account 1] ” worden ingegaan. De gebruiker van het Ennetcom-account [account 1] heeft op 1 januari 2016 bovendien de volgende berichten gestuurd aan de gebruiker van de [account 2] : “Bro met die wakkie weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man beter huren en op iemand andere naam gooien ofso”. “Top broo love youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie Ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar ben geweest met me wak neetoch”. Hierna zal het hof nog concluderen dat [verdachte] de gebruiker was van het Ennetcomaccount [account 1] en [betrokkene 5] van de [account 2] . Gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] zijn auto heeft uitgeleend op de momenten waarom het in deze zaak gaat. Het hof concludeert uit het voorgaande ook dat de Ford Fiesta van [verdachte] bij de liquidatie is gebruikt als verkennings- en vluchtauto. Het hof zal hierna ingaan op de reisbewegingen van de verschillende telefoonnummers van [verdachte] . Hierbij zal het hof ook het PGP-toestel [account 3] betrekken, waarvan het hof hierna nog zal vaststellen dat ook het toestel met dit account bij [verdachte] in gebruik is geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] , die allebei van [verdachte] zijn, voorafgaande aan het eerste bezoek aan de camping in [plaats] op 28 december 2015 een zendmast aan de [b-straat] in [plaats] hebben aangestraald. Dit was tussen 15.40 en 16.00 uur die dag. Deze zendmast bevindt zich op een afstand van ongeveer 530 meter tot de [c-straat 1] in [plaats] , waar [verdachte] destijds woonde. De auto met het kenteken [kenteken 2] , de Ford Fiesta van [verdachte] , bevond zich vanaf 17.28 uur in Rotterdam en reed richting het centrum van deze stad. Vervolgens hebben de telefoons met de nummers die eindigen op [telefoonnummer 2] (een telefoonnummer van [verdachte] ) en [telefoonnummer 4] (een telefoonnummer van [betrokkene 2] ) telefoonmasten aangestraald die dicht bij elkaar liggen. De telefoon van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 2] ) straalde om 18.27 uur een zendmast aan in Oosterhout en de telefoon van [betrokkene 2] (nummer [telefoonnummer 4] ) om 18.28 uur een zendmast in Raamsdonkveer. De afstand tussen deze zendmasten is hemelsbreed 3,2 kilometer. De Ford Fiesta met het kenteken [kenteken 2] is om 20.15.53 uur, 20.17.12 uur en 20.17.46 uur geregistreerd (ANPR-registraties) vlak bij de afrit 48 op de A59 en het knooppunt Hintham (snelwegen A59 en A2). De camera’s die deze registraties hebben gedaan, bevinden zich op vier kilometer afstand van de zendmasten aan de Klokkenlaan 164-264 en de Burgemeester Godschalxstraat, waarvan de telefoon van [verdachte] met het nummer [telefoonnummer 3] gebruik heeft gemaakt om 20.12 uur. De telefoon met het nummer [telefoonnummer 4] ( [betrokkene 2] ) heeft om 20.15 en 20.16 uur een mast aangestraald op ongeveer 200 meter afstand van de camera waarmee de Ford Fiesta van [verdachte] is geregistreerd om 20.17.46 uur. De afstand van deze camera tot de camping in [plaats] bedraagt ongeveer 13,6 kilometer. Dat is ongeveer 13 minuten rijden. Vervolgens heeft de telefoon van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 2] ) na bijna 14 minuten, te weten om 20.31 uur, de zendmast aan de [d-straat] in [plaats] aangestraald. Vanaf de [camping] in [plaats] wordt ook deze zendmast gebruikt. Zeven minuten later, om 20.28 uur, was het eerste bezoek op deze camping op de camerabeelden te zien. Tijdens dit bezoek aan de camping heeft de PGP-telefoon met het Ennetcom-account [account 4] de mast aan de [e-straat] in [plaats] aangestraald. De [account 4] is in gebruik geweest bij [betrokkene 2] . De afstand van voornoemde zendmast tot de zendmast aan de [d-straat] is hemelsbreed ongeveer 260 meter. De afstand van de [d-straat] tot de ingang van de camping bedraagt hemelsbreed ongeveer 530 meter. Na 22.02 uur is aan de hand van de telefoonnummers van [verdachte] en [betrokkene 2] en de registraties van het kenteken [kenteken 2] (de Ford Fiesta van [verdachte] ) een reisbeweging naar Eindhoven te zien. Zo straalde [verdachte] telefoon met nummer [telefoonnummer 3] om 22.18 uur een zendmast aan in Boxtel, op de snelweg van Den Bosch naar Eindhoven, en is de Ford Fiesta ongeveer acht minuten later in Eindhoven geregistreerd. Vanaf 22.36 uur heeft de telefoon van [betrokkene 2] ook zes keer gebruik gemaakt van een mast in Eindhoven. Gelet op dit alles - in onderling verband en samenhang bezien - stelt het hof vast dat [verdachte] en [betrokkene 2] op 28 december 2015 samen met de Ford Fiesta van [verdachte] naar [plaats] en daarna naar Eindhoven zijn gereisd. In dit verband wijst het hof in het bijzonder op het feit dat deze auto om 20.17 uur op een afstand van 13 minuten van de camping is geregistreerd en dat - zoals hiervoor al is overwogen - op de camerabeelden van de camping vanaf 20.30 uur drie keer een auto is gezien met de kenmerken van dit specifieke type Ford Fiesta. Bij het tweede bezoek aan de camping in [plaats] , op 29 december 2015, kwam de BMW met het kenteken [kenteken 1] in beeld. Hiervoor is al overwogen dat deze auto kort na de liquidatie brandend is aangetroffen in Zaltbommel. Ook heeft het hof hiervoor al vastgesteld dat deze BMW en de Ford Fiesta van [verdachte] in de nacht van 29 december 2015 drie keer in elkaars nabijheid zijn geregistreerd (binnen twee tot drie seconden na elkaar op dezelfde locatie). Vervolgens vond 57 minuten na deze registraties het tweede bezoek aan de camping plaats, waarbij de telefoon van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 2] ) ook omstreeks dit bezoek (om 03.40 uur) een mast heeft aangestraald die vanuit de camping vaak wordt gebruikt. Uit de historische gegevens van de telefoon van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 2] ) blijkt dat deze voor het tweede bezoek aan de camping een reisbeweging van Amsterdam naar- [plaats] heeft gemaakt. Na dit tweede bezoek is zowel via de registraties van het telefoonnummer van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 1] ) als via het kenteken [kenteken 2] (de Ford Fiesta van [verdachte] ) een reisbeweging via [plaats] naar Amsterdam waar te nemen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in deze periode in de woning aan de [f-straat 1] in [plaats] sliep. Het is mogelijk om tussen de tijdstippen van de registraties van het kenteken [kenteken 2] naar de [f-straat 1] in [plaats] te rijden. Voor wat betreft het derde bezoek aan de camping, ook op 29 december 2015, is het volgende van belang. De telefoon met het nummer eindigend op [telefoonnummer 2] (gekoppeld aan het Ennetcomaccount [account 3] , waarvan hierna vastgesteld zal worden dat dit bij [verdachte] in gebruik was) straalde rond 18.09 uur de zendmast aan de [b-straat] in [plaats] aan, de mast gelegen op een afstand van ongeveer 530 meter tot de woning van [verdachte] . De telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] straalde om 17.48 uur en om 18.18 uur de zendmast aan de [b-straat] in [plaats] aan. Om 18.39 uur vond er een pinbetaling plaats van de bankrekening van [verdachte] bij het tankstation Shell Kriterion aan de IJberglaan 11 in Amsterdam. Tussen 18.41 uur en 19.33 uur reisde de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] - zo blijkt uit gebruikte zendmastlocaties - vanuit Amsterdam via Delft naar Rotterdam. De Ford Fiesta met het kenteken [kenteken 2] is om 19.23 uur in Delft geregistreerd en om 19.26 uur in Rotterdam. Om 20.40 uur was het telefoontoestel met nummer [telefoonnummer 1] mogelijk uitgeschakeld. De telefoon met het nummer [telefoonnummer 2] (de [account 3] ) straalde zowel voor, tijdens als na het derde bezoek aan de camping masten aan die binnen de netwerkmeting van de [camping] in [plaats] naar voren zijn gekomen. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [verdachte] tijdens het derde bezoek aan de camping in [plaats] op deze camping aanwezig was. Bij het vierde bezoek aan de camping, op 30 december 2015, straalde de PGP-telefoon van [verdachte] (de [account 3] ) voor en tijdens het bezoek masten aan die vanuit de [camping] in [plaats] worden gebruikt. Tijdens het bezoek aan die camping stralen de telefoons met de nummers [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 4] ( [betrokkene 2] ) geen zendmasten aan. De telefoon van [verdachte] (nummer [telefoonnummer 1] ) straalde pas om 21.58 uur weer een zendmast aan. Tussen 21.58 en 21.59 uur straalde deze telefoon drie zendmasten aan in Hardinxveld-Giessendam. Diezelfde masten zijn tussen 21.55 en 22.00 uur aangestraald door de telefoon van [betrokkene 2] (nummer [telefoonnummer 4] ). Vervolgens maken beide telefoons een reisbeweging naar [plaats] . De route die door de telefoons is afgelegd, past bij een route vanaf de camping in [plaats] naar [plaats] (verblijfplaats van [betrokkene 2] ). In deze stad is op die dag ook de Ford Fiesta van [verdachte] (kenteken [kenteken 2] ) verschillende keren geregistreerd (vanaf 22.19 uur). Daarnaast hebben de telefoons met de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 4] op hetzelfde tijdstip de mast aan de [f-straat 1] in [plaats] aangestraald. Binnen de registraties van de Ford Fiesta in [plaats] was er ruimte om langs de [f-straat 1] te rijden. Zoals gezegd, sliep [betrokkene 2] in deze periode in de woning aan de [f-straat 1] in [plaats] . Het hof concludeert uit het voorgaande dat [verdachte] en [betrokkene 2] samen hebben gereisd op 30 december 2015 en dat zij ook deze dag samen een bezoek hebben gebracht aan de camping in [plaats] . Ook tijdens het vijfde bezoek aan de camping, op 31 december 2015, lijken de telefoons met de nummers [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 4] ( [betrokkene 2] ) uitgeschakeld te zijn. Deze telefoons hebben geen masten aangestraald toen het vijfde en laatste bezoek aan de camping plaatsvond. Na het bezoek aan de camping hebben deze telefoons wel weer masten aangestraald. Vanaf 18.40 uur straalde de telefoon met het nummer [telefoonnummer 4] weer een mast aan en om 19.09 uur maakte de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] weer gebruik van een zendmast door een sms-bericht te versturen naar [betrokkene 2] (nummer [telefoonnummer 4] ). Daarnaast hebben de genoemde twee telefoons omstreeks hetzelfde tijdstip de zendmast aan de Rhijnspoorkade in Rotterdam aangestraald. De Ford Fiesta van [verdachte] is tussen 18.56 en 19.00 uur geregistreerd in [plaats] en verschillende keren in Rotterdam. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij deze dag inderdaad samen met [verdachte] in Rotterdam is geweest. Tussen 19.44 uur en 19.46 uur hebben de telefoons van [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ) en [betrokkene 2] ( [telefoonnummer 4] ) dezelfde mast in Delft aangestraald. Daarnaast is gebleken dat de PGP-telefoons [account 3] en [account 4] om 17.33 uur allebei de zendmast aan de [d-straat] in [plaats] hebben aangestraald. Dit betreft de zendmast die vanuit de [camping] wordt aangestraald. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat de auto van de schutters om 17.35 uur op de camerabeelden van de camping is te zien. Dat is slechts twee minuten nadat de PGP-telefoons [account 3] en [account 4] voornoemde zendmast hebben aangestraald. Het hof zal hierna nog vaststellen dat het Ennetcom-account [account 3] in gebruik is geweest bij [verdachte] . De [account 4] is, zoals gezegd, bij [betrokkene 2] in gebruik geweest. Het hof concludeert uit het voorgaande dat [verdachte] en [betrokkene 2] omstreeks het tijdstip van aankomst van de schutters opnieuw op de camping in [plaats] aanwezig zijn geweest en dat zij hierna (gedeeltelijk) samen terug zijn gereisd. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat er overeenkomsten zijn tussen de signalementen van de schutters van de schietpartij op 31 december 2015 en de mannen die de camping in [plaats] op de dagen daarvoor hebben bezocht. In dit verband is opvallend dat één van de mannen die op de camerabeelden is te zien tijdens de bezoeken aan de camping voor 31 december 2015 een opvallend loopje had. Dit onderdeel van het signalement past bij [verdachte] , nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij in december 2015 mank liep. De getuige [betrokkene 17] van de reclassering heeft immers verklaard dat [verdachte] zich vanaf 17 december 2015 met deze klacht afmeldde voor de uitvoering van zijn taakstraf. Volgens [betrokkene 17] was het alsof [verdachte] door zijn been zakte tijdens het lopen. Op 24 december 2015 heeft hij [verdachte] ook zelf mank zien lopen. Is [verdachte] de gebruiker van de Ennetcom-accounts [account 3] en [account 1] ? In het Onderzoek Bosnië zijn de Ennetcom-accounts [account 1] , [account 3] , [account 4] , [account 5] , [account 2] en [account 6] van belang. Het hof stelt vast dat [betrokkene 2] de gebruiker was van de [account 4] en de [account 5] en [betrokkene 5] van de [account 2] en de [account 6] . Dat staat in deze zaak ook niet ter discussie. De vraag die het hof in deze zaak zal moeten beantwoorden, is of [verdachte] geïdentificeerd kan worden als de gebruiker van de accounts [account 3] en [account 1] . In dit verband acht het hof de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang. De [account 3] [verdachte] heeft verklaard dat hij de telefoons met de nummers die eindigen op [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] in gebruik heeft gehad. Aan het telefoonnummer [telefoonnummer 2] was het Ennetcom-account [account 3] gekoppeld. De verklaring van [verdachte] dat hij zijn telefoons aan anderen heeft uitgeleend in de periode rondom de tenlastegelegde feiten in het Onderzoek Bosnië, acht het hof niet aannemelijk geworden. Hij heeft immers niet verklaard aan wie hij zijn telefoons zou hebben uitgeleend, zodat zijn verklaring op dit punt niet gecontroleerd kan worden. Daarbij komt dat uit het dossier verschillende aanwijzingen naar voren komen dat [verdachte] ook in de periode van 28 december tot en met 31 december 2015 zelf de gebruiker was van de hiervoor genoemde telefoons. Dat blijkt onder meer uit het volgende. Met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is op 28 december 2015 om 15.44 uur gebeld naar [betrokkene 18] , een medewerkster van de organisatie Werk Participatie en Inkomen. Zij heeft verklaard dat zij [verdachte] een uitnodigingsbrief heeft gestuurd voor een afspraak op 28 december 2015 om 16.00 uur aan de Klaprozenweg 91 in Amsterdam Noord. Reclasseringsmedewerkster [betrokkene 19] heeft verklaard dat zij op 28 december 2015 ook een afspraak had met [verdachte] . Hij is die dag echter niet verschenen en hij was ook niet bereikbaar. Pas op 8 januari 2016 sprak zij weer met [verdachte] . Hij gaf toen aan dat hij geen zin had gehad om te komen in de afgelopen periode. Verder is uit de verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] gebleken dat met dit nummer regelmatig naar de moeder van [verdachte] ( [betrokkene 20] ) werd gebeld, soms zelfs verschillende keren per dag. Het hof acht de verklaring van [verdachte] dat andere personen met dit telefoonnummer naar zijn moeder belden om hem te bereiken niet aannemelijk geworden. In dit verband geldt dat [verdachte] niet heeft aangegeven welke personen dit geweest zouden kunnen zijn, zodat zijn verklaring niet valt te controleren. Bovendien is er op 29 december 2015 om 18.39 uur een pinbetaling met de ING-bankpas van [verdachte] verricht bij het tankstation Shell Kriterion aan de IJburglaan 11 in Amsterdam. Op 30 december 2015 om 01.58 uur is er wederom met de bankpas van [verdachte] een pinbetaling, verricht, dit keer bij de Shell Ruwiel aan de A2 in Breukelen. Beide pintransacties passen bij de hiervoor al aangehaalde reisbewegingen van [verdachte] telefoon met nummer [telefoonnummer 1] . Tot slot hebben de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] ( [account 3] ) allemaal hun meest gebruikte zendmast, ook wel ‘thuismast’, in de buurt van de woning van [verdachte] aan de [c-straat 1] in Amsterdam. Uit alles wat het hof hiervoor al heeft overwogen in het kader van de reisbewegingen, is al gebleken dat op verschillende momenten in elk geval twee van de telefoons met de hiervoor genoemde nummers van [verdachte] dezelfde reisbewegingen hebben gemaakt. De verdediging heeft aangevoerd dat de gebruiker van een bepaalde telefoon niet steeds dezelfde hoeft te zijn. Het hof stelt echter voorop dat er in beginsel van uit kan worden gegaan dat de gebruiker van een bepaalde telefoon de vaste gebruiker is van dat toestel, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Die aanwijzingen heeft het hof niet gevonden voor wat betreft de hiervoor genoemde telefoonnummers van [verdachte] . De verdediging heeft ook zelf niet gewezen op dergelijke aanwijzingen. Bovendien heeft de verdediging op geen enkele wijze concreet gemaakt op welke momenten [verdachte] geen gebruik zou hebben gemaakt van voornoemde telefoonnummers en welke berichten niet door hem verstuurd zouden zijn. Vragen hierover van het hof heeft [verdachte] niet beantwoord. Daarbij komt nog dat uit de gesprekken die via de PGP-telefoons zijn gevoerd, juist blijkt dat het voor de gebruikers van die toestellen steeds duidelijk is met wie zij spreken. Ook dat duidt er niet op dat er steeds andere gebruikers achter deze toestellen hebben gezeten. Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat het hof ervan uit dat [verdachte] de enige gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] met het bijbehorende Ennetcom-account [account 3] . Dat betekent dat het hof ook alle e-mailberichten afkomstig van de [account 3] aan [verdachte] zal toeschrijven. Hierna zal het hof de gebruiker van de [account 3] aanduiden als [verdachte] . De [account 1] Op 31 december 2015 is het Ennetcom-account [account 3] van [verdachte] voor het laatst gebruikt. [verdachte] werd door anderen in hun accounts opgeslagen onder - onder meer - de contactnamen ‘Furbs’ (twee keer), ‘Fur’ (drie keer), ‘Furby’, ‘Furbss’, ‘Furb’, ‘Slamm’, ‘Damsco’ en ‘Igor’. Vanaf 1 januari 2016 worden er berichten gestuurd van en naar het Ennetcom-account [account 1] . De contactnamen waaronder dit account is opgeslagen waren - onder meer - ‘FRB’, ‘Furbito’ (twee keer), ‘Furbs’, ‘Fur’ (twee keer), ‘Furrr’, ‘Damsco’, ‘B.I.G.’, ‘Bigs’, ‘Bighead’, ‘B.G.’, ‘Slamm’ en ‘Igor 1’. Het voorgaande duidt er naar het oordeel van het hof op dat het account [account 1] de opvolger is van de [account 3] , het account dat bij [verdachte] in gebruik was. Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] ook de gebruiker van de [account 1] is geweest en overweegt daarover het volgende. In het herkenningsdienstsysteem van de politie staat als bijnaam van [verdachte] ‘Furbie’ vermeld. De Ennetcom-accounts [account 3] en [account 1] zijn door anderen onder deze naam of varianten daarop opgeslagen. De bijnaam ‘Bighead’ en varianten daarop komen voor het eerst voor in relatie tot de [account 1] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] ‘Bighead’ wordt genoemd. In een tapgesprek tussen hen van 24 september 2016 noemt [betrokkene 2] [verdachte] ‘groot hoofd’. In een gesprek van 25 december 2015 heeft [betrokkene 21] het telefoonnummer van [verdachte] (eindigend op [telefoonnummer 1] ) doorgegeven en daarbij vermeld: “Is nummer van Big Head”. Op 20 mei 2016 is [verdachte] gebeld door een onbekende man en wordt hij ook ‘Big Head’ genoemd. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de naam ‘Big Head’ ook als bijnaam van [verdachte] wordt gebruikt. Er zijn aanwijzingen dat ook [betrokkene 2] wel als Big Head wordt aangeduid. Het lijdt echter geen twijfel dat de naam Big Head in relatie tot account [account 1] kan worden gekoppeld aan [verdachte] . Op 1 januari 2016 om 19.04 uur stuurde de [account 1] het volgende bericht naar de [account 2] ( [betrokkene 5] ): “Ben net klar met eten bij [A] daar”. Op diezelfde dag straalde de telefoon van [verdachte] met het nummer [telefoonnummer 1] om 18.58, 19.01 en 19.30 uur een zendmast aan de Hoogte Kadijk in Amsterdam aan. De snackbar [A] , gelegen aan de [g-straat 1] in Amsterdam, ligt in de zendrichting van deze zendmast, op een afstand van hemelsbreed 220 meter. Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de Ford Fiesta met het kenteken [kenteken 2] als vluchtauto is gebruikt bij de liquidatie in [plaats] op 31 december 2015. Deze auto stond van 19 december 2015 tot en met 5 januari 2016 op naam van [verdachte] . Op 1 januari 2016 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 1] en de [account 2] ( [betrokkene 5] ): Zender Bericht [account 1] Bro met die wakkie weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man [account 1] Top broo love youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar geweest ben met me wak neetoch. Op 2 januari 2016 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 1] en de [account 4] ( [betrokkene 2] ): Zender Bericht [account 4] Yo faka bro hoe is het wat moet er gebeuren met die waggie [account 4] Hij is gewassen en schoon en hij staat geparkeerd [account 1] Ja rustig kifesh is er shie koper voor die auto [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] over de donkergroene Ford Fiesta aan hem heeft gevraagd of hij iemand kende die deze auto wilde kopen voor een spotprijsje. Op 5 januari 2016 heeft [betrokkene 2] de auto van [verdachte] verkocht aan [betrokkene 22] . De papieren van deze auto heeft [betrokkene 2] bij [verdachte] opgehaald. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de [account 1] in de hiervoor genoemde berichten communiceert over de Ford Fiesta van [verdachte] (met kenteken [kenteken 2] ). Op 5 februari 2016 zond de [account 1] het volgende bericht naar de uj3g: “Oke ik heb half 2 afspraak bij dwi in noord dan mail ik je”. Op 29 januari 2016 is namens [betrokkene 18] , medewerkster van de organisatie Werk Participatie en Inkomen (WPI) van de gemeente Amsterdam, een uitnodiging aan [verdachte] verzonden voor een vervolggesprek op 5 februari 2016 om 13.30 uur aan de Klaprozenweg 91 in Amsterdam-Noord. Het hof stelt vast dat [verdachte] en de [account 1] dezelfde afspraak hebben bij de DWI in Amsterdam Noord. Op 14 februari 2016 heeft de [account 1] het volgende bericht gestuurd naar de [account 4] ( [betrokkene 2] ): “Heb morgen om 4uur reclaseriingg bulshit ze hebben brief gestuurd naar osso laatste kans anders moet ik me voorwaardelijke uitzitten”. Op 15 februari 2016 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 1] en de [account 4] ( [betrokkene 2] ): Zender Bericht [account 1] (om 14.04 uur) Zo ja snel na die afspraak gaan [account 1] (om 14.07 uur) Osso ga zo naar keizrgracht [account 1] (om 16.28 uur) Nu west was bij recla net [betrokkene 19] , medewerkster van de reclassering, heeft verklaard dat er een afspraak met [verdachte] is geweest op 15 februari 2016 tussen 13.00 en 15.00 uur op de locatie Keizersgracht. [verdachte] heeft zich op deze datum ook gemeld. Hij heeft toen gesproken met een collega van [betrokkene 19] . Het hof leidt uit het voorgaande af dat de [account 1] en [verdachte] op 15 februari 2016 rond dezelfde tijd naar een afspraak met de reclassering aan de Keizersgracht zijn geweest. Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat het hof ervan uit dat [verdachte] ook de vaste gebruiker was van het Ennetcom-account [account 1] . Ook hier geldt dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat verschillende personen van dit account gebruik hebben gemaakt en dat de verdediging op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt welke berichten niet door [verdachte] verstuurd zouden zijn. Het hof zal daarom alle e-mailberichten afkomstig van de [account 1] aan [verdachte] toeschrijven. Hierna zal het hof de gebruiker van de [account 1] aanduiden als [verdachte] . De inhoud van de Ennetcomberichten Hierna zal het hof de inhoud van de relevante Ennetcomberichten en -notities weergeven voor wat betreft de tenlastegelegde feiten in het Onderzoek Bosnië. In een account van [betrokkene 5] is de volgende op 28 augustus 2015 aangemaakte notitie aangetroffen (deze notitie is voor het laatst gewijzigd op 17 september 2015): “Lifelounge shisha amersfoort. Zusjes Bnws2790 zusjes golf [kenteken 3] mercedes ML.. Van 2007 die model.. Ik ben hun gevolgd... Dat is auto van die [slachtoffer 2] . Ja van foto ze zijn weg... Dat is plaat. Spaanse platen”. Hieruit blijkt dat [betrokkene 5] in augustus/september 2015 al bezig was met het vergaren van informatie over de verblijfplaatsen/auto’s van de [broers] , die ook wel de ‘zusjes’ werden genoemd. Ook [verdachte] hield zich hier al mee bezig voorafgaande aan de uiteindelijke schietpartij in [plaats] op 31 december 2015. Op 25 september 2015 heeft hij het adres [h-straat 1] , een adres waar de [broers] vaak kwamen, toegevoegd aan de contactentenlijst behorende bij zijn Ennetcom-account [account 3] . Op dit adres in Utrecht is horecagelegenheid [B] (verder: [B] ) gevestigd. Op 10 oktober 2015 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 7] ( [betrokkene 23] ) en [betrokkene 5] : Zender Bericht [betrokkene 5] Ik sprak met hem, hij zei dat ik je naar een actie kon sturen. [account 7] Je zou wat voor me klaar leggen, ik zou er eventueel morgen om kunnen rijden [account 7] Ik kan vrij praten toch? Je weet wat ik jou heb uitgelegd binnen, ik heb nu nog even een project, die moet ik nog afhandelen, daarna kan ik jou klus aannemen broer, maar ik had we’ll ff dat gene nodig waar ik je om vroeg, 2 kleine 1 grote alvast, en ik heb ff een nummer nodig van ogen, je weet wie ik bedoel toch [betrokkene 5] Je kan vrij praten. Ik ben broertje van die lange vriend trouwens dat je dat weet. Ben op de hoogte van alles. Ik heb 2kleine voor je maar helaas geen patronen. Van grote heb ik alles compleet [betrokkene 5] Ok ben zelf in het buitenland. Die jongen die het jou gaat geven die geeft je alle info. Op 11 oktober 2015 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 7] ( [betrokkene 23] ) en [betrokkene 5] : Zender Bericht [betrokkene 5] Dit is die jongen die je die spullen gaat geven. Klik op die mailadres dan kan je hem een bericht sturen [account 3] @ennetcom.com [account 7] Ok top! Op 11 oktober 2015 heeft [verdachte] het volgende bericht gestuurd naar de [account 7] ( [betrokkene 23] ): “ [h-straat 1] . Die rechter en op die andere foto is die ander”. Op de door [verdachte] meegezonden foto’s heeft de verbalisant [verbalisant] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] herkend. Op 11 oktober 2015 vond ook de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 7] ( [betrokkene 23] ) en [betrokkene 5] : Zender Bericht [betrokkene 5] Oke adres heb je toch? Het zijn 2 broers waarvan we 1 belangrijker vinden dan de ander. Met baard moeten we hebben. Mochten ze met zn 2 zijn dan moeten allebei weg, maar met baard is ons doel. Ik stuur je hun foto. Als je vragen hebt moet je die stellen. [betrokkene 5] Dit is onze hoofddoel! Is 1 en dezelfde persoon. [account 7] Alles is goed broeder, de project gaat van start [betrokkene 5] Dit is zn broertje op die 1ste foto zie je hem zitten met verband om zn pols [betrokkene 5] Ja voor ons is belangrijk dat die met baard weggaat. Maar als zn broertje daar is, is mooi meegenomen. [account 7] Ik heb alles, alleen ik had begrepen, dat het om 1 persoon ging. Vandaag werd het met pas duidelijk dat het er 2 waren [account 7] Top! Ik had er niet aan getwijfel. Jullie horen vanzelf wanneer ze met pensioen zijn Op de door [betrokkene 5] meegezonden foto’s heeft de verbalisant [verbalisant] wederom [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] herkend. Het hof gaat ervan uit dat met de persoon met de baard [slachtoffer 2] wordt bedoeld. Op 18 november 2015 om 00.13 uur stuurde [betrokkene 5] het volgende bericht naar de [account 7] ( [betrokkene 23] ): “Hee bro! Hij is binnen”, waarmee hij informatie voor wat betreft de verblijfplaats heeft doorgespeeld. Hierop heeft de gebruiker van de [account 7] ( [betrokkene 23] ) als volgt gereageerd: “Ja shit man! Ik hoor net dat die klojo van een neef van me niks heeft georganiseert gisteren avond, ben echt fucking boos op die gozer! (…) Mochten ze er dit weekend niet zijn, blijf ik weg van de open kamp om dit op te lossen, want ik word momenteel ook aangesproken voor de klus die ik voor de jouwe had aangenomen. Ik heb de hele situatie met open kamp gewoon verkeerd in geschat. Ik heb nog nooit gefaald! En iedereen die mij kent weet dit! Dus ik peins er niet over om hier in te falen. Blijf vertrouwen in me hebben bro!” [slachtoffer 2] heeft op 31 december 2015 verklaard dat ze hem en zijn broer een aantal weken geleden op de [h-straat 1] in Utrecht met Kalasjnikovs wilden beschieten, maar dat dit door een oplettende caféhouder is voorkomen. Het hof begrijpt dat het hier gaat om de voorbereiding van de moorden op de [broers] , waarnaar onderzoek is gedaan in het Onderzoek Maan (en welk feit is tenlastegelegd aan de medeverdachten [betrokkene 24] en [betrokkene 23] ). Het incident waar [slachtoffer 2] Yakhlif over spreekt, vond plaats op 21 november 2015 bij [B] in Utrecht. De [broers] kwamen hier regelmatig. In de buurt van dit restaurant zijn automatische vuurwapens gevonden. Uit het voorgaande volgt dat [betrokkene 5] [betrokkene 23] (de gebruiker van de [account 7] ) naar een actie heeft gestuurd, waarna hij [verdachte] als tussenpersoon laat optreden om [betrokkene 23] van de nodige informatie en spullen te voorzien. [betrokkene 5] heeft vuurwapens laten leveren aan [betrokkene 23] en [verdachte] heeft vervolgens het adres aan de [h-straat 1] – welk adres hij eerder al in zijn account had opgeslagen - doorgegeven aan [betrokkene 23] . Daarbij heeft [verdachte] ook foto’s gestuurd van de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Uit de hiervoor aangehaalde berichten blijkt dat de broer met de baard belangrijker is. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] de broer met de baard is. [betrokkene 23] heeft nog aangegeven dat “het project van start gaat” en ze “vanzelf horen wanneer ze met pensioen zijn”. Vervolgens is op 21 november 2015 een liquidatie voorkomen bij [B] . Het hof concludeert uit dit alles dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een (liquidatie)doelwit van [betrokkene 5] vormden en dat hij en [verdachte] zich al langer bezig hielden met het verkrijgen dan wel leveren van inlichtingen/middelen om dit doel te bewerkstelligen. Verder zijn de volgende berichten nog van belang. In het account van [betrokkene 5] is de volgende, op 22 november 2015 om 20.09 uur - de dag na deze mislukte aanslag in Utrecht – aangemaakte notitie aangetroffen (die op 23 januari 2016 voor het laatst is gewijzigd): “Volvo v60 zwart blauwe kleur met creme interieur dus die lange volvo Die flikker [slachtoffer 2] woont als goed is in [plaats] . Weet nog niet adress maar ben mee bezig hij woont in zuid rijd een zwarte bmvy. coupe hij chilt veel in utrecht alleen woont [plaats] . En hij gaat met een chik [betrokkene 25] . Bungelow met jetsky voor ht strand [a-straat] [postcode] [plaats] Kenteken is [kenteken 4] ”. Zoals al is overwogen, verbleven de [broers] sinds enkele weken voor 31 december 2015 in chalet nr. 218 op de [camping] . Deze camping is gelegen aan de [a-straat] , [postcode] te [plaats] . De eigenaar van dit chalet had een jetski en de [broers] reden in een Mercedes met het kenteken [kenteken 4] . [slachtoffer 2] heeft ook gebruik gemaakt van een Volvo. Op 1 januari 2016, een dag na de schietpartij, vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen [verdachte] en [betrokkene 5] : Zender Bericht [betrokkene 5] Hoe is ie dan soldaat [verdachte] Hahahah rustiggg broo met jouu [betrokkene 5] Hahahahaha heel goed ewa faka dan, heb je gisteren gespaced wella? [verdachte] Hahah klein beetje je weet zelf hahahah e hoor dan ahahah vandaag ik word wakker me moeder zegt tegen me [slachtoffer 2] is overledenn ik zeg hoe vveetje dat ze zegt tegen me ja je tante ze vriendin is der neef hahahahaha toen ik ging naar boven ik was kkk blij hahahahahahaha [verdachte] Hahahahah die andere brada was bijna ook loesoe ze kk moer we hebben leip op ze gelostt [betrokkene 5] Ahahahahahahahahaha helemaal lijp [betrokkene 5] Ja ik heb gehoord man pffff heel marokko praat erover. Ze zeggen die gasten zijn lijp. Iedereen is hier toch met nieuwjaar [verdachte] Hahahahah bro je weet van mij geen grappen alles gaat geweldadig [betrokkene 5] Oke wat moet ik je betalen? [verdachte] Bro zeg jij maar hoeveel staat op hun hoofd ze waren we’ll wat waard he hahah [verdachte] Meer dan die aap he of niet [betrokkene 5] Hahahahah ik ga goed met je doen Daarnaast vond op 1 januari 2016 de volgende berichtenwisseling plaats tussen [verdachte] en [betrokkene 2] : Zender Bericht [betrokkene 2] Happy new yearrrr bro [verdachte] Hahahhahaha jo brother [betrokkene 2] Hahaha hij is weg haahahha [verdachte] Ja broo die andere is gewond [betrokkene 2] We hebben het toch goed gedaan gangster shit hopelijk gaat ie daar diddie {het hof begrijpt: dood) [verdachte] Pff diekalew is weg en die andere hoop ik snel ook [betrokkene 2] Ja toch bro ik hoop het [verdachte] Ja man. In deze berichten is op de dag na de liquidatie expliciet gesproken over het overlijden van [slachtoffer 2] , waar [verdachte] “kkk blij” mee is (hof: in werkelijkheid is [slachtoffer 1] overleden). De andere “brada” was ook bijna “loesoe”, aldus [verdachte] . Dit past bij [slachtoffer 2] , bij wie een kogel net langs zijn hoofd is gegaan. Vervolgens geeft [verdachte] aan dat ze “leip op ze hebben gelost”. In samenhang bezien met de eerder genoemde reisbewegingen en de camerabeelden duidt dit er naar het oordeel van het hof op dat [verdachte] één van de schutters is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en de poging tot liquidatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit het hiervoor weergegeven gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] blijkt - in samenhang bezien met alle overige bewijsmiddelen - dat [betrokkene 2] de tweede schutter was. Uit voornoemde berichten blijkt ook dat [betrokkene 5] aan [verdachte] heeft gevraagd wat hij hem moet betalen. [verdachte] heeft daarop geantwoord dat [betrokkene 5] maar moet zeggen hoeveel er op hun hoofd staat. Vervolgens is er op 1 januari 2016 vanaf 19.47 uur nog onderhandeld over de prijs/beloning tussen [verdachte] en [betrokkene 5] . Hierover vond de volgende berichtenwisseling plaats: Zender Bericht [verdachte] Bro wat gaat er betaald worden voor die flikkers dan [verdachte] Bro met die wakkie weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man beter huren en op iemand andere naam gooien ofso [betrokkene 5] Ja ik weet man, we gaan zelf apparaat kopen dan nakken we die waggies zelf. Hoeveel wil je? Je moet niet te duur worden he ahahahaha [verdachte] Bro je weet deze man was veel waard volgens mij he en 1 Ioesoe en die andere is gewond is we’ll iets ik dacht aan 85 zo maar jij moet het zeggen bro [betrokkene 5] Broer je beseft wel dat dat echt heel veel is he, de vorige x had ik je 60 gegeven omdat ik vond dat je het meeste had gedaan. Echt wollah normaal gaven we hitters 40 a 50 max Maar bij jou betaal ik omdat ik weet dat jij nog voor andere mensen zorgt. [verdachte] Ewa aan wat denk jij bro 70 is dat goed bro? [betrokkene 5] Ben je daar tevreden mee?? [verdachte] Kijk ik heb vorige x veel opgemaakt maar kijk als je 75kan missen ben ik er blij mee ik wil een snuif tel halen voor shie 25k30k loop ik hem afentoe en laat ik hem iemand lopen snapje. [betrokkene 5] Hahahahaha heel slim. Safi isgoed. Ik geef je nu 70 en geef je later 5 akkoord?? [verdachte] Hahah ja isgoed bro je weet anders gaat het heel snel op he maar ik zegje strax waneer ik het kan ophalen [betrokkene 5] Oke als rotje je vraagt hoeveel zeg je bankoe goed? [verdachte] Top broo love youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar ben geweest met me wak neetoch [betrokkene 5] Nee sowieso niet man. Zorg dat je die kleren weggooit die je aan had klaar. Voor de rest geen bewijs bro. Had je je waggie wel beetje sneaky gezet? Uit zicht van cammies [verdachte] Ja bro [betrokkene 5] Dan is dat niets en ook al komen ze. Is geen bewijs. [betrokkene 5] Maak je niet teveel druk bro In deze berichten is verder onderhandeld over de beloning voor de liquidatie. Bij deze onderhandeling gaf [betrokkene 5] aan dat hitters ‘normaal’ 40 tot 50 krijgen, maar dat [verdachte] de vorige keer 60 heeft gekregen omdat hij het meeste heeft gedaan. Deze opmerking en het eerdere bericht van [verdachte] dat ‘ze’ (hof: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) wel ‘meer dan die aap’ waard zijn, duiden naar het oordeel van het hof op de betrokkenheid van [verdachte] bij de eerdere liquidatie van [slachtoffer 4] op 7 november 2015. Deze liquidatie zal hierna door het hof nog worden besproken (bij het Onderzoek Brandberg). In voornoemd gesprek is bovendien gesproken over eventueel achtergelaten bewijs. [betrokkene 5] heeft in dit verband meegedacht met [verdachte] en hij heeft hem geïnstrueerd om zijn kleding weg te gooien. Voor wat betreft het resultaat van de onderhandeling heeft [betrokkene 5] tot slot aangegeven dat [verdachte] moet zeggen dat hij ‘bankoe’ heeft gekregen als ‘Rotje’ (hof: [betrokkene 2] ) het vraagt. Conclusie Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - stelt het hof vast dat [verdachte] en [betrokkene 2] op 31 december 2015 de schutters zijn geweest die de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] allebei meerdere keren hebben beschoten. De betrokkenheid van [betrokkene 2] bij deze schietpartij staat in deze zaak niet ter discussie. Voor wat betreft de betrokkenheid van [verdachte] heeft het hof bij deze vaststelling met name gelet op de volgende feiten en omstandigheden, die uit voornoemde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid: - uit de historische gegevens blijkt dat [verdachte] omstreeks het tijdstip van de schietpartij op de camping in [plaats] is geweest. Ook in de dagen voor deze schietpartij heeft [verdachte] volgens deze historische gegevens verschillende keren een bezoek aan deze camping gebracht; - [verdachte] past in het signalement van één van de schutters die op de camerabeelden van de camping is gezien, namelijk die met het afwijkende loopje; - de Ford Fiesta van [verdachte] is als vluchtauto gebruikt bij de liquidatie; - na de schietpartij heeft [verdachte] op 1 januari 2016 een bericht gestuurd via zijn Ennetcom-account waarin staat: “We hebben leip op ze gelost”; - in één van de Ennetcomberichten heeft [verdachte] aangegeven dat het “heet” was om zijn auto als vluchtauto te gebruiken; - [verdachte] heeft met [betrokkene 5] onderhandeld over de prijs die voor de liquidatie moest worden betaald. Uit alles wat hiervoor al is overwogen, blijkt dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om de [broers] om het leven te brengen. Aan dat plan is een zorgvuldige voorbereiding vooraf gegaan. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] zich als medepleger (samen met [betrokkene 2] ) schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1] (feit 1 primair) en de pogingen tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (feit 2 primair), die beiden ook in de auto zaten waarop geschoten werd. Het hof oordeelt ook dat [verdachte] zich - ook hier als medepleger - aan het onder 3 tenlastegelegde feit in het Onderzoek Bosnië heeft schuldig gemaakt (de voorbereiding van de moorden op de [broers] ). Hierover overweegt het hof dat op de camerabeelden van de bezoeken aan de camping in [plaats] op de dagen voorafgaande aan de schietpartij is te zien dat de personen op deze beelden op vuurwapens gelijkende voorwerpen bij zich hadden. Vastgesteld is al dat deze personen [verdachte] en [betrokkene 2] waren. Zij waren ook de schutters. Bewezen is dus dat steeds dezelfde personen op de camerabeelden waren te zien. Het hof gaat ervan uit dat de op vuurwapens gelijkende voorwerpen daadwerkelijk vuurwapens waren, gelet op het feit dat enkele dagen later vuurwapens zijn gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en de pogingen tot liquidatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Deze vuurwapens zijn, zoals overwogen, gevonden in de uitgebrande BMW. Naar het oordeel van het hof heeft het voorhanden hebben van de voertuigen - te weten de Ford Fiesta van [verdachte] en deze BMW - en in het bijzonder de genoemde vuurwapens naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn aan de later uitgevoerde liquidatie. Deze voorwerpen zijn daar ook daadwerkelijk dienstig aan geweest. In dit verband merkt het hof op dat [verdachte] en [betrokkene 2] met deze auto’s verschillende keren ter voorverkenning naar de camping zijn gereden en dat zij op deze camping actief hebben gezocht naar het chalet waar de [broers] verbleven. Uit al het voorgaande, in samenhang bezien met de Ennetcomberichten over de betaling van de liquidatie, blijkt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] de liquidatie van de [broers] voor ogen heeft gehad. Het hof acht dan ook bewezen dat de genoemde middelen - de auto’s en de wapens - voor het begaan van deze liquidatie waren bestemd. Daarmee kunnen de voorbereidingshandelingen, zoals ten laste gelegd onder 3, worden bewezen. Onderzoek Brandberg Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in dit onderzoek tenlastegelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit in het onderzoek “Brandberg”. Daartoe heeft hij - kort gezegd - betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [verdachte] één van de schutters is geweest. Zo kan niet worden vastgesteld dat hij in de nacht van 6 op 7 november 2015 de gebruiker was van het Ennetcom-account [account 3] . Uit de historische verkeersgegevens van de telefoons en de voertuigen kan die conclusie in elk geval niet volgen. Daarnaast wordt de inhoud van de belastende Ennetcomberichten niet ondersteund door gegevens uit een andere bron voor wat betreft de identificatie van de deelnemer aan de berichten. Daarmee wordt het bewijsminimum van artikel 344, lid 1, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering niet gehaald. Oordeel van het hof (…) Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker was van het Ennetcom-account [account 3] . Volgens de verdediging kan echter niet worden vastgesteld dat [verdachte] in de nacht van 6 op 7 nov

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.