← Nederland

ECLI:NL:PHR:2023:352

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/05346 Zitting 28 maart 2023 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 23 december 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zaak met parketnummer 05-780056-17 wegens onder 1 “uitlokking van medeplegen van moord” en onder 2 “uitlokking van medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd”, in de zaak met parketnummer 05-780093-17 wegens “medeplegen van moord” en in de zaak met parketnummer 05-780085-17 wegens “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 21/05377, 21/05334, 21/05331 en 21/05333. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 1.3 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. 2Waarover de zaak gaat 2.1 De zaak betreft de betrokkenheid van de verdachte bij een viertal gevallen van (poging tot) moord (onderzoek Bosnië, Brandberg en IJshamer). Voor het bewijs is onder meer gebruik gemaakt van zogenoemde ‘Ennetcom-data’. Deze data waren door het bedrijf Ennetcom opgeslagen op servers in Canada. Deze servers werden gebruikt ten behoeve van communicatie met door Ennetcom geleverde mobiele telefoons, waarmee versleutelde communicatie mogelijk was (zogenoemde ‘pgp-gesprekken’). Het eerste cassatiemiddel heeft hierop betrekking. Het tweede, derde en vierde middel betreffen bewijsklachten. Het vierde middel heeft betrekking op de opgelegde levenslange gevangenisstraf. 3Het eerste middel 3.1 Hetgeen als eerste middel is voorgedragen luidt – zonder de toelichting – als volgt: “Schending van art. 6 en 13 EVRM en/of de artt. 45, 47 en 289 Sr en/of de artt. 149a, 281, 315, 328, 331, 339, 350, 358, 359, 359a en 415 Sv en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen Meer in het bijzonder is het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht van rekwirant op een eerlijk proces geschonden nu aan de beginselen van equality of arms, een adversaire procedure en in het bijzonder het recht van rekwirant over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken voor de voorbereiding van zijn verdediging tekort is gedaan, is aan rekwirant geen procedure geboden waarin op zijn verzoek beoordeeld kon worden of in het onderzoeksmateriaal waar hij toegang toe heeft gevraagd informatie aanwezig was op grond waarvan rekwirant nader had kunnen onderbouwen dat hij moest worden vrijgesproken, een lagere straf opgelegd zou moeten krijgen of welke informatie relevant was voor de toelaatbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid van het bewijsmateriaal zoals dat door het Openbaar Ministerie in de procedure is ingebracht en op grond waarvan rekwirant ook is veroordeeld en ook de procedure als geheel niet eerlijk is geweest. Dit nu: - Deelklacht 1: Aan de verwerping van het beroep op de schending van art. 6 EVRM en bewijsuitsluiting door het Hof ten grondslag is gelegd dat rekwirant verdergaande mogelijkheden heeft gehad van onderzoeksmateriaal kennis te nemen ter voorbereiding van zijn verdediging dan het geval is geweest en deze onjuiste voorstelling van zaken ook geacht moet worden ten grondslag te zijn gelegd aan de afwijzing van het verzoek over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken ter voorbereiding van de verdediging door inzage te verlenen door verstrekking van de van de subsets in zijn zaak deel uitmakende notities en de afwijzing van de verzoeken tot aanhouding van de (inhoudelijke) behandeling van de zaak zoals gedaan op 30 september en 29 november 2021; - Deelklacht 2: Aan de afwijzing van de verzoeken en de verwerping van de gestelde schending van art. 6 EVRM en de afwijzing van het beroep op bewijsuitsluiting een te beperkt beoordelingskader van het Hof ten grondslag is gelegd, waarbij ten onrechte is versmald tot enkel een schending van het beginsel van equality of arms en in ieder geval ten onrechte niet tevens is getoetst aan het beginsel van een adversaire procedure en het specifieke recht van rekwirant over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken ter voorbereiding van zijn verdediging; - Deelklacht 3: Ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het op 30 september 2021 gedane verzoek tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de zaak tot aan februari 2022 is afgewezen (althans slechts is toegewezen tot 29 november 2021) en tevens het verzoek inzage te verlenen door verstrekking van de notities die tot de subsets van zijn zaak behoren, terwijl rekwirant die tijd en faciliteiten nodig had ter voorbereiding van zijn verdediging; - Deelklacht 4: Ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het op 29 november 2021 gedane verzoek tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de zaak afgewezen en tevens het verzoek inzage te verlenen door verstrekking van de notities die tot de subsets van zijn zaak behoren, terwijl rekwirant die tijd en faciliteiten nodig had ter voorbereiding van zijn verdediging; - Deelklacht 5: Het Hof niet, althans niet voldoende begrijpelijk, heeft gerespondeerd op het bij pleidooi gedane beroep op schending van art. 6 EVRM en het daaraan verbonden verzoek tot bewijsuitsluiting over te gaan wegens de gecreëerde en in ieder geval in stand gehouden situatie waarin het Openbaar Ministerie niet voorziet in een mogelijkheid voor de verdediging op zinvolle wijze kennis te nemen van samengestelde subsets en controle daarvan niet mogelijk maakt mede ter rechtsstatelijke waarborg de opsporing en vervolging te weerhouden van toekomstig onrechtmatig optreden, terwijl het Hof wel heeft geoordeeld dat er geen redenen waren de verdediging niet ter wille te zijn indien er makkelijkere alternatieven beschikbaar zijn (dan de geboden inzagemogelijkheid bij het NFI) en dit ook aanleiding had moeten geven de werkwijze van het Openbaar Ministerie in deze zaak kritischer te benaderen; - Deelklacht 6: Het Hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd het voorwaardelijk gedane verzoek alsnog de tijd en faciliteiten ter beschikking te stellen aan de verdediging indien het Hof de notities tot het bewijs zou bezigen (hetgeen het Hof heeft gedaan) heeft afgewezen; Waardoor aan het recht van rekwirant op een eerlijk proces tekort is gedaan en het arrest dan ook niet in stand kan blijven.” 3.2 Na dit middel volgt een toelichting die in de schriftuur een omvang heeft van 127 pagina’s. In het slot van de toelichting wordt, naar ik begrijp, nogmaals samengevat waar het middel op ziet. De kern van deze passage beslaat één volzin met een lengte van 350 woorden. De afsluitende passage – met de genoemde zin van 350 woorden – luidt als volgt: “Het voorgaande maakt dat sprake is van een schending van art. 6 EVRM doordat aan de beginselen van equality of arms, een adversaire procedure en in het bijzonder het recht van rekwirant over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken voor de voorbereiding van zijn verdediging tekort is gedaan. Dit nu aan de verwerping van het beroep op de schending van art. 6 EVRM door het Hof ten grondslag is gelegd dat rekwirant verdergaande mogelijkheden heeft gehad van onderzoeksmateriaal kennis te nemen ter voorbereiding van zijn verdediging dan het geval is en/of aan de afwijzing van de verzoeken en de verwerping van de gestelde schending van art.6 EVRM en de afwijzing van het beroep op bewijsuitsluiting een te beperkt beoordelingskader van het Hof ten grondslag is gelegd, waarbij ten onrechte is versmald tot enkel een schending van het beginsel van equality of arms en in ieder geval ten onrechte niet tevens is getoetst aan het beginsel van een adversaire procedure en het specifieke recht van rekwirant over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken ter voorbereiding van zijn verdediging en/of doordat ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd de verzoeken tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de zaak tot aan een moment in (januari

  1. of)februari 2022 zijn afgewezen terwijl rekwirant die tijd en faciliteiten nodig had ter voorbereiding van zijn verdediging en/of ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd de verzoeken en het voorwaardelijk gedane verzoek inzage door verstrekking van de van de subsets Bosnië/Brandberg deel uitmakende notities toe te staan zijn afgewezen en/of het Hof niet (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd op het bij pleidooi gedane beroep op schending van art. 6 EVRM en het daaraan verbonden verzoek tot bewijsuitsluiting over te gaan wegens de gecreëerde en in ieder geval in stand gehouden situatie waarin het Openbaar Ministerie niet voorziet in een mogelijkheid voor de verdediging op zinvolle wijze kennis te nemen van samengestelde subsets en controle daarvan niet mogelijk maakt mede ter rechtsstatelijke waarborg de opsporing en vervolging te weerhouden van toekomstig onrechtmatig optreden, terwijl het Hof wel heeft geoordeeld dat er geen redenen waren de verdediging niet ter wille te zijn indien er makkelijkere alternatieven beschikbaar zijn (dan de geboden inzagemogelijkheid bij het NFI) en dit ook aanleiding had moeten geven de werkwijze van het Openbaar Ministerie in deze zaak kritischer te benaderen. Aan het recht van rekwirant op een eerlijk proces is tekort gedaan, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.” 3.3 Over hetgeen een middel van cassatie van de verdachte in dient te houden zegt het Wetboek van Strafvordering niet veel: uit art. 437 lid 2 Sv volgt slechts dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, verplicht is bij de Hoge Raad een schriftuur te doen indienen ‘houdende zijn middelen tot cassatie’. Een cassatiemiddel moet logischerwijs aanknopen bij de gronden voor cassatie, die te vinden zijn in art. 79 RO dat kort gezegd inhoudt: de Hoge Raad vernietigt arresten, vonnissen en beschikkingen wegens verzuim van vormen of wegens schending van het recht. Meer inhoudelijke eisen zijn zonder veel moeite in de literatuur te vinden, die aansluit bij de gevallen waarin de Hoge Raad een cassatiemiddel als ‘onder de maat’ beschouwde. Zo’n diskwalificatie heeft tot gevolg dat een dergelijk ‘middel’ in cassatie buiten bespreking moet blijven. Volgens de Hoge Raad is een cassatiemiddel “een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen”. Wat een ‘goed’ cassatiemiddel is omschrijven Van Dorst en Borgers als volgt: “Het cassatiemiddel dient stellig en duidelijk tot uitdrukking te brengen tegen welke van de beslissingen die in de bestreden uitspraak of het proces-verbaal van de zitting zijn neergelegd, of tegen welk processueel verzuim het zich richt, en waarom cassatie dient te volgen.” Zij verschaffen ook “een best practice” bij het opstellen van een cassatiemiddel en sluiten daarbij af als volgt: “Het resultaat van deze werkwijze is dat het cassatiemiddel een scherpe, welomschreven klacht behelst tegen een gepreciseerd gedeelte van de bestreden uitspraak of van de gedingvoering, en dat tevens de cassatiegrond wordt opgegeven.” 3.4 Als ik nu het in de schriftuur opgenomen eerste middel bezie tegen de achtergrond van de aan een cassatiemiddel te stellen eisen dan doemen bij mij ten minste ernstige twijfels op aangaande de door de raadsvrouw gekozen aanpak. Vooropgesteld wordt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden, waarbij een aantal deelaspecten van dat recht worden opgesomd en vervolgens loopt die klacht uit op een zestal deelklachten die betrekking hebben op een aantal van elkaar te onderscheiden beslissingen en/of motiveringen van het hof. Door dit alles bij elkaar in één cassatiemiddel te vatten levert dit wat mij betreft geen duidelijke klacht op over de schending van een bepaalde rechtsregel. Ik merk daarbij op dat de procedure bij de Hoge Raad geen klachtprocedure is, waarbij gevraagd kan worden te beoordelen of het strafproces zoals zich dat bij het gerechtshof heeft voltrokken in alle opzichten aan de eisen van art. 6 EVRM is tegemoetgekomen. In cassatie moet als gezegd stellig en duidelijk tot uitdrukking worden gebracht over welke beslissing van de rechter wordt geklaagd en op dat punt schiet de schriftuur tekort. Daarbij komt dat de in de schriftuur bij dit eerste middel opgenomen toelichting – als gezegd 127 pagina’s omvattend – voornamelijk bestaat uit een weinig gestructureerde weergave van de gang van zaken op de terechtzittingen van het hof, gelardeerd met vele pagina’s beslaande kopieën van pleitnota’s van de verdediging, met de advocaat-generaal gewisselde e-mailberichten, die deels worden weergegeven door middel van informatie van de bij het hof opgetreden raadsman, en weergaven van jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM. Een nader omlijnd beeld van de klachten van de raadsvrouw in cassatie is uit de toelichting op het middel nauwelijks te verkrijgen – alleen al door de omvang en wijdlopigheid van die toelichting. Dat bemoeilijkt dus ook het entameren van het door de Hoge Raad – en zijn advocaten-generaal – nogal eens gehanteerde hulpmechanisme, waarbij een niet geheel duidelijke klacht in een cassatiemiddel als het ware verbeterd gelezen kan worden aan de hand van de toelichting. Een wet van meden en perzen is het toepassen van dergelijke hulpacties echter niet – uitgangspunt is dat een cassatiemiddel op zichzelf bezien voldoende duidelijk moet zijn. En in dat licht is een toelichting van de omvang als in de schriftuur wordt gepresenteerd naar mijn mening excessief – zij schiet het doel ervan verre voorbij. 3.5 Op grond van het voorgaande zou er dus naar mijn mening aanleiding bestaan om het eerste middel buiten bespreking te laten. Niettemin zal ik in het navolgende proberen toch de klachten te behandelen, voor zover ik uit de schriftuur de kennelijke strekking ervan kan destilleren. Daarbij zal ik voor de behandeling van de klachten de volgorde hanteren die mij het meest logisch voorkomt. 3.6 Chronologisch is als eerste deelklacht 3 aan de orde over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot (nadere) aanhouding van de zaak, van 30 september 2021. Het proces-verbaal van de terechtzitting van die datum houdt op dit punt het volgende in: “De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven: De verdediging heeft om uitstel van de inhoudelijke behandeling verzocht en er is een verzoek gedaan tot het horen van [betrokkene 1] als getuige. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek verwezen naar recente berichtgeving in de pers over de aanhouding van deze [betrokkene 1] , die in de pers onder meer wordt bestempeld als "stille vennoot" van Ennetcom. De getuige zou moeten worden gehoord over de (on)mogelijkheid van het manipuleren van het Ennetcom-systeem als zodanig. Ten aanzien van de verzoeken tot het horen van de getuige: Het hof acht het niet noodzakelijk om [betrokkene 1] als getuige te horen, in het licht van de aan verdachte tenlastegelegde feiten, gelet op de al gehoorde getuigen/deskundigen en gelet op de onderbouwing van dit verzoek door de raadsman. Daarom wijst het hof dit getuigenverzoek af. Dan het verzoek om uitstel van de inhoudelijke behandeling: De verdediging stelt meer tijd nodig te hebben voor de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte. Daartoe is aangevoerd dat verdachte na de beslissing van het hof van 1 juli jl. pas begin september 2021 toegang heeft gekregen tot een dataset met 60.000 pagina’s aan berichten en dat het maken van zoekslagen met de zoekfunctie gecompliceerder is dan met het zoekprogramma Hansken. De verdediging heeft bovendien tijd nodig om dwarsverbanden te kunnen leggen en om te overleggen over de bevindingen van het doorzoeken van de recentelijk verstrekte dataset. Een en ander is, aldus de verdediging, noodzakelijk om een goede verdediging te kunnen voeren. Daarbij gaat het niet alleen om het controleren van de volledigheid en.de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata, maar ook om de mogelijkheid om bijvoorbeeld een alternatief [B] handen en voeten te kunnen geven. Hierover overweegt het hof als volgt: Het hof stelt vast dat de doorzoekbare datasets die volgens de beslissing van het hof van 1 juli jl. aan verdachte en zijn raadsman verstrekt dienden te worden inderdaad pas begin september daadwerkelijk zijn verstrekt. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep was er voor de verdediging echter al de mogelijkheid om bij het NFl via het programma Hansken de Ennetcomdata, waarvan deel uitmaakten de na 1 juli jl. in PDF-formaat aan verdachte en zijn raadsman verstrekte datasets, te onderzoeken. Vanwege de eis van een beveiligde verbinding is het (nog) niet mogelijk de verdediging op een andere locatie dan bij het NFl of op een politiebureau gebruik te laten maken van het zoekprogramma Hansken. Dat kost wellicht tijd, maar die tijd heeft de verdediging de afgelopen jaren ruimschoots gehad. Het hof ziet het bij zijn beslissing van 1 juli jl. verschaffen van de subdatasets in PDF-formaat met een zoekfunctie óók aan de verdachte als een extra mogelijkheid om verdachte en verdediging te faciliteren bij het onderzoeken van de subdatasets die de afgelopen jaren al op andere wijze voor de verdediging doorzoekbaar waren. In dat verband merkt het hof op dat de stelling van de verdediging dat er tijd en gelegenheid zou moeten zijn om alle verschafte 60.000 pagina’s stuk voor stuk door te nemen onhoudbaar is. De data waarmee het openbaar ministerie haar beschuldigingen tegen verdachte wil onderbouwen bevinden zich immers al in het politiedossier. Daarvan hebben verdachte en de verdediging kennis genomen. De subdatasets die na de beslissing van het hof van 1 juli jl. aan de verdediging zijn verschaft dienen om de verdediging in staat te stellen om de volledigheid van het politiedossier en de betrouwbaarheid van de eerder verstrekte data te controleren. Onweersproken is dat de zoekfunctie bij de meest recentelijk verstrekte subdatasets naar behoren werkt. In dit verband merkt het hof op dat het niet alleen onbegonnen werk, maar ook nutteloos is om 60.000 pagina’s data, waarvan een groot deel metadata, integraal te bekijken. Door de verdediging is opgemerkt dat in de aangeleverde datasets notities ontbreken. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat het aan leveren van notities niet op eenvoudige wijze mogelijk is. Dit is aan hem meegedeeld door het NFl. Desondanks zal hij zich er voor inspannen dat de notities behorende bij de bekende accounts die worden toegeschreven aan verdachte aan verdachte en zijn raadsman zullen worden verstrekt. Desgevraagd heeft de advocaat-generaal aangegeven dat ook de politie de notities niet apart aangeleverd heeft gekregen. Het hof ziet geen aanleiding om te bepalen dat de notities apart worden aangeleverd. Ook hier geldt dat het handmatig integraal doorzoeken van de datasets inclusief notities nutteloos is. Het is spijtig dat deze notities niet eenvoudig makkelijk separaat zijn aan te leveren. Verdachte zal desgewenst via zijn raadsman zoekopdrachten via de politie of het NFl voor het doorzoeken van de datasets inclusief notities moeten opgeven, zoals dit ook tot nu toe mogelijk was. Dit laat uiteraard onverlet dat het hof ervan uitgaat dat de advocaat-generaal zich wel zal inspannen de notities bij de aan verdachte toegeschreven accounts te verstrekken. Het hof acht de door de verdediging aan het verzoek om aanhouding ten grondslag gelegde argumenten op zichzelf onvoldoende om de inhoudelijke behandeling uit te stellen. Anderzijds constateert het hof dat verdachte actief bezig is geweest met het doorzoeken van de aangeleverde datasets sinds hij daarover de beschikking heeft. De raadsman heeft gedurende het hoger beroep telkens als hij of zijn cliënt bij het bestuderen van het dossier of de datasets problemen tegenkwam(en), daarvan melding gemaakt en hij is daarover steeds tijdig met het openbaar ministerie in overleg getreden. Bovendien heeft de raadsman aangegeven dat hij door de problemen met liet aanleveren van de datasets na 1 juli jl. zijn oorspronkelijke planning niet heeft kunnen handhaven. Daarin ziet het hof aanleiding de inhoudelijke behandeling uit te stellen tot de terechtzitting van 29 november 2021. Verdachte heeft dan meer tijd om de onlangs verstrekte dataset te doorzoeken. Het hof ziet geen aanleiding om de inhoudelijke behandeling tot een nog later tijdstip aan te houden zoals de raadsman heeft verzocht. Het hof is van oordeel dat met een aanhouding tot 29 november 2021 voldoende tegemoet is gekomen aan het verzoek van de verdediging. Een langere aanhouding acht het hof niet alleen onnodig maar ook onwenselijk in verband met de positie van de benadeelde partijen en de slachtoffers en hun belangen bij een tijdige afdoening van deze zaak. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding dus toe in die zin dat de zaak zal worden aangehouden tot en inhoudelijk behandeld zal worden op 29 november 2021. Indien het onderzoek van de data leidt tot het verzoek het procesdossier aan te vullen, dient de verdediging zulks uiterlijk een week voor de zitting aan de advocaat-generaal en het hof mede te delen opdat de advocaat-generaal kan zorg dragen voor aanvulling van het dossier. De behandeling zal worden aangehouden voor bepaalde tijd tot 29 november 2021 om 9.30 uur.” 3.7 Deelklacht 3 in de schriftuur houdt in dat zowel het verzoek om aparte verstrekking van de notities die deel uitmaken van de datasets alsook het (gedeeltelijk) afwijzen van het verzoek tot aanhouding van de zaak tot een datum die na 29 november 2021 is gelegen onterecht is of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Of de verzoeken terecht zijn afgewezen staat echter niet ter beoordeling in cassatie. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om (ook) de notities die deel uitmaken van de dataset te verschaffen waar de verdediging al eerder – zij het niet zonder nadere voorwaarden – toegang toe had verkregen heeft het hof naar ik meen niet onbegrijpelijk overwogen dat met die eerdere methode van toegang tot die notities kan worden volstaan en dat daartoe ook meer tijd zal worden geboden door middel van aanhouding van de zaak tot 29 november 2021. Met betrekking tot het verzoek tot nadere aanhouding van de zaak teneinde de verdediging (nog) meer tijd te gunnen de inhoudelijke behandeling voor te bereiden heeft het hof overwogen dat met een aanhouding tot 29 november 2021 daaraan in voldoende mate tegemoet wordt gekomen. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek, dat is gebaseerd op art. 328 jo. art. 415 Sv is of de noodzaak daarvan is gebleken. Daarbij zal ook het recht van de verdachte op voldoende tijd en faciliteiten voor het (doen) voeren zijn verdediging, zoals bedoeld in art. 6 lid 3 onder b EVRM moeten worden betrokken. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof dat belang niet miskend en is het om die reden ook tot een gedeeltelijke toewijzing van het verzoek overgegaan. Onbegrijpelijk zijn de overwegingen van het hof op dit punt niet en voor een verdergaande toetsing, zoals in de schriftuur kennelijk wordt bepleit, is in cassatie geen plaats. 3.8 Deelklacht 3 faalt. 3.9 Deelklacht 4 betreft de afwijzing door het hof op 29 november 2021 van een volgend verzoek van de verdediging om aanhouding van de zaak, en (opnieuw) het verzoek om verstrekking van de notities die behoren tot de subsets in de zaak van de verdachte. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 2021 heeft het hof omtrent dit verzoek het volgende overwogen: “De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven: In mijn brief van 18 november jl., die ik al per e-mail heb verzonden aan het hof en het openbaar ministerie, heb ik aangekondigd dat ik om aanhouding van de behandeling van de zaak ga verzoeken. Dit verzoek heb ik nog niet definitief gedaan. Dat ga ik nu doen. De raadsman legt de brief van 18 november jl. - waarin hij om aanhouding van de zaak verzoekt - aan het hof over. De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven: Er staan geen nieuwe argumenten in de brief die ik zojuist heb overhandigd. Ook na 18 november jl. is het de verdediging niet gelukt om de voorbereiding van deze zaak rond te krijgen. De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: In de EBI in Vught krijg ik mijn post niet eens. Zelfs de post van mijn raadsman ontvang ik niet altijd. De advocaat-generaal mr. Posthumus deelt mede - zakelijk weergegeven: Het openbaar ministerie heeft per e-mail van 18 november jl. al gereageerd op het aanhoudingsverzoek van de verdediging. De in deze mail genoemde argumenten gelden nog steeds. Bij een medewerker van de EBI in Vught heb ik nagevraagd hoe het zit met de ontvangst van poststukken door gedetineerden. Deze medewerker vertelde mij dat post binnen de EBI op de gebruikelijke manier wordt behandeld. Dat betekent dat verdachte zijn post gewoon zou moeten krijgen. De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven: Mijn cliënt heeft mijn brief van 26 oktober jl. nog steeds niet ontvangen. Aangetekende post die ik heb verstuurd, is wel bij hem aangekomen. De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt: De situatie rond de ontvangst van poststukken is verslechterd sinds de arrestatie van de neef van Taghi. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad over het aanhoudingsverzoek van de verdediging. De voorzitter hervat het onderzoek en deelt als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven: Ik val maar met de deur in huis: het hof ziet ook op dit moment geen aanleiding de zaak aan te houden. Dat heeft vooral te maken met de visie van het hof op het verschaffen van de PDF-bestanden. Ter zitting van 30 september jl. heeft het hof aangegeven dat het de door de verdediging aan het verzoek om aanhouding ten grondslag gelegde argumenten op zichzelf onvoldoende acht om de inhoudelijke behandeling uit te stellen. In dit verband heeft het hof ook aangegeven dat verdachte en de verdediging niet per se over alle notities in PDF-formaat behoefden te beschikken. Ook heeft het hof aangegeven dat het niet alleen onmogelijk, maar ook onnodig is om 60.000 pagina’s uitdraai van de datasets integraal te bekijken. Dat is ter zitting ook uitvoerig toegelicht en vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting op 30 september 2021. Het hof verwijst daarnaar. Alles wat in september 2021 en daarna in PDF-formaat is aangeleverd was voor die tijd voor de verdediging raadpleegbaar en doorzoekbaar, zij het op andere wijze. Gericht zoeken was al mogelijk en de extra termijn heeft verdachte en de verdediging een extra mogelijkheid gegeven om de datasets ook in PDF-formaat te doorzoeken. Hoewel het hof het betreurt dat de verdediging de afgelopen periode moeilijkheden heeft ondervonden bij het contact met verdachte, hebben verdediging en verdachte extra gelegenheid gehad voor voorbereiding ten opzichte van de situatie op 30 september jl. Ook nu weer dient het hof ook de belangen van anderen, met name ook benadeelde partijen, in ogenschouw te nemen. Al met al ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op zijn beslissing van 30 september jl. dat de zaak wordt aangehouden tot vandaag en niet tot een latere datum. Het feit dat de belemmeringen die verdachte en de raadsman de laatste tijd in de penitentiaire inrichting ondervinden nog steeds niet zijn opgelost, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof zal dus overgaan tot de inhoudelijke behandeling van deze zaak.” 3.10 Blijkens de toelichting van deze deelklacht in het middel komt de klacht er op neer dat deze afwijzing door het hof onbegrijpelijk is. Allereerst wordt daartoe aangevoerd dat de beslissing van het hof met betrekking tot het niet afzonderlijk verstrekken van de notities om dezelfde reden als bij deelklacht 3 onbegrijpelijk zou zijn. Voorts is volgens de toelichting de beslissing onbegrijpelijk aangezien door het hof tegelijkertijd is erkend dat er moeilijkheden waren ontstaan bij het contact tussen de raadsman en de verdachte het verzoek is afgewezen en er bovendien nieuwe stukken aan het dossier waren toegevoegd. 3.11 Wat betreft de eerste subklacht geldt hetgeen ik daarover bij de bespreking van deelklacht 3 opmerkte ook hier. De eerdere beslissing op het gelijkluidende verzoek met betrekking tot de notities was niet onbegrijpelijk was mijn conclusie aldaar. 3.12 Wat betreft de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de ontstane moeilijkheden in het contact met de raadsman het hof niet heeft gebracht tot een andere beslissing meen ik dat deze subklacht ook faalt – het hof heeft dit aspect meegewogen in zijn uiteindelijke beslissing maar geoordeeld dat dit, mede gelet op het feit dat al eerder, op 30 september 2021, uitstel van de behandeling was verleend, niet leidt tot een ander oordeel. Onbegrijpelijk is dat niet, gelet op hetgeen op dit punt blijkens het proces-verbaal van de zitting is aangevoerd. 3.13 Wat de subklacht betreft die verwijst naar de aan het dossier toegevoegde stukken: daaromtrent vermeldt het proces-verbaal van de terechtzitting het volgende: “De voorzitter merkt daarna op dat de volgende stukken aan het dossier zijn toegevoegd na de vorige zitting bij het hof: - een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Posthumus van 1 oktober 2021 met als bijlage een door [betrokkene 2] opgestelde incidentenrapportage; - een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Van Veen van 22 oktober 2021 met als bijlagen processen-verbaal van bevindingen over verwijderde berichten uit de PGP-telefoon van [betrokkene 3] ; - een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Van Veen van 1 november 2021 met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen over verwijderde berichten uit een tweede PGP-telefoon van [betrokkene 3] ; - een brief van de raadsman mr. Janssen van 18 november 2021 waarin hij verzoekt om aanhouding van de behandeling van de zaak;- een brief van de raadsman mr. Janssen van 19 november 2021 aan de advocaten-generaal waarin hij verzoekt om verschillende stukken aan het dossier toe te voegen.- een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Posthumus van 22 november 2021 met als bijlage een proces-verbaal over de identificatie van [alias 1] als [betrokkene 4] ; - een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Posthumus van 23 november 2021 met als bijlage het deel van het requisitoir van het openbaar ministerie dat betrekking heeft op Ennetcom; - een e-mailbericht van de advocaten-generaal van 25 november 2021 met als bijlagen verschillende uitdraaien/rapportages uit Hansken en enkele Spaanstalige berichten. De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven: De meest recente stukken heb ik nog niet met mijn cliënt kunnen bespreken, maar dat is geen beletsel om nu door te gaan met de behandeling van de zaak.” 3.14 De klacht dat, ondanks de opmerking van de raadsman dat hij naar aanleiding van de toegevoegde stukken geen beletsel aanwezig zag om de behandeling voort te zetten, het hof daarin niettemin aanleiding had moeten vinden om tot aanhouding van de behandeling te besluiten lijkt mij ongegrond. Kennelijk heeft het hof daarin geen aanleiding gezien anders te beslissen. Dat vereiste geen nadere motivering. 3.15 Deelklacht 4 faalt. 3.16 De deelklachten 1, 2 en 5 en 6 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij zijn alle gericht tegen de volgende overweging in het (eind)arrest van het hof van 23 december 2021: “Ennetcom Standpunt van de verdediging De raadsman heeft - kort gezegd - het volgende aangevoerd. In de eerste plaats heeft hij gewezen op de systemische ongelijkheid tussen het openbaar ministerie en de opsporing enerzijds en de verdediging anderzijds voor wat betreft de mogelijkheden om de Ennetcomdata te bestuderen, te analyseren en te controleren. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de Ennetcomdata op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Deze data zijn immers in beslag genomen zonder voorafgaande rechterlijke machtiging. Volgens de raadsman levert dit een vormverzuim op dat van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek. Daarom is van toepassing de door de rechtbank in het vonnis in de zaak 26DeVink van 21 september 2021 geformuleerde uitzondering op het uitgangspunt dat vormverzuimen in beginsel dienen plaats te hebben in het voorbereidend onderzoek tegen een specifieke verdachte wil sprake kunnen zijn van consequenties in de strafzaak tegen die verdachte. Gelet hierop is sprake van een schending van de artikelen 6 en 8 EVRM, aldus de raadsman. Hoewel het hof op 1 juli 2021 heeft beslist dat de verdediging inzage mocht krijgen in de gehele dataset van Bosnië en Brandberg, heeft de verdediging door - onder meer - het late moment van de verstrekking van deze data en de beperkingen die door de EBI zijn opgelegd voor wat betreft het contact tussen een verdachte en zijn raadsman in onvoldoende mate kennis kunnen nemen van de inhoud van de genoemde datasets. Hiermee is de “equality of arms” in het geding gekomen. Sinds de inbeslagname van de Ennetcomdata in 2016 heeft het openbaar ministerie het de verdediging onmogelijk gemaakt om grondig kennis te kunnen nemen van deze data. Het openbaar ministerie heeft de voor een eerlijk proces noodzakelijke toegang tot de in beslag genomen Ennetcom-berichten al die jaren niet gefaciliteerd. Dat levert een schending op van artikel 6 EVRM met een structureel karakter, aldus de raadsman. Gelet op al het voorgaande dient het hof alle verkregen Ennetcomdata van het bewijs uit te sluiten. Ten aanzien van de notities die zijn aangetroffen in de in beslag genomen Ennetcomdata heeft de raadsman erop gewezen dat deze niet aanwezig waren in de aan de verdediging verstrekte datasets. De omstandigheid dat een notitie binnen een specifiek account wordt aangetroffen, betekent volgens de raadsman niet dat de gebruiker van dat account die notitie ook heeft opgesteld of zelfs heeft gelezen. Notities konden bijvoorbeeld ook als bijlage van de ene gebruiker naar de andere worden verzonden. Het is dus noodzakelijk dat de verschillende notities uit de verschillende accounts naast elkaar kunnen worden gelegd zodat deze kunnen worden gecontroleerd op - onder meer - inhoud en aanmaakdatum. Het hof heeft het verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden tot een moment in februari 2022 om de verdediging de gelegenheid en voldoende tijd te geven alle notities te bestuderen afgewezen. Door deze beslissing van het hof zijn de verdedigingsrechten van [verdachte] geschonden. Volgens de raadsman kunnen de in beslag genomen notities bij deze stand van zaken niet in belastende zin tot het bewijs worden gebruikt. Het gebruik van deze notities zou onder deze omstandigheden een schending opleveren van artikel 6 EVRM. Subsidiair - als niet alle Ennetcomdata van het bewijs worden uitgesloten - heeft de raadsman daarom verzocht de notities van het bewijs uit te sluiten. Voor het geval het hof de notities in de onderzoeken Bosnië en IJshamer wel tot het bewijs wil gebruiken, heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om de behandeling van de zaak alsnog nader aan te houden om de verdediging de gelegenheid te geven deze notities te onderzoeken. Verder heeft de raadsman de betrouwbaarheid betwist van de in beslag genomen Ennetcomdata. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat de e-mailberichten en de notities afkomstig van de Ennetcomserver door technische omstandigheden aangetast of vervalst zouden kunnen zijn. Dit maakt dat niet uitgegaan kan worden van de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de raadsman - onder meer - aangevoerd dat meerdere werknemers van Ennetcom B.V. toegang hadden tot de servers, dat de eigenaar/bestuurder van Ennetcom verdacht wordt van het onderhouden van nauwe relaties met bekende criminelen en criminele organisaties en dat beheer en manipulatie van versleutelde communicatie voor criminele groeperingen aantrekkelijk is. Dat laatste zou blijken in het Marengo-onderzoek, waar de criminele groepering over een eigen reseller (van PGP-telefoons) zou beschikken en waar men probeerde om de schuld van een vergismoord bij [verdachte] te leggen. Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat de informatie afkomstig van de Ennetcomserver juridisch gezien gekwalificeerd dient te worden als “andere geschriften” zoals bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de aard van dit bewijsmateriaal kunnen de Ennetcomdata slechts in belastende zin tot het bewijs worden gebruikt indien de inhoud van de informatie voldoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Dat geldt te meer nu de Ennetcom-berichten op onrechtmatige wijze zijn verkregen en gelet op de hiervoor beschreven beperkingen voor wat betreft de controleerbaarheid en de betrouwbaarheid van deze berichten. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen Ennetcomdata wel tot het bewijs mogen worden gebruikt. Van een schending van artikel 6 EVRM is geen sprake en de “equality of arms” is ook niet geschonden. Bovendien zijn de Ennetcomdata voldoende betrouwbaar. Voor het geval het hof van oordeel is dat de verdediging te weinig tijd heeft gehad om de verstrekte datasets te kunnen bestuderen, heeft het openbaar ministerie voorwaardelijk verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in plaats van alle Ennetcomdata van het bewijs uit te sluiten. Oordeel van het hof Verkrijging Ennetcomdata Het hof overweegt over de wijze van verkrijgen van de Ennetcomdata als volgt. Op 9 september 2016 is bij het Superior Court of Justice te Toronto een door Nederland op basis van artikel 15, lid 1, van de Wet Wederzijdse Rechtshulp in strafzaken R.S.C. c. 30. ingediend rechtshulpverzoek behandeld door deze Canadese rechter. Dit verzoek strekte er - kort gezegd - toe dat de data op de BES-server(
  2. s)in Toronto (Canada), waarvan de telefoontoestellen van Ennetcom gebruik maakten voor hun communicatie, zouden worden veilig gesteld en dat alle beschikbare gegevens van deze servers zouden worden overgedragen aan Nederland ten behoeve van nader onderzoek in Nederland. Dit verzoek werd gedaan in het kader van het onderzoek 26DeVink en drie andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken waarbij het ernstige vermoeden was gerezen dat personen die betrokken zijn bij liquidaties gebruik maakten van crypto-telefoons die geleverd waren door Ennetcom en gebruik maakten van dezelfde digitale infrastructuur in Canada om met elkaar te communiceren in Nederland en desgewenst wereldwijd. Op 13 september 2016 heeft het Superior Court of Justice in Toronto beslist dat de veiliggestelde data aan de bevoegde justitiële autoriteiten van Nederland zouden worden overgedragen, ten behoeve van de vier expliciet in het rechtshulpverzoek genoemde onderzoeken. Daarbij werd bepaald dat - onder voorwaarden - de gegevens ook gebruikt mogen worden in andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken. De Canadese rechter heeft de beslissing of deze gegevens gebruikt mogen worden in andere onderzoeken neergelegd bij de Nederlandse autoriteiten, in die zin dat hier een rechterlijke machtiging aan vooraf moet gaan. Het gebruikmaken van de gegevens werd door dezelfde Canadese rechter beperkt tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten die een overtreding vormen van art. 45, 46, 140, 157, 287, 289,’420bis, 420ter en 420quater van het NederlandseWetboek van Strafrecht. De Nederlandse politie en justitie hebben met het kopiëren van de gegevens op de BES-server van Ennetcom in Canada toegang gekregen tot een grote hoeveelheid gegevens van de gebruikers. Dit betrof niet alleen metadata, maar ook de versleutelde inhoud van verzonden berichten en notities van de gebruiker, dit terwijl artikel 1251a Sv ook voorwaarden stelt aan de categorieën van berichten waarvan kennis mag worden genomen. Nadat toegang was verkregen tot de private key-server, werd ook de ontsleutelde inhoud van deze berichten en notities toegankelijk. De Nederlandse politie heeft daarmee toegang gekregen tot communicatie tussen een groot aantal gebruikers, hoewel de verzenders en ontvangers slechts werden weergegeven met een bijnaam of met een volledig e-mailadres, bestaande uit willekeurige cijfers en letters. Daarmee was dus nog niet meteen duidelijk welke. persoon de verzender of ontvanger was, tenzij de politie uit (andere) onderzoeken wist wie van welke bijnaam of welk e-mailadres gebruikt heeft gemaakt. Het behoeft geen betoog dat met het kennis (kunnen) nemen van de metadata en de inhoud van de 3,7 miljoen aangetroffen berichten de gebruikers, in hun recht op privacy zijn geschaad. Uit het Prokuratuur-arrest volgt dat het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot de in dat arrest bedoelde communicatiegegevens slechts is toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreiging van de openbare veiligheid. Niet ter discussie staat dat in deze zaak van een dergelijke procedure sprake is, omdat de ten laste gelegde levensdelicten ‘serious crimes’ betreffen. Verder volgt uit het arrest dat het aan de nationale wetgever is om voorwaarden vast te stellen waaronder aanbieders van elektronische communicatiediensten aan de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Van belang is dat die toegang onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Gelet op de vereiste onafhankelijkheid mag de instantie die die toetsing verricht niet betrokken zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en moet zij neutraal zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een openbaar ministerie dat de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in voorkomende gevallen ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is niet voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat de controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging. Het hof is van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde gegevens achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Er is sprake van schending van het Unierecht die is aan te merken als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen dat het volgens het beginsel van procedurele autonomie uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de toelaatbaarheid van (onrechtmatig verkregen) informatie dan wel bewijs. Het hof zal daarom aansluiting zoeken bij het beoordelingskader van lid 2 van artikel 359a Sv. Bij de bepaling of, en zo ja welk, gevolg aan het verzuim verbonden dient te worden, houdt het hof rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Waar het [verdachte] betreft, constateert het hof dat de berichten van en naar hem hoofdzakelijk, zo niet geheel, te maken hebben met de zware strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en niet te maken hebben met het privéleven van [verdachte] dat bescherming verdient. Daarnaast is in de onderzoeken tegen verdachte al het uit de Ennetcomdata afkomstige onderzoeksmateriaal verkregen met voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat [verdachte] door het vastgestelde vormverzuim niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad, zodat het hof zal volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder dat daaraan een rechtsgevolg wordt verbonden. Ten aanzien van de gekozen werkwijze en het toetsingskader ter zake het onderzoek naar de berichten is het hof daarnaast van oordeel dat deze wel passen binnen het stelsel van de Nederlandse wet, en dat deze maximale waarborgen bieden om een onnodige inbreuk op de privacy van andere Ennetcom-gebruikers te voorkomen. Van enig (vorm)verzuim hierbij is dan ook geen sprake. Ter onderbouwing geldt het volgende. In het onderzoek Bosnië is gebleken dat er door bij de (poging tot) liquidatie op de [broers] op 31 december 2015, betrokken verdachten vermoedelijk gebruik is gemaakt van communicatie via de servers van Ennetcom. Eén van de daders van deze liquidatie maakte gebruik van het PGP-e-mailadres [account 1] @ennetcom.com (hierna: [account 1] ). Op vordering van de officier van justitie van 3 januari 2017 heeft de rechter-commissaris bij beslissing van 3 januari 2017 toestemming gegeven om in de Ennetcomdata onderzoek te verrichten naar voornoemd e-mailadres onder de voorwaarde dat voor zover relevante gegevens werden aangetroffen in verband met dit e-mailadres, alsmede de e-mailadressen en toestellen die daarmee in direct contact stonden, de bevindingen met betrekking tot die gegevens op een nader te bepalen datum aan de processtukken zouden worden toegevoegd. Uit de vordering van de officier van justitie van 13 maart 2017 blijkt dat uit de data die zijn vrijgekomen naar aanleiding van de vordering van 3 januari 2017, is gebleken dat ook andere Ennetcom-e-mailadressen in relatie lijken te kunnen worden gebracht met de (poging tot) liquidatie in [plaats] op 31 december 2015. Het gaat om - van belang voor de onderhavige zaak - de volgende e-mailadressen: - [account 2] @ennetcom.com (hierna: [account 2] ) - [account 3] @ennetcom.com (hierna: [account 3] ) De officier van justitie heeft bij de vordering van 13 maart 2017 een plan van aanpak gevoegd waaruit blijkt op basis waarvan wordt vermoed dat bovengenoemd e-mailadres betrokken zou zijn bij de (poging tot) liquidatie. Uit onderzoek naar het e-mailadres [account 1] is gebleken dat er over het liquideren van de [broers] op 11 oktober 2015 is gecommuniceerd met het e-mailadres [account 3] : [account 1] stuurt aan [account 3] het adres [a-straat 1] en foto’s van de [broers] . Ter onderbouwing hiervan is een proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2017 gevoegd. Op 10 oktober 2016 vindt er communicatie plaats tussen de [account 3] en de [account 2] . Daarbij wordt over een klus gesproken die de [account 3] moet doen en die twee broers betreft. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 14 maart 2017 toestemming gegeven om in de Ennetcomdata onderzoek te verrichten naar voornoemde e-mailadressen [account 3] en [account 2] , onder de voorwaarde dat als er relevante gegevens werden aangetroffen in verband met dit e-mailadres, alsmede de e-mailadressen en toestellen die daarmee in direct contact stonden, de bevindingen met betrekking tot die gegevens op een nader te bepalen datum aan de processtukken zouden worden toegevoegd. Naar het oordeel van het hof is hiermee gehandeld binnen de kaders van artikel 1 Sv. De Nederlandse wet kent geen bepaling die is geschreven voor de toetsing die de Canadese rechter als voorwaarde stelde aan het gebruik van Ennetcomdata in andere strafzaken. Duidelijk is dat de Canadese rechter nadrukkelijk de mogelijkheid heeft opengelaten dat ook in andere strafrechtelijke onderzoeken naar ernstige misdrijven gebruik zou worden gemaakt van Ennetcomdata, aangezien de toetsing van verzoeken daar uitdrukkelijk is neergelegd bij de Nederlandse rechter. Daarmee heeft de Canadese rechter als het ware een extra waarborg vast willen leggen. Door de beslissing over te laten aan de rechter-commissaris, de hoogste toetsingsfunctionaris binnen de Wet BOB, is naar het oordeel van het hof gehandeld binnen de door de Canadese rechter gestelde kaders en binnen de kaders van de Nederlandse wet. Daarnaast sluit de gekozen weg aan bij de bepalingen van het Unierecht voor zover daar toetsing door een onafhankelijke instantie wordt verlangd. Uit het stelsel van de wet volgt dat bij een inbreuk op de vrijheden of rechten van burgers de autoriteit die toestemming moet verlenen, hoger moet zijn als de ernst van de inbreuk toeneemt (bij een beperkte inbreuk is de bevoegdheid verleend aan alle verbalisanten en naarmate de ernst van de inbreuk toeneemt, is de bevoegdheid verleend aan respectievelijk een hulpofficier van justitie, een officier van justitie of een rechter-commissaris). Toestemming voor ernstige inbreuken op vrijheden of rechten kan alleen worden verleend voor de opsporing van zware misdrijven (het proportionaliteitsbeginsel). Ook wordt alleen toestemming verleend als het doel niet op andere wijze dan door een inbreuk op rechten of vrijheden kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel). Voor de inhoudelijke toetsing van de beschikbaarstelling van de Ennetcomdata heeft de rechter-commissaris gekozen voor art. 126ng Sv. De toets in dit artikel ligt bij de rechter-commissaris, de hoogste toetsingsfunctionaris binnen de Wet Bob. De rechter-commissaris heeft zijn toestemming verleend op basis van een plan van aanpak waarin de zoektermen zijn opgenomen waarmee de Ennetcomdata zijn doorzocht. De strafbare feiten die onderzocht werden in het opsporingsonderzoek Brandberg vallen binnen de voorwaarden die door de Canadese rechter en art. 126ng Sv worden gesteld. Uit het omvangrijke dossier volgt dat er weinig ander bewijs is dat op andere wijze kon leiden tot de identificatie van de daders. Er is geen strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM, artikelen 10 en 13 van de Grondwet en artikel 1 Sv. Equality of arms Het hof begrijpt het verweer van de verdediging zo dat het door de raadsman gedane beroep op systemische ongelijkheid ook ziet op de ‘equality of arms’. Het hof zal dit dan ook op deze plaats in het arrest bespreken. Het hof overweegt allereerst dat – ook gelet op andere te respecteren belangen – uit het beginsel van ‘equality of arms’ niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. Een opsporingsinstantie heeft een andere positie dan de verdediging. Het criterium is niet dat de verdediging dezelfde mogelijkheden moet hebben als de opsporingsinstantie, maar dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken, te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren. Het gaat om de effectieve controlemogelijkheden. De verdediging is immers ook niet gebonden aan dezelfde regels als de politie als het aankomt op opsporen. De stelling dat de verdediging over dezelfde mogelijkheden als de politie zou moeten beschikken is derhalve onjuist. De stelling miskent dat de functie van de politie, haar taakomschrijving en de regelgeving waaraan zij is gebonden bij haar taakuitoefening, waaronder die over gebruik en opslag van gegevens, nauwkeurig zijn omschreven. Dat brengt met zich dat ook de politie indien zij over een enorm bestand aan gegevens beschikt, zoals de data van de Ennetcomserver, die gegevens slechts mag onderzoeken en gebruiken voor zover dat noodzakelijk is bij haar taakuitoefening, met inachtneming van regelgeving en afweging van belangen van derden. De verdediging heeft een andere functie. Zij dient de belangen van één persoon, de verdachte. Als de verdediging, zoals zij stelt, ongebreideld en ongecontroleerd toegang zou moeten hebben tot alle informatie waarover ook de politie kan beschikken, zou dat een onaanvaardbare inbreuk opleveren op het recht op privacy van alle andere personen dan verdachte, van wie het gegevens betreft. Het hof is – met de verdediging – van oordeel dat er inderdaad sprake is van enige systemische ongelijkheid. Naar het oordeel van het hof betekent dit echter, anders dan de raadsman stelt, niet dat de verdediging de onderzoeksresultaten in onvoldoende mate heeft kunnen onderzoeken en betwisten. Het hof overweegt hiertoe als volgt. “Equality of arms” betekent in dit verband dat de verdediging in staat moet worden gesteld de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het gepresenteerde bewijsmateriaal te onderzoeken en zo nodig te betwisten en dat zij haar zienswijze voldoende naar voren kan brengen. Dat betekent niet dat de verdediging over dezelfde bevoegdheden en mogelijkheden dient te beschikken als de politie. In elk afzonderlijk geval zal moeten worden beoordeeld of sprake is van equality of arms. In het geval van [verdachte] stelt het hof het volgende vast. De politie heeft in vier andere onderzoeken de beschikking gekregen over data van de Ennetcom-server. Daarop bevinden zich miljoenen berichten van ongeveer 19.000 accounts. Nog los van het feit dat ook de politie niet zonder reden van die berichten mag kennisnemen en dat het kennisnemen van die berichten zonder gerichte zoekstrategieën praktisch onmogelijk is, zijn er geen aanwijzingen dat de politie in het kader van deze strafzaak informatie uit de Ennetcomdata heeft gebruikt die zonder toestemming vooraf van een rechter-commissaris verkregen is. In de aanvragen voor het doorzoeken van de Ennetcomgegevens is telkens aangegeven op grond van welke feiten en omstandigheden men tot bepaalde zoektermen gekomen is. Dit is voor de verdediging transparant en controleerbaar. De verdediging heeft ook niet concreet onderbouwd dat de politie informatie zou hebben verkregen door onbevoegd raadplegen van de Ennetcomdata. Uitsluitend de op grond van goedgekeurde – en controleerbare – zoektermen verkregen datasets waren in de onderhavige zaak voor de politie raadpleegbaar. De verdediging is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om de in het onderzoek tegen [verdachte] door de politie gebruikte datasets te doorzoeken. Die datasets zijn door de politie verkregen op grond van door de rechter goedgekeurde zoektermen in alle Ennetcomdata. De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om onbeperkt alle Ennetcomdata te kunnen doorzoeken, zonder de beperking dat van tevoren een toets zou plaatsvinden van de door de verdediging gebruikte zoektermen. Het hof acht een voorafgaande toets echter gerechtvaardigd en noodzakelijk met het oog op de bescherming van belangen van de vele duizenden gebruikers van Ennetcom en die van opsporing van andere strafbare feiten. Die toets dient naar het oordeel van het hof een rechterlijke toets te zijn. De stelling van de verdediging dat dit een ongeoorloofde inperking is van haar rechten is niet alleen onjuist, maar een onbeperkte toegang zou er ook toe leiden dat de verdediging een ruimere toegang tot de Ennetcomdata zou hebben dan de politie. Dat laatste kan, op grond van wat hiervoor al is besproken, in onderling verband en samenhang bezien, niet aan de orde zijn. De verdediging heeft nog aangevoerd dat zij bij het zoeken in de in dit onderzoek gebruikte datasets op praktische moeilijkheden stuitte, zoals het feit dat inzage van de data slechts bij het NFl of op een politiebureau mogelijk was en veel tijd kostte. Dat dit wellicht het geval was vindt het hof te betreuren, maar dat brengt nog niet mee dat hierdoor geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Dat het doorzoeken van een grote hoeveelheid data – zelfs met zoektermen en zoekmachines – een tijdrovende bezigheid is, valt niet te voorkomen. De behandeling van de strafzaak heeft echter gedurende een aantal jaren plaatsgevonden en aan de verdediging is in die periode voldoende mogelijkheid geboden de Ennetcomdata te onderzoeken. Dat inzage aanvankelijk plaats diende te vinden op het NFI of op een politiebureau in verband met de aanwezigheid van een beveiligde verbinding, was gerechtvaardigd. Dat het in een later stadium gelukt is om (een groot deel van) de datasets op een voor de verdediging gemakkelijker manier toegankelijk te maken, maakt dat niet anders. De verdediging heeft dus naar het oordeel van het hof voldoende gelegenheid gehad (de selectie van) de bewijsmiddelen te controleren en haar zienswijze toe te lichten. Voor dat laatste is gelegenheid geweest op meerdere (pro forma-) zittingen. In de zaak van verdachte geldt daarnaast het volgende. Op verzoek van de verdediging heeft het hof beslist dat het openbaar ministerie de verdediging in de gelegenheid zou stellen om een groot deel van de datasets op PDF-formaat in te zien en vrij te doorzoeken met de bijgeleverde zoekfunctie. Daartoe zijn aan de raadsman datasets verstrekt op gegevensdragers en is aan verdachte in de inrichting een beveiligde computer met deze datasets beschikbaar gesteld. Het betrof het uit de Ennetcomdata verkregen berichtenverkeer uit de door de politie verkregen datasets. Daarmee heeft de verdediging een extra mogelijkheid gekregen om een groot deel van de door de politie verkregen datasets zonder beperkingen in tijdstippen in haar eigen omgeving te doorzoeken. Het bleek technisch niet mogelijk op korte termijn ook de opgeslagen notities uit de datasets te filteren en te verschaffen op PDF-formaat. Over deze notities beschikte de verdediging wel in excellijsten, terwijl deze eerder ook al beschikbaar waren voor de verdediging toen zij op het NFI konden doorzoeken. Dat het hof de gegevens daarnaast nog op PDF-formaat heeft laten verstrekken, was niet omdat het hof van oordeel was dat de verdediging voordien onvoldoende mogelijkheden had gehad om onderzoek te verrichten, maar omdat er geen reden was om de verdediging niet ter wille te zijn toen er aanvullende, voor de verdediging makkelijkere, alternatieven voor onderzoek naar de datasets beschikbaar kwamen. Dat die mogelijkheden er, gelet op de technische ontwikkelingen, in die vorm waren, bleek pas op de zitting van het hof op 1 juli 2021. Dat verdachte en verdediging eerst in september 2021 de beschikking kregen over gegevens in PDF-formaat is te betreuren, maar geen reden tot aanhouding. Nog steeds geldt dat er voor 1 juli 2021 voldoende gelegenheid was de gegevens te onderzoeken en daarnaast heeft het hof verdachte en de verdediging nog een aantal weken extra de tijd gegeven om de in PDF-formaat verstrekte gegevens. Het hof overweegt nog(maals) dat de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad om bij het NFI of op een politiebureau via het speciaal daarvoor ontwikkelde zoekprogramma Hansken de Ennetcomdata te onderzoeken. Deze geboden mogelijkheid betreft de complete dataset waarover het openbaar ministerie/de politie beschikt, dus niet alleen de data die zien op het onderhavige onderzoek. Daarnaast is aan de verdediging de volledige subdataset digitaal verstrekt. De verdediging heeft naar het oordeel van het hof dan ook voldoende mogelijkheden gehad om de data, inclusief de notities, te onderzoeken, te controleren en te betwisten. Er is dan ook niet gebleken van enige schending van het recht van verdachte op een eerlijk proces. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van equality of arms en/of dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces. De Ennetcomdata noch – subsidiair – de notities zullen dan ook van het bewijs worden uitgesloten. De voorwaardelijke verzoeken De verdediging heeft om aanhouding van de zaak verzocht als het hof de notities die in de Ennetcomdata zijn aangetroffen in de onderzoeken Bosnië en IJshamer tot het bewijs wil gebruiken. In dat geval wenst de verdediging extra tijd om deze notities nader te kunnen onderzoeken. Omdat het hof de bedoelde notities niet uitsluit van het bewijs – zoals hiervoor is geconcludeerd – en tot het bewijs zal gebruiken – zoals hierna zal worden weergegeven – komt het hof toe aan de beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek. Het hof wijst het verzoek af en overweegt als volgt. Het hof is – zoals ook al is overwogen bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsman ter zitting van 29 november 2021 – van oordeel dat het niet alleen onmogelijk, maar ook onnodig is om duizenden pagina’s aan berichten, waaronder de bedoelde notities, integraal te bekijken. Alle berichten die in september 2021 zijn aangeleverd waren voor die tijd voor de verdediging al raadpleegbaar en doorzoekbaar, zij het op andere wijze. Dat geldt ook voor de notities. Gericht zoeken was dus al gedurende een lange periode mogelijk en de extra termijn die het hof de verdediging heeft gegeven door de behandeling van deze zaak uit te stellen tot 29 november 2021 heeft de verdediging een extra mogelijkheid gegeven om de verstrekte datasets, waaronder de notities, ook in PDF-formaat te kunnen doorzoeken. Het hof merkt bovendien op dat de verdediging op geen enkele wijze concreet heeft kunnen maken welke van de voor [verdachte] belastende notities niet door hem zouden zijn aangemaakt dan wel verzonden en ook niet wie hiervoor verantwoordelijk zou kunnen zijn. Gelet op dit alles wijst het hof het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om de zaak opnieuw aan te houden af. Aan het voorwaardelijke verzoek van de advocaten-generaal komt het hof niet toe, omdat niet is voldaan aan de bij dat verzoek gestelde voorwaarde dat het hof van oordeel moet zijn dat de verdediging te weinig tijd heeft gehad om de verstrekte datasets te kunnen bestuderen. Het hof is juist van oordeel dat de verdediging wel genoeg tijd heeft gehad om de datasets te kunnen bestuderen en sluit deze datasets niet uit van het bewijs. Betrouwbaarheid en authenticiteit Met de raadsman en de advocaten-generaal stelt het hof vast dat de theoretische mogelijkheid bestaat - net als bij elk ICT-systeem dat is aangesloten op het internet - om Ennetcom te hacken of de data op andere wijze door technische omstandigheden of menselijk ingrijpen te beïnvloeden. Een dergelijke algemene vaststelling is echter onvoldoende om aan te nemen dat de Ennetcomdata onbetrouwbaar zijn, te meer nu uit de stukken blijkt dat er aan een groot aantal voorwaarden voldaan moet worden om deze data te kunnen manipuleren. Ennetcom B.V. heeft de communicatie met PGP-telefoons ontwikkeld om anonieme en versleutelde communicatie tussen de gebruikers mogelijk te maken. Ongeveer 19.000 gebruikers maakten gedurende een lange periode naar volle tevredenheid gebruik van de service van Ennetcom. Uit het dossier - onder andere uit de verhoren van [betrokkene 2] , de overgelegde incidentenlijst en het onderzoek van de politie naar de betrouwbaarheid van Ennetcom - blijkt naar het oordeel van het hof dat Ennetcom ook daadwerkelijk deed wat het beloofde en dat er in al die jaren betrekkelijk weinig klachten/incidenten zijn geweest. Als deze er wel waren dan werden deze snel en adequaat opgelost. Bovendien is gebleken dat het retentiebeleid van Ennetcom – namelijk dat berichten, die niet handmatig door gebruikers werden verplaatst, automatisch verwijderd werden – goed werkte. Het hof overweegt ook dat uit de zich in het dossier bevindende berichten blijkt dat de berichtenuitwisseling van de niet verwijderde berichten tussen verschillende gebruikers van de PGP-telefoons adequaat verloopt. Uit de bewaarde data valt te concluderen dat de gebruikers telkens weten met wie ze berichten uitwisselen en dat (een deel van) de aangetroffen berichten op elkaar aansluit(en). Het hof acht het op voorhand onaannemelijk dat, zoals de verdediging suggereert, derden Ennetcomdata zouden hebben gemanipuleerd om verdachte in verband te brengen met strafbare feiten waarmee hij niets te maken heeft. Allereerst kende het Ennetcom duizenden gebruikers en werden berichten versleuteld. Het systeem werd gedurende de tijd dat het gebruikt werd als onkraakbaar door politie en justitie beschouwd. Voor manipulatie was kennis van de systemen en de sleutels nodig, alsmede kennis en software om berichtenverkeer en data te manipuleren en kennis omtrent de delicten waarmee men [verdachte] in verband wilde brengen. Die berichten zouden dan ook (in ieder geval grotendeels) bewaard moeten blijven. Ten slotte zou degene die manipuleerde er vanuit moeten zijn gegaan dat politie en justitie toegang tot de data zouden krijgen en die zouden kunnen ontsleutelen. Niettemin hebben rechtbank en hof de verdediging in de gelegenheid gesteld om getuigen te horen omtrent de betrouwbaarheid van de verkregen Ennetcomdata. Uit die verhoren blijkt dat er weliswaar op onderdelen problemen waren bij Ennetcom, zoals, als gezegd, overigens bij elk IT systeem van enige omvang, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden die maken dat aan de authenticiteit van de Ennetcomdata getwijfeld hoeft te worden. Verdachte is geconfronteerd met de PGP-gesprekken die het openbaar ministerie belastend heeft uitgelegd en hij heeft dus de mogelijkheid gehad om op deze informatie te reageren en/of de inhoud daarvan te betwisten. Hij heeft dit niet gedaan. Zijn raadsman heeft wel aangevoerd dat uit onder andere de verhoren van [betrokkene 2] en Hart blijkt dat het wel degelijk mogelijk is om data zo te manipuleren dat een account van een derde vol zit met belastende berichten en notities, terwijl deze derde die berichten niet vanuit dat account heeft gestuurd en de notities niet heeft opgeslagen. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat het mogelijk is dat bepaalde spelers in het criminele milieu in een vroeg stadium invloed hadden bij Ennetcom. Naar het oordeel van het hof is de gegrondheid van de verweren van de verdediging over de betrouwbaarheid van de Ennetcomdata echter niet aannemelijk geworden. Dat medewerkers of mogelijke stille vennoten van Ennetcom toegang hadden tot de keyservers en de kennis hadden om (metadata van) de Ennetcom-berichten en notities aan te passen, is evenmin aannemelijk geworden. De enkele theoretische mogelijkheid dat één of meer personen, al dan niet uit het criminele circuit, over deze toegang en/of kennis beschikten, betekent niet dat aannemelijk is dat een dergelijke aanpassing daadwerkelijk is gedaan. Ook niet aannemelijk is geworden dat anderen dan medewerkers van Ennetcom toegang hadden tot de keyservers en de kennis hadden om data aan te passen. Er zijn aanwijzingen dat men bij Dahvo beschikte over het wachtwoord van slechts één van de twee aanwezige keyservers namelijk het algemene PGP gedeelte, maar het door het openbaar ministerie verkregen materiaal betreft juist voornamelijk berichten die zijn versleuteld met keys die waren opgeslagen op de keyserver van het S/MIME gedeelte. Er zijn geen aanwijzingen dat medewerkers van Dahvo de kennis of enig motief hadden om berichten, laat staan . Nederlandstalige berichten, aan te passen. Het hof deelt de conclusie dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er wel eens fouten zijn gemaakt binnen Ennetcom, maar dat wel eens sprake was van fouten is onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat het gehele Ennetcom-systeem onbetrouwbaar is en dat (daarom) de data uit het systeem geen bewijswaarde hebben. Als er al sprake zou zijn van manipulatie van het systeem of van de berichten dan is het hof van oordeel dat uit de onderbouwing van de verdediging - en ook anderszins niet - op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat dit ook gebeurd is met de berichten/accounts die worden toegeschreven aan [verdachte] . Sterker nog: gelet op hef geheel aan bewijsmiddelen, ook uit andere bron, en de mate van gedetailleerdheid van de berichten acht het hof dat volstrekt onwaarschijnlijk. Uit het voorgaande volgt dat het hof als uitgangspunt neemt dat de Ennetcom-berichten en de notities die zijn aangetroffen in het account van een gebruiker, afkomstig zijn van deze gebruiker of aan hem zijn verzonden en dat deze berichten of notities niet zijn aangetast of vervalst. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de inhoud van de PGP-berichten op een groot aantal onderdelen overeenkomt met de inhoud van andere bewijsmiddelen, zoals hierna zal worden weergegeven. De inhoud van die berichten vindt aldus bevestiging in andere bewijsmiddelen. Uit de stukken blijkt op welke wijze de politie de identiteit van de personen achter de Ennetcom-accounts - waaronder [verdachte] - heeft vastgesteld. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat de Ennetcomdata betrouwbaar zijn en voor het bewijs in deze zaak kunnen worden gebruikt. Nu het hof tot het oordeel komt dat de data betrouwbaar zijn en – zoals in het navolgende dus wordt gemotiveerd – steun vindt in ander bewijs wordt het beroep van de verdediging op artikel 344 lid 1 sub 5 verworpen. Ten overvloede overweegt het hof in dit kader nog dat het - met de rechtbank - van oordeel is dat er geen sprake is van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een anoniem persoon in de zin van artikel 344a lid 3 wanneer er sprake is van emailverkeer tussen twee of meer gebruikers van PGP-telefoons. Het gaat immers om te tekst van een e-mailwisseling, niet om de verklaring van één anonieme getuige. De unus-testisjurisprudentie is hier dan ook niet van toepassing.” 3.17 De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij zijn oordeel dat – tot dan toe – de verdediging over voldoende tijd en faciliteiten heeft beschikt om de verdediging te voeren van een onjuiste voorstelling van zaken op dat punt is uitgegaan. Ter onderbouwing van die klacht wordt een beroep gedaan op een aantal problemen die de verdediging heeft ondervonden bij de kennisneming van de data en notities, waarvan de kennisneming aan haar was toegestaan. Het betreft hier echter een herhaling van zetten. De klachten op dit punt zijn ook ten overstaan van het hof naar voren gebracht en de procedure in cassatie leent zich er niet voor om deze klachten op hun (on)juistheid te beoordelen. Het oordeel van het hof dat voldoende tijd en gelegenheid is geweest voor de verdediging om van de (sub)datasets kennis te nemen is van feitelijke aard en kan in cassatie niet verder worden getoetst dan op mogelijke onbegrijpelijkheid. Daarvan is naar mijn mening geen sprake. Voor zover in de toelichting bij deze deelklacht nog een beroep wordt gedaan op de door de raadsvrouw in cassatie ontvangen (nadere) inlichtingen van de behandelend raadsman bij het hof met betrekking tot de door hem ondervonden moeilijkheden in feitelijke aanleg geldt dat in cassatie geen plaats is voor het beoordelen van nieuwe feiten en omstandigheden. De deelklacht faalt. 3.18 Deelklacht 2 richt zich tegen de beslissing van het hof tot “afwijzing van de verzoeken” en de afwijzing van het beroep op bewijsuitsluiting en tegen ’s hofs overwegingen met betrekking tot gestelde schending van art. 6 EVRM. Wat de eerste subklacht betreft – de afwijzing van de verzoeken – geldt dat deze te algemeen is om voor behandeling in aanmerking te komen. Voor zover in de (overige) deelklachten over een specifiek verzoek is geklaagd ligt dat anders; ik verwijs naar de behandeling door mij ter bestemder plaatse. Wat betreft het beroep op bewijsuitsluiting wordt klaarblijkelijk niet geklaagd over de beslissing van het hof met betrekking tot het door het hof aangenomen vormverzuim met betrekking tot de vordering van de Ennetcom-data in Canada. Dat punt – waarover op zich wel het een en ander valt op te merken – blijft hier dus verder buiten beschouwing. De deelklacht beroept zich wel op de beslissing van het hof om de – kort gezegd – Ennetcom-data niet van het bewijs uit te sluiten, gelet op het volgens de verdediging onvoldoende toekennen van voldoende tijd en gelegenheid om de verdediging op dit punt te voeren, hetwelk een schendig van art. 6 EVRM inhoudt volgens de steller van het middel. 3.19 Ik heb me allereerst afgevraagd of bij deze klacht in cassatie enig zelfstandig belang bestaat. De klacht ten overstaan van het hof, dat onvoldoende tijd en gelegenheid heeft bestaan om de verdediging te voeren kan immers niet tot de ‘sanctie’ van bewijsuitsluiting leiden maar hooguit tot de beslissing om alsnog aan de verdediging de gevraagde tijd en faciliteiten te bieden. Van enig vormverzuim dat tijdens het vooronderzoek is begaan, waarop art. 359a Sv betrekking op heeft, is uiteraard ook geen sprake, gelet op de stand van het geding. De klacht in het middel lost zich dus op in de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 6 EVRM, in verband met de kennisname van de Ennetcom-data. 3.20 Zoals hierboven bij de behandeling van de eerste deelklacht bleek, is de beslissing van het hof dat tot dan toe voldoende tijd en gelegenheid is geboden om de verdediging te voeren naar ik meen niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dan de klacht dat het hof de in art. 6 EVRM besloten liggende beginselen van een adversaire gedingvoering en de ‘equality of arms’ zou hebben geschonden mij evenzeer ongegrond voorkomt. 3.21 Wat betreft het recht op een ‘adversial procedure’ moet vooropgesteld worden dat het Nederlandse strafproces, zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering, er in zijn algemeenheid op is ingericht dat aan het recht op tegenspraak door de verdediging zoveel mogelijk wordt tegemoetgekomen. Dat betreft in het bijzonder ook de mogelijkheden voor de verdediging om voorafgaand en tijdens de terechtzitting kennis te nemen van de processtukken en de mogelijkheden tot toevoeging van andere stukken aan het dossier. Zo is de kennisneming van alle stukken van het geding door de verdediging zonder enige beperking toegestaan – ten minste vanaf het moment dat de dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht – en bestaat ook de mogelijkheid om van andere stukken kennis te nemen, indien de verdediging van oordeel is dat deze aan de processtukken dienen te worden toegevoegd. Ik verwijs voor het juridisch kader op dit punt graag naar het eerdere arrest van de Hoge Raad waarin sprake was van gebruik van Ennetcom-data, van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900. Daarin overwoog de Hoge Raad als volgt: “Het juridisch kader met betrekking tot de voeging en inzage van stukken 4.3 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. - Artikel 34 Sv: “1. De verdachte kan de officier van justitie verzoeken specifiek omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en is met redenen omkleed. 2. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie toestemming verzoeken om kennis te nemen van de stukken, bedoeld in het eerste lid. 3. Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen over het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan, kan hem op verzoek van de verdachte door de rechter-commissaris een termijn worden gesteld binnen welke een beslissing wordt genomen. Alvorens op het verzoek te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte. 4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.” - Artikel 149a lid 2 Sv: “Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.” - Artikel 315 lid 1 Sv: “Indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.” - Artikel 328 Sv: “Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dezen Titel kan door den officier van justitie eene vordering en door den verdachte een verzoek tot de rechtbank worden gedaan, tenzij uit eenige bepaling het tegendeel volgt.” 3.22 Wat voor het beoordelen van verzoek om voeging bij de processtukken als maatstaf geldt heeft de Hoge Raad even verderop in hetzelfde arrest als volgt weergegeven: “4.4.3 Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.) De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 leden 2-4 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.” 3.23 Als ik het goed zie, wordt in het middel niet geklaagd dat het hof het zojuist weergegeven processuele kader heeft miskend. Waar het middel wel over klaagt, is dat het hof blijkens zijn overwegingen het te hanteren beoordelingskader ‘ten onrechte heeft versmald’ tot enkel een schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Los van de vraag waartoe het constateren van een dergelijke ‘versmalling’ zou moeten leiden meen ik dat de overwegingen van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk zijn. Wat ik lees in de overweging van het hof is dat van een ongeclausuleerde kennisneming door de verdediging van alle Ennetcom-data, zoals die in Canada in beslag zijn genomen, geen sprake kan zijn, gelet op de daarmee gepaard gaande inbreuk op de privacy van zeer veel andere personen en gelet op de in het geding zijnde opsporingsbelangen. Daarom zullen zekere restricties moeten gelden, bijvoorbeeld op het punt van de door de verdediging te hanteren zoektermen. Dat het hof daarbij betrekt dat ook de politie in de onderhavige strafzaak niet onbeperkt van alle data heeft kunnen kennisnemen, aangezien zij daarbij ook gebonden was aan restricties, namelijk de beperkingen die voortvloeien uit de door de rechter-commissaris gegeven machtiging, lijkt mij evenmin onbegrijpelijk. Waar de steller van het middel daaruit meent te kunnen afleiden dat volgens het hof het recht op kennisneming door de verdediging van data in alle gevallen beperkt zou moeten blijven tot de gegevens waarover de politie beschikt, lijkt mij dat te getuigen van een onjuiste lezing van de desbetreffende overweging van het hof. Deze klacht faalt. 3.24 Deelklacht 5 richt zich tegen de respons van het hof op het gedane beroep op schending van art. 6 EVRM en het verzoek om tot bewijsuitsluiting over te gaan wegens de gestelde onmogelijkheden om op zinvolle wijze kennis te nemen van – kort gezegd – de Ennetcom-data. Deze klacht faalt, aangezien het hof, zoals al eerder bleek, niet onbegrijpelijk kon oordelen dat voldoende tijd en gelegenheid was geboden aan de verdediging om kennis te nemen van de gevraagde gegevens en – zelfs al ware dat anders – bewijsuitsluiting niet een daarbij passend rechtsgevolg zou zijn. 3.25 Dan resteert deelklacht 6, die zich richt tegen de afwijzende beslissing van het hof op het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om alsnog de zaak aan te houden teneinde de verdediging in staat te stellen kennis te nemen van de notities die deel uitmaken van de subsets. 3.26 Blijkens de toelichting richt de klacht zich allereerst op de overweging van het hof dat de notities inmiddels ook op PDF-formaat zouden zijn verschaft, terwijl eerder was gebleken dat dit juist niet het geval was. Dat zou de overweging van het hof onbegrijpelijk maken. Deze subklacht kan naar mijn mening niet slagen, aangezien de kern van ’s hofs overweging is dat kennisneming van de notities hoe dan ook mogelijk was geweest voor de verdediging. Of inderdaad in het laatste stadium de notities als PDF waren aangeleverd kan dus in het midden blijven. 3.27 Voorts wordt geklaagd dat de verdediging blijkens de pleitnota ter terechtzitting van 29 november 2021 heeft betoogd dat juist de notities die werden toegeschreven aan de verdachte niet in de aan de verdediging ter kennisneming aangeboden subsets te vinden waren zodat de oorsprong ervan niet kon worden gecontroleerd door de verdediging. Dat het hof hierop niet heeft gerespondeerd zou onbegrijpelijk zijn, aldus de toelichting. 3.28 Naar ik meen, kon het hof geredelijk over het door de verdediging gesteld ontbreken van de betreffende notities in de aan haar verschafte datasets heenstappen, aangezien daarvan hoe dan ook door de verdediging kennisgenomen kon worden aangezien deze notities juist wel deel uitmaken van de processtukken, en bijvoorbeeld ook door de rechtbank in eerste aanleg voor het bewijs waren gebezigd. Dat deze notities aan de verdachte kunnen worden toegeschreven heeft het hof vervolgens afgeleid uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit het in de aanvulling opgenomen bewijsmiddel nr. 40, onder Bewijsmiddelen Bosnië aanvulling onderdeel A. 3.29 Het verzoek tot aanhouding van de zaak is naar ik meen niet op onbegrijpelijke gronden afgewezen. 3.30 Ook deze laatste deelklacht faalt. 3.31 Het middel kan niet tot cassatie leiden. 4Het tweede, derde en vierde middel 4.1 De middelen klagen over de bewezenverklaring. Daarom zal ik hier eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering weergeven. 4.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Zaak met parketnummer 05-780056-17 (Onderzoek Bosnië) 1. subsidiair: [betrokkene 5] en [betrokkene 6] op 31 december 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1988) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven hebben beroofd, door met automatische vuurwapens kogel in het lichaam van die [slachtoffer 1] te schieten, welk feit verdachte in of omstreeks de periode van de maand oktober 2015 tot en met 31 december 2015 te Amsterdam, [plaats] en/of (elders) in Nederland en/of in Marokko opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, hierin bestaande dat verdachte, aan die [betrokkene 5] en/of die [betrokkene 6] aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven om die [slachtoffer 1] te liquideren en/of een beloning in het vooruitzicht heeft gesteld en/of aan die [betrokkene 5] en/of die [betrokkene 6] een of meer foto’s van [slachtoffer 1] heeft verstrekt en/of informatie heeft verschaft over [slachtoffer 1] en/of diens verblijfplaats; 2. subsidiair: [betrokkene 5] en [betrokkene 6] op 31 december 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), ter uitvoering van het door die [betrokkene 5] en die [betrokkene 6] voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1985) en [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met automatische vuurwapens op/in de richting van die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit verdachte in of omstreeks de periode van de maand oktober 2015 tot en met 31 december 2015 te Amsterdam, [plaats] en/of (elders) in Nederland en/of Marokko opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, hierin bestaande dat verdachte, aan die [betrokkene 5] en/of die [betrokkene 6] aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven om die [slachtoffer 2] en/of (eventueel) personen in zijn directe nabijheid te liquideren en/of een beloning in het vooruitzicht heeft gesteld en/of aan die [betrokkene 5] en/of die [betrokkene 6] een of meer foto’s van [slachtoffer 2] heeft verstrekt en/of informatie heeft verschaft over [slachtoffer 2] en/of diens verblijfplaats. Zaak met parketnummer 05-780093-17 (Onderzoek Brandberg): primair: hij op of omstreeks 7 november 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 4] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door tezamen met zijn mededaders, meerdere malen met twee vuurwapens, te weten een automatisch geweer (merk Ceska Zbrojovka, kaliber 7,62x39mm) en een pistool (merk Glock, kaliber 9 mm Parabellum), meerdere kogels op die [slachtoffer 4] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 4] in zijn borstkas en zijn borst werd geraakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 4] is overleden. Zaak met parketnummer 05-780085-17 (Onderzoek IJshamer): primair: hij en zijn mededaders op 3 april 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een automatisch vuurwapen kogels hebben afgeschoten in de richting van die [slachtoffer 5] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 4.3 Voor de bewijsmiddelen verwijs ik kortheidshalve naar de aanvulling op het arrest. Dat arrest houdt, voor zover van belang, de volgende bewijsoverwegingen in: “Bewijsoverwegingen Onderzoek Bosnië Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten in dit onderzoek. In de eerste plaats heeft hij daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] de gebruiker was van de Ennetcom-accounts [account 2] en [account 4] . In dit verband heeft de raadsman - onder meer - gewezen op de omstandigheid dat de bijnaam “ [alias 2] ” een veel voorkomende is, dat het account [account 4] ook door een Spaanstalig persoon is gebruikt en dat de inhoud van de berichten van de [account 4] op verschillende momenten niet past bij de verblijfplaats van [verdachte] . Als al bewezen zou kunnen worden dat [verdachte] op enig moment de gebruiker was van de [account 2] of de [account 4] , betekent dit niet dat hij de enige gebruiker van deze accounts was. De raadsman heeft gewezen op verschillende berichten waaruit blijkt dat Ennetcom-accounts door meerdere personen zijn gebruikt. Ook het account [account 2] , dat aan [verdachte] wordt toegeschreven, lijkt door verschillende personen te zijn gebruikt. De raadsman heeft in het bijzonder een bericht van [account 2] van 14 augustus 2015 aangehaald, waarin de [account 2] zich voorstelt als “ [alias 3] ”. Deze “ [alias 3] ” zou iemand anders zijn dan “ [alias 2] ”, waarvan gezegd wordt dat het [verdachte] is. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Vast staat dat hij niet fysiek aanwezig was bij de uitvoering van die feiten. Daarnaast zijn er geen Ennetcom-berichten in het dossier te vinden die zien op de aanloop naar of de voorbereiding van de liquidatie in [plaats] . Alle in het onderzoek Bosnië ingebrachte communicatie is van ná de liquidatie. De rol van [verdachte] is dus van onvoldoende gewicht om hem als medepleger te kunnen aanmerken. Ook uitlokking, wat steeds subsidiair ten laste is gelegd, kan niet worden bewezen. Voor uitlokking is vereist dat door middel van de aanwending van de in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht genoemde uitlokkingsmiddelen bij de pleger het wilsbesluit wordt gewekt het tenlastegelegde strafbare feit te begaan. Op het ontstaan van dat wilsbesluit en de daartoe aangewende uitlokkingsmiddelen is in deze zaak nauwelijks of geen zicht gekomen, zodat vrijspraak van de subsidiair tenlastegelegde feiten moet volgen. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat ook voor de onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid te weinig bewijs is. Oordeel van het hof De door de verdediging gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof het volgende. De feiten Op 31 december 2015 zijn [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in [plaats] , bij de [camping] , rijdend in een auto, door twee schutters beschoten. [slachtoffer 1] is als gevolg van deze schietpartij overleden. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn allebei gewond geraakt. Er zijn camerabeelden beschikbaar van de schietpartij. Op deze beelden is te zien dat er om 17.35 uur een donkere auto, een stationwagen, met dimlicht over de [b-straat] kwam aanrijden en parkeerde op de parkeerplaats van de [camping] . Op het moment dat de auto waarin de [broers] en [slachtoffer 3] zaten - een [betrokkene 13] Mercedes - het campingterrein verliet, rende de eerste schutter de donkere auto uit. Deze schutter droeg een capuchon met een bontkraag. Hij schoot gericht op de bestuurder van de [betrokkene 13] Mercedes. Rechtsachter deze schutter bevond zich de tweede schutter. Ook deze heeft op de Mercedes geschoten. Beide schutters hebben in totaal meer dan tien keer geschoten. Op het parkeerterrein bij de [camping] zijn hulzen aangetroffen. Op 31 december 2015 omstreeks 18.24 uur is een autobrand gemeld in Zaltbommel. Het kenteken van deze auto was [kenteken 1] . Het betrof een BMW. Rondom de auto zijn hulzen en kogels gevonden. Uit onderzoek is gebleken dat deze auto gestolen was en dat voornoemd kenteken niet het originele kenteken van deze auto was. In de auto werden verbrande resten van twee wapens aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat het om twee automatische wapens van het merk CZ (kaliber 7,62mm) ging. Vervolgens is onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen de schietpartij en deze uitgebrande BMW. Daarbij is gekeken naar uiterlijke overeenkomsten van deze auto met de donkere auto die op de camerabeelden van de [camping] is te zien. Bij deze vergelijking zijn meerdere overeenkomsten aangetroffen. Verder zijn de twee (verbrande) automatische wapens vergeleken met de aangetroffen hulzen op de camping. Uit het door het NFI verrichte onderzoek leidt het hof af dat deze hulzen zijn verschoten met de twee automatische vuurwapens in de uitgebrande BMW. Er zijn ook delen van kogels aangetroffen in het lichaam van [slachtoffer 1] . Uit het onderzoek van het NFI leidt het hof af dat deze kogelmanteldelen zijn afgevuurd uit de loop van één van de twee in de BMW aangetroffen automatische vuurwapens. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de twee automatische wapens die in de in Zaltbommel aangetroffen BMW zijn gevonden, door de twee schutters zijn gebruikt bij de schietpartij bij de camping in [plaats] . Na de schietpartij zijn de schutters er in deze BMW vandoor gegaan. De voorbereiding De [broers] verbleven sinds enkele weken voor 31 december 2015 in chalet 218 op de [camping] in [plaats] . Dit chalet was moeilijk te vinden. De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij één of twee dagen voor de schietpartij rond 19.00 uur de camping op reed en toen werd aangesproken door twee Marokkaanse jongens. Eén van deze jongens vroeg waar chalet 201 was. Chalet 201 bevindt zich net voor het pad dat leidt naar chalet 218. Uit de camerabeelden van de [camping] in de periode van 28 december tot 31 december 2015 blijkt dat twee onbekende mannen op vijf verschillende momenten een bezoek hebben gebracht aan deze camping. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat deze mannen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] waren en ook dat zij tijdens enkele van deze bezoeken automatische vuurwapens bij zich hadden. Dat staat in deze zaak ook niet ter discussie. Is [verdachte] de gebruiker van de Ennetcom-accounts [account 2] en [account 4] ? De ontsleutelde Ennetcomberichten spelen in deze zaak een belangrijke rol. In het Onderzoek Bosnië zijn de Ennetcom-accounts [account 5] , [account 1] , [account 6] , [account 7] , [account 4] en [account 2] van belang. Het hof stelt vast dat [betrokkene 6] de gebruiker was van de [account 6] en de [account 7] en [betrokkene 5] van de [account 5] . Dat staat in deze zaak ook niet ter discussie. In relatie tot deze Ennetcom-accounts zijn in dit onderzoek ook de accounts [account 2] en [account 4] in beeld gekomen. De vraag die het hof in deze zaak zal moeten beantwoorden, is of [verdachte] geïdentificeerd kan worden als de gebruiker van de accounts [account 2] en [account 4] . In dit verband acht het hof de volgende feiten en omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang. De gebruiker van de accounts [account 2] en [account 4] heeft gebruik gemaakt van twee verschillende telefoons (de IMEI-nummers verschillen), maar van dezelfde SIM-kaart. Bij beide accounts: - zijn 61 unieke e-mailaccounts opgeslagen als contact door zowel de [account 2] als de [account 4] ; - zijn er van deze 61 unieke e-mailaccounts 53 e-mailaccounts onder een identieke contactnaam opgeslagen door zowel de [account 2] als de [account 4] . Bovendien is gebleken dat: - de gebruikers van 39 unieke e-mailaccounts zowel de [account 2] als de [account 4] hebben opgeslagen; - er van deze 39 unieke e-mailaccounts 10 e-mailaccounts zijn waarvan de gebruikers een identieke contactnaam hebben gegeven aan zowel account [account 2] als [account 4] ; - er van deze 39 unieke e-mailaccounts 14 e-mailaccounts zijn waarvan de gebruikers een zeer gelijkende contactnaam hebben gegeven aan zowel account [account 2] als [account 4] . Het hof concludeert op grond hiervan dat door de [account 2] en de [account 4] dezelfde e-mailaccounts grotendeels zijn opgeslagen ondereen identieke dan wel gelijkende contactnaam. Bovendien zijn de [account 2] en de [account 4] ook door 39 andere e-mailaccounts onder identieke dan wel zeer gelijkende contactnamen opgeslagen. Het hof stelt dan ook vast dat de gebruikers [account 2] en [account 4] bekend zijn met veelal dezelfde contacten. In de contactenlijst van de [account 2] is op 15 november 2015 het account [account 4] opgeslagen onder de accountnaam ‘nieuwe’. De laatste opgeslagen verzonden berichten van de [account 2] zijn van 17 november 2015. Op 1 januari 2016 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen [betrokkene 5] en de [account 15] : Zender Bericht [betrokkene 5] Die andere zegt dat hij niks van mij ontvangt heb hem 6x gemald maar er komt niks aan bij hem ben die gozer net tel bij je heeft gehaald [account 15] Ooo wacht. Ik heb je denk ik die oude mail van hem gegeven. Zie onderaan [account 15] [account 4] @ennetcom.com [account 2] @ennetcom.com Ik denk dat je de bovenste moet hebben. Probeer ze allebei maar. Ik mail hem altijd met die tweede Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof dat de e-mailaccounts [account 2] en [account 4] dezelfde gebruiker hadden. Het hof gaat er ook van uit dat deze gebruiker de vaste gebruiker was van deze accounts. Op dit punt zal het hof verderop in dit arrest nader ingaan. Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld wie de gebruiker van de accounts [account 2] en [account 4] was. In dit verband acht het hof het volgende van belang. Naar aanleiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] (Onderzoek Brandberg) is er op 7 november 2015 een bericht verschenen op de website van de krant ‘Het Parool’. In dit artikel worden de volgende namen genoemd: - [verdachte] ; - [slachtoffer 4] , vermoord op 7 november 2015; - [slachtoffer 6] , vermoord op 13 juli 2014; - [slachtoffer 7] , vermoord op 29 december 2012; - [slachtoffer 8] , vermoord op 3 september 2014; - [slachtoffer 9] , vermoord op 18 oktober 2012; - [slachtoffer 10] , vermoord op 25 mei 2013; - [betrokkene 8] . Op 8 november 2015 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 2] en de [account 8] : Zender Bericht [account 8] Je naam staat kk heet op parol wtf [account 2] Hahahahaha ja man die denken natuurlijk dat ik erachter zit [account 2] Ja lekker belangrijk ahahah. Praten mensen op straat?? [account 8] Nee parol praat madefackers [betrokkene 8] is naar aanleiding van de moord op [slachtoffer 9] veroordeeld en zat ten tijde van de liquidatie van [slachtoffer 4] gedetineerd. Gelet op de door middel van de historische verkeersgegevens verkregen locatiebepalingen van de [account 2] in relatie tot de detentie van [betrokkene 8] kan deze [betrokkene 8] niet de gebruiker zijn van de [account 2] . De PGP-telefoon voorzien van het IMEI-nummer [002] , waarmee de berichten van de [account 2] zijn verstuurd, heeft in de periode na 2 november 2015 immers geen verbindingen afgewikkeld in het Nederlands radionetwerk. Indien er met deze telefoon in de periode van 6 tot en met 11 november 2015 gecommuniceerd zou zijn vanuit de penitentiaire inrichting zou dit in de historische verkeersgegevens zichtbaar zijn geweest. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat alleen [verdachte] en [betrokkene 8] nog in leven zijn van de personen die zijn genoemd in het artikel in Het Parool. De opmerking van de [account 8] “je naam staat kk heet op parol wtf” moet dus op één van deze personen betrekking hebben. Gelet op zijn detentie kan [betrokkene 8] niet degene zijn geweest die heeft gecommuniceerd met behulp van het account [account 2] . Dit wijst er dan ook op dat [verdachte] de gebruiker was van dit account. Verder is het volgende nog van belang bij de identificatie van de accounts [account 2] en [account 4] . Op 24 september 2015 is op het account [account 2] het volgende bericht opgeslagen: ‘Mir [telefoonnummer 1] ’. Tevens is een op 23 januari 2016 aangemaakte opmerking aangetroffen op het account [account 4] . Ook daar werd het telefoonnummer [telefoonnummer 1] genoemd. Daarnaast werd het telefoonnummer [telefoonnummer 2] genoemd. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stond op 14 juni 2017 op naam van [betrokkene 9] , met als aansluitingsadres [c-straat 1] in [plaats] . In de Gemeentelijke Basis Administratie stond [betrokkene 9] destijds op dit adres ingeschreven. Zij is een zus van [verdachte] . [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij zijn zus [betrokkene 9] opslaat als ‘Mir’, ‘Zus’ of ‘zusje’. Geen van zijn broers heeft een PGP. De ouders van [verdachte] wonen aan de [c-straat] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] stond op 14 juni 2017 op naam van [betrokkene 10] , wonende aan de [d-straat 1] in [plaats] . [betrokkene 10] is de broer van [verdachte] . Het hof stelt op grond hiervan vast dat in de accounts [account 2] en [account 4] telefoonnummers van een broer en een zus van [verdachte] zijn opgeslagen. Deze telefoonnummers staan ook geregistreerd op adressen van deze broer en de ouders van [verdachte] . Door de Marokkaanse autoriteiten is een overzicht verstrekt van de in-en uitreisgegevens van [verdachte] over de periode van 9 augustus 2007 tot en met 22 juni 2017. Ook zijn de historische gegevens van IMEI-nummer [002] (de telefoon van de [account 2] ) verstrekt over de periode van 23 september 2015 tot en met 2 november 2015. Uit deze gegevens blijkt dat [verdachte] exact op dezelfde momenten in Marokko was als de gebruiker van de [account 2] en de [account 4] . Bovendien volgt uit voornoemde gegevens - in onderling verband en samenhang bezien - dat de gebruiker van de [account 2] op exact dezelfde dagen als [verdachte] van en naar Marokko is gereisd. Dat blijkt uit het feit dat de [account 2] telkens zendmasten heeft aangestraald op en rondom de luchthaven Schiphol op het moment dat [verdachte] een reisbeweging heeft gemaakt naar of vanuit Marokko. Ten slotte volgt uit de berichten van de [account 2] en de [account 4] ook dat de gebruiker van deze e-mailadressen in Marokko verbleef. Dit geldt ook voor het verblijf van [verdachte] in Thailand, nu de berichten dat de gebruiker 'ver is’ en dat het daar ‘warm is’ passen bij een verblijf in Thailand. Naar het oordeel van het hof duidt dit er dan ook op dat [verdachte] de gebruiker van zowel de [account 2] als de [account 4] is. Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat het hof ervan uit dat [verdachte] de vaste gebruiker was van de Ennetcom-accounts [account 2] en [account 4] . De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat de gebruiker van een bepaalde telefoon niet steeds dezelfde hoeft te zijn en dat [verdachte] zijn telefoon ook af en toe heeft uitgeleend. Het hof stelt echter voorop dat er in beginsel van uit kan worden gegaan dat de gebruiker van een bepaalde telefoon de vaste gebruiker is van dat toestel, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Die aanwijzingen heeft het hof niet gevonden voor wat betreft de Ennetcom-accounts [account 2] en [account 4] als het gaat om de periode die relevant is voor de in deze zaak tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft ook zelf niet gewezen op dergelijke aanwijzingen die zien op deze relevante periode. De verdediging heeft wel gesteld dat uit een bericht van de [account 2] van 14 augustus 2015 blijkt dat ene “ [alias 3] ” toen gebruik zou hebben gemaakt van dit Ennetcom-account. Het hof wil wel aannemen dat [verdachte] zijn PGP-telefoon op dat moment mogelijk had uitgeleend aan een persoon met de bijnaam “ [alias 3] ”, maar merkt hierbij op dat de datum 14 augustus 2015 niet in de voor het tenlastegelegde relevante periode valt. De omstandigheid dat [verdachte] zijn telefoon op deze datum mogelijk heeft uitgeleend, kan dus niet tot de conclusie leiden dat ook iemand anders dan hij gebruik heeft gemaakt van het Ennetcom-account [account 2] op de tijdstippen die wel relevant zijn voor de tenlastegelegde feiten. In dit verband overweegt het hof dat [verdachte] niet heeft aangegeven aan wie en wanneer hij zijn telefoon in deze periode zou hebben uitgeleend. Hij heeft ook niet laten weten welke berichten niet door hem verstuurd zouden zijn. Vragen van het hof hierover heeft [verdachte] niet beantwoord. Zoals hiervoor al is overwogen, gaat het hof er dus van uit dat de accounts [account 2] en [account 4] dezelfde gebruiker hadden en dat deze gebruiker ook de vaste gebruiker van deze accounts was. In dit verband merkt het hof nog op dat uit de gesprekken die in de voor het tenlastegelegde relevante periode via de PGP-telefoons zijn gevoerd, blijkt dat het voor de gebruikers van die toestellen steeds duidelijk is met wie zij spreken. Ook dat duidt er niet op dat er in deze periode (steeds) andere gebruikers achter deze toestellen hebben gezeten. In het hiervoor al aangehaalde bericht van de [account 2] van 14 augustus 2015, toen ene “ [alias 3] ” het PGP-toestel van de [account 2] mogelijk even in gebruik had, liet deze gebruiker bovendien degene aan de andere kant van de lijn onmiddellijk weten dat deze met “ [alias 3] ” van doen had (“Yoo bro met [alias 3] ”). Daaruit leidt het hof af dat als een telefoon al werd uitgeleend, dit meteen duidelijk werd gemaakt door degene die het toestel tijdelijk in gebruik had. Het hof concludeert dus dat [verdachte] de vaste gebruiker was van de [account 2] en de [account 4] en het schrijft alle in dit arrest weergegeven e-mailberichten afkomstig van deze accounts aan hem toe (tenzij anders vermeld). Hierna zal het hof de gebruiker van deze accounts aanduiden als [verdachte] . De inhoud van de Ennetcomberichten Hierna zal het hof de inhoud van de relevante Ennetcomberichten en -notities weergeven voor wat betreft de tenlastegelegde feiten in het Onderzoek Bosnië. In het account van [verdachte] is de volgende op 28 augustus 2015 aangemaakte notitie aangetroffen (deze notitie is voor het laatst gewijzigd op 17 september 2015): “ [A] shisha amersfoort. Zusjes Bnws2790 zusjes golf [kenteken 2] mercedes ML.. Van 2007 die model.. Ik ben hun gevolgd... Dat is auto van die [slachtoffer 2] . Ja van foto ze zijn weg... Dat is plaat. Spaanse platen”. Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] in augustus/september 2015 al bezig was met het vergaren van informatie over de verblijfplaatsen/auto’s van de [broers] , die ook wel de ‘zusjes’ werden genoemd. Ook [betrokkene 5] hield zich hier al mee bezig voorafgaande aan de uiteindelijke schietpartij in [plaats] op 31 december 2015. Op 25 september 2015 heeft hij namelijk het adres [a-straat 1] , een adres waar de [broers] vaak kwamen, toegevoegd aan de contactenlijst behorende bij zijn Ennetcom-account [account 1] . Op dit adres in [plaats] is horecagelegenheid [B] (verder: [B] ) gevestigd. Op 10 oktober 2015 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 3] ( [betrokkene 11] ) en [verdachte] : Zender Bericht [verdachte] Ik sprak met hem, hij zei dat ik je naar een actie kon sturen. [account 3] Je zou wat voor me klaar leggen, ik zou er eventueel morgen om kunnen rijden [account 3] Ik kan vrij praten toch? Je weet wat ik jou heb uitgelegd binnen, ik heb nu nog even een project, die moet ik nog afhandelen, daarna kan ik jou klus aannemen broer, maar ik had we’ll ff dat gene nodig waar ik je om vroeg, 2 kleine 1 grote alvast, en ik heb ff een nummer nodig van ogen, je weet wie ik bedoel toch [verdachte] Je kan vrij praten. Ik ben broertje van die lange vriend trouwens dat je dat weet. Ben op de hoogte van alles. Ik heb 2 kleine voor je maar helaas geen patronen. Van grote heb ik alles compleet [verdachte] Ok ben zelf in het buitenland. Die jongen die het jou gaat geven die geeft je alle info. Op 11 oktober 2015 vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 3] ( [betrokkene 11] ) en [verdachte] : Zender Bericht [verdachte] Dit is die jongen die je die spullen gaat geven. Klik op die mailadres dan kan je hem een bericht sturen [account 1] @ennetcom.com [account 3] Ok top! Op 11 oktober 2015 heeft [betrokkene 5] het volgende bericht gestuurd naar de [account 3] ( [betrokkene 11] ): “ [a-straat 1] . Die rechter en op die andere foto is die ander”. Op de door [betrokkene 5] meegezonden foto’s heeft de verbalisant [verbalisant] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] herkend. Op 11 oktober 2015 vond ook de volgende berichtenwisseling plaats tussen de [account 3] ( [betrokkene 11] ) en [verdachte] : Zender Bericht [verdachte] Oke adres heb je toch? Het zijn 2 broers waarvan we 1 belangrijker vinden dan de ander. Met baard moeten we hebben. Mochten ze met zn 2 zijn dan moeten allebei weg, maar met baard is ons doel. Ik stuur je hun foto. Als je vragen hebt moet je die stellen. [verdachte] Dit is onze hoofddoel! Is 1 en dezelfde persoon. [account 3] Alles is goed broeder, de project gaat van start [verdachte] Dit is zn broertje op die 1ste foto zie je hem zitten met verband om zn pols [verdachte] Ja voor ons is belangrijk dat die met baard weggaat. Maar als zn broertje daar is, is mooi meegenomen. [account 3] Ik heb alles, alleen ik had begrepen, dat het om 1 persoon ging. Vandaag werd het met pas duidelijk dat het er 2 waren. [account 3] Top! Ik had er niet aan getwijfel. Jullie horen vanzelf wanneer ze met pensioen zijn Op de door [verdachte] meegezonden foto’s heeft de verbalisant [verbalisant] [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] herkend. Het hof gaat ervan uit dat met de persoon “met baard” [slachtoffer 2] wordt bedoeld. Op 18 november 2015 om 00.13 uur stuurde [verdachte] het volgende bericht naar de [account 3] ( [betrokkene 11] ): “Hee bro! Hij is binnen”, waarmee hij informatie over de verblijfplaats heeft doorgespeeld. Hierop heeft de gebruiker van de [account 3] ( [betrokkene 11] ) als volgt gereageerd: “Ja shit man! Ik hoor net dat die klojo van een neef van me niks heeft georganiseert gisteren avond, ben echt fucking boos op die gozer! (...) Mochten ze er dit weekend niet zijn, blijf ik weg van de open kamp om dit op te lossen, want ik word momenteel ook aangesproken voor de klus die ik voor de jouwe had aangenomen. Ik heb de hele situatie met open kamp gewoon verkeerd in geschat. Ik heb nog nooit gefaald! En iedereen die mij kent weet dit! Dus ik peins er niet over om hier in te falen. Blijf vertrouwen in me hebben bro!” [slachtoffer 2] heeft op 31 december 2015 verklaard dat ze hem en zijn broer een aantal weken geleden op de [a-straat] in [plaats] met Kalasjnikovs wilden beschieten, maar dat dit door een oplettende caféhouder is voorkomen. Het hof begrijpt dat het hier gaat om de voorbereiding van de moorden op de [broers] , waarnaar onderzoek is gedaan in het Onderzoek Maan (en welk feit is tenlastegelegd aan de verdachten Harte en [betrokkene 11] ). Het incident waar [slachtoffer 2] over spreekt, vond plaats op 21 november 2015 bij [B] in [plaats] . De [broers] kwamen hier regelmatig. In de buurt van deze horecagelegenheid zijn op 21 november 2015 automatische vuurwapens gevonden. Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] , [betrokkene 11] (de gebruiker van de [account 3] ) naar een actie heeft gestuurd, waarna hij [betrokkene 5] als tussenpersoon liet optreden om [betrokkene 11] van de nodige informatie en spullen te voorzien. [verdachte] heeft vuurwapens laten leveren aan [betrokkene 11] en [betrokkene 5] heeft vervolgens het adres aan de [a-straat 1] - welk adres hij eerder al in zijn account had opgeslagen - doorgegeven aan [betrokkene 11] . Daarbij heeft [betrokkene 5] ook foto’s gestuurd van de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Uit de hiervoor aangehaalde berichten blijkt dat de broer met de baard belangrijker is. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] de broer met de baard is. [betrokkene 11] heeft nog aangegeven dat “het project van start gaat’ en ze “vanzelf horen wanneer ze met pensioen zijn”. Vervolgens is op 21 november 2015 een liquidatie voorkomen bij [B] . Het hof concludeert uit dit alles dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een (liquidatie)doelwit van [verdachte] vormden en dat hij en [betrokkene 5] zich al langer bezig hielden met het verkrijgen dan wel leveren van inlichtingen/middelen om dit doel te bewerkstelligen. Verder zijn de volgende berichten nog van belang. In het account van [verdachte] is de volgende, op 22 november 2015 om 20.09 uur - de dag na deze mislukte aanslag in [plaats] – aangemaakte notitie aangetroffen (die op 23 januari 2016 voor het laatst is gewijzigd): “Volvo v60 zwart blauwe kleur met creme interieur dus die lange volvo Die flikker [slachtoffer 2] woont als goed is in [plaats] . Weet nog niet adress maar ben mee bezig hij woont in zuid rijd een zwarte bmw. coupe hij chilt veel in [plaats] alleen woont [plaats] . En hij gaat met een chik [betrokkene 12] . Bungelovv met jetsky voor ht strand [b-straat 1] [postcode] [plaats] Kenteken is [kenteken 3] ”. Zoals al is overwogen, verbleven de [broers] sinds enkele weken voor 31 december 2015 in chalet nr. 218 op de [camping] . Deze camping is gelegen aan de [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] . De eigenaar van dit chalet had een jetski en de [broers] reden in een Mercedes met het kenteken [kenteken 3] . [slachtoffer 2] heeft ook gebruik gemaakt van een Volvo. Op 1 januari 2016, een dag na de schietpartij, vond de volgende berichtenwisseling plaats tussen [betrokkene 5] en [verdachte] : Zender Bericht [verdachte] Hoe is ie dan soldaat [betrokkene 5] Hahahah rustiggg broo met jouu [verdachte] Hahahahaha heel goed ewa faka dan, heb je gisteren gespaced wella? [betrokkene 5] Hahah kleinbeetje je weetzelf hahahah e hoor dan ahahah vandaag ik word wakker me moeder zegt tegen me [slachtoffer 2] is overledenn ik zeg hoe weet je dat ze zegt tegen me ja je tante ze vriendin is der neef hahahahaha toen ik ging naar boven ik was kkk blij hahahahahahaha [betrokkene 5] Hahahahah die andere brada was bijna ook loesoe ze kk moer we hebben leip op ze gelostt [verdachte] Ahahahahahahahahaha helemaal lijp [verdachte] Ja ik heb gehoord man pffff heel marokko praat erover. Ze zeggen die gasten zijn lijp. Iedereen is hier toch met nieuwjaar [betrokkene 5] Hahahahah bro je weet van mij geen grappen alles gaat geweldadig [verdachte] Oke wat moet ik je betalen? [betrokkene 5] Bro zeg jij maar hoeveel staat op hun hoofd ze waren we’ll wat waard he hahah [betrokkene 5] Meer dan die aap he of niet [verdachte] Hahahahah ik ga goed met je doen Daarnaast vond op 1 januari 2016 de volgende berichtenwisseling plaats tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] : Zender Bericht [betrokkene 6] Happy new yearrrr bro [betrokkene 5] Hahahhahaha jo brother [betrokkene 6] Hahaha hij is weg haahahha [betrokkene 5] Ja broo die andere is gewond [betrokkene 6] We hebben het toch goed gedaan gangster shit hopelijk gaat ie daar diddie (het hof begrijpt: dood) [betrokkene 5] Pff diekalew is weg en die andere hoop ik snel ook [betrokkene 6] Ja toch bro ik hoop het [betrokkene 5] Ja man. In deze berichten is op de dag na de liquidatie expliciet gesproken over het overlijden van [slachtoffer 2] , waar [betrokkene 5] “kkk blij” mee is (hof: in werkelijkheid is [slachtoffer 1] overleden). De andere “brada” was ook bijna “loesoe”, aldus [betrokkene 5] . Dit past bij [slachtoffer 2] , bij wie een kogel net langs zijn hoofd is gegaan. Vervolgens geeft [betrokkene 5] aan dat ze “leip op ze hebben gelost”. In samenhang bezien met de eerder genoemde reisbewegingen en de camerabeelden duidt dit er naar het oordeel van het hof op dat [betrokkene 5] één van de schutters is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en de poging tot liquidatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit het hiervoor weergegeven gesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] blijkt - in samenhang bezien met alle overige bewijsmiddelen - dat [betrokkene 6] de tweede schutter was. Uit voornoemde berichten blijkt ook dat [verdachte] aan [betrokkene 5] heeft gevraagd wat hij hem moet betalen. [betrokkene 5] heeft daarop geantwoord dat [verdachte] maar moet zeggen hoeveel er op hun hoofd staat. Vervolgens is er op 1 januari 2016 vanaf 19.47 uur nog onderhandeld over de prijs/beloning tussen [betrokkene 5] en [verdachte] . Hierover vond de volgende berichtenwisseling plaats: Zender Bericht [betrokkene 5] Bro wat gaat er betaald worden voor die flikkers dan [betrokkene 5] Bro met die wakkie weggrijden van mij als vluchtauto is ook fuckingg heet he gaan we nooit meer doen man beter huren en op iemand andere naam gooien ofso [verdachte] Ja ik weet man, we gaan zelf apparaat kopen dan nakken we die waggies zelf. Hoeveel wil je? Je moet niet te duur worden he ahahahaha [betrokkene 5] Bro je weet deze man was veel waard volgens mij he en 1 loesoe en die andere is gewond is we’ll iets ik dacht aan 85 zo maar jij moet het zeggen bro [verdachte] Broer je beseft wel dat dat echt heel veel is he, de vorige x had ik je 60 gegeven omdat ik vond dat je het meeste had gedaan. Echt wollah normaal gaven we hitters 40 a 50 max Maar bij jou betaal ik omdat ik weet dat jij nog voor andere mensen zorgt. [betrokkene 5] Ewa aan wat denk jij bro 70 is dat goed bro? [verdachte] Ben je daar tevreden mee?? [betrokkene 5] Kijk ik heb vorige x veel opgemaakt maar kijk als je 75kan missen ben ik er blij mee ik wil een snuif tel halen voor shie 25k30k loop ik hem afentoe en laat ik hem iemand lopen snapje. [verdachte] Hahahahaha heel slim. Safi isgoed. Ik geef je nu 70 en geef je later 5 akkoord?? [betrokkene 5] Hahah ja isgoed bro je weet anders gaat het heel snel op he maar ik zeg je strax waneer ik het kan ophalen [verdachte] Oke als rotje je vraagt hoeveel zeg je bankoe goed? [betrokkene 5] Top broo love youu bro echt alleen aan wat ik nu denk bro is me wakkie ze kunnen niks doen toch is geen bewijs dat ik daar ben geweest met me wak neetoch [verdachte] Nee sowieso niet man. Zorg dat je die kleren weggooit die je aan had klaar. Voor de rest geen bewijs bro. Had je je waggie wel beetje sneaky gezet? Uit zicht van cammies [betrokkene 5] Ja bro [verdachte] Dan is dat niets en ook al komen ze. Is geen bewijs. [verdachte] Maak je niet teveel druk bro In deze berichten is verder onderhandeld over de beloning voor de liquidatie. Bij deze onderhandeling gaf [verdachte] aan dat hitters ‘normaal’ 40 tot 50 krijgen, maar dat [betrokkene 5] de vorige keer 60 heeft gekregen omdat hij het meeste heeft gedaan. Deze opmerking en het eerdere bericht van [betrokkene 5] dat ‘ze’ (hof: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) wel ‘meer dan die aap’ waard zijn, duiden naar het oordeel van het hof op de betrokkenheid van [verdachte] en [betrokkene 5] bij de eerdere liquidatie van [slachtoffer 4] op 7 november 2015. Deze liquidatie zal hierna door het hof nog worden besproken (bij het Onderzoek Brandberg). In voornoemd bericht is bovendien gemaild over eventueel achtergelaten bewijs. [verdachte] heeft in dit verband meegedacht met [betrokkene 5] en hij heeft hem geïnstrueerd om zijn kleding weg te gooien. Voor wat betreft het resultaat van de onderhandeling heeft [verdachte] tot slot aangegeven dat [betrokkene 5] moet zeggen dat hij ‘bankoe’ heeft gekregen als ‘Rotje’ (hof: [betrokkene 6]) het vraagt. Conclusie Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - stelt het hof vast dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] op 31 december 2015 de schutters zijn geweest die de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] allebei meerdere keren hebben beschoten. De betrokkenheid van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] bij deze schietpartij staat in deze zaak niet ter discussie. Voor wat betreft de betrokkenheid van [verdachte] en de juridische duiding van deze betrokkenheid heeft het hof met name gelet op de volgende feiten en omstandigheden, die uit voornoemde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid: - [verdachte] is in augustus/september 2015 al begonnen met het verzamelen van informatie over de [broers] , ofwel de ‘zusjes’; - in oktober 2015 heeft [verdachte] de gebruiker van het PGP-account [account 3] ( [betrokkene 11] ) naar een actie gestuurd gericht op de [broers] , waarbij hij heeft aangegeven dat ze allebei ‘weg moeten’ maar dat de broer met de baard - [slachtoffer 2] - het hoofddoel is; - [verdachte] heeft [betrokkene 5] als tussenpersoon laten optreden, waarna ook contacten tussen [betrokkene 5] en de opdrachtnemer hebben plaatsgevonden over onder meer het adres waar de [broers] vaak kwamen; - [verdachte] hield zelf een vinger aan de pols bij de gebruiker van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.