PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02419 Zitting 11 april 2023 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – bij arrest van 26 mei 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens feit 1 en feit 2, de voortgezette handeling van kort gezegd het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift en het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben daarvan, en de voortgezette handeling van het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift en het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben daarvan en oplichting, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. V. [a-straat 3] . van der Velde, advocaat te Almere, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste en tweede middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 1, meer in het bijzonder dat het hof voorbij is gegaan aan hetgeen de verdediging in dit verband als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren heeft gebracht. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 2 en de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het vierde middel heeft betrekking op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie inzake de vordering tenuitvoerlegging. 2Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, standpunt verdediging en bewijsmotivering 2.1 Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard: “1. hij in of omstreeks de periode van 2 november 2016 tot en met 16 november 2016 te Leiden en Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste beschikking van de rechtbank Den Haag (d.d. 2 november 2016) en opzettelijk een vervalste beschikking van de rechtbank Den Haag (d.d. 2 november 2016) heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad - zijnde (voornoemde (vervalste) beschikking) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst en terwijl hij wist, dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en afleveren hierin dat verdachte genoemde vervalste beschikking van de rechtbank Den Haag heeft toegezonden/gemaild aan ( [A] Notarissen en heeft overhandigd aan [betrokkene 1] (van de ING bank), en bestaande die vervalsing hierin dat: - één of meerdere oorspronkelijke passages (waaronder rechtsoverweging 3.9 en één of meerdere passages in het dictum, te weten onder andere het gedachtestreepje "- benoemt [B] Bewindvoerders en Curatoren B.V. voornoemd met ingang van 1 januari 2017 als bewindvoerder over de goederen die zullen toehoren aan [betrokkene 2] voornoemd") zijn verwijderd, en - de oorspronkelijke rechtsoverweging 3.8 (te weten: "Het verzoek van [betrokkene 2] tot opheffing van de onderbewindstelling wijst de kantonrechter af gelet op de eindconclusie van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] acht het wenselijk de bewindvoering door te zetten. Het verzoek van [betrokkene 2] tot opheffing van het bewind wordt dus afgewezen. Het verzoek van [betrokkene 2] tot ontslag van [betrokkene 4] als bewindvoerder wijst de kantonrechter toe. Voldoende is gebleken dat de relatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] onherstelbaar verstoord is geraakt door wederzijds wantrouwen. Gelet hierop zal de kantonrechter een nieuwe bewindvoerder benoemen.") is gewijzigd in: "Het verzoek van [betrokkene 2] tot ontslag van [betrokkene 4] als bewindvoerder wijst de kantonrechter toe.", in ieder geval de beschikking dusdanig is aangepast waardoor het leek alsof er geen bewindvoerder meer was over de goederen van [betrokkene 2] ; 2. hij in de periode van 2 november 2016 tot en met 16 november 2016 te Leiden, althans in Nederland, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen ING heeft bewogen tot het verlenen van een dienst, te weten het opheffen van de bewindvoeringstatus op rekeningen van [betrokkene 2] , door een vervalste beschikking van de rechtbank Den Haag (d.d. 2 november 2016) aan een medewerker van ING te overleggen en door in strijd met de waarheid tegen een medewerker van ING (te weten [betrokkene 1] ) te zeggen dat de rechtbank had bepaald dat de bewindvoering over de goederen van [betrokkene 2] was opgeheven.” 2.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen, bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aangifte van de politie Den Haag (…). Dit proces-verbaal (…) houdt (…) in (…): als de op 17 mei 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] : Ik doe aangifte van valsheid in geschrift namens het Gerechtsbestuur van de Rechtbank Den Haag. Ik ben gemachtigd namens de Rechtbank Den Haag, Nederland voor het doen van aangifte. Bij beschikking van 2 november werd [C] als bewindvoerder benoemd. Dit zal met ingang van 1 januari 2017 gebeuren. Zie bijgevoegde kopie van originele beschikking van 2 november 2016, bijlage 1. Na de zitting van 2 november 2016, heeft [verdachte] een kennelijk aangepaste beschikking overhandigd aan [A] Notarissen. In de vervalste beschikking is onder meer onder '3. Beoordeling' weggelaten de alinea's 3.8 en 3.9. In de vervalste beschikking is onder 'Beslissing' onder meer weggelaten dat er een nieuwe bewindvoerder is benoemd en dat hierdoor dus het bewind zou zijn beëindigd. De rechtbank is in het bezit gekomen van de kennelijk vervalste beschikking omdat er op 10 november 2016 door [A] Notarissen een beschikking werd verzonden aan de rechtbank met de vraag of deze een juiste beschikking betrof. Dit bleek de beschikking met handmatige aanpassingen ten opzichte van het originele beschikking van 2 november 2016. De aangepaste beschikking is zodanig vervalst, omdat er een bewindvoerder is ontslagen per 2 november 2016 en dat er voorts geen nieuwe bewindvoerder zou zijn genoemd. Dit is onjuist. In de originele beschikking staat bewindvoerder [C] . Op 14 november 2016 is van de zijde van [A] Notarissen uit een mailbericht gebleken dat [verdachte] dit notariskantoor heeft benaderd en dat [verdachte] de mededeling heeft gedaan dat de bewindvoerder zou worden ontslagen en dat het bewind zou worden opgeheven. Zie bijlage 3, mail. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 1a. Een geschrift, zijnde een originele beschikking van de rechtbank Den Haag, gevoegd als bijlage bij het onder 1 opgenomen bewijsmiddel, d.d. 2 november 2016, opgemaakt en ondertekend door mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard, kantonrechter te Leiden (…) 1b. Een geschrift, zijnde een vervalste beschikking, gevoegd als bijlage bij het onder 1 opgenomen bewijsmiddel, d.d. 2 november 2016 (…) 1c. Een geschrift, zijnde een e-mailbericht, gevoegd als bijlage bij het onder 1 opgenomen bewijsmiddel, d.d. 14 november 2016, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 6] , Notaris-klerk, inhoudende (…) : (…) Gelet op onze geheimhoudingsplicht mag ik u het volgende mededelen. [verdachte] is op 15 augustus jl. bij ons op kantoor geweest waarin hij ondermeer had medegedeeld dat [betrokkene 2] onder bewind staat. Dit staat ook vermeld op het kadastrale uittreksel van het kadaster. Hij deelde eveneens mede dat de bewindvoerder zou worden ontslagen en de onder bewindstelling zou worden opgeheven door middel van een uitspraak van de rechter. Na de uitspraak van de rechter zouden wij van [verdachte] een exemplaar van de beschikking ontvangen. Om deze beschikking hebben wij gevraagd. Wij ontvingen tot twee keer toe een naar ons oordeel verdacht exemplaar (zie bijlagen) Om die reden hebben wij contact met jullie opgenomen. (…) 1d. Een geschrift, zijnde een vervalste beschikking, gevoegd als bijlage bij het onder 1 opgenomen bewijsmiddel, d.d. 2 november 2016 (…) 2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 29 november 2017 (…). Dit proces-verbaal houdt (…) in (…): als de op voormelde datum afgelegde verklaring van de verdachte: V: Ik wil het nu met u hebben over het feit waarvoor u bent aangehouden. U bent aangehouden voor valsheid in geschrift en oplichting. De valsheid in geschrift betreft het vervalsen van een beschikking van de rechtbank d.d. 2 november 2016. De oplichting betreft het gebruik van dit vervalste document bij o.a. de ING-bank. In de originele beschikking van 2 november 2016 staat (…) vermeld dat de onderbewindstelling van [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941 met ingang van 1 januari 2017 wordt uitgevoerd door [B] Bewindvoerders en Curatoren B.V.. Tevens staat vermeld dat [betrokkene 4] als bewindvoerder van [betrokkene 2] met ingang van 1 januari 2017 wordt ontslagen. In de vervalste beschikking is de beslissing dat er een nieuwe bewindvoerder is benoemd weggelaten. Volgens de gedane aangifte zou U na de zitting van 2 november 2016 een aangepaste dus vervalste beschikking hebben overhandigd aan [A] Notarissen O: Ik, verbalisant, toonde de verdachte de beide aan [A] Notarissen overhandigde vervalste beschikkingen. Voorts toonde ik de verdachte de originele beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 2 november 2016. V: Ik heb u nu de originele en de vervalste exemplaren getoond. Wat is hierop uw reactie? A: De originele rechtbankbeschikking d.d. 2 november 2016 is aangepast. Ik heb het document toen gezien en ik heb dit document naar [A] Notarissen gemaild. Dat heb ik gedaan. V: U bent door een medewerkster van de ING-bank kantoor [D] te Leiden herkend als de man die de vervalste rechtbankbeschikking in november 2016 heeft Overhandigd. U was die dag samen met [betrokkene 2] . De ING-bank kreeg een exemplaar. Op basis van dit document is vervolgens op verzoek van [betrokkene 2] zijn profijtrekening bij die bank opgeheven en het saldo van 31.711,43 euro naar zijn ING-rekening [001] overgeboekt. Dat vond plaats op 16 november 2016. Vervolgens wordt met een spoedbetaling die dag een bedrag van 35.800 euro overgeboekt naar de Raborekening van de [stichting] . A: Ik was erbij. V: U was op 16 november 2016 de enige bestuurder van die Stichting. A: Het geld was naar de Stichting overgemaakt. 3De verklaring van de verdachte De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 mei 2018 verklaard (…): U houdt mij de foto voor die aan de getuige [betrokkene 1] is getoond en u vraagt aan mij of ik dat ben. Dat ben ik. 4 . Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 15 juni 2017 (…). Dit proces-verbaal met bijlage houdt (…) in (…): als de op voormelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]: Ik werk als financieel adviseur op het ING-kantoor [D] te Leiden. Het zal in november 2016 zijn geweest dat ik werd geconfronteerd met een beschikking van de Rechtbank inzake een onderbewindstelling. Op enig moment kwamen twee oudere heren binnen. Eén was een forsere man met een getint uiterlijk. De man die wat kleiner van postuur was gaf aan mij aan dat hij onder bewind stond. De getinte en wat forsere oudere man overhandigde mij uit een zwarte lederen map die hij open ritste een document. Ik weet niet meer wie van beide heren het mij vertelde maar dat document dienden zij in te leveren zodat de bewindvoering zou staken. De rechtbank had dat volgens de heren zo bepaald. Op de rekening van de onder bewind gestelde stond bij ons in het systeem dat hij onder bewind stond. Mijn collega's vertelden mij dat ik dat document moest inscannen en naar de afdeling bewindvoering diende te mailen. Dan zou alles in orde gemaakt worden met andere woorden de bewindvoering zou eraf gehaald worden. Ik begreep van beide heren dat er spoed bij was om die bewindvoering eraf te halen omdat de bewindvoerder zelf geld van de rekening af zou halen. U vraagt mij wie van de heren het initiatief nam. De getinte man vatte elke keer alles samen. Hij had het laatste woord. U toont aan mij een foto van een man. Dat is de man die in gezelschap van die oudere man die onder bewind stond bij mij aan de balie is geweest. Ik herken hem voor de volle honderd procent. Enkele weken later werd ik gebeld door de afdeling bewindvoering van de ING. Zij vroegen mij wat ik mij nog kon herinneren van de situatie met beide mannen. Dat heb ik verteld en daarna deelden zij mede dat de aan mij overhandigde rechtbankbeschikking bij onderzoek vervalst bleek te zijn. 5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Eenheid Den Haag, d.d. 12 juni 2017 (…). Dit proces-verbaal (…) houdt (…) in (…): als de op voormelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 4]: Sinds 1 januari 2004 ben ik bewindvoerder voor [betrokkene 2] . Op 19 december 2016 kwam ik bij controle van de ABN AMRO rekening van [betrokkene 2] geen overboeking tegen vanaf de ING hetgeen maandelijks moet plaatsvinden. Controle bij de ING leverde een blokkade op, omdat ik niet meer geautoriseerd was. Navraag bij de ING leerde dat op basis van een beschikking het bewind over [betrokkene 2] opgeheven was. Ik zag op een afschrift van de betaalrekening van [betrokkene 2] , dat zonder mijn toestemming als bewindvoerder de profijtrekening was opgeheven en dat er een bedrag in de vorm van een spoedbetaling ad € 35.800 was overgeboekt naar de Rabo-rekening van [stichting] . De [stichting] is op 22 mei 2013 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De bestuurders waren [betrokkene 2] en [verdachte] . Beide personen zijn bevoegd, maar dan wel in gezamenlijkheid. Begin november 2016 is er een wijziging geweest van de bestuurders. [betrokkene 2] is teruggetreden en [verdachte] is daarmee/daarna enig bestuurslid.” 2.3 Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 12 mei 2021 heeft de verdediging het volgende naar voren is gebracht: “De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: Ten aanzien van feit 1 De vervalst gebleken beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 november 2016 heb ik op verzoek van [betrokkene 2] aan [A] Notarissen gemaild. Ik heb die beschikking voorafgaande aan de verzending niet gelezen. Ik wist dus niet dat het een vervalste beschikking betrof. U houdt mij voor dat ik tegenover de politie heb verklaard (dossierpagina 100): V: Ik heb u nu de originele en de vervalste exemplaren getoond. Wat is hierop uw reactie ? A: De originele rechtbankbeschikking d.d. 2 november 2016 is door [betrokkene 2] aangepast. Hij heeft alles weggehaald waaruit zou kunnen blijken dat hij onder bewind stond. Ik heb het document toen gezien en [betrokkene 2] wilde dat ik dit document naar [A] Notarissen zou mailen. Dat heb ik gedaan. Nee, dat klopt niet. U houdt mij voor dat ik volgens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heb verklaard: U houdt mijn verklaring voor namelijk dat ik op 7 november wist wat de beslissing was van de kantonrechter. U vraagt mij waarom ik heb meegewerkt op 10 november door de valse beschikking naar de notaris te sturen. Ik was in de dienst van [betrokkene 2] . Ja, maar ik heb die beschikking niet vervalst. U zegt mij dat ik niet beschuldigd word van het vervalsen van de beschikking. Ten tijde van het versturen van de beschikking aan de notaris wist ik niet dat de beschikking vervalst was. U vraagt mij of ik de beschikking, voordat ik deze aan de notaris verstuurde, had gelezen. Nee, ik heb die naderhand vervalst gebleken papieren beschikking voor [betrokkene 2] ingescand en die per e-mail verstuurd aan de notaris. Dat deed ik op verzoek van [betrokkene 2] . Ten aanzien van feit 2 U houdt mij voor dat ik onder 2 op de tenlastelegging – kort gezegd – wordt beschuldigd van oplichting door een valse/vervalste beschikking van de rechtbank Den Haag (d.d. 2 november 2016) aan (een medewerker van) ING te overleggen/geven en/of door (in strijd met de waarheid) tegen een medewerker van ING (te weten [betrokkene 1] ) te zeggen dat de rechtbank had bepaald dat de bewindvoering over de goederen van [betrokkene 2] was opgeheven. Dat klopt niet, want ik ben toen niet met [betrokkene 2] bij de ING bank geweest. U houdt mij voor dat ik tegenover de politie heb verklaard (dossierpagina 101) dat ik toen wel bij de ING bank ben geweest met [betrokkene 2] . Nee, dat klopt niet. U houdt mij voor dat de getuige [betrokkene 1] , de medewerker van de ING bank, heeft verklaard (dossierpagina's 77 en 78, met fotoblad-bijlage op dossierpagina 79 van de verdachte [verdachte] ): Op enige moment kwamen twee oudere heren binnen. Eén was een forsere man met een getint uiterlijk. De man die wat kleiner van postuur was gaf aan mij aan dat hij onder bewind stond. Ik vroeg aan de heren hoe hun relatie was. Hierop antwoordde de man die onder bewind stond dat de ander een oude vriend was die hem kon helpen met dit soort dingen omdat het over veel geld ging. De oude vriend had de onder bewind gestelde al heel wat keren geholpen met allerlei papierwerk. De getinte en wat forsere oudere man overhandigde mij uit een zwarte lederen map die hij open ritste een document. Ik zag dat in die map een flinke stapel documenten aanwezig was. Het aan mij overhandigde, document lag bovenop. (…) Ik begreep van beide heren dat er spoed bij was om die bewindvoering eraf te halen. (...) [D]e getinte man vatte elke keer alles samen. Hij had het laatste woord. U vraagt mij om een omschrijving van de getinte man. Hij was fors, goed gekleed, niet te lang, ik schat hem tussen de 55 en 65 jaar oud, ik denk 1.70 m, hij had volgens mij iets Indonesisch of Surinaams over zich (...) U toont mij nu een foto van een man. Dat is de man die in gezelschap van die man die onder bewind stond bij mij aan de balie is geweest. Ik herken hem voor de volle honderd procent. Ik verklaar daarop dat ik niet fors van postuur ben en dat ik ben er niet bij geweest. U houdt mij voor dat ik volgens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heb verklaard, dat ik ben meegegaan naar de ING bank als morele steun. Nee, ik ben niet met [betrokkene 2] meegegaan naar de ING bank. Ik was toen niet eens in het land. U zegt mij dat het u opvalt dat de verklaring die ik vandaag heb afgelegd sterk afwijkt van mijn eerdere verklaringen die u mij hebt voorgehouden. U bespreekt met mij de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-530151-07. U vraagt mij of ik iets wil zeggen over die vordering. De mededeling uitspraak die betrekking heeft op het veroordelend verstekvonnis onder genoemd parketnummer is nooit aan mij betekend. De handtekening op de akte van uitreiking, is niet van mij afkomstig. Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte: U houdt mij voor dat ik op de terechtzitting van vandaag heb verklaard dat mijn ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet klopt. U vraagt mij of ik daarmee bedoel dat de rechter een onjuiste weergave van mijn verklaring in het proces-verbaal van die zitting heeft opgenomen. Daarop antwoord ik dat dat mij niet zo belangrijk lijkt. Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte: U vraagt mij of ik betrokken was bij de opheffing van de onderbewindstelling van [betrokkene 2] en u houdt mij voor dat ik volgens het proces-verbaal ter zitting in eerste aanleg heb verklaard: U houdt mij voor dat ik in augustus 2016 contact heb gehad met [betrokkene 6] van [A] Notarissen en dat ik zou hebben gezegd dat de onder bewindstelling zou worden opgeheven. Ja, hij vroeg 'wat schat u in, anders kan je het pand niet kopen.' Nee, ik volgde het alleen maar op de achtergrond. U houdt mij voor dat ik tegen de notarisklerk heb gezegd dat de onder bewindstelling zou worden opgeheven. Ja, dat zei ik omdat ik de kans daarop groot achtte, maar ik wist niet zeker dat dat zou gebeuren. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert aan: Ik verzoek het hof bij het bepalen van de straf rekening te houden met de gezondheid van mijn cliënt. Ik bepleit een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat. Daarnaast verzoek ik u het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging in verband met het betekeningsgebrek dat de verdachte heeft aangevoerd. Voorts verzoek ik u de verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde, nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verdachte wist op het moment waarop hij de beschikking aan de notaris mailde niet dat de beschikking was vervalst. Ook verzoek ik u de verdachte vrij te spreken van de onder 2 tenlastegelegde oplichting. In de eerste plaats omdat onvoldoende bewijs voorhanden is voor de stelling dat het de verdachte is geweest die de vervalste beschikking aan de medewerker van de ING bank heeft overhandigd. In de tweede plaats dient vrijspraak te volgen omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte handelde met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling; de verdachte had samen, met [betrokkene 2] de [stichting] opgericht, hij werkte onbezoldigd voor de stichting en het is [betrokkene 2] geweest die grote geldbedragen heeft overgeboekt naar de stichting. [betrokkene 2] heeft bovendien zelf geld gepind van de rekening van de stichting, niet mijn cliënt.” 2.4 Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot de bewijsvoering en de door de verdediging gevoerde verweren het volgende overwogen: “Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft bedoeld te betogen dat het bewijs voor het tenlastegelegde oogmerk van wederrechtelijk bevoordeling ontbreekt, overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het vervalste geschrift door de verdachte is overgelegd aan een medewerker van de ING bank om de bewindvoeringstatus op rekeningen van [betrokkene 2] op te heffen, waardoor in elk geval de rekeninghouder, [betrokkene 2] , zou worden bevoordeeld. De verdachte wist op het moment dat hij het document aan de medewerkster van de ING overlegde dat dit een vervalste beschikking van de rechter betrof. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte wel degelijk het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling had.” 3Het eerste en tweede middel 3.1 Zowel het eerste als het tweede middel hebben betrekking op de bewezenverklaring van feit 1. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In het eerste middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging niet volgt dat de verdachte wetenschap had van het vervalste karakter van de beschikking. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat strekt tot vrijspraak. 3.2 Om met de laatstgenoemde klacht te beginnen, is het de vraag of het hof in hetgeen door de verdediging is aangevoerd een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft waargenomen. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Indien de strafrechter afwijkt van een dergelijk standpunt, is deze ingevolge artikel 359, lid 2, tweede volzin, Sv gehouden om de beslissing tot afwijking te motiveren. 3.3 De steller van het middel laat zich niet uit over de inhoud van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, anders dan dat namens de verdediging een bewijsverweer is gevoerd en vrijspraak is bepleit. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de raadsman van de verdachte vrijspraak heeft bepleit omdat wettig en overtuigend bewijs zou ontbreken en dat de verdachte op het moment dat hij de beschikking aan de notaris mailde niet zou hebben geweten dat het om een vervalste beschikking ging. Uit het feit dat het hof hier niet op heeft gereageerd, leid ik af dat het hof van oordeel is dat er ter terechtzitting geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk nu het naar voren gebrachte standpunt weliswaar is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie, te weten vrijspraak, maar niet door argumenten is ondersteund. 3.4 Het voorgaande doet uiteraard niet af aan de verplichting van de rechter om de bewezenverklaring met bewijsmiddelen te staven. Daar gaat het eerste middel (ook) over. Hierbij is het volgende van belang. De selectie en waardering van het bewijs is het domein van de feitenrechter. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om te beslissen wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Of de door de feitenrechter vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn, kan in cassatie niet worden onderzocht. De uitleg van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Enkel wanneer die uitleg onbegrijpelijk is, zal door de Hoge Raad worden ingegrepen. 3.5 Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt kort samengevat dat aan de verdachte ten tijde van zijn verhoor bij de politie (bewijsmiddel 2) de aangifte van de rechtbank (bewijsmiddel 1) is voorgehouden, meer in het bijzonder de originele beschikking van 2 november 2016 (bewijsmiddel 1a) betreffende de onderbewindstelling van [betrokkene 2] waarin kort gezegd is bepaald dat de toenmalige bewindvoerder is ontslagen en een nieuwe bewindvoerder is benoemd en de vervalste beschikking (bewijsmiddel 1b) waarin alleen is te lezen dat de toenmalige bewindvoerder is ontslagen en de benoeming van de nieuwe bewindvoerder is weggelaten. De verdachte heeft hierover verklaard dat de originele beschikking is aangepast, dat hij het document toen heeft gezien en naar de notaris heeft gemaild. Hieruit volgt naar mijn mening zonder meer hetgeen het hof onder 1 bewezen heeft verklaard, meer in het bijzonder dat de verdachte wist dat de beschikking was vervalst op het moment dat hij deze aan de notaris mailde. Het enkele feit dat de verdachte tegenover het hof de inhoud van zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring (bewijsmiddel 2) betwist, doet niets af aan de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring nu het zoals gezegd aan de feitenrechter is om het bewijs te selecteren en waarderen. Kennelijk heeft het hof de (ontkennende) verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Nu de verdachte bovendien niet heeft aangevoerd waarom hij is teruggekomen op zijn eerdere verklaring zoals afgelegd bij de politie was het hof niet gehouden de selectie en waardering van het bewijs naar te motiveren. 3.6 Het eerste en tweede middel falen. 4Het derde middel 4.1 Het derde middel is eveneens geformuleerd als een klacht over het niet, althans onvoldoende responderen op een ter terechtzitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dit standpunt houdt volgens de steller van het middel in dat onvoldoende bewijs voorhanden is: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.