ECLI:NL:PHR:2023:402
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/00383 Zitting 11 april 2023 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte.
Inleiding Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 januari 2022 het in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2. “bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat” en 3. “bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat”, het in de zaak met parketnummer 10-172677-19 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, het in de zaak met parketnummer 10-109991-20 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken” en het in de zaak met parketnummer 10-263610-19 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “wederspannigheid”.
Het hof heeft de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar geacht en hem met het oog daarop ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft het hof ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde en het in de zaak met parketnummer 10-172677-19 bewezenverklaarde de terbeschikkingstelling (hierna: TBS) van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft het hof afgewezen.
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat een klacht over de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 3 en het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 10-109991-20. Het derde middel klaagt over de motivering van de door het hof opgelegde TBS met dwangverpleging. Tot slot klaagt het vierde middel dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Voordat ik toekom aan een bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewezenverklaring en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen weer.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen 4. Het hof heeft ten laste van de verdachte het volgende bewezenverklaard: “zaak met parketnummer 10-036946-19:
De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 2 februari 2021, inhoudende:
Het klopt dat ik op de ten laste gelegde datums de instanties NOS, RTL en het Openbaar Ministerie heb gebeld en dat ik in die gesprekken bedreigende taal heb gebruikt. Op 23 maart 2019 ben ik in de winkel van [A] aan de [a-straat] in Rotterdam geweest en ben daar toen tekeer gegaan tegen het winkelpersoneel. Het klopt dat ik op 5 november 2019 een politieagent een duwtje heb gegeven toen ze mij kwamen ophalen. Op 19 april 2020 heb ik een arrestantenverblijf bevuild. Ik heb gespuugd.
2.
Het proces-verbaal van politie nummer PL0900-2019005832-1 (bijlage bij het zaaksdossier met nummer 2018386586), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] :
Ik doe aangifte namens de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) te Hilversum. Op 5 januari 2019 was ik werkzaam en belast met de receptiedienst bij de hoofdingang. Die dag omstreeks 15.31 uur werd er gebeld door het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Nadat ik mij als zijnde van de NOS kenbaar maakte sprak [betrokkene 3] bedreigende teksten uit jegens de NOS en RTL4. Ik hoorde dat [betrokkene 3] aangaf dat wij eraan gingen.
Nadat het eerste telefoongesprek was beëindigd werd er enkele seconden later wederom door hetzelfde telefoonnummer gebeld. Na de beantwoording herkende ik direct aan de stem dat dezelfde man belde. Ik hoorde dat hij de vraag stelde of hij sprak met RTL4 waarna hij aangaf dat hij naar het kantoor zou komen om ons te slachten. Hierop werd het gesprek beëindigd.
Een moment later belde [betrokkene 3] weer en ik hoorde dat hij onder andere zei dat hij een paar kogels door onze ramen zou gaan schieten. Ik heb zelf het telefoongesprek beëindigd.
Ik en mijn collega’s hebben vaker dreigende telefoongesprekken met personen welke naar de NOS bellen. Echter dat de bovengenoemde man, tot drie (3) keer toe, belt en met een zeer agressieve intonatie bedreigingen met ook de dood tot gevolg uit doet dat wel iets met mijn veiligheidsgevoel binnen het bedrijfspand. Ik heb de angst dat [betrokkene 3] zijn uitgesproken bedreigingen komt bewerkstelligen.
3.
Het proces-verbaal van politie nummer PL0900-2019009365-1 (bijlage bij het zaaksdossier met nummer 2018386586), inhoudende als de verklaring van aangever [aangever 1] :
Ik doe aangifte namens RTL Nederland Productions B.V. Ik heb kennisgenomen van het telefoongesprek welke is gevoerd op 5 januari 2019 omstreeks 15.31 uur met een beveiligingsbeambte bij de NOS. De gevoerde telefoongesprekken waren opgenomen en naar mij doorgestuurd. Ik heb deze beluisterd. Ik hoorde dat [betrokkene 3], welke belde, meerdere keren RTL4 specifiek benoemde en daarbij aangaf dat hij een paar kogels door de ramen van het pand ging schieten. Ook gaf hij aan dat als hij naar het kantoor zou gaan, hij iedereen zou gaan doodmaken. Daarbij sprak hij met een zeer agressieve intonatie. De geuite bewoordingen betreffen serieuze bedreigingen richting het personeel van RTL.
4.
Het proces-verbaal van politie nummer PL0900-2019005832-3 (bijlage bij het zaaksdossier met nummer 2018386586), inhoudende als relaas van de verbalisant:
Naar aanleiding van de telefonische bedreiging welke heeft plaatsgevonden op 5 januari 2019 heb ik contact gehad met [betrokkene 1] , werkzaam als Security Officer bij de NOS. Deze gaf te kennen te beschikken over de geluidsopnames van de telefoongesprekken en deze voor ons ter beschikking wilde stellen voor ons opsporingsonderzoek. De betreffende geluidsopnames zijn op een USB-stick gezet welke ik in beslag heb genomen. Op 9 januari bekeek ik de opgeslagen data van het inbeslaggenomen goed. Ik zag dat er drie opnames waren opgeslagen welke ik op een CD heb gebrand om bij het dossier te voegen. Daarop heb ik de gesprekken beluisterd en hoorde ik het volgende:
A = aangever [slachtoffer 1] V = verdachte.
Telefoongesprek #1 - 5 januari 2019: 15.31 uur A: Goedemiddag, u spreekt met de NOS.
V: Je gaat zien wat ik met jouw kankerramen ga doen. Kankerlijer!
V: Nos journaal, RTL4, jullie staan op dodenkankerlijst. Jullie gaan kanker eraan!
Telefoongesprek #2 - een moment later V: Zeg tegen die RTL4 hé ik neuk jouw kankerkantoor. Wacht maar als ik daar kom dan gaan jullie zien! Ik ga jullie kanker slachten! Kanker Hollanders!
Telefoongesprek #3 - een moment later V: Ik ga je kanker.., paar kogels door je ramen schieten! Je gaat zien wat ik met jullie ga doen, kanker RTL4.
V: Zeg die mannen! Als ik naar je kantoor kom hé. Ik zweer het je jullie gaan allemaal didde, dood! Dood! Jullie gaan allemaal dood.
Het telefoonnummer welke met het gesprek werd meegezonden betreft [telefoonnummer 1] . Het betreffende telefoonnummer stond vermeld in het politiesysteem BVI-B met de navolgende identiteitsgegevens: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983.
5.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1500-2019040670-1, inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2] :
Ik ben als Hoofdofficier van Justitie werkzaam bij het Arrondissementsparket Den Haag, gevestigd te ‘s-Gravenhage en in die hoedanigheid bevoegd tot het doen van deze aangifte. Ik wens aangifte te doen ter zake bedreiging tegen de heer [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983.
Op 13 december 2018 belde [verdachte] naar het servicecenter en sprak met een medewerkster. Deze medewerkster herkende [verdachte] omdat zij hem hiervoor ook al eens telefonisch had gesproken. Zij hoorde dat [verdachte] dreigde een bom te plaatsen bij het Openbaar Ministerie.
Normaliter kunnen de medewerksters van het servicecenter goed omgaan met dergelijke bedreigingen, maar in dit geval maakte desbetreffende medewerkster zich zorgen, gezien het feit dat [verdachte] op enig moment op een lijst is geplaatst met aandachtsvestiging voor bejegening in verband met dreiging en agressie, en mogelijk zijn bedreigingen waar zou maken.
7.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019087131-2, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben werkzaam in de functie van manager van het bedrijf [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] te Rotterdam. Op 23 maart 2019 bevond ik mij in de telefoonwinkel aan de [a-straat] . Ik zag een man de winkel in komen lopen. Collega [betrokkene 2] hielp [betrokkene 3]. Ik hoorde dat [betrokkene 3] schreeuwde: “Ik ga de winkel verbouwen als ik geen telefoon mee krijg”. Ik vroeg aan [betrokkene 2] de klantgegevens van [betrokkene 3]. De gegevens zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983, telefoon 06- [telefoonnummer 1] . Ik voelde mij bedreigd door de houding, het gedrag en hetgeen [verdachte] in de winkel geuit heeft.
8.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019179078-1, inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster] :
Ik ben werkzaam als unitmanager bij Reclassering Zuid-west Nederland te Rotterdam en gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 10 juni 2019 werd een bedreiging gepleegd tegen een medewerker van Reclassering Nederland. De bedreiging werd gepleegd door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983. Bij de bedreiging is onze medewerker [slachtoffer 3] het slachtoffer geworden. [verdachte] heeft via WhatsApp een aantal spraakberichten verzonden naar [slachtoffer 3] die als bedreigend worden beschouwd. Deze berichten hebben de volgende inhoud en werden verstuurd via telefoonnummer +31 6 [telefoonnummer 2] , wat op dat moment gebruikt werd door [verdachte] .
23.23 uur:
Ik ga jullie kanker kapot maken. Wacht gewoon rustig af, dan zul je het zien. Dat ik jullie kankerkoppen eraf ga snijden.
23.26 uur Vriend, he, ik ga je zeggen, ik ga je kanker kapot maken. Kanker reclassering! Daarom zeg ik je, ik waarschuw he, ik ga jullie Nederlandse koppen er afsnijden.
9.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019179078-6, inhoudende als verklaring van de getuige [slachtoffer 3] :
V = Vragen verbalisant A = Antwoorden getuige V: Hoe wist u dat het telefoonnummer, waarmee de bedreigingen waren verzonden, van [verdachte] was?
A: Hij had mij zijn telefoonnummer persoonlijk gegeven.
V: Hoe wist u dat die berichten van [verdachte] waren?
A: Ik herkende zijn telefoonnummer en ik herkende zijn stem. Ik heb hem later geconfronteerd met de bedreigingen en hij gaf toen toe dat hij dat gedaan had.
13.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019332353-4, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, was op 5 november 2019 samen met drie andere politieambtenaren ter plaatse in de voortuin van de [b-straat 1] te [plaats]. Hier stond een man ingeschreven die nog diverse openstaande boetes had. Dit betrof: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1983. Als hij deze zaken niet zou kunnen betalen dan moest hij in totaal 10 dagen worden vastgezet.
Ik legde [verdachte] uit wat de situatie was en vroeg of hij kon betalen. Ik hoorde [verdachte] verklaren dat hij op zijn salaris moest wachten en dat hij het geld niet had. Hierop heb ik [verdachte] medegedeeld dat hij was aangehouden omdat er een vervangende gevangenisstraf open stond voor 10 dagen.
Ik liep achter [verdachte] aan zijn slaapkamer in omdat hij nog iets moest pakken van kleding. Ik zag dat [verdachte] op het bed ging zitten. Ik zag dat zijn ogen helemaal groot waren en dat zijn gezicht verkrampt was van boosheid. Ik hoorde hem verklaren dat hij niet ging luisteren naar wat wij zeiden. Hierop heb ik samen met politieambtenaar [verbalisant 1] de verdachte vastgepakt en probeerde ik transportboeien aan te leggen. Ik pakte hierbij de arm vast van [verdachte] . Ik zag en voelde dat [verdachte] heel agressief werd en met kracht zich probeerde los te rukken. Ik voelde dat hij kracht gebruikte in zijn armen en benen om aan het boeien te ontkomen. Ik zag dat [verdachte] zich opeens uitstrekte en op snelheid met zijn hoofd op mij in kwam gelopen. Ik zag en voelde dat hij met zijn hoofd en lichaam mij een harde duw ter hoogte van mijn middel gaf. Tijdens de aanhouding was [verdachte] constant in verzet.
14.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019332353-8, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 5 november 2019 bevond ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, mij, samen met drie andere politieagenten in de voortuin van de [b-straat 1] te [plaats]. Wij waren hier vanwege [verdachte] , geboren op [geboortedatum]-1983. [verdachte] had nog boetes openstaan. Ik hoorde dat hoofdagent [verbalisant 2] hem aansprak en mededeelde dat hij de keuze had om te betalen en anders met ons mee moest komen naar het bureau. Ik hoorde dat [verdachte] zijn eerste reactie was: “Ik ga niet mee, doe maar wat je wilt”.
Wij liepen achter [verdachte] aan de trap op. Wij besloten hem direct te boeien nu [verdachte] op bed zat. Dit omdat [verdachte] naar onze mening aan het opbouwen was in zijn emotie. Wij, [verbalisant 2] en ik, pakten [verdachte] bij beiden armen beet en wilden hem controleren terwijl hij op het bed zat. Dit gebeurde niet en [verdachte] stond op en wilde weglopen terwijl wij hem nog bij zijn armen vast hadden. Met behulp van hoofdagent [verbalisant 3] en aspirant [verbalisant 4] hebben wij [verdachte] met gepast geweld kunnen controleren. Tijdens het controleren van [verdachte] werkte hij geen moment mee bij het boeien. Dit deed hij met kracht van meer dan geringe betekenis. Hij was continu bezig zich te onttrekken aan zijn aanhouding. Ik zag dat [verdachte] zich met kracht afzette tegen hoofdagent [verbalisant 2] . Ik zag namelijk dat [verdachte] zijn lichaam tegen het lichaam van [verbalisant 2] plaatste en zich meerdere malen krachtig afzetten tegen [verbalisant 2] aan. Ik zag dat [verbalisant 2] uit balans raakte.”
Op 13 december 2018 belde [verdachte] naar het servicecenter van het Paleis van Justitie gevestigd te ‘s-Gravenhage en sprak met een medewerkster.
In aanvulling op die bewijsmiddelen bezigt het hof voorts de hieronder weergegeven bewijsmiddelen voor het bewijs:
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019179078-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 9): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Naar aanleiding van het proces-verbaal van aangifte ter zake bedreiging, voorzien van proces-verbaal nummer PL1700-2019179078-1, heb ik een onderzoek ingesteld naar het door de aangeefster genoemde telefoonnummer. Het telefoonnummer van de verdachte zou zijn: +[telefoonnummer 2]. Ik ontving van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) de volgende gegevens:
Voorletters : [verdachte] Voorvoegsels : [verdachte] Achternaam : [verdachte] Dienst : Abonnement Naar aanleiding van de adresgegevens, aangeleverd door het CIOT, bleek uit gegevens van de Basis Voorziening Informatie dat de geboortedatum en -plaats van [verdachte] [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]betroffen.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2021 verklaard – zakelijk weergegeven – :
Het kan zijn dat ik, toen ik op 13 december 2018 naar het Openbaar Ministerie belde, heb geroepen dat ik een bom zou plaatsen of iets dergelijks.
Het kan zijn dat ik op 10 juni 2019 iets als de tenlastegelegde bewoordingen richting [slachtoffer 3] van de reclassering heb geroepen.
Ik ben op 23 maart 2019 in een [A] winkel in Rotterdam geweest. Ik ben naar binnen gegaan om te zeggen dat ik een abonnement wilde afsluiten waarbij ik een nieuwe telefoon zou krijgen. Er werd tegen mij gezegd dat ik geen nieuwe telefoon kon krijgen en dat ik alleen een sim-only abonnement kon afsluiten.
Op 19 april 2020 bevond ik mij in een arrestantenverblijf in Rotterdam. Ik heb dat verblijf vies gemaakt door daarin te spugen.
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020120567-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 3 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [aangever 3]:
Feit : Vernieling overige objecten Plaats delict : Zuidplein 111, Rotterdam Pleegdatum : 19 april 2020 Ik wil namens de politie Eenheid Rotterdam aangifte doen van vernieling, gepleegd op 19 april 2020. Een verdachte heeft een voorlopig arrestantenverblijf vernield. De verdachte heeft het verblijf bespuugd waardoor het voorlopig niet meer in gebruik kan worden genomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.”
Het eerste middel 8. Het middel klaagt dat het hof met de bewezenverklaring onder 3 in de zaak met parketnummer 10-036946-19 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het bestanddeel “gevaar voor de algemene veiligheid van goederen”, dan wel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 2 februari 2021, inhoudende: […] Op 23 maart 2019 ben ik in de winkel van [A] aan de [a-straat] in Rotterdam geweest en ben daar toen tekeer gegaan tegen het winkelpersoneel. […] […] 7.
Het proces-verbaal van politie nummer PL1700-2019087131-2, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :
Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben werkzaam in de functie van manager van het bedrijf [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] te Rotterdam. Op 23 maart 2019 bevond ik mij in de telefoonwinkel aan de [a-straat] . Ik zag een man de winkel in komen lopen. Collega [betrokkene 2] hielp [betrokkene 3]. Ik hoorde dat [betrokkene 3] schreeuwde: “Ik ga de winkel verbouwen als ik geen telefoon mee krijg”. Ik vroeg aan [betrokkene 2] de klantgegevens van [betrokkene 3]. De gegevens zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983, telefoon 06- [telefoonnummer 1] . Ik voelde mij bedreigd door de houding, het gedrag en hetgeen [verdachte] in de winkel geuit heeft.”
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2021 verklaard – zakelijk weergegeven – : […] Ik ben op 23 maart 2019 in een [A] winkel in Rotterdam geweest. Ik ben naar binnen gegaan om te zeggen dat ik een abonnement wilde afsluiten waarbij ik een nieuwe telefoon zou krijgen. Er werd tegen mij gezegd dat ik geen nieuwe telefoon kon krijgen en dat ik alleen een sim-only abonnement kon afsluiten.”
In zoverre beschermt Titel VII van het Wetboek van Strafrecht dus niet de veiligheid van bepaalde individuele personen of goederen – zoals bij ‘gewone’ delicten als mishandeling (300 Sr) en vernieling (350 Sr) – maar in het bijzonder de algemene veiligheid van personen of goederen. Uitlatingen die in de kern neerkomen op bedreiging met (eenvoudige) mishandeling of bedreiging met vernieling kunnen dus niet worden aangemerkt als een bedreiging ‘met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat’.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan bedreiging, onder meer met misdrijven tegen het leven gericht. Hiermee heeft hij anderen angst aangejaagd.”
Het tweede middel 26. Het middel klaagt over de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 10-109991-20 en valt in drie deelklachten uiteen. De eerste deelklacht behelst een klacht over de afwijking van het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. De tweede deelklacht is een rechtsklacht over het oordeel van het hof dat het spugen in of op een voorlopig arrestantenverblijf het onbruikbaar maken van het arrestantenverblijf oplevert. De derde deelklacht houdt in dat het hof de tot het bewijs gebezigde verklaring van [aangever 3] heeft gedenatureerd, dan wel dat de bewezenverklaring zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 2 februari 2021, inhoudende: […] Op 19 april 2020 heb ik een arrestantenverblijf bevuild. Ik heb gespuugd.”
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2021 verklaard – zakelijk weergegeven – : […] Op 19 april 2020 bevond ik mij in een arrestantenverblijf in Rotterdam. Ik heb dat verblijf vies gemaakt door daarin te spugen. ● Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019179078-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 9): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [aangever 3]:
Feit : Vernieling overige objecten Plaats delict : Zuidplein 111, Rotterdam Pleegdatum : 19 april 2020 Ik wil namens de politie Eenheid Rotterdam aangifte doen van vernieling, gepleegd op 19 april 2020. Een verdachte heeft een voorlopig arrestantenverblijf vernield. De verdachte heeft het verblijf bespuugd waardoor het voorlopig niet meer in gebruik kan worden genomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven, tot het plegen van het feit.”
De eerste deelklacht 31. De eerste deelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat geen sprake is van het onbruikbaar maken van het voorlopig arrestantenverblijf zonder dat het hof daarvoor in het bijzonder de redenen heeft opgegeven.
De tweede en derde deelklacht 35. Met de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof – inhoudende dat het spugen in een voorlopig arrestantenverblijf het onbruikbaar maken van dat verblijf in de zin van art. 350 lid 1 Sr oplevert – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De derde deelklacht bevat klachten over de motivering van de bewezenverklaring. Ten eerste wordt aangevoerd dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van [aangever 3] door het hof is gedenatureerd. Ten tweede meent de steller van het middel dat de bewezenverklaring niet zonder meer begrijpelijk is, omdat niet kan blijken dat het spugen dermate ernstig is geweest dat de cel daardoor onbruikbaar is geworden. Ik bespreek de tweede en derde deelklacht tezamen.
Daardoor konden die brandblussers immers hun bestemming als veiligheidsvoorziening niet meer naar de daaraan te stellen eisen vervullen. Ook het verwijderen van een paal die dienst deed als onderdeel van een erfafscheiding, kon worden aangemerkt als het onbruikbaar maken van die paal, aangezien deze paal zijn bestemming als onderdeel van de erfafscheiding daarmee had verloren. Het opzetten van een hennepkwekerij en daartoe zeil over de vloerbedekking heen bevestigen, plastic tegen de muren nieten, gipsplaten en panelen op een kozijn en de muren schroeven, gaten in een muur maken van de elektriciteitskast naar een slaapkamer, gaten in beide plafonds maken en aan de plafonds afzuigboxen en luchtslangen plaatsen, kon volgens toenmalig ambtgenoot Bleichrodt worden aangemerkt als het onbruikbaar maken van slaapkamers en een meterkast in die woning.
Slotsom tweede middel 46. Het middel faalt in alle onderdelen.
Het derde middel 47. Het derde middel is gericht tegen de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging en valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht bevat een klacht over de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat eventuele verplichte behandeling in het kader van een machtiging als bedoeld in art. 2.3 Wet forensische zorg (hierna: Wfz) zou moeten plaatsvinden. De tweede deelklacht houdt in dat de beslissing tot oplegging van TBS met dwangverpleging onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende met redenen omkleed.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan bedreiging, onder meer met misdrijven tegen het leven gericht. Hiermee heeft hij anderen angst aangejaagd. Daarnaast heeft hij een politiecel onbruikbaar gemaakt en heeft hij zich verzet bij zijn aanhouding.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 26 november 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.
Aan de vraag hoe moet worden gereageerd op de door de verdachte gepleegde feiten is in dit strafrechtelijke onderzoek uitgebreid aandacht besteed. De hierboven genoemde deskundigen hebben erover gerapporteerd, en hun adviezen toegelicht op de zitting van 6 december 2021.
Psychiater [betrokkene 3] rapporteert het volgende: “De massale doorwerking van de stoornis, en dan met name de kortdurende psychotische stoornis (reactieve psychose) maakt dat bij uitblijven van behandeling van juist dit aspect van de stoornis de klinische risicotaxatie ten aanzien van recidive uitkomt op zeer hoog. Ten aanzien van de actuariële risicotaxatie sluit ik mij aan bij de bevindingen van psycholoog De Wijn, dat deze uitkomt op zeer hoog. Voor de beantwoording van de vraag naar de hoogte van het risico op daadwerkelijke geweldpleging is voor zowel de klinische als de actuariële risicotaxatie relevant dat betrokkene zich niet voor daadwerkelijke geweldpleging heeft hoeven te verantwoorden maar wel is veroordeeld voor verboden wapenbezit. Ook is in een dreigende situatie in het openbaar vervoer waarbij de wijkagent niet tot vervolging is overgegaan geconstateerd dat betrokkene met een mes en met een hamer heeft lopen zwaaien. Deze gebeurtenis wordt in de richtlijn voor risicotaxatie wel meegerekend en leidt ertoe dat het risico voor daadwerkelijke geweldpleging als matig tot hoog wordt aangemerkt.
Van beschermende factoren is geen sprake nu de warme familieband die betrokkene met zijn moeder en (half) broer en zus onderhoudt ertoe leidt dat hulpverlening en behandeling de facto wordt tegengewerkt en door de familie alles in het werk gesteld wordt om betrokkene binnen het gezin te houden. Wellicht dat de band met de familie tijdens de behandeling zodanig kan worden bewerkt, dat deze op termijn wel een protectieve factor kan worden. Ook andere protectieve factoren ontbreken.
Bij betrokkene is gezien de ernst van de feiten en de gebleken onbehandelbaarheid van betrokkene in ambulant kader een klinische behandeling geïndiceerd. Deze dienst (het hof begrijpt: dient) plaats te vinden in een gespecialiseerde instelling of afdeling van een instelling, waar de behandeling is toegespitst op personen met een verstandelijke beperking én een hoge kwaliteit van psychiatrische zorg kan worden geboden. Daarbij is een hoge mate van forensische scherpte en een aanzienlijk beveiligingsniveau geboden. Een dergelijk aanbod is te vinden zowel in van oorsprong psychiatrische instellingen als in instellingen die de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking als hun primaire doel zien.
Bij uitblijven van instemming van betrokkene (en zijn moeder) met enige vorm van behandeling is de enig overblijvende optie het opleggen van een Tbs met bevel tot verpleging. Wanneer het verloop van de behandeling daar ruimte voor biedt kan de verlengingsrechter uiteraard te allen tijde besluiten om het schakelartikel 2.3 van de Wet forensische zorg te benutten voor omzetting van de lopende maatregel tbs naar een Rechterlijke Machtiging ex Wzd.”.
Op de zitting van 6 december 2021 heeft psychiater [betrokkene 3] desgevraagd nog toegelicht dat een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet zorg en dwang op dit moment als ontoereikend moet worden beschouwd, omdat in die setting de vereiste forensische expertise en scherpte ontbreekt en er onvoldoende aandacht zal zijn voor het voorkomen dan wel verkleinen van de kans op recidive.
GZ-psycholoog [betrokkene 4] komt in haar rapportage in grote lijnen tot dezelfde conclusies. Zij noemt ook nog als factoren die op negatieve wijze meewegen bij het inschatten van het recidiverisico: de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, de schending van de voorwaarden van toezicht en de instabiliteit ten aanzien van woon-, arbeids- en financieel verleden. Volgens de GZ-psycholoog moet bij de behandeling (het motiveren tot) medicatiegebruik een aandachtspunt zijn, omdat de verdachte hier in het verleden baat bij zou hebben gehad en de verwachting is dat dit een positieve invloed kan hebben op de emotieregulatie en gedachtevorming van de verdachte. De GZ-psycholoog legt uit waarom alternatieven ontoereikend zijn: “Het kader van tbs met voorwaarden wordt als onhaalbaar ingeschat, omdat hij (het hof begrijpt: de verdachte) hierbij motivatie dient te hebben voor de in te zetten interventies.
De inschatting is dat dit niet zal kunnen fungeren als ‘stok achter de deur’, onder andere gezien de beperkte verstandelijke vermogens en het (structurele) verzet tegen behandeling. Het onderzoeken van de mogelijkheid van een rechterlijke machtiging via artikel 2.3 van de Wfz (op grond van de Wzd) lijkt voor nu ook niet toereikend in het doen laten afnemen van het recidiverisico. De duur van de machtiging zal onvoldoende zijn om de gewenste effecten te bereiken bij de (chronische) problematiek en er wordt een forensische setting, met voldoende ervaring met soortgelijk gedrag als van betrokken, nodig geacht. Door deze bevindingen wordt, voor nu, het meeste verwacht van de maatregel van tbs met dwangverpleging (bij voorkeur in de setting van een FPK met expertise op het gebied van LVB).
Hierbij wordt wel in overweging gegeven om zo spoedig mogelijk (bij de eerstvolgende verlengingszitting) te onderzoeken of het omzetten van de tbs maatregel in een RM (op grond van de Wzd) mogelijk is.”.
GZ-psycholoog [betrokkene 4] heeft op de zitting van 6 december 2021 nog toegelicht dat bij de vraag of een rechterlijke (civiele) machtiging na zes maanden zou moeten worden verlengd, het forensisch- en recidive aspect niet wordt meegenomen. Een dergelijke machtiging is immers niet gericht op het voorkomen van recidive in strafrechtelijke zin, maar enkel op het beteugelen van ernstig nadeel in het kader van de Wet zorg en dwang, en daarom in deze situatie ontoereikend.
Het hof onderschrijft de bevindingen en conclusies van psychiater [betrokkene 3] en GZ-psycholoog [betrokkene 4] en zal op basis daarvan aan de verdachte – ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het in de zaak met parketnummer 10-172677-19 bewezenverklaarde – de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS- maatregel) met dwangverpleging opleggen. Aan de voorwaarden voor oplegging daarvan is voldaan. Hierboven is reeds vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van zowel een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a Sr. De in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het in de zaak met parketnummer 10-172677-19 bewezenverklaarde feit betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld.
Op basis van de bevindingen en conclusies van psychiater [betrokkene 3] en GZ-psycholoog [betrokkene 4] is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging eisen. Dat oordeel is enerzijds gegrond op de ernst en aard van de bewezenverklaarde feiten, het gevaar voor herhaling en het door de psychiater genoemde gevaar voor daadwerkelijke geweldsdelicten. Anderzijds constateert het hof dat in dit stadium van het proces de mogelijkheden van een op de persoon van de verdachte toegesneden afdoening uiterst beperkt zijn. Behalve terbeschikkingstelling met dwangverpleging zijn het hof geen andere opties gebleken die evenveel recht doen aan de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte, de noodzaak tot behandeling en het voorkomen van herhaling.
De op te leggen TBS-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd voor de duur van maximaal 4 jaren, nu naar het oordeel van het hof op basis van het dossier niet kan worden geoordeeld dat de in de zaak met parketnummer 10-036946-19 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het in de zaak met parketnummer 10-172677-19 bewezenverklaarde feit misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
De eerste deelklacht 49. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat een verplichte behandeling plaats moet vinden in het kader van een op basis van art. 2.3 Wfz af te geven zorgmachtiging dan wel rechterlijke machtiging.
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald dat geen straf wordt opgelegd;
3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt vrijgesproken;
4°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging;
5°. op vordering van het openbaar ministerie;
6°. indien de rechter maatregel van terbeschikkingstelling niet verlengt;
7°. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege niet verlengt;
8°. indien de rechter de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt;
9°. indien de rechter de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet verlengt;
10°. bij rechterlijke beslissing op vordering van het openbaar ministerie tot omzetting van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling;
11°. indien de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet forensische zorg, zijn geëxpireerd.
Indien uw hof zich onvoldoende geïnformeerd acht omtrent het alternatief van een civiele rechtelijke machtiging en daardoor neigt naar oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, verzoek ik uw hof de behandeling van de zaak aan te houden teneinde nader onderzoek naar dat alternatief te laten verrichten. Bij aanhouding van de zaak verzoek ik uw hof de voorlopige hechtenis van mijn cliënt te schorsen. Hij zit nu al te lang in detentie.”
De tweede deelklacht 57. De tweede deelklacht houdt in dat – mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd – de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
Slotsom derde middel 63. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vierde middel 64. Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Slotsom 67. Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede en derde middel falen en kunnen – met uitzondering van de tweede en derde deelklacht van het tweede middel – worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel hoeft niet tot cassatie te leiden.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, r.o. 3.3. Vgl ook HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:961, r.o. 2.3 (over bedreiging met zware mishandeling) en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3360, r.o. 2.3 (over bedreiging met brandstichting).
HR 2 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0877 (niet gepubliceerd), NJ 1998/306, r.o. 5.1. Zie ook Kamerstukken II 1998/99, 26671, nr. 3, p. 47.
Vgl. in dit verband bijvoorbeeld ECLI:NL:PHR:2021:821, randnummer 22-24. Daarin ging het om de uitlating: “Wat ik zal doen, zal op de TV, kranten, BBC, CNN en de hele wereld zal over wat ik ga doen, dag en nacht spreken”. De Hoge Raad kwam vanwege een ander slagend middel niet toe aan de bespreking van de klacht over de bewezenverklaarde bedreiging.
Zie in dit verband De Lange, in: T&C Strafrecht, Inleidende opmerkingen op titel VII Sr (online, bijgewerkt 1 juli 2022). Zie ook Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, commentaar op titel VII Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt 1 juli 1998) Over de vraag of deze motivering voor het overige al dan niet toereikend is, kom ik bij het derde middel te spreken.
Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.8.2.
HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:26, r.o. 2.5.
HR 7 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1726 (niet gepubliceerd), NJ 2000/148, r.o. 3.3.
HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2559, r.o. 3.3.
Zie ECLI:NL:PHR:2015:1386, onder 20. De Hoge Raad liet dit middel buiten bespreking.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2 onder C.