ECLI:NL:PHR:2023:417
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03729 Zitting 18 april 2023 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 19 augustus 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “zonder toestemming van de Koning, iemand voor gewapende strijd werven, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld. Ik begin, onder verwijzing naar art. 348 Sv om cassatie-technische redenen, met de bespreking van het tweede middel.
II. Het tweede middel en de bespreking daarvan Het middel 3. Het tweede middel klaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat het hof de inleidende dagvaarding ten onrechte, althans niet begrijpelijk gemotiveerd geldig heeft verklaard voor wat betreft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.
De tenlastelegging in hoger beroep 4. Aan de verdachte is onder 1 subsidiair tenlastegelegd dat: “hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2017 in de gemeente [plaats] en/of de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , in elk geval in het arrondissement Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om, zonder toestemming van de Koning, een (of meer) ander(en) te werven voor de gewapende strijd, inhoudende het plegen van (een) terroristisch(e) misdrijf/misdrijven (als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht), met voornoemd oogmerk, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk
Het verweer van de verdediging 5. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de aan het hof overlegde en in het dossier gevoegde pleitnota, die voor zover hier relevant het volgende inhoudt: “Nietigheid subsidiaire variant van feit 1: de poging tot ronselen 9. De verdediging persisteert bij het standpunt dat de dagvaarding voor wat betreft de subsidiaire variant van feit 1 nietig dient te worden verklaard. Ik verwijs daarbij naar hetgeen ik daarover naar voren heb gebracht in de pleitnota in eerste aanleg:
Het oordeel van het hof 6. Het hof heeft ten aanzien van de geldigheid van de inleidende dagvaarding als volgt overwogen en beslist: “De verdediging heeft zich – op de grond als nader verwoord in de pleitnota – op het standpunt gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig moet worden verklaard met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. Deze grond komt er – zakelijk weergegeven – op neer, dat de uitleg die in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie wordt gegeven aan de term ‘werven’ als bedoeld in artikel 205, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dermate ruim is, dat voor een pogingsvariant geen ruimte is.
Het hof deelt dit standpunt van de verdediging en het oordeel van de rechtbank hieromtrent niet. Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
Zoals het hof hierna onder het kopje ‘3.1. Juridisch kader werven voor de gewapende, terroristische strijd (artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht)’ uiteen zal zetten, heeft de term ‘werven’ in artikel 205, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht – zoals de verdediging terecht stelt – een ruime betekenis: het werven is reeds voltooid, wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting bij de gewapende, terroristische strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard.
Gelet op deze ruime uitleg moet aan de verdediging worden toegegeven dat een poging tot het werven van een persoon voor de gewapende, terroristische strijd als bedoeld in artikel 205, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht feitelijk moeilijk denkbaar is, omdat al snel sprake zal zijn van een voltooid delict. Dat betekent echter niet dat het bestaan van een poging volstrekt is uitgesloten. Dat zou ook niet in het systeem van de wet passen. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden gezegd dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet voldoet aan de vereisten die in de wet (in het bijzonder in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering) of in de jurisprudentie aan een tenlastelegging worden gesteld. Immers, niet kan worden vastgesteld dat voor de procesdeelnemers de tenlastelegging niet duidelijk en onbegrijpelijk is, noch dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. Integendeel, de tenlastelegging is voldoende feitelijk en evident is welke beschuldiging het Openbaar Ministerie hier aan het adres van verdachte tot uitdrukking brengt. Het verweer wordt daarom verworpen.
Ook overigens zijn geen gronden gebleken die aan de geldigheid van de inleidende dagvaarding in de weg staan. De inleidende dagvaarding is derhalve geldig.”
Het juridisch kader 7. Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde kan (kort gezegd) worden gekwalificeerd als de poging tot het werven voor de gewapende strijd als bedoeld in art. 205 Sr, dat luidt: “1. Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Aldus wordt bevorderd dat het werven van personen voor de jihad in de gevallen waarin zulks wordt opgespoord effectief strafrechtelijk kan worden vervolgd.”
De eerdergenoemde voorwaarde van de totstandkoming van een overeenkomst komt te vervallen; voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd. Of het werven tot een bepaald resultaat heeft geleid, zal voor de strafbaarheid niet meer relevant zijn. Het voorgestelde delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Een dergelijke handeling behoeft niet samen te gaan met of te bestaan uit het bieden van een tegenprestatie. Van «werven» kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep.
Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, «werven» in de zin van artikel 205 Sr kunnen opleveren. […] De leden van de fractie van de SP zou ik gaarne voor antwoorden op hun vragen over de begrippen «werven», «krijgsdienst» en «gewapende strijd» willen verwijzen naar mijn hiervoor gegeven uitleg op gelijkluidende vragen van leden van de fractie van de VVD. Daaruit blijkt onder meer dat met de wijziging van artikel 205 Sr wordt beoogd om de strafbepaling te ontdoen van het formele element van de totstandkoming van een verbintenis. Het hebben van contact met iemand die sympathieën heeft met de jihad valt buiten de reikwijdte van de bepaling. Centraal staat in artikel 205 Sr degene die «werft»; niet de persoon die contact heeft met iemand die sympathiek staat tegenover de jihad. […] De vraag van deze leden of het wijzigen van het begrip «aanwerven» in «werven» te ver gaat beantwoord ik ontkennend. Door de wijziging wordt het zwaartepunt in de strafbepaling enigszins verlegd naar degene van wie het initiatief uitgaat: de werver. Een vergelijking is in dit verband te trekken met de strafbepaling inzake actieve, ambtelijke omkoping (artikel 177 Sr); ook bij dat misdrijf is het actieve handelen van de omkoper voor de strafbaarheid voldoende. Of de ambtenaar een gift aanneemt is irrelevant. Het potentiële gevaar dat rekrutering ten behoeve van de jihad tot gevolg kan hebben, rechtvaardigt mijns inziens het voorstel om de strafbepaling meer toe te snijden op de verantwoordelijkheid van degene die iemand tracht te bewegen tot iets. […] Bovenal moet uiteraard voor de toepasselijkheid van artikel 205 Sr sprake zijn van «werven» in de zin van beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen.”
Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388.).”
In een dergelijk proces zullen de fasen van voorbereidingshandelingen, poging en voltooiing van het delict doorgaans geleidelijk in elkaar overvloeien. Het zal dan, zoals de Hoge Raad aangeeft, aankomen op de concrete feiten en omstandigheden van het geval binnen welke fase de gedragingen van de verdachte zich hebben afgespeeld. In het geval van poging zal, gelet op de hiervoor vermelde rechtspraak van de Hoge Raad, sprake moeten zijn van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, oftewel (kort gezegd) van een gedraging die in tijd en plaats dicht bij de voltooiing van het delict ligt. Zo een situatie zal zich in het geval van art. 205 Sr niet gauw voordoen, nu het delict als gezegd reeds is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard, maar dat maakt het nog niet onmogelijk.
Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de hypothetische situatie waarin de verdachte een persoon benadert met de intentie deze te werven voor de gewapende strijd, maar op het moment dat hij daarmee aanvangt om de een of andere (buiten hemzelf liggende) reden wordt onderbroken.
De bespreking van het middel 19. Het middel klaagt dat het hof de inleidende dagvaarding – althans voor zover het betreft het subsidiair tenlastegelegde – ten onrechte, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, geldig heeft geacht. Het hof heeft daartoe overwogen dat poging tot overtreding van art. 205 Sr weliswaar feitelijk moeilijk denkbaar is, maar dat het niet volstrekt is uitgesloten, en dat derhalve niet kan worden gezegd dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet voldoet aan de vereisten die in de wet (in het bijzonder in art. 261 Sv) of in de jurisprudentie aan een tenlastelegging worden gesteld. Het komt mij, gezien mijn voorgaande overwegingen, voor dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel is voorts, bezien in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, genoegzaam gemotiveerd.
III. Het eerste middel en de bespreking daarvan Het middel 22. Het middel bevat de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte, althans niet begrijpelijk gemotiveerd niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de partiële vrijspraken van het onder 1 primair tenlastegelegde ten aanzien van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 7] en/of één of meer ander(en).
Het vonnis van de rechtbank 23. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft de verdachte in haar vonnis van 15 mei 2018 veroordeeld ter zake het onder 1 primair tenlastegelegde werven van [betrokkene 1] voor de gewapende strijd en de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde werven van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] .
De tenlastelegging in hoger beroep 24. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, onder 1 primair tenlastegelegd dat: “hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2017 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , in elk geval in het arrondissement Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder toestemming van de Koning, een of meer anderen heeft geworven voor de gewapende strijd, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk
Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep 25. Onder de stukken van het geding bevindt zich een akte rechtsmiddel. Deze houdt kort gezegd in dat op 17 mei 2018 de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 15 mei 2018.
Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat één van de partiele vrijspraken onder 1 primair en de integrale vrijspraak voor feit 2 onterecht waren.
De grief/grieven Grief 1: Ten onrechte partieel vrijgesproken met betrekking tot [betrokkene 6] De Rechtbank komt eerst tot het oordeel dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, de poging tot het werven voor de gewapende strijd, niet bestaat. “Omdat het delict van artikel 205 Sr al zo snel voltooid kan zijn, ziet de rechtbank niet voor zich hoe iemand zich schuldig gemaakt kan hebben aan een poging tot het werven voor de gewapende strijd”.
Desondanks is het delict kennelijk toch niet zo heel snel voltooid, want de Rechtbank komt vervolgens tot partiele vrijspraak ten aanzien van nagenoeg alle personen die in de tenlastelegging als geronselde personen genoemd zijn. Op één persoon na: [betrokkene 1] . In zijn geval is het ronselen ook wel heel evident in de visie van het Openbaar Ministerie (OM).
Het OM is echter van oordeel dat de Rechtbank ten aanzien van getuige [betrokkene 6] ten onrechte heeft vrijgesproken. […]”
Het standpunt van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep 27. De advocaat-generaal heeft op terechtzitting bij het hof het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van het door hem op schrift gestelde, aan het hof overlegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte requisitoir. Deze houdt voor wat betreft de omvang van het appel het volgende in: “1.2 Appèl [verdachte] (hierna: verdachte) wordt ervan verdacht verschillende mensen te hebben geworven voor de gewapende strijd van Islamitische Staat (hierna: IS) – dan wel daartoe een poging te hebben ondernomen – en dat hij heeft deelgenomen aan deze organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Op 15 mei 2018 heeft de Rechtbank Limburg de verdachte vrijgesproken van feit 2 (lidmaatschap terroristische organisatie) maar veroordeeld voor het onder 1 primair tenlastegelegde “ronselen” met betrekking tot [betrokkene 1] . Met betrekking tot de overige bij feit 1 genoemde personen heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken, waaronder [betrokkene 6] . De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Tegen dit vonnis is zijdens de verdediging appèl ingesteld op 25 mei 2018. Het appèl is ingesteld tegen het eindvonnis met uitzondering van de vrijspraak voor feit 2. Door het Openbaar Ministerie is het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is zowel door de verdachte als door het Openbaar Ministerie tijdig ingesteld.
De grieven van de verdediging richten zich tegen de veroordeling onder feit 1.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is bij appèlschriftuur van 29 mei 2018 te kennen gegeven dat de officier van justitie zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank voor wat betreft één van de partiële vrijspraken onder het primair tenlastegelegde van feit 1, namelijk die met betrekking tot [betrokkene 6] , alsmede de vrijspraak onder 2 (en de hoogte van de straf).”
Het verweer van de verdediging 29. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof overeenkomstig zijn genoemde pleitnota als volgt verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep wat betreft het onder 1 primair tenlastegelegde werven van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , en [betrokkene 7] : “Impliciet cumulatieve tenlastelegging feit 1 (ronselen) 11. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat het ronselen van de afzonderlijke personen impliciet cumulatief ten laste is gelegd. Die strafbare feiten hadden immers ook afzonderlijk ten laste gelegd kunnen worden.
Het oordeel van het hof 30. De overwegingen van het hof onder het hoofd “Ontvankelijkheid van het hoger beroep” houden het volgende in: “Onder 1 primair is – kort gezegd – aan de verdachte tenlastegelegd dat hij, zonder toestemming van de Koning, een aantal personen, te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of een of meer ander(en), heeft geworven voor de gewapende, terroristische strijd.
De rechtbank heeft het werven van één van die personen, te weten [betrokkene 1] , bewezenverklaard en heeft de verdachte ter zake van het werven van die andere personen partieel vrijgesproken.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het werven betrekking heeft op meer dan één persoon, sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Volgens de verdediging dient dat er in de eerste plaats toe te leiden, dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraken ten aanzien van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of een of meer ander(en).
De verdediging is voorts van mening dat, nu uit de appelschriftuur van de officier van justitie blijkt dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ter zake van dit feit alleen is gericht tegen de partiële vrijspraak ten aanzien van [betrokkene 6] , hetgeen door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is bevestigd, het Openbaar Ministerie bij gebrek aan enig belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraken ten aanzien van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 7] en/of een of meer ander(en).
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat onder 1 primair sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, omdat het werven van elk van de aldaar genoemde personen materieel een afzonderlijk strafbaar feit oplevert, dat ook afzonderlijk aan de verdachte had kunnen worden tenlastegelegd.
Vooropgesteld moet worden, dat bij de vraag in hoeverre het onder 1 primair tenlastegelegde in hoger beroep aan de orde is, niet de appelschriftuur bepalend is, maar de appelakte. Het hoger beroep kan immers slechts bij appelakte worden beperkt tot een of meer gevoegde feiten.
Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de daarvan opgemaakte appelakte voor wat betreft het onder 1 (primair) tenlastegelegde onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de genoemde partiële vrijspraken door de rechtbank. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak, zodat de verdachte daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het hoger beroep, voor zover dit tegen die partiële vrijspraken is gericht.
Echter, omdat uit de appelakte van de officier van justitie blijkt dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep voor wat betreft het onder 1 (primair) tenlastegelegde eveneens onbeperkt is ingesteld, is dit feit in hoger beroep wel in zijn geheel aan de orde.
Anders dan de verdediging, ziet het hof geen aanleiding om het Openbaar Ministerie op de voet van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraken ten aanzien-van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 7] en/of een of meer ander(en).”
Het juridisch kader 31. Art. 407, eerste lid, Sv bepaalt dat slechts tegen het gehele vonnis van de rechtbank hoger beroep kan worden ingesteld. Dat lijdt ingevolge het tweede lid van art. 407 Sr evenwel uitzondering wanneer het gaat om gevoegde zaken (cumulatief tenlastegelegde feiten). In die gevallen mag het hoger beroep door de verdachte en de officier van justitie worden beperkt tot het vonnis voor zover het een of meer van die gevoegde zaken betreft. Deze beperking kan uitsluitend – binnen de door de wet getrokken grenzen – geschieden door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken, eveneens door een in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring als voorzien in art. 453-454 Sv.
De bespreking van het middel 35. In de voorliggende zaak heeft de officier van justitie blijkens de daartoe ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank in volle omvang. Dit hoger beroep is later niet bij akte beperkt of (gedeeltelijk) ingetrokken. Uit de schriftuur houdende grieven en het requisitoir van de advocaat-generaal blijkt dat het het openbaar ministerie in hoger beroep (enkel) te doen is om het voor de gewapende strijd werven van [betrokkene 4] en [betrokkene 6] .
IV.De middelen drie tot en met vijf en de bespreking daarvan De middelen 41. De middelen drie tot en met vijf richten zich met verschillende klachten tegen de bewezenverklaring van het voor de gewapende strijd werven van [betrokkene 4] en [betrokkene 6] en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De middelen klagen dat: (i) de bewezenverklaring van het voor de gewapende strijd werven van [betrokkene 4] in strijd met art. 342, tweede lid, Sv steunt op verklaringen van één getuige – namelijk [betrokkene 4] – en aldus niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd (middel 3); (ii) de bewezenverklaring van het voor de gewapende strijd werven van [betrokkene 6] in strijd met art. 342, tweede lid, Sv steunt op verklaringen van één getuige – namelijk [betrokkene 6] – en aldus niet naar de eis der wet met redenen is omkleed (middel 4); (iii) het werven voor de gewapende strijd als bedoeld in art. 205 Sr van [betrokkene 6] niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid (middel 5).
De bewezenverklaring en bewijsoverwegingen van het hof 42. In het promis-arrest van het hof is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “1. hij in de periode van 1 juni 2013 tot en 1 juli 2014 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , zonder toestemming van de Koning, anderen heeft geworven voor de gewapende strijd, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
3.1.
Juridisch kader werven voor de gewapende, terroristische strijd (artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht) De verdachte wordt onder 1 primair – kort gezegd – verweten dat hij, zonder toestemming van de Koning, personen heeft geworven voor de gewapende, terroristische strijd van IS(IS) (artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht).
Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring op grond van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht is de gedraging van degene die werft van doorslaggevende betekenis, zonder dat het van belang is of het werven resultaat heeft. Niet vereist is dus dat de geworvene daadwerkelijk gaat deelnemen aan de gewapende, terroristische strijd. Het werven is reeds voltooid, wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting bij de gewapende, terroristische strijd te bewegen zich heeft geopenbaard, waarbij het doorgaans een geleidelijk proces bestaande uit meerdere handelingen zal betreffen. Het is echter geenszins uitgesloten dat het ook om een eenmalige handeling/gedraging van degene die werft kan gaan. Aan het bestanddeel ‘werven’ komt een ruime betekenis toe en kan op allerlei manieren plaatsvinden. Het bestanddeel wordt, blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht, omschreven als ‘iemand tot aansluiting bewegen’, ‘benaderen teneinde te overreden’, ‘bespelen (met behulp van communicatiemiddelen)’ en ‘beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen’ of vergelijkbare handelingen. Ook ‘ronselen voor de gewapende strijd’ valt onder het delictsbestanddeel werven. (Zie: Kamerstukken II vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11, 14 en 16).
3.2.
Achtergrond Het is een feit van algemene bekendheid; zoals daarvan (tevens) blijkt uit de door het hof geraadpleegde – en zonder noemenswaardige moeite op internet te raadplegen – algemeen toegankelijke bronnen, dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad. Het (alawitisch-sjiitische) regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. In reactie op de gewelddadigheden van het regime tegen de (overwegend soennitische) bevolking begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een burgeroorlog.
Naarmate de burgeroorlog vorderde, raakte deze steeds meer ‘gejihadiseerd’. Tal van jihadistische groeperingen mengden zich steeds meer en nadrukkelijker als oppositie in de strijd. Hun doel was niet alleen het ten val brengen van het regime van Bashar al-Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië en de terugkeer naar de ‘zuivere islam’. Dit werd onder meer gerechtvaardigd vanuit de ideologie van het salafisme. Binnen het hedendaagse salafisme is er een gewelddadige fundamentalistische stroming die de gewapende strijd (de ‘jihad’ of heilige oorlog) tegen alle ongelovigen heeft afgekondigd. Geweld, vooral strijden en sterven voor het geloof, is een belangrijke component van deze jihadistische ideologie.
De jihadistische beweging vormde de motor achter de huidige wereldwijde terroristische golf die wordt uitgevoerd onder het mom van een religieus gewapende strijd, de jihad. Men verkondigt de boodschap via het internet en doet een beroep op alle ‘ware’ gelovigen; in het jihadistische gedachtengoed staat het concept van de ‘umma’, de wereldwijde moslimgemeenschap, centraal. Omdat er een band bestaat tussen alle moslims, is ieder conflict waarbij moslims zijn betrokken van belang voor hun broeders en zusters elders in de wereld. Dit schept in principe de plicht voor alle moslims, ook in Nederland, deel te nemen aan de strijd die bijdraagt aan de bevrijding van andere broeders en zusters. Door extreem-fundamentalistische strijdgroepen in Syrië was de jihad uitgeroepen tot een individuele verplichting voor iedere moslim behoudens bepaalde uitzonderingen.
Aanvankelijk kwamen veel jihadistische opstandelingen uit Syrië zelf, maar al gauw werd het land een bestemming voor niet-Syrische jihadisten. Buitenlandse strijders, eerst voornamelijk uit het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Azië, later ook uit Europa, zijn naar Syrië gereisd om zich te mengen in de strijd. Daaronder waren ook Nederlandse jongeren.
In de strijd tegen het regime van Assad had zich ook een (voorheen) aan Al-Qa’ida gelieerde groep gemengd die eerder actief was in Irak. Het gaat hierbij om de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISIL of DAESH). ISIS stond onder leiding van de Irakees Abu Bakr al Baghdadi en heeft zich later omgedoopt tot de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) o.a. om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken.
Op 29 juni 2014 heeft ISIS het door hen verklaarde kalifaat uitgeroepen en is ISIL omgedoopt in de Islamitische Staat (IS). Als ‘kalifaat’ claimt IS het religieus, politiek en militair gezag over alle moslims verspreid over de gehele wereld. Abu Bakr al Baghdadi, de emir van de organisatie, wordt aangesteld als ‘kalief’ van IS. Alle moslims ter wereld worden vervolgens opgeroepen de eed van trouw af te leggen aan de zelf gekroonde ‘kalief’ Abu Bakr al Baghdadi en zich in IS-gebied te vestigen.
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat geweld inherent is aan IS. Dit komt naar voren uit tal van zeer simpel te raadplegen internetbronnen. Het geweld wordt dagelijks gebruikt, verheerlijkt en gepredikt. Met name de in de ogen van IS ongelovigen (‘kuffar') zijn het slachtoffer van door IS toegepast of opgeëist extreem geweld geworden. Tijdens militaire operaties en het uitoefenen van de macht in de door IS veroverde gebieden in Syrië en Irak bediende IS zich (onder meer) van (zelfmoordaanslagen, executies, mishandeling, verkrachting, gijzelingen en martelingen, dit alles met een terroristisch oogmerk (‘to spread terror among civilians’). In september 2014 riep IS alle aanhangers die niet kunnen uitreizen naar IS-gebieden op om aanslagen te plegen in landen die deel uitmaken van de anti-IS-coalitie. Een oproep die ook daadwerkelijk gevolgen heeft gehad.
IS wordt door de VN en een groot aantal daarvan deel uitmakende landen, waaronder de Europese Unie, inmiddels gezien als een terroristische organisatie. Het is dan ook een feit van algemene bekendheid dat de Nederlandse autoriteiten (‘de Koning’) geen toestemming geven aan wie dan ook om deel te nemen aan de (strijd van) IS.
3.3.
Concrete feiten en omstandigheden In het hiernavolgende zal het hof de concrete feiten en omstandigheden bespreken. Het hof volgt hierin grotendeels de overwegingen van de rechtbank, maar vult deze wel aan.
3.3.1.
Het gedachtegoed van de verdachte De verklaringen van de verdachte daaromtrent De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 1 mei 2018 verklaard – welke verklaring de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd – dat hij als Syriër volgde wat er zich in Syrië afspeelde. Vanaf de opstand tegen het bewind van president Assad werd het beeld gecreëerd dat het regime het volk onderdrukte en wreedheden beging. Daarvan werd de verdachte erg verdrietig en hij volgde de ontwikkelingen. Gaandeweg hoopte het verdriet zich op, omdat het erop leek dat niemand de Syrische bevolking te hulp schoot en het Syrische vrije leger zwakker werd. Het gaf de verdachte opluchting toen ISIS in beeld kwam, omdat hij het idee had dat er eindelijk wel iemand de bevolking te hulp schoot. De verdachte raakte enigszins aangetrokken tot de strijd, dat was in het jaar 2014. Na zijn afstuderen in dat jaar werd zijn aandacht intensiever. De verdachte vergaarde zelf informatie; hij geloofde niet alles wat de media over ISIS naar voren brachten en wilde het verhaal ook van de kant van ISIS bekijken. Verder verzamelde de verdachte veel materiaal over de islam en de uitleg ervan. De verdachte benaderde alles wat anderen beweerden kritisch en ging met anderen in discussie.
Naderhand kwam hij erachter dat ook ISIS, later als IS, wreedheden beging tegen onschuldige burgers en naarmate hij daar meer zekerheid over verkreeg, nam hij geleidelijk meer afstand van ISIS. Hij staat niet achter het plegen van aanslagen en heeft anderen niet aangemoedigd om te gaan strijden voor een terroristische organisatie. De verdachte ontkent verder dat hij gezegd zou hebben dat de leider van IS, Abu Bakr al Baghdadi, zijn leider was.
In 2015 had hij geen sympathie meer voor die organisatie; als hij in die tijd nog digitale magazines van IS gedownload heeft, wil dat niet zeggen dat hij die ook helemaal gelezen heeft of zich kon vinden in wat hij las. Als hij filmpjes van bijvoorbeeld onthoofdingen heeft laten zien aan personen, was dat sporadisch en niet gericht op beïnvloeding.
3.3.2.
De verklaringen van de verdachte zijn echter niet het hele verhaal Het hof constateert met de rechtbank dat uit het dossier een ander beeld naar voren komt dan het beeld dat de verdachte van zichzelf schetst. De verdachte beperkte zich niet tot het bestuderen en bediscussiëren van standpunten, waaronder dat van terreurorganisatie IS, maar nam radicale ideeën van die terreurorganisatie over. Onlosmakelijk onderdeel van de ideologie van IS is dat er gewapende strijd moet worden geleverd. Ook dat idee nam de verdachte over. Dat blijkt niet alleen uit de grote hoeveelheid materiaal die de verdachte verzameld had maar ook uit verklaringen. In elk geval heeft de verdachte in elk geval twee personen concreet en bewijsbaar getracht te bewegen tot aansluiting bij IS en die strijd.
Aangetroffen materiaal in de auto van de verdachte Bij zijn aanhouding op 21 juni 2017 werd bij de verdachte een USB-stick inbeslaggenomen met daarop meer dan 800 IS-gerelateerde afbeeldingen, afkomstig uit het tijdschrift Dabiq van IS. Op de afbeeldingen zijn onder andere strijders te zien, personen die geliquideerd worden door beulen, afgehakte hoofden, personen die verbrand zijn, dode strijders, dode militairen en personen bij wie een mes op de keel wordt gezet door beulen.
Ook stonden er 32 jihadgerelateerde video's op. In deze video's wordt onder andere gesproken over het aanbidden van het kalifaat, het aanbevelen van de jihad, de verplichting om deel te nemen aan de jihad, het oproepen tot migratie naar Islamitische Staat en ander IS-propagandistisch materiaal. Op de laptop die eveneens inbeslaggenomen werd, stonden pdf-bestanden van het online-tijdschrift Dabiq van IS. Ook dat betreft IS-propagandamateriaal. Het betreft negen tijdschriften, gepubliceerd van juni 2014 tot en met mei 2015. Ook stonden er diverse videobestanden op met onder andere beelden van executies, IS-vlaggen en andere jihadistische beelden, alsmede (radicale) toespraken en interviews over de jihad. Verder werd er nog een cd aangetroffen met liederen ter verheerlijking van de jihad en zelfmoordaanslagen.
De verklaring van [betrokkene 8] De imam van de moskee in [plaats] , [betrokkene 8] , heeft verklaard dat het bestuur van de moskee hem wees op de verdachte als een man met radicale ideeën en die jongeren zou aanspreken over de strijd in Syrië en hen probeerde te beïnvloeden daaraan deel te nemen. [betrokkene 8] heeft geprobeerd de verdachte aan te spreken vanuit zijn corrigerende functie om hem op andere gedachten te brengen en binnen de gemeenschap te houden. [betrokkene 8] probeerde de verdachte te overtuigen met uitspraken van geleerden die de handelingen van IS ten stelligste afkeurden, maar de verdachte was zeer vastbesloten en verklaarde dat Abu Bakr al Baghdadi zijn leider en geleerde was en dat IS zijn staat was. Omdat de verdachte geen afstand wilde nemen van zijn radicale ideeën is hem de toegang tot de moskee ontzegd, aldus de getuige.
De verklaringen van [betrokkene 1] , woordvoerder van de moskee El Houda in [plaats] , heeft verklaard dat de verdachte een soort verbod had gekregen: de verdachte was nog wel welkom om te bidden, maar mocht zich verder niet ophouden in de moskee, vanwege zijn radicale ideeën. Over de verdachte heeft hij verder het volgende verklaard.
Volgens [betrokkene 4] werd hij in de periode juli-november 2013 door de verdachte aangespoord om filmpjes te zoeken van het geweld dat door Assad werd begaan en [betrokkene 4] kreeg van de verdachte te horen dat ISIS (later IS) de groep was die mogelijk voor het juiste streed. [betrokkene 4] zag vele gewelddadige filmpjes waarin mensen op gruwelijke wijze gedood en gemarteld werden. De verdachte zei toen dat zij [het hof leest: de verdachte en [betrokkene 4]] in zonde verkeerden, omdat zij in een niet-islamitisch land leefden en toestonden dat geloofsgenoten werden vermoord, verkracht en gemarteld. De verdachte zei dat zij moesten emigreren naar de strijd in Syrië en dat zij zich moesten aansluiten bij de milities die tegen het regime van Assad streden. De imam raadde dat af, maar de verdachte was van mening dat deze imam niet naar zijn geloof handelde omtrent de strijd in Syrië.
Door de verdachte werd [betrokkene 4] in contact gebracht met de ideeën van geleerden die de strijd in Syrië verheerlijkten. De verdachte vertelde herhaaldelijk over het vele onrecht en spoorde [betrokkene 4] aan te zoeken op YouTube naar filmpjes over dit onrecht. [betrokkene 4] ging twijfelen aan de imam. De verdachte stelde zelfs dat de zorg van [betrokkene 4] voor diens moeder ondergeschikt was aan het uitreizen voor de jihad en het strijden in Syrië. Ook zijn studie zou [betrokkene 4] moeten laten vallen. Door de verdachte werd gezegd dat hij wel iemand kende die [betrokkene 4] zou kunnen helpen met het uitreizen naar Syrië; de verdachte zelf zou ook helpen. Dat was in de periode oktober 2013-maart 2014.
Later, in 2014 toen IS het kalifaat uitriep, zei de verdachte ook dat zij zich moesten aansluiten bij IS [het hof merkt op: het kalifaat werd uitgeroepen op 29 juni 2014]. De verdachte zei een keer dat zij en nog een paar andere jongeren een goedkoop autootje moesten halen en kijken hoever ze zouden komen richting Syrië. De verdachte zou hem naar een soort ophaalpunt kunnen brengen, van waaruit mensen naar Syrië gebracht werden. Volgens de verdachte waren er meer van deze ophaalpunten en verplaatsten die steeds. In de herfst/winter 2014 heeft de verdachte tegen [betrokkene 4] gezegd dat hij naar een moskee in Neeroeteren moest gaan om lessen te volgen over het geloof teneinde meer kennis op te doen over Syrië en het uitreizen daarheen. Aldaar kreeg [betrokkene 4] te horen van bewijzen vanuit de islam waaruit zou blijken dat het mogelijk wel was toegestaan om zelfmoordaanslagen te plegen.
De verdachte heeft tegen [betrokkene 4] gezegd dat Abu Bakr al Baghdadi zijn leider was en dat hij te allen tijde gehoorzaamd moest worden. Concreet over welke hulp de verdachte zou bieden werd hij niet, maar de verdachte deed algemene uitspraken, zoals ‘We komen er wel’ en ‘God maakt alles makkelijk’. Volgens de verdachte kregen diegenen die uitreizen en deelnemen aan de strijd de hoogste plaats in het paradijs, tevredenheid van God. Ook zouden daar wereldse beloningen tegenover staan als ze in Syrië zouden gaan strijden. De verdachte heeft tegen [betrokkene 4] gezegd dat met de aanslagen in Parijs op Charlie Hebdo de eer van de profeet Mohammed verdedigd was en dat het vergoten bloed in Syrië hier met bloed vergolden mocht worden. [betrokkene 4] heeft verder verklaard dat het gedachtegoed van de verdachte bestond uit het ongelovig verklaren van moslimleiders die anders dachten, het hebben van pro-ISIS sympathieën, het goedpraten van uitreizen naar Syrië, Abu Bakr al Baghdadi als de leider aanduiden en de daden van IS goedpraten met islamitische bewijzen. Volgens [betrokkene 4] probeerde de verdachte ook anderen te inspireren om naar Syrië te gaan en deel te nemen aan de strijd. [betrokkene 4] heeft aan deze verklaringen later, op 29 juni 2017, nog meer toegevoegd. Zo heeft hij verklaard dat de verdachte hem het Dabiq-magazine heeft laten zien en filmpjes van pro-ISIS predikers. De verdachte is ook bij [betrokkene 4] thuis geweest en heeft op de laptop van [betrokkene 4] filmpjes opgezocht: één van deze filmpjes betrof een officier van ISIS, Abou Mohammed El Danani, en die film ging over een pro-ISIS preek. Ook hebben ze samen filmpjes gezien waarin mensen werden vermoord. De verdachte wilde goedpraten wat hij zag; hij praatte vaak het gedrag van ISIS en hun misdaden goed.
De verklaringen van [betrokkene 6] heeft meerdere verklaringen in dezelfde lijn afgelegd. In zijn tweede verklaring heeft [betrokkene 6] het volgende verklaard. [betrokkene 6] is drie jaar geleden [het hof begrijpt in 2014, gelet op de datum waarop het verhoor plaatsvond, te weten op 26 juli 2017] bekeerd tot de islam. Hij heeft de verdachte leren kennen nadat hij was bekeerd. Dat was in de moskee in [plaats] . Hij heeft met hem gevoetbald en hij kreeg Arabische les van hem, in spreken en schrijven. [betrokkene 6] heeft gehoord dat de verdachte problemen had met de moskee in [plaats] . De verdachte zou binnen en buiten de moskee ronselen voor de strijd in Syrië. Met ‘ronselen’ bedoelt [betrokkene 6] het mensen overhalen om naar Syrië te gaan om daar te gaan strijden. Op de vraag in hoeverre de verdachte hem op die manier wilde ronselen verklaarde [betrokkene 6] dat de verdachte het er wel eens met hem over heeft gehad, waarmee hij bedoelde dat de verdachte hem wel eens vertelde wat er in Syrië allemaal gebeurde. De verdachte vertelde hem dat in Syrië onschuldige mensen werden vermoord. Ook had de verdachte hem filmpjes laten zien over mensen die onthoofd werden in Syrië. Die filmpjes stonden op de laptop van de verdachte.
De verdachte had [betrokkene 6] op een keer te eten gevraagd in een appartement in [plaats] , waar de verdachte toen tijdelijk woonde, en na het eten begon de verdachte op een gegeven moment te praten over Syrië. Hij praatte over onschuldige mensen die daar werden afgeslacht en dat de Arabische landen er niets tegen deden. Volgens de verdachte waren onder andere Amerika en het regime van Syrië de oorzaak van de ellende in Syrië. De verdachte zei dat zij, als moslims, er iets aan moesten doen. Verder zei de verdachte dat IS een magazine heeft. Als [betrokkene 6] iets over dat magazine wilde weten, kon hij dat aan de verdachte laten weten, waarna de verdachte het aan hem kon geven om te lezen.
De verdachte vertelde dat ISIS in Syrië een ziekenhuis had en hoe ISIS in Syrië leefde. Ook vertelde hij dat in het magazine informatie stond over de technologie van ISIS en dat er in Syrië chemische aanvallen plaatsvonden. Volgens de verdachte gooiden Amerika en het regime van Syrië constant bommen. [betrokkene 6] denkt dat de verdachte het magazine van een site had gehaald. De verdachte liet hem het magazine op zijn – verdachtes – laptop zien. De verdachte was enthousiast over dat magazine. [betrokkene 6] merkte dat, omdat de verdachte hem het magazine liet zien en zei dat hij het ook eens moest lezen. Ook merkte hij het aan de manier waarop hij het liet zien en erover vertelde. De verdachte reageerde positief op de beelden. In elk geval heeft hij zijn afkeer niet laten blijken en hij heeft ook niet gezegd dat hij het niet goed vond dat dit gebeurde. Dit heeft ongeveer twee jaar geleden plaatsgevonden [het hof begrijpt medio 2015, gelet op de datum van het verhoor].
Diezelfde avond heeft de verdachte [betrokkene 6] , naast het magazine van IS, ook een filmpje laten zien waarop mensen worden onthoofd in Syrië. De mensen die dat deden droegen gewaden en een masker. De mensen die onthoofd werden, zaten geknield. Ze werden met een zwaard in één keer onthoofd. Het waren heftige beelden. De verdachte vertelde hem dat dit gebeurde in Syrië. Het filmpje gaf [betrokkene 6] een ongemakkelijk gevoel; hij vond de beelden verschrikkelijk. Hij dacht dat de verdachte anders over dat filmpje dacht, het tegengestelde. [betrokkene 6] heeft van [betrokkene 1] gehoord dat de verdachte jongemannen in de leeftijd van 20 à 30 jaar ronselde om naar Syrië te gaan. Om die reden mocht de verdachte niet meer in de moskee in [plaats] komen. Dat speelde ongeveer anderhalf jaar geleden [het hof begrijpt, gelet op de datum van het verhoor, rond begin 2016]. [betrokkene 1] zei dat de verdachte ook [betrokkene 6] zou kunnen proberen te ronselen en daar waarschuwde hij [betrokkene 6] voor.
De verdachte heeft [betrokkene 6] wel eens gezegd dat als hij zijn geloof niet hier kon praktiseren, hij dan naar een islamitisch land moest gaan, zoals Marokko, Egypte of Syrië. De verdachte zei hem, dat hij juist in Syrië, waar Islamitische Staat heerste, zijn geloof kon praktiseren. Ook heeft de verdachte hem gezegd dat Abu Bakr al Baghdadi DE leider was van Islamitische Staat.
De verklaring van [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij regelmatig in de moskee in [plaats] kwam, onder andere voor het gebed. Hij kende de verdachte van die moskee en van het voetballen. Ook hij kreeg Arabische les van hem. [betrokkene 7] heeft onder andere van [betrokkene 1] gehoord dat de verdachte probeerde om mensen te ronselen voor de gewapende strijd. Onder ‘ronselen’ verstaat [betrokkene 7] het brainwashen van mensen om naar Syrië te gaan, naar het kalifaat. [betrokkene 7] kende ook [betrokkene 6] . Hij vond [betrokkene 6] beïnvloedbaar en naïef. Hij had het vermoeden dat de verdachte geprobeerd heeft om [betrokkene 6] te beïnvloeden. [betrokkene 6] volgde namelijk ook lessen van de verdachte en de verdachte zocht de wat zwakkere mensen uit, die sneller beïnvloedbaar waren. Volgens [betrokkene 7] is de verdachte slim en deskundig.
3.4.
Overwegingen en conclusies met betrekking tot het bewijs en de juridische waardering daarvan Het hof trekt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen de conclusie dat de verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 6] toentertijd heeft geworven voor de jihad in Syrië. De verdachte hing de ideologie van IS aan en heeft vis-à-vis op beiden ingepraat, dit gebeurde tijdens voetbal, Arabische les, in/buiten de moskee in [plaats] en bij de verdachte thuis, door zijn gedachtegoed prijs te geven, te verdedigen en kracht bij te zetten met propagandamateriaal, onder meer inhoudende dat IS en de jihad in Syrië goed waren en de oproep tot de strijd gevolgd moest worden. Ook heeft de verdachte zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 6] beeldmateriaal laten zien om hen te overtuigen. Tegenover [betrokkene 4] heeft de verdachte dit alles zelfs bij herhaling gedaan.
Op deze wijze heeft de verdachte zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 6] bespeeld met behulp van communicatiemiddelen, hen beïnvloed en ideologisch rijp gemaakt, een en ander om hen te bewegen tot aansluiting bij de gewapende, terroristische strijd. Hiermee is de verdachte te werk gegaan op een wijze overeenkomstig die blijkens de wetsgeschiedenis met ‘werven’ werd beoogd. Dat [betrokkene 4] en [betrokkene 6] daar geen gevolg aan hebben gegeven, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg, zoals hiervóór bij het juridisch kader van artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht is uiteengezet.
Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaringen van de verdachte, dat het alleen is gebleven bij het geven van uiting aan een schokkend en verontrustend gedachtegoed. Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat de verdachte met zijn radicale overtuiging anderen – [betrokkene 4] en [betrokkene 6] – door middel van een geleidelijk proces van beïnvloeding is aan gaan zetten om over te gaan tot het in de praktijk brengen van dat gedachtegoed door zelf te gaan strijden in Syrië. Er is voldaan aan de juridische criteria: er is geworven door de verdachte met het oog op daadwerkelijke deelname aan de gewapende strijd van IS, een terroristische organisatie die zich bezighield met het begaan van terroristische misdrijven (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht).
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 1] overweegt het hof, grotendeels in navolging van de rechtbank als volgt. Duidelijk is geworden dat de getuige [betrokkene 1] zeer belastend over de verdachte heeft verklaard en dat hij naar voren komt uit verklaringen als iemand die behoorlijk op de verdachte gebeten was. Zijn verklaringen zijn echter gedetailleerd en coherent. Ook kan niet worden gezegd dat [betrokkene 4] de verdachte blindelings beschuldigt, want hoewel [betrokkene 4] tegenover de politie heeft verklaard dat hij denkt dat de verdachte ook andere jongeren heeft willen beïnvloeden, heeft hij steeds gezegd dat hij dat niet zelf heeft gezien of gehoord.
De door de verdediging aangehaalde verklaringen van de moeder en de broer van [betrokkene 1] doen naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van diens verklaringen voor zover het hof die voor het bewijs heeft gebruikt. Noch de moeder van [betrokkene 4] , noch diens broer heeft specifiek en concreet verklaard dat die verklaringen niet juist zouden zijn, laat staan dat zij dat uit eigen wetenschap zouden weten. Hun verklaringen komen er – kort gezegd – op neer dat [betrokkene 4] in zijn algemeenheid wel eens liegt en mensen ten onrechte beschuldigt, maar dat betekent niet dat hij dat in dit geval ook zou hebben gedaan. De verklaringen van [betrokkene 4] vinden bovendien bevestiging in de verklaring van de getuige imam [betrokkene 8] en voor een deel ook in die van de getuige [betrokkene 6] en de getuige [betrokkene 7] . Ook uit de verklaringen van [betrokkene 8] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] blijkt dat verdachte zijn radicale gedachtegoed propageerde. [betrokkene 6] heeft dat zelf ook aan den lijve ondervonden.
De getuige imam [betrokkene 8] heeft, net als [betrokkene 1] , de verdachte van zijn ideeën willen afhelpen, zonder dat dit lukte. De stelling dat de imam slechts [betrokkene 4] napraat, heeft de verdediging niet concreet onderbouwd. Dat de getuige [betrokkene 8] kennelijk met het bestuur van de moskee in [plaats] overleg heeft gehad voorafgaand aan het afleggen van een verklaring tegenover de politie, bevestigt nog niet dat deze getuige slechts een gerucht overbrengt van één van die bestuursleden ( [betrokkene 4] ). Uit de verklaring volgt duidelijk dat [betrokkene 8] zelf heeft waargenomen dat de verdachte de radicale ideeën die hij ook aan [betrokkene 4] heeft geopenbaard tot de zijne had gemaakt en daarvan beslist geen afstand wilde nemen.
De bewijsverweren worden derhalve verworpen.”
De verklaring van de verdachte en het verweer van de verdediging 44. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2021 houdt onder meer het volgende in: “De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter het volgende.
Het klopt dat ik aan anderen filmpjes heb laten zien van bijvoorbeeld onthoofdingen, maar dat waren niet specifiek filmpjes van IS. Een paar keer heeft iemand met mij meegekeken terwijl ik zelf naar een filmpje keek.
U houdt mij voor wat ik in eerste aanleg over die filmpjes heb verklaard, dat ik die filmpjes liet zien om mijn verdriet over wat er in Syrië gaande was te delen en om aan te geven waar mijn verdriet vandaan kwam. Het klopt dat ik die filmpjes heb laten zien, maar dat was niet om mensen te werven om naar Syrië te gaan. Het had dus een andere reden.
U vraagt mij waarom ik die filmpjes verzamelde. Ik had veel materiaal, niet alleen over IS. Ik had veel Islam-gerelateerde bestanden. Veel filmpjes op internet moest je eerst downloaden om ze te kunnen bekijken. Daarom heb ik die filmpjes gedownload. Dat werkte dus anders dan bij bijvoorbeeld YouTube, waar je de filmpjes direct kunt bekijken als je ze aanklikt.
U zegt mij dat ik ook materiaal op digitale gegevensdragers heb gezet. Ja, dat klopt, maar dat waren niet alleen IS-filmpjes. Ik heb al mijn bestanden op usb-sticks gezet, omdat mijn computer kapot was gegaan en ik een andere computer had. U vraagt mij waarom ik die filmpjes wilde bewaren nadat ik ze had gezien. Dat was voor mijn onderzoek. Ik heb ook veel bestanden verwijderd waar ik niets meer aan had. Van andere bestanden vroeg ik mij af of ik ze zou verwijderen of niet. Het was geen aangename periode voor mij. Ik was niet echt bezig met de vraag of ik bestanden moest verwijderen of niet.
U zegt mij dat er in het dossier verklaringen zitten van mensen die verklaren dat ik hun filmpjes heb laten zien, bijvoorbeeld [betrokkene 6] . Ik heb hem niet zozeer filmpjes laten zien; hij was bij mij op bezoek en heeft met mij meegekeken toen ik op mijn computer een filmpje keek. U vraagt mij waarom ik op mijn computer een filmpje ging kijken als er iemand bij mij op bezoek was. [betrokkene 6] kwam bij mij op bezoek. Hij was bezig met een MBO-opleiding. Hij wist niet of hij daarmee verder zou gaan of niet. Daarover heb ik met hem gesproken. Op een gegeven moment ging hij naar de wc of ging zijn telefoon over. Ik ben toen met mijn laptop bezig gegaan. Ik had daar een filmpje op open staan en dat ging ik bekijken. Toen hij weer binnenkwam, ging hij naast mij zitten. Ik zei tegen hem dat hij niet moest meekijken als hij dat niet wilde. Hij zei toen nee en daarop heb ik het filmpje afgesloten. Zo herinner ik het mij ongeveer.
Ik kende [betrokkene 6] van de moskee en van het voetballen. Ik heb enkele korte gesprekken met hem gehad over Syrië, maar niet vaak, alleen als het ter sprake kwam.
Ik was bezig met het doen van onderzoek. Het raakte mij wat er in Syrië gebeurde. Ik was al veel met Syrië bezig vóór de komst van IS(IS). Ik begon mij te verdiepen in het Syrische Vrije Leger en in verschillende groeperingen. Zo begon ik mij ook te verdiepen in wat later IS werd genoemd. U vraagt mij of ik daar achter stond. Waar achter bedoelt u? U vraagt mij hoe ik toen tegen de opkomst van IS aankeek en dat werd opgeroepen om te komen strijden. Destijds was er veel twijfel over hoe je daar tegenaan moest kijken. Ik zag het niet als een verplichting voor iedere moslim om daarmee te helpen. Het is begonnen met het feit dat ik moeite had met het oordeel dat over anderen werd geveld. Toen IS opkwam, werd er van alles gezegd, dat je niet mocht demonstreren, enz. Er werd toen over van alles en nog wat een oordeel geveld. Ik was daar kritisch over. Ik zag IS niet als dwalende. Toen is mijn onderzoek begonnen.
U vraagt mij of ik op enig moment van plan ben geweest om mij aan te sluiten bij IS. Nee, absoluut niet. De verhalen daarover zijn uit hun verband gerukt. Ik denk dat u doelt op de verklaringen van [betrokkene 1] . Veel verhalen zijn verdraaid of er is een eigen draai aan gegeven. Als er bijvoorbeeld discussie ontstond over wat geleerden zeiden en ik naar voren bracht dat andere geleerden andere dingen zeiden, dan werd gezegd dat als ik geen afstand van die geleerden nam, ik achter die geleerden stond. Zo is het verhaal ontstaan dat ik achter IS zou staan.
U zegt mij dat ik volgens het dossier op een gegeven moment niet meer naar een aantal moskeeën mocht komen voor het vrijdaggebed omdat ik daar mensen ronselde en opruiende taal gebruikte. Ik denk dat u het nu hebt over de moskee in [plaats] en de verklaring van [betrokkene 10] . Hij had een garagebedrijf. Op een gegeven moment heb ik een gesprek met hem gehad. Ik heb hem gevraagd of het klopte wat hij volgens het dossier tegen de politie zou hebben gezegd. Hij heeft toen gezegd dat dat niet klopte en dat hij nooit tegen de politie heeft gezegd dat ik niet meer in een moskee mocht komen. Mij is nooit door bestuursleden gezegd dat ik niet meer in de moskee in [plaats] of [plaats] zou mogen komen. Alleen [betrokkene 1] heeft zoiets gezegd. Ik heb vaak ruzie met hem gehad. Hij heeft mij een paar keer gezegd: ‘Weg hier’. Ik wilde geen ruzie. Ik had moeite met het aangeven van grenzen en nam daarom afstand. Daarmee was het voor mij klaar. Door zijn verhalen wordt aangenomen dat mij door het bestuur van de moskee in [plaats] de toegang tot de moskee zou zijn ontzegd, maar dat is dus niet zo.
U zegt mij dat mij in de tenlastelegging ook wordt verweten dat ik [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en een of meer anderen zou hebben geronseld. Ik ken deze personen. [betrokkene 7] ken ik niet zo goed, alleen van het voetballen en van de moskee. [betrokkene 3] kende ik nog maar kort. Hij is het broertje van mijn vrouw [betrokkene 11] . Ik heb misschien één keer een gesprek met hem gehad over Syrië en IS. Hij was voortvluchtig. Er was een soort vijandschap tussen hem en [betrokkene 11] en daar zat ik tussenin. Ik houd echter niet van ruzie; ik trek mij dan terug. [betrokkene 12] ben ik één keer tegengekomen in de moskee. Hij nodigde mij uit om een kopje thee te komen drinken. Ik ben toen bij hem geweest en we hebben gesproken over Syrië, over het Arabisch en over zijn geschiedenis. We hebben het weinig over mij gehad. Achteraf is mij veel duidelijk geworden over hem, bijvoorbeeld dat hij vaak in de moskee in [plaats] kwam en zodoende ook deel uitmaakte van de groep daar. Toen vielen de puzzelstukjes voor mij op hun plaats, waarom hij bepaalde uitspraken had gedaan, enz.
U vraagt mij of ik gezegd heb dat Abu Bakr al Baghdadi mijn leider was. Nee, dat heb ik nooit gezegd. Er wordt in het dossier steeds een draai aan mijn woorden gegeven. Als ik vertelde dat hij de leider was van IS en mij werd gevraagd of ik hem als leider zag, zei ik dat ik het niet wist. Dat werd dan zo uitgelegd dat ik gezegd had dat hij mijn leider was.
Ik heb nooit tegen de imam gezegd dat Abu Bakr al Baghdadi mijn leider was. Ik heb nooit met hem een gesprek gehad over hem. Ik heb die imam sinds 2015 niet meer gesproken of gezien nadat hij afstand had genomen van de moskee in [plaats] .
Ik sta nog steeds achter wat ik bij de rechtbank heb verklaard.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte het volgende:
De oudste raadsheer zegt mij dat als mij verklaringen van anderen worden voorgehouden, ik steeds zeg dat het niet klopt wat zij verklaren. De oudste raadsheer vraagt mij waarom die getuigen dingen over mij verklaren die niet zouden kloppen. Ik heb het dan vooral over [betrokkene 1] . Hij heeft mij veel gesproken en hij geeft vaak ergens een draai aan en hij liegt over mij. Hij heeft een hekel aan mij, omdat ik zijn broertje [betrokkene 13] zou hebben beïnvloed. Ik heb wel met [betrokkene 1] gediscussieerd, omdat ik een andere mening had dan hij, maar ik heb nooit geprobeerd om hem over te halen om deel te nemen aan de gewapende strijd. [betrokkene 1] vindt dat als je niet zijn standpunt aanhangt, je een dwalende bent.
De oudste raadsheer zegt mij dat ik het nu alleen heb over [betrokkene 1] en vraagt mij waarom de andere getuigen onjuistheden over mij zouden verklaren. [betrokkene 1] heeft overal over mij zitten liegen. Anderen kregen daardoor een verkeerd beeld van mij en trokken verkeerde conclusies. Alle geruchten die over mij de ronde doen komen vooral uit zijn koker.
De verdachte verklaart op vragen van de jongste raadsheer het volgende.
De jongste raadsheer vraagt mij of ik mensen heb gesproken over uitreizen naar Syrië. Nee. De jongste raadsheer vraagt mij of ik las over uitreizen. Nee. De jongste raadsheer vraagt mij of ik wist hoe het ging als je zou uitreizen, of je werd opgevangen, of je ergens werd ondergebracht, of je een salaris ontving, enz. Nee, ik onderzocht het gedachtegoed van IS en de islamitische onderbouwing daarvan. Ik wilde namelijk een goed moslim zijn en wilde niet achter iets of iemand staan waarvan ik het gedachtegoed niet deel. Dat was de reden van mijn onderzoek.
De jongste raadsheer zegt mij dat ik volgens het dossier zou hebben verteld wat er zou gaan gebeuren als je zou uitreizen. Dat is uit zijn verband getrokken. De jongste raadsheer vraagt mij of het uit zijn verband is getrokken of dat het is verzonnen. Een aantal dingen is verzonnen. Zo heb ik nooit met [betrokkene 1] gesproken over uitreizen, ook niet met andere mensen. Wel kan het zijn dat ik een keer verteld heb over mensen die zijn veroordeeld wegens uitreizen.
Ik heb zelf nooit overwogen om uit te reizen. Wel heb ik overwogen hoe ik kon helpen. De jongste raadsheer vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Ik heb nagedacht over wat ik als mens kon bijdragen aan wat er in Syrië gebeurde. Mijn conclusie was echter dat ik weinig kon bijdragen. Ik heb nooit steun willen geven aan IS. Het ging mij altijd alleen om het Syrische volk. Ik weet niet hoe ik had willen helpen of had kunnen helpen.
De jongste raadsheer houdt mij voor dat in eerste aanleg door mijn toenmalige raadsman naar voren is gebracht dat ik in 2014 IS-gerelateerde bestanden heb gedownload en bekeken omdat ik nieuwsgierig was en dat ik deze bestanden in 2016 via een usb-stick heb overgezet naar een andere computer omdat de vorige kapot was gegaan, maar dat daarmee niet gezegd is dat ik die bestanden nog steeds gebruikte of raadpleegde. De jongste raadsheer zegt mij dat uit onderzoek van de politie echter is gebleken dat er in de periode van juni 2014 tot en met mei 2015 negen online magazines van IS zijn gedownload en bekeken op mijn computer, dus ook na 2014. De jongste raadsheer vraagt mij of ik die magazines nog steeds lees. Nee, daarmee ben ik gestopt in 2015. Ik was er via de mainstream-media achter gekomen dat IS een magazine uitgaf en dat ben ik vervolgens gaan lezen. Ik ben daar in 2015 mee gestopt, omdat ik geen belangstelling meer had. Ik begon steeds meer afstand te nemen van IS, omdat ik de wreedheden van IS zag. Ik was het met veel zaken niet eens. De jongste raadsheer vraagt mij waarmee ik het dan niet eens was. Ik bedoel dan het extremisme, de radicale opvattingen, de oproepen tot aanslagen, enz. Ik begreep wel waar die vandaan kwamen, maar ik stond er niet achter. De jongste raadsheer vraagt mij wat voor mij het keerpunt was. Ik kan zo geen keerpunt noemen.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt.
De oudste raadsheer vraagt mij waarom ik niet eerder afstand heb genomen van het gedachtegoed van IS, toen ik de filmpjes zag van onthoofdingen e.d. door IS. De laatste keer dat ik een dergelijk filmpje heb gezien was in 2015 denk ik, samen met [betrokkene 6] . Toen ben ik met het bekijken van zulke filmpjes gestopt. De oudste raadsheer zegt mij dat zij niet begrijpt waarom ik niet eerder vanwege alle wreedheden afstand heb genomen van het gedachtegoed van IS. Het is geleidelijk gegaan bij mij. Er is niet één specifieke gebeurtenis geweest waarom ik ben afgehaakt. Ik zag de mensen van IS nog altijd als moslim. Ik weet niet hoe ik het heb afgebouwd.
De verdachte verklaart op vragen van de advocaat-generaal als volgt.
De advocaat-generaal vraagt mij wanneer ik precies afstand ben gaan nemen van het gedachtegoed van IS. Dat was ergens in 2015. Dat is het meest duidelijke antwoord dat ik kan geven.
De advocaat-generaal zegt mij dat ik heb verklaard dat de verklaringen van anderen niet kloppen. De advocaat-generaal vraagt mij of het dan ook niet klopt wat een wijkagent heeft opgeschreven over een gesprek dat hij met mij heeft gevoerd. Hebt u het dan over [plaats] ?
De advocaat-generaal beaamt dit.
De verdachte verklaart het volgende.
Het klopt dat ik met een wijkagent heb gesproken. Ik sta nog steeds achter wat ik daar eerder over heb verklaard bij de rechtbank.
De advocaat-generaal zegt mij dat mij bij de rechtbank is voorgehouden wat de wijkagent heeft opgeschreven over het gesprek dat hij met mij had gevoerd en dat ik toen heb verklaard dat het niet kan kloppen wat ik volgens de wijkagent zou hebben gezegd over 9/11. De advocaat-generaal vraagt mij wat er dan niet zou kloppen. Ik heb mijn verklaring bij de rechtbank niet in mijn hoofd zitten. Kunt u mij voorlezen wat ik toen heb verklaard?
De advocaat-generaal antwoordt daarop het volgende.
Ik zal het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank er dadelijk bij pakken. Ondertussen heb ik een andere vraag: in het dossier komt het beeld naar voren dat u nogal stevig discussieerde als het over Syrië ging in de moskee: Klopt dat?
De verdachte verklaart het volgende.
Dat klopt. De advocaat-generaal vraagt mij wat ik daarmee wilde bereiken. Ik initieerde dergelijke discussies nooit of bijna nooit. Mij werden vaak vragen gesteld over hoe het ging in Syrië, omdat ik daar vandaan kwam. Zo ontstonden die discussies.
De advocaat-generaal zegt mij, dat als anderen telkens het gesprek over Syrië initieerden, ik toch ook gewoon had kunnen zeggen dat ik geen zin had om daarover te praten, temeer omdat ik in een aantal moskeeën al niet meer welkom was. Mij is nooit de toegang tot de moskee in [plaats] of [plaats] ontzegd. Alleen het bestuur van de moskee in [plaats] heeft mij gezegd dat ik niet meer in die moskee mocht komen. Mij is echter nooit de reden daarvan verteld. Ik ben daarover niet in discussie gegaan. Ik heb gezegd: ‘Da’s goed’. De imam was het er ook niet mee eens.
De advocaat-generaal deelt het volgende mede.
Ik hoor het u zeggen.
Inmiddels heb ik het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank op 1 mei 2018 erbij gepakt. Ik houd een stukje uit de verklaring van de verdachte voor die hij toen heeft afgelegd, opgenomen op pag. 3 van dat proces-verbaal: ‘Het kan niet kloppen wat ik volgens de wijkagent gezegd zou hebben over 9/11. Hoe oud was ik ten tijde van die aanslag eenmaal? 13 jaar. Wat u nu voorleest uit dat gesprek omvat twee minuutjes van dat gesprek, terwijl het een half uurtje geduurd heeft. Het was een vraag en antwoordsessie. Ik heb zojuist uitleg gegeven en zo heb ik het toen ook gezegd.’ De voorzitter deelt daarop het volgende mede.
In aanvulling daarop: op pag. 20 en 21 van het proces-verbaal van politie is vermeld dat er tussen de wijkagent en de verdachte een gesprek heeft plaatsgevonden over radicalisering en dat de verdachte daarbij het volgende zou hebben aangegeven: ‘- dat hij streng gelovig is geworden na de grote aanslag in Amerika. Hij is zich toen meer voor het moslimgeloof gaan interesseren. Hij komt nu regelmatig in de moskee in [plaats] om daar te bidden en met anderen te discussiëren.
Deze boekjes geeft hij aan niet-moslims om hen zo ook te overtuigen van zijn geloof.
De wijkagent gaf aan dat [verdachte] dit vertelde met een glimlach op zijn gezicht en met de overtuiging dat dit de normaalste zaak van de wereld is’.
De verdachte verklaart het volgende.
Ik herinner mij het gesprek met de wijkagent. Als ik nu zou zeggen dat ik de aanslagen begrijp, krijg ik de vraag ‘waarom?’. Dan ga ik dat uitleggen. Dat betekent echter niet dat dat mijn standpunt is. Ik geef dan aan dat zij het zus en zo zien, dat ze achter het geloof staan, dat ze willen opkomen voor alle moslims, dat zij het als oorlog zien en dat dat leidt tot actie, enz. Als ik dat uitleg, wordt dat gezien als mijn standpunt, maar dat was het niet. Volgens de wijkagent zou ik gezegd hebben dat ik na de grote aanslag in Amerika streng gelovig ben geworden. Ik was ten tijde van die aanslag echter 13 of 14 jaar. Hoe streng gelovig wil je zijn als je zo oud bent?
De advocaat-generaal en de raadsman delen desgevraagd mede dat het dossier voldoende is voorgehouden wat betreft de feiten.
De verdachte verklaart het volgende. Ik wil nog benadrukken dat ik niet achter de aanslagen sta of achter het beleid van bepaalde organisaties. Dat ik het begrijp, wil niet zeggen dat ik erachter sta. Wat ik heb verteld heeft dus niets te maken met mijn eigen gedachten daarover. […] Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart het volgende.
Er wordt gezegd dat ik een slim en intelligent persoon ben. Als je dat bent, hoe dom zou het dan zijn om zulke uitspraken te doen tegenover andere personen? Tijdens discussies of gesprekken stond ik niet te praten met in mijn achterhoofd het idee dat ik met strafbare feiten bezig was. Ik sprak in een vrij land en ik zei wat ik vond. Het was niet mijn intentie om strafbare feiten te plegen, om mensen te ronselen, enz. Ik was altijd bezig met het idee dat ik slechts mijn mening aan het uiten was. Voor mijn gevoel heb ik daarmee geen strafbare feiten gepleegd.”
Ad b) neiging [betrokkene 4] te liegen wanneer hij een conflict heeft 30. Over de de neiging van [betrokkene 1] om te liegen wanneer hij een conflict heeft met iemand, zegt zijn eigen moeder in ieder geval het volgende bij de RC: ‘In een emotionele toestand verliest [betrokkene 1] zijn controle. Dat kan zich uiten in haatgevoelens. Hij kan dan op emotioneel gebied doorslaan (...) [betrokkene 1] heeft tegen mij gezegd dat hij [verdachte] haatte. Het ging om iets van de Imam had gezegd. [betrokkene 1] kan niet omgaan met meningen van anderen. (...) [betrokkene 1] is wel eens naar een psychotherapeut geweest. (...) Ik heb meegemaakt dat hij door hoog opgelopen emoties de waarheid niet sprak. Bijvoorbeeld bij de discussie over “de hand van God”. De discussie was afgelopen, maar de emotie blijft bij [betrokkene 1] . Hij heeft dan heel harde oordelen over de persoon waar hij mee discussieert. [betrokkene 1] is meteen boos met oordelen over personen. In die situatie beschuldigt hij mensen ook van dingen die niet zijn gebeurd. Normaal verloopt een meningsverschil over verschillende stappen, van 1 naar 5. [betrokkene 1] slaat stappen over. Hij zit meteen van stap 1 in stap 5. (...) Toen [betrokkene 1] moslim werd liepen de discussies hoog op. Ik had toen het gevoel dat hij van me af werd gepakt. Een tijd geleden wilde hij psychologische hulp. Dat ligt moeilijk in de Islam. Ik had een islamitische psycholoog gevonden. (...) Bewust liegen doet hij niet. Hij verdraait soms en dikt aan. (...) Ik denk dat [betrokkene 1] zich na een tijdje ook verontschuldigt voor deze kwestie. Misschien als hij bij een psycholoog is geweest.” (onderstrepingen van mij, raadsman) 31. De moeder verklaart in datzelfde RC verhoor overigens ook dat ze “een goede relatie” heeft met zowel [betrokkene 13] als met [betrokkene 1] , zodat haar verklaring ook daarom uit onverdachte hoek komt.
Hij ging verwijten maken als die personen het niet met hem eens waren.
Mijn broer vertelde ook wel eens leugens over mensen . Bijvoorbeeld mijn broer zei wel eens dat mensen naar Syrië gingen en hij vertelde over ronselen . (AS: vraag hoe zijn broer handelt) Hij begint een gesprek. Dan gaat hij met een arrogante toon verwijten maken.
Als hij ziet dat de andere persoon niet verandert van mening, dan wordt hij boos en gaat agressief gedrag vertonen en wordt soms ook fysiek. (AS: op de vraag heeft u de geruchten gehoord dat [verdachte] mensen geronseld had) Ik hoorde die geruchten van [betrokkene 1] , maar als ik om concreet bewijs vroeg dan kon hij dat nooit geven. Ik hoor vandaag voor het eerst dat het ook specifiek om mij zou gaan. (...) Hij had een meningsverschil met [verdachte] en kon hem niet overtuigen en dus ging hij hem zwart maken . Dat deed hij in de moskee vaker, mensen die het niet met hem eens waren zwart maken.
A: Ik heb tegen hem gezegd dat als ik ergens naar toe zou gaan dat ik dan naar Maleisië of Indonesië zou gaan om mijn geloof te praktiseren .” (onderstreping van mij, raadsman) 46. En ook even verder in het verhoor blijkt dat het gesprek niet zodanig was dat [betrokkene 6] de indruk had dat het ging over strijden. Hij verklaart even verderop namelijk: “ [verdachte] heeft mij niet geinspireerd om deel te nemen aan de strijd in Syrie. [verdachte] heeft nooit met mij gepraat over het ongelovig verklaren van moslim-leider en het goedpraten van uitreizen naar Syrie.”
Ik bedoelde daarmee de school in Medina, waar ik graag naartoe wilde.” [...] “Op vragen van de rechter-commissaris:
Ik houd u voor blz. 462, tweede zin van boven waar u gezegd heeft: “ [verdachte] zei tegen mij dat ik juist in Syrie, waar de Islamitische Staat heerst, mijn geloof kon praktiseren. Dat weet ik niet meer. Ik bedoelde toen Medina, want daar is een universiteit. Ik weet niet [verdachte] het over Syrie heeft gehad om daar naar toe te gaan.”
Dat [betrokkene 1] zou zijn geronseld wordt – op zijn minst – in overwegende mate gebaseerd op zijn eigen verklaringen. Echter, zelfs zijn moeder heeft gezegd dat hij een leugenaar is als hij ruzie heeft. Aan die moeder is ook gevraagd of zij soms ruzie heeft met haar zoon, omdat zij dit verklaart. Maar dat is volgens haar niet het geval, hij is gewoon zo.
Tot slot: we moeten voorzichtig zijn met de redenering dat als in andere strafzaken waarin een veroordeling is gevolgd voor ronselen de slachtoffers hebben verklaard dat ze niet geronseld zijn, in de onderhavige zaak ook wel sprake zal zijn van ronselen ook al zeggen de slachtoffers van niet.”
De bespreking van de middelen drie tot en met vijf 47. Ik begin bij de klacht dat de bewezenverklaring van het voor de gewapende strijd werven van [betrokkene 4] in strijd met art. 342, tweede lid, Sv uitsluitend is gestoeld op de verklaring van één getuige.
V. Slotsom 61. Alle middelen falen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 8, p. 4.
Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 11-16.
J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2021, p. 73 (II.2.5).
De Hullu, a.w., p. 74 en 388-389 (VI.2.4). Hij noemt als voorbeeld diefstal in de zin van art. 310 Sr: “Zodra men bijvoorbeeld aan het tamelijk formele delict diefstal (‘wegnemen’) de eis gaat stellen ‘dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden’, wordt ruimte gecreëerd tussen de eerste uitvoeringshandeling en de voltooiing van het delict.”
Dit betreft het in deze zaak bestreden arrest.
Vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 177 Sr, aant. 4 ‘Poging tot actieve corruptie’ (bewerkt door A.J. Machielse; actueel t/m 26 maart 2018).
In de hiervoor geciteerde nota naar aanleiding van het eindverslag, schreef toenmalig minister van justitie Donner immers: “Het hebben van contact met iemand die sympathieën heeft met de jihad valt buiten de reikwijdte van de bepaling” (Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 14).
Het navolgende is ontleend aan het wettelijk kader en aan de rechtspraak van de Hoge Raad daarover. Zie HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531, m.nt. Mevis, HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5505, NJ 2007/211 en HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7913, NJ 2008/409.
HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers.
Vgl. o.a. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, NJ 2012/251, m.nt. Schalken en HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252, m.nt. Schalken. Het vereiste dat de getuigenverklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen lijkt dan ook het beste te kunnen worden omschreven als een eis van een zeker inhoudelijk verband, zie: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Wolters Kluwer: Deventer 2021, p. 849-851 (par. XVI.8) Zie bijv. https://nos.nl/artikel/2011156-is-gebruikt-nu-ook-glossy-in-propagandastrijd.
Ik verwijs naar het juridisch kader bij mijn bespreking van het tweede middel.