ECLI:NL:PHR:2023:433
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/04688 Zitting 7 maart 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 29 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1 primair ‘medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon een goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd’ en 2 primair ‘medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 jaren.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04611, 21/04570 en 21/04689. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste drie middelen betreffen de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering van feit 1 weer, en citeer ik passages uit de pleitnota die op de bewijsvoering van dit feit betrekking hebben. Het vierde en vijfde middel betreffen de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering van feit 2 weer, en citeer ik passages uit de pleitnota die op de bewijsvoering van dit feit betrekking hebben.
Het hof heeft inzake de bewijsvoering in het algemeen het volgende overwogen: ‘Het hof onderschrijft de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde. Hetgeen de raadsvrouw in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel, zodat het hof de hiernavolgende overwegingen van de rechtbank overneemt en tot de zijne maakt. De overgenomen overwegingen zijn cursief weergegeven. Waar 'rechtbank’ staat, dient ‘hof’ te worden gelezen. Waar de overwegingen van de rechtbank verbetering of aanvulling behoeven, is dit aangegeven met niet-cursieve tekst. Indien in de overwegingen van de rechtbank taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.’ Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1 6. Het hof heeft onder 1 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘zij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 15 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon meermalen als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [A] B.V., zijnde deze rechtspersoon bestuurder van [B] B.V., en als bestuurder van [B] B.V., welke vennootschap [B] B.V. bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Midden-Nederland op 12 maart 2013 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [B] B.V., een goed aan de boedel heeft onttrokken, te weten een geldbedrag’.
Bij de overname van [B] bij de notaris is door koper [betrokkene 2] en namens de verkoper ( [A] B.V.) door verdachte de balans en de winst- en verliesrekening van [B] over het jaar 2012 geparafeerd. Op de balans is een post debiteuren opgenomen ten bedrage van € 200.427,-. De posten betreffende loon, genoemd op de balans, zijn niet opgenomen op de winst- en verliesrekening.
Ten tijde van de faillietverklaring van [B] was sprake van een schuld ter hoogte van € 541.355,92. Volgens de curator heeft ongeveer 80% van deze crediteurenvorderingen betrekking op de periode voorafgaand aan de overname door [betrokkene 2] op 2 november 2012.
Bij brief van 14 september 2012 is [B] door [C] B.V. voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om een bedrag van ruim € 106.000,- te voldoen. Indien daar niet aan wordt voldaan zal [C] B.V. tot ontbinding van de contracten en invordering van de geleasede objecten overgaan. Blijkens een brief van 16 november 2012 is [B] aan [C] B.V. ruim € 139.000,- verschuldigd. De contracten worden ontbonden en de voertuigen ingevorderd. Uiteindelijk wordt door [C] B.V. op 22 november 2012 aangifte gedaan van verduistering van twaalf vrachtwagens en een aanhanger door [B] in verband met een forse betalingsachterstand. [B] heeft niet gereageerd op diverse schriftelijke en telefonische betalingsverzoeken. In de periode van november 2012 tot en met januari 2013 heeft [C] B.V. de vrachtwagens teruggenomen.
Onttrekken van geldbedragen In de periode van 6 oktober 2012 tot en met 13 januari 2013 is een totaalbedrag van € 186.378,71 overgeboekt of opgenomen vanaf de bedrijfsrekening van [B] . Deze bedragen zijn aangemerkt als privéonttrekkingen en bestaan uit de volgende posten:
Naast deze overboekingen zijn onder andere de volgende mutaties op de bankafschriften van de bedrijfsrekening van [B] te zien:
Verdachte heeft verklaard dat zij de administratie deed van [B] en dat haar man, medeverdachte [betrokkene 1] , planner was. Sollicitaties en het aannemen van personeel, deden ze samen. Vóór de overname in november 2012 was verdachte gemachtigd voor de bedrijfsrekening van [B] . Overboekingen werden verricht door verdachte of [betrokkene 1] via internetbankieren. [betrokkene 1] heeft bemiddeld bij het vaststellen van de overnameprijs. Bij het tekenen van de akte van overname op 2 november 2012 waren aanwezig de notaris, [betrokkene 2] . [betrokkene 1] en zijzelf.
Verdachte heeft de balans en winst- en verliesrekening uitgedraaid. Deze is door haarzelf en door [betrokkene 2] geparafeerd bij de notaris. Zij verklaart geen verstand te hebben van boekhouding of accountancy. Het kan best wel zo zijn dat zij dit verkeerd heeft gedaan.
Verdachte verklaart verder dat de afspraak is gemaakt dat de debiteurenvorderingen voor haar zouden zijn na de overname. Omdat zij privégeld in de vennootschap had gestopt, wilde ze er ook wat voor terug hebben. Na de overname van [B] door [betrokkene 2] heeft zij geld van de bedrijfsrekening van [B] ontvangen op haar eigen rekening en op de rekening van [A] B.V.
Verdachte is door de politie voorgehouden dat vanaf mei 2010 een totaalbedrag van € 138.780,- is overgemaakt vanaf de rekening van [B] naar [D] B.V. Op de vraag of zij en haar man dit geld verloren hebben met gokken via het internet antwoordt zij "dat zou best kunnen". Op de vraag ter zitting waar deze overboekingen voorafgaand aan de overname voor waren antwoordt zij "geen idee”.
Medeverdachte [betrokkene 1] heeft ter zitting verklaard in privé € 10.000,- contant te hebben geleend van [betrokkene 3] . Deze lening is terugbetaald middels de bedrijfsrekening van [B] . Bij de overname is afgesproken dat verdachte en hij het geld dat zij privé in het bedrijf gestopt hadden, door [betrokkene 1] geschat op ruim € 200.000,-, terug zouden krijgen. De overboekingen na de overname naar verdachte en [A] B.V. hebben te maken met de afspraak dat hiertoe de debiteurenvorderingen naar verdachte zouden gaan. [betrokkene 2] heeft verklaard na de overname van [B] geen betalingen van de zakelijke rekening te hebben verricht en ook niet over een bankpas te hebben beschikt.
Bewijsoverwegingen Verdachte kan als statutair bestuurder van [A] B.V. als (indirect) formeel bestuurder van [B] worden aangemerkt in de periode voorafgaand aan de overname op 2 november 2012. Tot deze datum heeft zij samen met medeverdachte [betrokkene 1] als bestuurder opgetreden, gelet op de door hen beiden verrichte handelingen. De rechtbank merkt haar dan ook aan als (indirect) formeel bestuurder van [B] zoals bedoeld in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] ook na de overname dienen te worden aangemerkt als feitelijk bestuurders van de vennootschap. Zij hebben onverkort beschikking en zeggenschap gehad over de zakelijke bankrekening en hier ook handelingen mee verricht. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] stellen dat met [betrokkene 2] is afgesproken dat de debiteuren van [B] naar de verkopende partij [A] B.V. zouden gaan en dat alle betalingen na de overname van [B] op 2 november 2012 ten gunste van [A] B.V. en verdachte, door [betrokkene 2] zijn verricht ter voldoening aan deze afspraak. Deze afspraak is volgens hen neergelegd in een overeenkomst van 13 januari 2013 en ter zitting heeft [betrokkene 1] verklaard dat het om een bedrag van ongeveer € 200.000,- zou gaan. Voorts hebben verdachte en [betrokkene 1] verklaard dat met [C] B.V. was afgesproken dat de leaseperiode werd verlengd en dat er zou worden verrekend met de achterstallige betalingen aan [C] B.V. [B] was financieel gezond en de afspraak dat de debiteuren naar [A] B.V. zouden gaan en de crediteuren bij [B] zouden blijven, zou niet leiden tot een faillissement. [betrokkene 2] zou de debiteuren overboeken als de financiële situatie van [B] dat zou toelaten.
Ook al zou deze debiteurenafspraak zijn gemaakt dan nog acht de rechtbank niet geloofwaardig dat [betrokkene 2] . die het bestaan van deze afspraak ontkent, de beschikking heeft gekregen over de bankpassen en bedoelde betalingen heeft verricht.
In de eerste plaats verklaart [betrokkene 1] tegenstrijdig over hoe aan de debiteurenafspraak uitvoering zou worden gegeven. [betrokkene 1] zegt enerzijds dat hij met [betrokkene 2] besprak dat [B] bepaalde privécrediteuren van verdachte en hem zou betalen en dat die betaling dan in mindering zou strekken op het geld dat zij (de rechtbank begrijpt [A] B.V.) tegoed hadden van [B] op basis van de debiteurenafspraak. Anderzijds verklaart [betrokkene 1] dat [A] B.V. betalingen deed aan [B] omdat er door [B] facturen waren betaald die betrekking hadden op de periode voor de overname en nog 'hun pakkie aan’ waren.
In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat verdachte en [betrokkene 1] geen logische verklaring hebben gegeven voor het feit dat na de overname niet alleen bedragen zijn overgeboekt van [B] naar [A] B.V. maar ook andersom. [betrokkene 1] heeft verklaard dat deze overboekingen naar [B] zagen op facturen die betrekking hadden op de periode vóór de overname en nog 'hun pakkie aan' waren, maar van een dergelijke afspraak tussen koper en verkoper (dat er crediteuren van [B] voor rekening van de verkoper zouden komen) blijkt in het geheel niet uit de overnameovereenkomst. Dat verdachte en [betrokkene 1] de overboekingen hebben verricht om een faillissementsaanvraag kort na de overname te voorkomen ligt, gelet op de overige omstandigheden in dit dossier, veel meer voor de hand.
Voorts stelt de rechtbank aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat sprake is van een bestendige lijn in de overboekingen van de rekening van [B] naar de rekening op naam van verdachte, [A] B.V. en [D] B.V. De overboekingen beginnen vóór de overname en blijven doorlopen na de overname. Hoewel verdachte verklaart dat overboekingen voorafgaand aan de overname door haar of verdachte werden verricht, hebben zij geen verklaring voor de overboekingen naar [D] B.V. Verdachte en [betrokkene 1] konden niet aangeven waarop deze overboekingen (die blijkens het dossier betrekking hebben op online goksites) zien.
Daarnaast is een aantal specifieke overboekingen te zien op de afschriften van [B] waarvan de omschrijving verband houdt met privéaangelegenheden van verdachte en [betrokkene 1] . De verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] . - kort gezegd - dat het na de overname nog voldoen van deze facturen was afgesproken met [betrokkene 2] , acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, met name gelet op de omschrijvingen hierbij. Verdachte en [verdachte] konden desgevraagd geen verklaring geven voor de overboekingen (onder meer naar hun dochter) op 7 december 2012 met de omschrijving 'Fijne kerst’.
Verder blijkt uit de onder de bewijsmiddelen opgenomen correspondentie, telefoonnotities en aangifte van [C] B.V. op geen enkele wijze dat met [C] B.V. is afgesproken dat de leasetermijn zou worden verlengd en de achterstallige betalingen zouden worden verwerkt in nieuwe leasetermijnen. De verklaring van verdachte en [betrokkene 1] dat zij ervan uitgingen dat zij een financieel gezond [B] overdroegen is ook op dit punt onaannemelijk.
Uit al het bovenstaande volgt dat verdachte en [betrokkene 1] ná overname van [B] op 2 november 2012 feitelijk bestuurder zijn gebleven van [B] , samen beschikking hebben gehad over de zakelijke rekening van [B] en hier - ook ná overname door [betrokkene 2] - zelf overboekingen mee hebben verricht. Gelet hierop acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachten de contante geldopnames in de ten laste gelegde periode hebben verricht. Dat deze geldopnames zijn verricht in de woonplaats van verdachten sterkt de overtuiging.
Uit de schuldenpositie en het feit dat de facturen van [C] B.V., ondanks de dreiging van invordering, niet werden betaald, terwijl [B] als transportbedrijf voor haar omzet afhankelijk was van de beschikbaarheid van vrachtwagens, leidt het hof af dat [B] er reeds vóór de overname financieel gezien zeer slecht voor stond, dat een faillissement dreigde en dat verdachte en [betrokkene 1] daarvan op de hoogte waren. Door in deze situatie bijna € 200.000,- aan de onderneming te onttrekken, hebben verdachte en [betrokkene 1] naar het oordeel van het hof ten minste bewust de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers van de vennootschap aanvaard. Het faillissement met een tekort daarin is ook daadwerkelijk gevolgd op 12 maart 2013.
Verdachte en [betrokkene 1] hebben ter zitting in hoger beroep gesteld dat [B] na de overname een omzet is blijven maken die vergelijkbaar was met de vóór de overname gerealiseerde omzet, maar dat die omzet - zonder dat zij dat wisten - is weggesluisd. Deze stellingen vinden naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier. Mede gegeven het feit dat [C] B.V., zoals reeds vóór de overname was aangekondigd, in de periode van november 2012 tot en met januari 2013 de vrachtwagens had teruggenomen, zodat [B] niet meer over deze voor haar omzet essentiële bedrijfsmiddelen kon beschikken, acht het hof de stellingen ook overigens niet aannemelijk geworden.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aanvankelijk als (indirect) formeel en vervolgens als feitelijk bestuurder schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk door het onttrekken van geldbedragen aan de boedel, in totaal zijnde (inclusief de terugbetaling van de lening aan [betrokkene 3] en de overboekingen met de omschrijving ‘fijne kerst’) € 196.778,71.’ 8. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting gehouden op 17 september 2021 heeft de raadsvrouw het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in: ‘Feitelijk bestuurder 4. Uit het dossier blijkt dat cliënte vanaf 2 november niet langer (indirect: als statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [A] ) formeel bestuurder is van [B] . De rechtbank maakt cliënte het verwijt na overname [B] niet op papier, maar wel in de praktijk te hebben bestuurd (middels [A] ) projects. In de praktijk veranderde er na overname niets, aldus de rechtbank.
De rechtbank komt dan weer tot die conclusie door te wijzen op de (aard van de) overboekingen en contante opnames (gebruikmaking zakelijke rekening) en de uitleg van [betrokkene 1] hierbij.
Gebruik bankpassen. Gebruik zakelijke rekening *horen [betrokkene 5] op verzoek verdediging, geblokkeerd door [betrokkene 2] , O.M. geen verder onderzoek 7. Wie maakte er gebruik van de bankpas(sen)? Wie maakte er gebruik van de zakelijke rekening? Cliënte niet. Cliënte en [betrokkene 1] benadrukken dat bij de overdracht ook de bankpassen en sleutels zijn afgegeven aan [betrokkene 2] . Zoals ook gebruikelijk is bij een overdracht bij de notaris. Cliënte en [betrokkene 1] hadden geen zicht op de bankrekening van [B] na overname alsook niet op de bedrijfsactiviteiten binnen [B] na overname, of het gebrek hieraan. [betrokkene 2] verklaart daarentegen geen bankpassen te hebben ontvangen en niet betrokken te zijn geweest bij [B] .
Hetzelfde geldt overigens voor de stelling van [betrokkene 2] dat hij de overeenkomst (de zogenoemde debiteurenafspraak) van 11 januari 2013 niet kent en niet heeft ondertekend: Indien [betrokkene 5] zou bevestigen, dat een dergelijke afspraak bestaat en hij deze heeft getekend, bevestigt dit de lezing van cliënte (ipv lezing van [betrokkene 2] ) en ontkomt hij er niet aan om meer te verklaren over "de adviseur" en "de vriend" waarover hij bewust (uit angst) niet veel loslaat. Een duidelijk en veelzeggend belang dus voor [betrokkene 2] om [betrokkene 5] niet te ontslaan uit zijn geheimhoudingsplicht.
Aanwijzingen voor derde(n) als feitelijk bestuurder *alle onderzoekhandelingen op verzoek van de verdediging, [betrokkene 2] blokkeert onderzoek, OM geen verder onderzoek naar dit scenario 10. Zoals benoemd: de weigering van [betrokkene 2] is opnieuw een aanwijzing dat niet cliënte maar [betrokkene 2] c.q. derden [B] na overname feitelijk bestuurden en misbruik van [B] hebben gemaakt.
De aanwijzingen zijn als volgt:
Daarnaast zwijgt [betrokkene 2] als verdachte/getuige in eerste aanleg over hetzelfde als getuige in appel. Hij wil uit angst de namen van de adviseur en vriend niet noemen, hun rol niet nader duiden en uit angst het emailverkeer tussen hun beiden niet overleggen. De verdediging vraagt hem hier actief naar, maar hij kiest ervoor hier geen antwoord op te geven, waarmee de rhc instemt.
Uit het deskundigebericht Ingeis blijkt kort gezegd, dat er wegens het gebrek aan administratie – na overname: enkel map met nog niet ingeboekte facturen en mutaties zakelijke bankrekening - uitsluitend is vast te stellen, dat er voor overname bedrijfsactiviteiten zijn geweest. Over de situatie na overname is niet veel terug te vinden in de administratie.
Wel valt op, dat
De curator is o.m. het volgende te weten gekomen:
M.b.t. deze levering/dit tanken zijn geen bescheiden in de administratie te vinden.
Uit deze email blijkt dat de [B] in 2011 en 2012, ook na datum overname, transporten heeft uitgevoerd, maar deze zijn afgerekend aan de fa. [G] in Mijdrecht.
Dit adres zegt cliënte overigens niets.
Gebruik zakelijke rekening: aard overboekingen 21. De overboekingen naar cliënte en/of [A] komen voort uit de zogenoemde debiteurenafspraak. Deze afspraak is mondeling bij de overdracht besproken en later op 11 januari 2013 bij diezelfde notaris getekend. Er is geen reden om te twijfelen aan het bestaan van deze (schriftelijke) afspraak. Naast het feit dat de afspraak in een overeenkomst is opgenomen, wil [betrokkene 5] geen vragen beantwoorden mbt de deze overeenkomst. Hiermee bevestigt hij het bestaan van de overeenkomst en de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij deze overeenkomst (Anders had hij vragen wel kunnen beantwoorden).
De rechtbank overweegt dit ten onrechte, omdat:
Concluderend:
1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt’ 13. De uitleg van het begrip ‘bestuurder’ speelde in een arrest van 3 december 1974. Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij ‘als directeur van de machinefabriek ‘B’ NV, te Nijmegen, welke op 28 mei 1970 door de Rb. te Arnhem in staat van faillissement was verklaard (…), te Nijmegen in of omstreeks de maanden mei en juni 1970, opzettelijk ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van genoemde n.v. baten niet heeft verantwoord of goederen aan de boedel heeft onttrokken, hebbende hij opzettelijk een bedrag (…) voor de curator in genoemd faillissement verzwegen'. Het hof had overwogen dat uit de bewijsmiddelen bleek dat een ‘overdrachtsakte’ van 26 september 1967 voor de daarbij betrokken personen voldoende is geweest ‘om verdachte daarna zowel extern (inschrijving in het handelsregister) als intern (de feitelijke zeggenschap in de NV berustte bij hem) als enige directeur-bestuurder van de NV te laten optreden’. Onder die omstandigheden behoefde aan het toekennen van de hoedanigheid van ‘bestuurder’ in de zin van art. 343 Sr volgens het hof niet in de weg te staan ‘dat naar privaatrecht allerlei gebreken zouden kunnen kleven aan de grondslag waarop het optreden van de bestuurder als zodanig zou moeten worden gebaseerd, nu verdachte zich van zijn faillissement tot op dat van de NV heeft gedragen als bestonden dergelijke gebreken niet’.
Daarmee kunnen deze bepalingen tevens toepassing vinden in geval van faillissement van een rechtspersoon, terwijl de artikelen 342 en 343 Sr die de bestuurder en commissaris van een failliete rechtspersoon rechtstreeks adresseren, zich thans op hun beurt niet heel specifiek richten op de omstandigheden van het faillissement van een rechtspersoon. Op basis van het onderscheid dat het wetsvoorstel wil aanbrengen, kan de strafrechtelijke normstelling in het vervolg preciezer worden toegesneden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband. Bovendien kan de jurisprudentie zich waar nodig gescheiden ontwikkelen.’ 17. Uit deze passage volgt dat de wetgever het onderscheid tussen de strafbaarstellingen die op beide categorieën faillissementen zien wil verduidelijken. Als eerste argument wordt genoemd dat het verwarrend is dat via de artikelen 340 en 341 Sr ook aansprakelijkheid kan worden geconstrueerd voor bestuurders van rechtspersonen. Als tweede argument wordt aangevoerd dat ‘de strafrechtelijke normstelling in het vervolg preciezer (kan) worden toegesneden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband’. Uit de geciteerde passage en de daarin gebezigde argumenten volgt evenwel niet zonder meer dat de wetgever een veroordeling van een bestuurder op grondslag van artikel 341 Sr daadwerkelijk uit wil sluiten in een geval waarin beide normstellingen elkaar overlappen.
Op grond van de daar geschetste structuur en beweegredenen wordt duidelijk dat ik een andere benadering voorsta dan de Rvdr. De Rvdr pleitte in zijn advies voor het hanteren van één kader voor strafbaarstelling, dat in het geval de failliet een rechtspersoon betreft zou kunnen worden ingevuld door artikel 51 Sr. Het wetsvoorstel richt zich echter juist op het onderscheiden van situaties van het faillissement van een natuurlijk persoon en van een rechtspersoon. Er zijn ook meer technische redenen om deze benadering niet te verkiezen. Zo ziet artikel 2:10 BW enkel op administratieverplichtingen voor bestuurders en niet voor de rechtspersoon zelf. Verder moet worden gewezen op het feit dat op het moment dat een afgifteplicht van de administratie jegens de curator ontstaat er geregeld formeel noch feitelijk een bestuurder van de rechtspersoon meer is en het gegeven dat de inlichtingenplicht ook kan rusten op voormalig bestuurders van de rechtspersoon.
Dit alles staat in die gevallen in de weg aan het daderschap van de rechtspersoon en daarmee aan de mogelijkheid om strafrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders via aansprakelijkheid van de rechtspersoon en diens feitelijk leidinggevenden te bewerkstelligen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat vervolging van de failliete rechtspersoon, zo al mogelijk, niet zinvol is.
De strafbaarstellingen van de nieuwe artikelen 342 en 343 Sr richten zich – net als de oude artikelen 342 en 343 Sr – ook op gedragingen gepleegd vóór intreding van het faillissement. Dit is nu met zoveel woorden in de desbetreffende delictsomschrijvingen tot uitdrukking gebracht. Het gegeven dat het kan gaan om gedragingen vóór het faillissement, betekent tevens dat op grond van deze strafbepalingen ook strafbaar zijn personen die bij het intreden van het faillissement reeds geen bestuurder of commissaris van de rechtspersoon meer zijn, maar eerder toen zij nog wel die hoedanigheid hadden zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare gedragingen. Ook zijn strafbaar oud-bestuurders, indien zij in het kader van de faillissementsrechtelijke inlichtingenplicht die op hen rust ten aanzien van de periode dat zij bestuurder waren, tijdens het faillissement aan de curator opzettelijk foutieve inlichtingen verschaffen of de afgifteplicht overtreden, waarmee zij zich naast aan overtreding van artikel 194 Sr in voorkomende gevallen ook schuldig maken aan onttrekking van goederen, strafbaar gesteld in artikel 343 aanhef en onderdeel 1°-nieuw Sr of aan het misdrijf van artikel 344a, tweede lid, onderdeel 1°-nieuw Sr.’ 19. In deze passage wordt aan de eerder gebezigde argumenten een derde toegevoegd: art. 2:10 BW ziet enkel op administratieverplichtingen voor bestuurders. En aangevoerd wordt dat het gegeven dat er geregeld geen feitelijk of formeel bestuurder zou zijn op het moment dat een afgifteplicht (of inlichtingenplicht) jegens de curator ontstaat, in de weg zou staan aan daderschap van de rechtspersoon. Het laatste argument lijkt mij niet te kloppen: daderschap van de rechtspersoon behoeft niet via gedragingen van een bestuurder te worden geconstrueerd. En dat op bestuurders specifieke verplichtingen in verband met de administratie rusten, staat er niet aan in de weg aansprakelijkheid in andere gevallen op art. 341 Sr te baseren. Ook uit deze passage volgt voorts niet zonneklaar dat de wetgever die mogelijkheid daadwerkelijk wil uitsluiten. De gekozen bewoordingen duiden er meer op dat de wetgever ervanuit gaat dat de argumenten overtuigen.
In de derde plaats stelt het hof vast ‘dat sprake is van een bestendige lijn in de overboekingen van de rekening van [B] ’ naar de rekeningen op naam van verdachte, [A] B.V. en [D] B.V. In de vierde plaats wijst het hof op enkele specifieke overboekingen waarvan de omschrijving verband houdt met privéaangelegenheden van verdachte en de medeverdachte. In de vijfde plaats blijkt volgens het hof uit correspondentie (etc.) van [C] B.V. op geen enkele wijze dat met deze rechtspersoon is afgesproken dat de leasetermijn zou worden verlengd en dat de achterstallige betalingen zouden worden verwerkt in nieuwe leasetermijnen. Deze gronden onderbouwen deels meer in het algemeen het oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte en de medeverdachte, deels specifiek de overweging dat het hof niet geloofwaardig acht dat [betrokkene 2] ‘de beschikking heeft gekregen over de bankpassen en bedoelde betalingen heeft verricht’ (vgl. in het bijzonder de derde en vierde grond).
Daarbij kunnen aan een weigering om een verschoningsgerechtigde een vraag te laten beantwoorden verschillende motieven ten grondslag liggen. Ook de aangevoerde aanwijzingen inzake betrokkenheid van derden bij [B] na de overname zijn – meen ik – niet van dien aard dat het hof uit de genoemde aanwijzingen niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte als feitelijk bestuurder heeft gefunctioneerd. Daarbij neem ik enerzijds in aanmerking dat uit die aanwijzingen niet min of meer rechtstreeks volgt dat derden [B] na de overname feitelijk hebben bestuurd en anderzijds dat deze aanwijzingen niet afdoen aan de overtuigende kracht van de vaststellingen waar het hof uit heeft afgeleid dat de verdachte na de overname feitelijk bestuurder was.
Het derde middel 35. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van faillissementsfraude. Uit ’s hofs overwegingen zou niet kunnen worden afgeleid wat precies de rol is geweest van de verdachte na de overname of overdracht van [B] B.V. De steller van het middel refereert er daarbij aan dat de verdachte stelt bij de notaris de bankpassen en sleutels te hebben overgedragen aan de kopende partij. De aan verdachte verweten gedragingen zouden ook met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht.
Verdachte heeft verklaard dat zij de administratie deed van [B] , dat zij samen met de medeverdachte sollicitaties en het aannemen van personeel deed, en dat de verdachte voor de overname gemachtigd was voor de bankrekening van [B] . Verdachte heeft voorts verklaard dat de afspraak is gemaakt dat de debiteurenvorderingen van [B] voor haar zouden zijn na de overname, in verband met privégeld dat zij in de vennootschap had gestopt. Na de overname heeft verdachte geld van de bedrijfsrekening van [B] ontvangen op haar eigen rekening en op de rekening van [A] B.V. Het hof stelt voorts vast dat sprake is van ‘een bestendige lijn in de overboekingen van de rekening van [B] naar de rekening op naam van verdachte, [A] B.V. en [D] B.V.’.
Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 2 40. Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘zij in de periode van 1 januari 201 tot en met 5 juli 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers hebben verdachte en/of verdachtes mededader van een voorwerp, te weten
Ook is onderzoek verricht naar legale contante ontvangsten van verdachten. Uit de bankafschriften van de privérekeningen van verdachten blijkt dat zij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 juli 2012 een geldbedrag van in totaal € 3.810,- contant hebben opgenomen. Verdachten hebben verklaard contante ontvangsten te hebben gehad uit de verkoop van artikelen. Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachten is een aankoopbewijs gevonden met betrekking tot de contante verkoop van een Breitling op 6 januari 2012 voor € 5.750,-.
Totale contante uitgaven: € 323.940.42 Totale legale contante ontvangsten: € 9.560,00 Verschil: € 314.380,42 Naar aanleiding van dit onderzoek is het vermoeden ontstaan dat het verschil tussen de legale contante ontvangsten en contante uitgaven van verdachten in privé van een andere dan legale bron afkomstig is.
Verweer - geen vermoeden van witwassen op basis van kasopstelling De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op de gehanteerde kasopstelling geen deugdelijk vermoeden van witwassen kan worden gebaseerd dat door verdachte ontkracht moet worden.
Dat een eenvoudige kasopstelling – anders dan door de raadsvrouw betoogd – kan dienen ter rechtvaardiging van het vermoeden van witwassen leidt het hof af uit HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668: (…) Het hof overweegt dat uit de eenvoudige kasopstelling die met betrekking tot verdachte en [betrokkene 1] is opgemaakt, blijkt dat er in de tenlastegelegde periode een verschil van ruim € 300.000,- bestond tussen enerzijds de vastgestelde contante legale inkomsten en anderzijds de contante uitgaven. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigde dit een vermoeden van witwassen en mocht op basis daarvan van verdachte en [betrokkene 1] verlangd worden dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring gaven dat het genoemde verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig was. Verdachte en [betrokkene 1] hebben een verklaring gegeven. Naar deze verklaring is vervolgens aanvullend onderzoek verricht, waarvan de resultaten in de aanvulling op het einddossier van 10 juni 2015 zijn weergegeven. In aanvulling daarop heeft ook een door de raadsheer-commissaris als deskundige benoemde registeraccountant onderzoek gedaan naar de verklaring en zijn bevindingen weergegeven in zijn deskundigenrapport. Het hof zal mede op basis van de resultaten van beide onderzoeken beoordelen of ondanks de verklaring van verdachte en [betrokkene 1] het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Gegeven het voorgaande wordt bovengenoemd verweer verworpen.
Beginsaldo Met het beginsaldo contant geld wordt bedoeld het contante geldbedrag afkomstig uit legale bron waarover verdachten de beschikking hadden aan het begin van de onderzoeksperiode, te weten op 1 januari 2010. Door verdachten is bij de Belastingdienst geen opgave gedaan van het bezit van contant geld op 1 januari 2010. Op 16 maart 2010 is medeverdachte [betrokkene 1] in privé in staat van faillissement verklaard. Verdachte en [betrokkene 1] waren in gemeenschap van goederen getrouwd waardoor de hele gemeenschap als failliet is aangemerkt. Niet is gebleken dat sprake was van enige activa in de boedel. Verdachte en [betrokkene 1] hebben verklaard dat het beginsaldo € 84.000,- bedroeg, bestaande uit de opbrengst van een Mercedes Camper, een Trailer LFE en via Marktplaats verkochte goederen. Zoals hierna onder het kopje ‘Legale contante ontvangsten’ aan de orde komt, acht het hof deze verklaring niet aannemelijk. De als deskundige benoemde registeraccountant heeft in zijn deskundigenbericht geconcludeerd dat het beginsaldo contant geld op 1 januari 2010 maximaal € 904,- kan zijn geweest. Nu niet is gebleken dat verdachte en [betrokkene 1] destijds over meer contant geld beschikten, zal het hof ervan uitgaan dat het contante beginsaldo uit legale bron op 10 januari 2010 € 904,- bedroeg.
Verklaring van verdachten en nader onderzoek Medeverdachte [betrokkene 1] heeft verklaard geld te hebben verdiend met het verkopen van puppy’s. Hij heeft dit bij een later verhoor herhaald en verklaard hiervoor in totaal € 9.000,- contant te hebben ontvangen in februari 2011. Vanwege schade aangebracht door de puppy's hebben zij met een deel van de opbrengt nieuwe meubels gekocht. Verdachte heeft ook verklaard dat zij € 9.000,- hebben ontvangen uit de verkoop van de puppy's. Hiervan hebben zij nieuwe meubels gekocht.
Medeverdachte [betrokkene 1] heeft verder verklaard sieraden te hebben verkocht aan [J] in Breukelen. Uit de administratie van [J] blijkt dat zij goud hebben ingekocht van [betrokkene 1] op drie momenten in december 2010 en februari 2011. Hiervoor is aan hem een contant geldbedrag betaald van € 6.030,-.
Als beheerder van de ruimte van de [K] in De Bilt heeft hij geld verdiend met het stallen van caravans en de verhuur van een gedeelte van het pand voor de verkoop van vuurwerk, aldus medeverdachte [betrokkene 1] . De huur is volgens [betrokkene 1] door de verkoper van het vuurwerk contant betaald, in totaal € 5.000,-. De verkoper van het vuurwerk, [betrokkene 17], heeft verklaard voor de huur van het pand in 2011 € 2.000,- à € 3.000,- contant te hebben betaald aan verdachte. Wijkagent [verbalisant] heeft bevestigd dal [betrokkene 1] dit pand in gebruik heeft gehad. Hij heeft wel eens gezien dat er caravans binnen stonden. In het pand hebben een tijdje krakers gezeten, toen stonden er geen caravans in het pand. Het pand is ontruimd van krakers in oktober 2011. [betrokkene 1] heeft verklaard dat het pand vol heeft gestaan met caravans. Eerst werd het pand door krakers gebruikt. Daarna heeft hij het pand in gebruik gekregen.
Tenslotte verklaart medeverdachte [betrokkene 1] twee leningen te hebben afgesloten, te weten van € 17.000,- bij [betrokkene 18] en € 10.000,- bij [betrokkene 3] . Het geld heeft hij contant ontvangen in de periode dat hij zijn boetes bij het CJIB heeft betaald, maart/april 2012. Hier heeft hij het geld voor gebruikt: Verdachte verklaart ook dat [betrokkene 1] € 17.000,- heeft geleend om het CJIB te betalen.' Getuige [betrokkene 18] bevestigt het uitlenen van contant geld aan [betrokkene 1] . Blijkens de bankafschriften van de bedrijfsrekening van [B] is de lening van € 10.000,- terugbetaald aan [betrokkene 3] op 23 en 26 november 2012.
Kasopstelling Aan de hand van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat tijdens de onderzoeksperiode sprake is geweest van legale contante ontvangsten en van contante uitgaven. De hoogte hiervan berekent de rechtbank als volgt.
Legale contante ontvangsten:
Ten aanzien van de volgende ontvangsten acht de rechtbank de verklaring van verdachten over de legale herkomst voldoende concreet en verifieerbaar gelet op bovenstaande bewijsmiddelen. Bij de vaststelling van de hoogte van de ontvangen huur van de vuurwerkverkoper zal de rechtbank in het voordeel van verdachten aansluiten de verklaring van [betrokkene 1] . Ten aanzien van de opbrengst uit de caravanstalling overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de ruimte in De Bilt door [betrokkene 1] werd beheerd. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat hij geld heeft verdiend met het stallen van caravans. Gelet echter op de verklaring van de wijkagent en zijn eigen verklaringen is hiermee aangevangen eerst nadat de krakers het pand hebben verlaten, eind 2011. De opbrengst uit de caravanstalling wordt daarom in de berekening meegenomen gedurende een periode van een half jaar, tot juli 2012. [betrokkene 1] heeft wisselend verklaard over de duur van de caravanstalling. Hij heeft in eerste instantie verklaard € 32.500,- te hebben verdiend met de stalling over een periode van - kort gezegd - twee jaar. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de verdachten met de caravanstalling gedurende de periode van een half jaar € 8.125,- (= € 32.500, - / 4) hebben verdiend.
Berekening beginsaldo plus totale legale contante ontvangsten tijdens de onderzoeksperiode:
Beginsaldo € 940,- Contante opnames privérekeningen: € 3.810,- Verkoop Breitling: € 5.750,- Verkoop puppy's: € 9.000,- Verkoop sieraden (goud): € 6.030,- Verhuur pand voor vuurwerkverkoop: € 5.000,- Inkomsten caravanstalling: € 8.125,- Lening [betrokkene 3] : € 10.000,- Lening [betrokkene 18] € 17.000,- Totaal € 65.655,- Bij de beoordeling van de overige door verdachten gestelde legale ontvangsten stelt de rechtbank vast dat de verklaringen hierover onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De opbrengst van de verkoop van de Daf 105, de contante ritten en de verhuur van de Daf 105 is volgens [betrokkene 1] een contante zakelijke ontvangst die hij als 'privéstorting’ in de vennootschap heeft gestort. Hij stortte zakelijk contant geld altijd met deze omschrijving. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij er nooit bij heeft stilgestaan om stortingen te specificeren in de boekhouding van [B] . De herkomst van een deel van de contante uitgaven gekwalificeerd als privéstortingen betreft dus volgens verdachten in feite geen privéstorting maar een zakelijke storting met een legale herkomst. De rechtbank acht deze verklaring van verdachten echter niet voldoende concreet en verifieerbaar. Gelet op hun verklaringen is het niet aannemelijk dat aan de hand van de boekhouding (nu nog) een koppeling kan worden gemaakt tussen eventuele contante zakelijke inkomsten en specifieke als 'privé' omschreven stortingen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als bepaalde als ‘privéstorting’ geboekte contante stortingen in feite zakelijke stortingen met een legale herkomst betreffen, door deze wijze van boeken in de administratie van [B] een misdrijf wordt gepleegd en er sprake is van witwassen, nu de herkomst van stortingen (zakelijke omzet) wordt verhuld door deze stortingen als 'privéstorting ' te omschrijven en boeken.
Verdachten verklaren ook inkomsten te hebben gehad uit de verkoop van goederen op Marktplaats, te weten horloges, gereedschap, karts en kartonderdelen. Deze inkomsten zijn ontvangen deels voorafgaand en deels gedurende de onderzoeksperiode en het totaal wordt door [betrokkene 1] geschat op € 45.000,-. Deze verklaring acht de rechtbank niet voldoende concreet en verifieerbaar. [betrokkene 1] heeft ter zitting verklaard dat dit een schatting is en dal hij ook goederen heeft geruild. Daarbij komt dal hoewel het mogelijk niet gebruikelijk is om facturen bij te houden van verkoop op Marktplaats, dit niet in de weg staat aan het voeren van een administratie hiervan. Met name gelet op de door [betrokkene 1] gestelde omvang van de contante ontvangsten had het op de weg gelegen van [betrokkene 1] om hiervan een administratie bij te houden hetgeen hij niet heeft gedaan. De verklaring over deze inkomstenposten is niet voldoende concreet en verifieerbaar en daarmee niet aannemelijk.
Ten aanzien van de gestelde contante verkoop van de trike heeft [betrokkene 1] pas ter zitting een enigszins concrete en mogelijk verifieerbare verklaring gegeven. Tijdens een eerder verhoor noemt hij enkel de achternaam van de koper. De trike stond niet op zijn naam, hij had geen kenteken hiervan en wilde niet verklaren van wie hij de trike had gekocht. Ook niet nadat zijn advocaat tijdens het verhoor had aangegeven dat als [betrokkene 1] wilde dat er verder onderzoek naar zou worden gedaan, nadere informatie van hem nodig was (pagina 1630 van het dossier). Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Nu [betrokkene 1] pas in zo'n laat stadium heeft willen verklaren over de gestelde legale herkomst van dit geld - hoewel hij hiertoe eerder de mogelijkheid heeft gehad - kon en kan van het Openbaar Ministerie niet verlangd worden dat daar nog onderzoek naar wordt gedaan. Zijn verklaring kan dus niet worden aangemerkt als een concrete en verifieerbare verklaring.
De gestelde legale ontvangsten uit de verkoop van de Golf (met kenteken [kenteken]) valt buiten de onderzoeksperiode. Ter zitting heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij voor de Golf contant geld heeft ontvangen tussen juli en december 2012. Volgens de RDW is de tenaamstelling gewijzigd in januari 2013.
De gestelde legale ontvangsten uit de verkoop van de Mercedes Camper zouden volgens de verklaring van verdachte en [betrokkene 1] hebben bijgedragen aan het beginsaldo. Uit gegevens van de RDW blijkt dat de Mercedes Camper in 2007 is verkocht. [betrokkene 1] heeft dit ter zitting in eerste aanleg bevestigd. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de opbrengst, die hij in delen over een periode van ongeveer een jaar ontving, thuis in de kluis heeft bewaard. Deze verklaring van [betrokkene 1] is niet te verifiëren en het hof is van oordeel dat niet zonder meer aannemelijk is dat hij enkele jaren na ontvangst van de koopprijs nog steeds over dat contante geld beschikte. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet aannemelijk geworden dat de opbrengst van de verkoop van de Mercedes Camper heeft bijgedragen aan het beginsaldo op 1 januari 2010. [betrokkene 1] heeft herhaaldelijk verklaard een Mercedes SL500 te hebben verkocht aan [betrokkene 19] uit [plaats]. Deze auto stond voor de verkoop op naam van de Stichting [I]. Naar aanleiding van deze verklaring is nader onderzoek verricht. Uit gegevens bekend bij de RDW is gebleken dat er geen Mercedes SL500 op naam heeft gestaan van de Stichting of van [betrokkene 19]. Uit deze verklaring kan geen legale herkomst blijken van een contant geldbedrag.
De verklaring van verdachten met betrekking tot de verkoop van de trailer LFE is niet voldoende concreet en verifieerbaar. [betrokkene 1] wil de naam van de kopers niet noemen omdat hij hen niet wil belasten (pagina 1628 van het dossier). Ook naar aanleiding van zijn verklaring ter zitting is geen begin van aannemelijkheid ontstaan ten aanzien van de eventuele verkoop, de verkoopprijs en datum van ontvangst van de opbrengst. Aan de hand hiervan kan geen onderzoek worden verricht en kan dan ook geen legale herkomst blijken van een contant geldbedrag.
Door verdachten is gesteld dat zij een geldlening hebben afgesloten met de ouders van verdachte. Het geldbedrag van € 25.000,- hebben zij contant ontvangen. Deze verklaring acht de rechtbank op voorhand volstrekt onaannemelijk. Naast het feit dat [betrokkene 1] wisselend heeft verklaard over de lening, heeft verdachte bij de politie tijdens haar verhoor op 20 juni 2013 verklaard dat zij in 2001 geld heeft geleend van haar moeder en dat zij zich niet kan herinneren in de afgelopen jaren geld van haar te hebben geleend (pagina 119 van het dossier).
Contante uitgaven:
Aan de hand van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat door verdachten contante uitgaven zijn gedaan in de onderzoeksperiode. De verdediging heeft zich ten aanzien van de aankoop van de Porsche en de huur van de recreatiewoning op het standpunt gesteld dat hoewel sprake is geweest van uitgaven van contant geld, deze bedragen lager zijn geweest dan uit het onderzoek is gebleken.
Bij de aankoop van de Porsche zou niet alleen een Axiam zijn ingeruild, maar ook een Breitling. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. [betrokkene 1] heeft hier pas in een laat stadium - en afwijkend van zijn eerdere verklaring - over verklaard. Tijdens zijn eerste verhoor verklaart hij over de gegevens op de factuur overgelegd door verkoper Meijering: 'dit zal wel kloppen'. Op de factuur wordt alleen melding gemaakt van de inruil van de Axiam, niet van de gestelde inruil van het horloge en verdachte heeft hierover op dat moment ook niet verklaard. Daarnaast komt zijn latere verklaring over de inruil van het horloge ook niet overeen met de informatie verkregen van de verkoper. De rechtbank stelt vast dat voor de aankoop van deze Porsche door verdachten € 10.200,- contant is betaald.
Daarnaast verklaart [betrokkene 1] dat hij een bedrag van € 7.000, - contant heeft betaald voor de huur van de recreatiewoning. Het te betalen bedrag van € 12.000, - is voor € 5.000, - verrekend met een ingeruilde caravan. De rechtbank acht ook deze verklaring niet aannemelijk gelet op de facturen overgelegd door de verhuurder, [betrokkene 20]. Twee facturen ad € 6.000,- zijn per kas betaald. De factuur betreffende de borg ad € 5.000,- is verrekend met een oude caravan (pagina 1142-1144 van het dossier).
Berekening totale contante uitgaven tijdens de onderzoeksperiode:
Deel aankoopbedrag Porsche Cayenne: € 10.200,00 Aankoopbedrag BMW X5: € 14.750,00 CJIB betalingen: € 28.865,42 Privéstortingen in bedrijven: € 252.125,00 Twee huurtermijnen recreatiewoning: € 12.000,00 Aankoopbedrag meubels [betrokkene 16]: € 6.000,00 Totaal € 323.940,42 Conclusie ten aanzien van geldbedragen:
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verschil tussen de contante uitgaven van verdachten en hun legale contante ontvangsten van € 258.285,42 (= € 323.940,42 min € 65.655,-). Nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit contant uitgegeven geldbedrag een legale herkomst heeft, kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden. De werkelijke aard en illegale herkomst van deze niet verklaarde uitgaven zijn door verdachten verhuld. Zij hebben over dit contante bedrag van € 258.285,42, dat - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig was, de beschikking gehad en hiermee handelingen verricht.
De rechtbank acht gelet daarop het ten laste gelegde, te weten - kort gezegd - medeplegen van witwassen, wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de duur van de periode waarin verdachten contante geldbedragen uit misdrijf afkomstig hebben uitgegeven en de hoeveelheid uitgaven is de rechtbank voorts van oordeel dat bewezen is dat verdachten en [betrokkene 1] een gewoonte hebben gemaakt van witwassen.
Aan de hand van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de contante uitgaven betreffende de aankoop van meubels en de betalingen aan het CJIB deels (te weten € 27.000,-) zijn gedaan met legale inkomsten, te weten uit de verkoop van de puppy's en de leningen van [betrokkene 3] en [betrokkene 18]. De rechtbank zal verdachten partieel vrijspreken van het witwassen van deze geldbedragen.
Porsche en BMW De Hoge Raad heeft in zijn arrest HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, nadat hij de wetsgeschiedenis van artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht had aangehaald, het volgende overwogen: '2.8. Gelet op deze wetsgeschiedenis hebben “verbergen” en “verhullen” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op - onder andere en voor zover hier van belang - de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken’.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier niet dat verdachte en [betrokkene 1] ten aanzien van de Porsche Cayenne en de BMW X5 enige handeling hebben verricht die erop gericht was de herkomst van deze auto’s te bemoeilijken. In zoverre dient verdachte daarom van witwassen te worden vrijgesproken.
Nu verdachte en [betrokkene 1] de Porsche Cayenne en de BMW X5 in de tenlastegelegde periode wel voorhanden hebben gehad, terwijl zij - doordat zij deze (deels) met uit een misdrijf afkomstig geld hadden betaald - wisten dat deze onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, zal die vorm van witwassen wel bewezen worden verklaard.’ Het vierde middel 42. Het vierde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen ten aanzien van een BMW en Porsche ontoereikend is gemotiveerd. Uit de motivering van het hof zou niet kunnen worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van de Porsche Cayenne en BMW X5.
Het vijfde middel 49. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte althans onvoldoende met redenen omkleed heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Uit ’s hofs overwegingen zou niet kunnen worden afgeleid wat precies de rol van de verdachte is geweest en of deze rol kan worden gekwalificeerd als medeplegen.
Afronding 53. Alle middelen kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel is nadien gewijzigd door de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude, Stb. 2016, 154, in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb. 2016, 205).
HR 3 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB6908, NJ 1975/229 m.nt. Wachter.
Vgl. over het arrest C.M. Hilverda, Faillissementsfraude. Een studie naar de strafrechtelijke handhaving van faillissementsrechtelijke normen, Deventer: Kluwer 2009, derde druk, p. 105-108; B.F. Keulen, Bankbreuk, ons strafrechtelijk faillissementsrecht, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 258-260.
HR 16 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7243, NJ 1981/586.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijjk.
Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154.
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 15-16.
Wel zijn er andere argumenten aan te voeren tegen de constructie waarbij de rechtspersoon als dader van een faillissementsdelict in het eigen faillissement wordt aangemerkt; vgl. Keulen, a.w., p. 266-269. Die argumentatie heeft de wetgever evenwel niet overgenomen.
Zie ook nog Kamerstukken I 2015/16, 33 994, nr. C, p. 6.
Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 17.
Vgl. ook A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:978, randnummer 11 en voetnoot 4, die spreekt van een wettelijke basis voor de feitelijke uitleg van de term ‘bestuurder’. Zie ook de conclusie van A-G Hofstee voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:673, randnummer 7, die het ‘oude’ begrip bestuurder aldus wil uitleggen dat het ook gaat ‘om degene die de rechtspersoon in feite bestuurt en de gedragingen feitelijk (materieel) heeft begaan in de hoedanigheid van bestuurder’. Uw Raad deed beide zaken af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Vgl. in verband met de taak van de bestuurder art. 9, tweede lid, Boek 2 BW, eerste volzin: ‘Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken’.
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1, 3.8.2.
Vgl.HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162, rov. 2.3.1.
Vgl. HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:289, NJ 2022/162, m.nt. Wolswijk.
Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527, NJ 2016/479, NJ 2016/479.
Ik wijs in dit verband nog op HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160 m.nt. Keijzer, rov. 2.3.2., waarin Uw Raad drie situaties noemt waarin een oordeel van de feitenrechter waarin besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp vooral niet begrijpelijk zal kunnen zijn. In het onderhavige geval kan naar het mij voorkomt niet worden gezegd dat rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat (enkel) sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.