ECLI:NL:PHR:2023:489
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03693 Zitting 16 mei 2023 CONCLUSIE P.C. Vegter In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte 1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 september 2022 het vonnis van de rechtbank, waarbij de verdachte wegens 1: “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, bevestigd, met aanvulling van gronden als hierna aangegeven. De verdachte is veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Daarnaast is een terbeschikkingstelling met (13) voorwaarden gelast en een vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod) opgelegd. Beide maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts zijn beslissingen genomen met betrekking tot het beslag en de vordering van de benadeelde partij waarbij tevens een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, als nader in het vonnis omschreven.
De man trok [slachtoffer] vervolgens uit zijn auto, aan zijn shirt; Het pistool was hierbij nog op hem gericht. De man trok hem achter zijn auto langs naar de heg bij een hoekwoning. De man zette het pistool op zijn slaap, en op zijn voorhoofd, en bleef continu herhalen dat hij hem dood zou schieten. De man wilde dat [slachtoffer] bij hem in de auto stapte. Dit deed [slachtoffer] niet, maar uiteindelijk is hij in zijn eigen auto achter de man aangereden en heeft hij ondertussen 112 gebeld. Op het moment dat de man in de auto afsloeg, en uit zicht verdween, is [slachtoffer] door blijven rijden en bij een woning gestopt. [slachtoffer] is daar met een politieagent meegereden naar het politiebureau.
Over de man die hem heeft bedreigd, heeft [slachtoffer] verklaard dat dit een Surinaamse man is, ongeveer 1.70-1.75 meter lang, met gouden tanden in zijn mond.
3.3.2 Getuigenverklaringen [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij op 18 juli 2019 getuige is geweest van een bedreiging met een vuurwapen. Zij reed over de Zuidelijke Zwarteweg in de richting van de Joubertstraat en moest stoppen voor een rood verkeerslicht. Zij zag een zilvergrijze Peugeot die in de verkeerde richting stond geparkeerd. Deze auto stond stil naast een witte bus, die wel in de goede rijrichting stond. [betrokkene 1] heeft verklaard dat een donkere man met een vuurwapen uit de Peugeot kwam en naar de bestuurder van de witte bus liep. Deze man trok het portier open, trok aan de bestuurder en hield een vuurwapen op de bestuurder gericht. Er werd geschreeuwd. Even later stapte de donkere man weer in de Peugeot en reed weg. De man in de witte bus reed in dezelfde richting. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 18 juli 2019 bij de kruising Voorwillensweg en Joubertslaan een witte bestelbus zag staan met daarnaast een Peugeot geparkeerd. Bij het bestuurdersportier van het vrachtwagentje stond een man te gillen tegen de bestuurder van het vrachtwagentje. Deze man probeerde het bestuurdersportier van het vrachtwagentje open te trekken, pakte vanuit zijn broeksband een pistool en richtte dat door de kier van het raampje op de bestuurder van het vrachtwagentje. De chauffeur deed het portier open en de man trok de chauffeur de auto uit. Even later stapte de man zijn auto in en reed weg in de richting van de Sportstraat. Het kenteken van de man met het vuurwapen was [kenteken].
3.3.3 Aanhouding verdachte, aantreffen vuurwapen Degene op wiens naam de zilveren Peugeot met kenteken [kenteken] staat, zou woonachtig zijn op de [a-straat] te [plaats]. Op de parkeerplaats aldaar, stond deze Peugeot geparkeerd. In de nabijheid van de Peugeot werd een man aangetroffen die voldeed aan het opgegeven signalement. Deze man werd daarop als verdachte aangemerkt, De verdachte is daar aangehouden en in zijn broekzak zijn een wapen en een patroon aangetroffen.
Het onder de verdachte aangetroffen wapen is onderzocht door de politie en hierbij is vastgesteld dat het gaat om een naar een vuurwapen in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie omgebouwd gas- alarmpistool van het merk Tanfoglio met model GT28 van het kaliber 6.35. Ook is vastgesteld dat het mogelijk is om met liet wapen scherpe patronen van het kaliber 6.35 mm te verschieten en dat het wapen doorgeladen was. De munitie die onder de verdachte is aangetroffen, kan met dit wapen worden verschoten.
3.3.4 Verklaring van de verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij op 18 juli 2019 naar het huis van [slachtoffer] is gegaan, dat hij in de auto achter hem aan is gereden en dat [slachtoffer] van hem moest stoppen. De verdachte heeft ook verklaard dat hij toen dat pistool in zijn zak had en dat daar munitie in zat.”
Getuige [betrokkene 1] 9. Getuige [betrokkene 1] verklaart bij de politie echter dat de man met het wapen met dit wapen in de hand uit de auto is gestapt.
Wat ik heb gezien en gehoord was een hoop geschreeuw.
U vraagt mij of dat komt omdat ik niet weet hoe het eruit zag of dat ik het mij niet kan herinneren.
Beide. (..) U vraagt mij of ik nog weet waarom ik die conclusie trok, waarom ik dacht dat het een wapen was. Lastig, nee geen idee.
Op basis van alle voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen met de dood van [slachtoffer].
Feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen);.
De rechtbank acht op basis van de onder 3.3.3 genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 18 juli 2019 in Gouda een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, namelijk het ten laste gelegde doorgeladen en omgebouwde gas-alarmpistool van het merk Frateili Tanfoglio S.R.L., model GT28, kaliber 6.35 en vier patronen van het merk Geco, kaliber 6.35.”
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte, en stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde: (..) 9. De verdachte werkt, in het geval van een crisissituatie mee aan een tijdelijke plaatsing voor de duur van tweemaal maximaal zeven weken in de gesloten unit van de FPA, de klinische behandelsetting van Ambulant Forensisch Psychiatrisch Toezicht, of een soortgelijke instelling; (…) geeft opdracht aan GGZ reclassering Fivoor de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen; (…)”
Pas als beide vaststellingen zijn gedaan, is de terbeschikkinggestelde gehouden medewerking te verlenen aan die opname. In de praktijk worden dergelijke voorwaarden niet zelden door de reclassering geadviseerd en in uiteenlopende bewoordingen door de feitenrechter gesteld. Met name de indicatie tot opname vergt onder meer gedragskundige kennis en ervaring, terwijl de voorwaarde daaromtrent niets inhoudt. Vanuit het perspectief van de rechtsbescherming staat vooral centraal welke persoon of instantie bevoegd is in het concrete geval te bepalen dat er een crisissituatie is en dat die situatie ook in het licht van de overige omstandigheden noopt tot vrijheidsontneming.
2.4.1 Op grond van artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, Sr kan als bijzondere voorwaarde bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling worden gesteld. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter (vgl. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946).
2.4.2 Gelet hierop is de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, voor zover deze de beslissing of de verdachte zich gedurende de proeftijd onder klinische behandeling moet stellen, in handen legt van Reclassering Nederland, de voor indicatie verantwoordelijke instantie en/of de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, onverenigbaar met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, Sr.”
Het hof ziet in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1027, aanleiding ambtshalve in te gaan op de rechtmatigheid van deze voorwaarde, die in de praktijk regelmatig wordt verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld over een aan een voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden voorwaarde voor “een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek” van maximaal zeven weken. Deze voorwaarde hield in dat de veroordeelde zich zou laten opnemen in een zorginstelling als de voor indicatiestelling verantwoordelijke instantie, op aanvraag van de reclassering, een opname zou indiceren. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dit een voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 10º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarvoor geldt dat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter. De in het arrest bestreden voorwaarde voldeed niet aan deze eis.
De in deze zaak voorgestelde voorwaarde van een time-out voorziet evenmin in een bemoeienis van de rechter bij de opname in de zorginstelling. Het hof is nagegaan of er redenen zijn bij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege deze betrokkenheid niet te eisen. De voorwaardelijke beëindiging is immers gebaseerd op een ander wettelijk kader.
Artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (…) 2. De rechter die de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigt, stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. De artikelen 38, tweede en vijfde lid, en 38a van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing. (…) Artikel 38 Sr 1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde (…) 2. De rechter geeft tevens een in de uitspraak aangewezen instelling, die aan bepaalde bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen voldoet, opdracht de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. (…) 5. Een voorwaarde kan de rechter slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarde. (…) Artikel 38a Sr 1. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid van artikel 38 kunnen inhouden dat de ter beschikking gestelde zich in een door de rechter aangewezen instelling laat opnemen, zich onder behandeling stelt van een in de uitspraak aangewezen deskundige, of door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de behandelend arts aan hem worden toegediend.
Artikel 6:6:10a Sv 1. Indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechter-commissaris op vordering van het openbaar ministerie een bevel tot tijdelijke opname van de ter beschikking gestelde geven voor de duur van maximaal zeven weken in een door de rechter aangewezen instelling.
Anders dan artikel 14c Sr, kent artikel 6:6:10, tweede lid, Sv een inhoudelijk criterium voor de te stellen voorwaarden, kort gezegd, dat zij dienen ter bescherming van de veiligheid. Dit is hetzelfde criterium als bij de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Over de terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft de Hoge Raad overwogen dat een klacht over afzonderlijke voorwaarden dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van het geheel van de gestelde voorwaarden, die onmiskenbaar strekken tot een doeltreffende behandeling van de terbeschikkinggestelde verdachte en dus tevens tot het voorkomen van nieuwe strafbare feiten (Hoge Raad 19 november 2019, ECLI:NL:HR.2019:1797). Anders dan bij een voorwaardelijke gevangenisstraf, dient een terbeschikkinggestelde in te stemmen met de stellen voorwaarden. Ten slotte volgen de voorwaarden bij een voorwaardelijke beëindiging op (vaak langdurige) vrijheidsbeneming en strekt de voorwaarde van een time-out er mede toe een hervatting van de verpleging van overheidswege, en daarmee (vaak langdurige) vrijheidsbeneming te voorkomen.
Het hof ziet in deze verschillen met de door Hoge Raad besliste zaak echter onvoldoende reden om te oordelen dat opname in een zorginstelling tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan plaatsvinden zonder dat de rechter oordeelt over de noodzaak daarvan. Het gaat immers om een zelfde inperking van vrijheden. Op grond van artikel 6:6:10, tweede lid, Sv jo. artikel 38a, eerste lid, Sr is het ook aan de rechter voorbehouden om de instelling aan te wijzen waarin de terbeschikkinggestelde zich laat opnemen. In Hoge Raad 25 mei 1993, NJ 1993, 745, werd geoordeeld dat dit niet aan een deskundige mocht worden overgelaten. Verder brengt de instemming van de terbeschikkinggestelde met een algemeen gestelde voorwaarde niet mee dat een latere opname in een zorginstelling steeds vrijwillig is. Ten slotte heeft de wetgever met artikel 6:6:10a Sv expliciet voorzien in een wettelijke grondslag voor het aanvullend opleggen van de voorwaarde van een crisisopname in een zorginstelling door de rechter.
Hieruit volgt dat de door de reclassering voorgestelde voorwaarde van een time-out niet kan worden verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.
In dit verband overweegt het hof nog als volgt.
De door de reclassering voorgestelde voorwaarde verschilt van artikel 6:6:10a Sv. Een time-out kan op zeer korte termijn door de reclassering zelf worden besloten en geëffectueerd. Voor de toepassing van de crisisopname van artikel 6:6:10a Sv zal de reclassering eerst contact moeten opnemen met de officier van justitie, die vervolgens een vordering zal moeten doen bij de rechter-commissaris, die vervolgens binnen uiterlijk drie dagen moet beslissen.
Bij een acute destabilisatie kan het nodig zijn de terbeschikkinggestelde op een kortere termijn op te nemen in een zorginstelling dan met de procedure van artikel 6:6:10a Sv is gemoeid. Deze omstandigheid zal de rechter moeten betrekken in zijn afweging of het verantwoord is de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen.
Verder dient de verplichte betrokkenheid van de rechter bij de plaatsing in een zorginstelling te worden gezien als een waarborg ter bescherming van de vrijheden van de terbeschikkinggestelde, die bij de verplichte opname in een zorginstelling vergaand kunnen worden ingeperkt. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat er niets aan de in de weg staat dat de terbeschikkinggestelde zich vrijwillig laat opnemen in de zorginstelling. Een voorwaarde van die strekking heeft dan niet tot doel de terbeschikkinggestelde tot medewerking te verplichten, maar om een grondslag te bieden voor forensische zorg. De opname kan dan alleen zolang voortduren als de terbeschikkinggestelde daarmee instemt. Wanneer de terbeschikkinggestelde de opname zelf beëindigt, is dit geen overtreding van een voorwaarde.
Het hof zal de door de reclassering voorgestelde voorwaarde in deze zin herformuleren.
Verder zal het hof de volgende door de reclassering voorgestelde voorwaarde niet opleggen:
Opname in een zorginstelling Indien nodig kan Tactus Reclassering het IFZ/DIZ vragen om een indicatiestelling voor een opname in een zorginstelling met expertise op het gebied van LVB en ASS-problematiek of een soortgelijke zorgverlener.
Het hof gaat ervan uit dat hiermee bedoeld is de terbeschikkinggestelde te verplichten zich op te laten nemen in de geïndiceerde zorginstelling. Zoals hiervoor overwogen, kan een voorwaarde niet op deze wijze worden gesteld. Indien op enig moment langduriger opname in een zorginstelling aangewezen lijkt, kan bij de rechter een vordering worden ingediend tot wijziging van de voorwaarden (artikelen 6:6:19, derde lid, Sv en 6:6:10, eerste lid, aanhef en onder f, Sv).”
De veel toegepaste vierde variant stelt bij een indicatie tot tijdelijke klinische opname de eis van voorafgaande ‘rechterlijke goedkeuring’. Die creatieve variant is buitenwettelijk zodat nadere procedurele regels ontbreken. De beide laatste varianten beogen kennelijk toepassing te geven aan het recente arrest van de Hoge Raad. Of deze varianten toereikend zijn voor een voortvarende opname in een crisissituatie moet nog worden afgewacht. Indien in de vierde variant een rechter-commissaris de goedkeuring geeft, lijkt er niet of nauwelijks verschil met het alleen op de terbeschikkingstelling toepasselijke art. 6:6:10a, eerste lid, Sv.
Het dictum van de bestreden uitspraak luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt: "Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 55 (vijfenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (...) dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd stelt onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam te Zaandam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien dit inhoudt dat de verdachte zal meewerken aan begeleiding vanuit Care Express.
Geeft Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen."
3.2.
In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was, had het Hof op grond van art. 77aa, vierde lid, Sr slechts een reclasseringsinstelling als bedoeld in art. 14d, tweede lid, Sr opdracht kunnen verlenen toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de verdachte daarbij hulp en steun te verlenen. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak vernietigen wat betreft de strafoplegging.”
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Over de kwalificatie van het tweede feit wordt niet geklaagd, Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10739.
Bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 26 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5050.
Bijvoorbeeld rechtbank Noord-Holland 15 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11187. Zie ook de eerder vermelde beslissing van de penitentiaire kamer.
Bijvoorbeeld rechtbank Midden-Nederland 2 augustus 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3131.
Bijvoorbeeld rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6664.
HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242 met noot F.W. Bleichrodt.
W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Wolters Kluwer Deventer 2015, p. 109. Zie voor de verwijzing naar anderen de noten 18 (p. 108) en 21 (p. 109).
A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer Deventer 2022, p. 122/123.
Van Dorst en Borgers, a.w., p. 130.
Van Dorst en Borgers, a.w., p. 131.
Vgl. ook Van Kempen in zijn noot bij HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:708, NJ 2014/288.
Ik wijs er op dat dit anders ligt bij de voorwaarde tot klinische opname in een crisissituatie in het kader van de voorwaardelijke veroordeling als geregeld in art. 14a e.v. Sr. Daar ontbreekt immers ook een wettelijke grondslag voor een dergelijke opname door de rechter-commissaris. Het ontbreken van een dergelijke wettelijke grondslag in het kader van de voorwaardelijke veroordeling, terwijl een dergelijke grondslag in het kader van de terbeschikkingstelling wel in de wet is opgenomen, kan worden gezien als een aanwijzing dat de wetgever voor de mogelijkheid van klinische opname in een crisissituatie een wettelijke grondslag vereist acht en dat het stellen van een voorwaarde die strekt tot klinische opname in een crisissituatie niet is toegelaten. De onderhavige conclusie beperkt zich tot de voorwaarde van klinische opname in een crisissituatie bij de terbeschikkingstelling.
Ik volsta met op te merken dat hier art. 5 lid 1 onder a van het EVRM in het geding is.
Van Dorst en Borgers, a.w., p. 131.