PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/00082 Zitting 30 mei 2023 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte 1Inleiding 1.1 De verdachte is bij arrest van 30 december 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 primair “poging tot doodslag” en onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te Den Haag, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 Het middel klaagt over het onder 1 primair bewezenverklaarde opzet op de dood van de aangever. 2.2 Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat: “hij op 06 oktober 2018 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”. 2.3 De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 16 december 2021 vrijspraak bepleit, omdat er geen opzet op de dood van de aangever zou zijn. 2.4 Het hof heeft het verweer als volgt weergegeven en verworpen: “De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de poging doodslag op de gronden als vermeld in de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte opzettelijk gericht op het been van de aangever heeft geschoten en dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard aangever dodelijk te raken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu poging doodslag – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Op zaterdag 6 oktober 2018 was de verdachte in de muziekstudio [A] in [plaats] aanwezig. Omstreeks 19:00 uur stopte aangever met de auto voor de studio. Getuige [betrokkene] is naar buiten gegaan om de aangever te groeten. Vervolgens is de verdachte naar de deur van de muziekstudio gelopen. Er ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en de aangever, terwijl de aangever nog in de auto zat. De verdachte is hierna in de studio naar boven gelopen en vervolgens weer naar beneden gegaan. De verdachte is de studio uitgelopen richting de auto van aangever, heeft zijn wapen getrokken en doorgeladen en heeft op de aangever geschoten. De verdachte, stond hierbij aan de passagierskant van de auto en heeft het wapen door het open raam gericht, terwijl de aangever aan de bestuurderskant van de auto zat. De aangever is hierbij geraakt in zijn rechterheup. In het ziekenhuis is een kogel uit de bil van de aangever verwijderd. Het hof overweegt dat met het door de verdachte op korte afstand met een vuurwapen schieten op de aangever, die zich in een kleine ruimte – een auto – bevond, sprake is van een aanmerkelijke kans dat vitale lichaamsdelen van aangever zouden worden geraakt, waardoor hij zou komen te overlijden. Daarbij acht het hof van belang dat verdachte geen geoefende schutter was, de aangever achter het stuur van een auto zat, verdachte niet wist hoe de aangever zou reageren en dat de aangever is geraakt in de heup, derhalve op een plaats dichtbij vitale delen van het lichaam. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aan de verklaring van de verdachte dat hij opzettelijk naar beneden heeft geschoten en de aangever niet dodelijk heeft willen raken, niet de door de verdachte gewenste betekenis kan worden toegekend. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het uitschakelen van de aangever, en daarmee op zijn dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Het verweer wordt verworpen.” 2.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. 2.6 Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte zo zeer waren gericht op het doden van de aangever dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het hof heeft over deze gedragingen vastgesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.