PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/03769 Zitting 28 maart 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de verdachte
(2)weken voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.’ 8. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan de verdachte in eerste aanleg opgelegde straf geen recht zou doen aan de aard en de ernst van het feit. Daartoe is aangevoerd dat de verwijzing van het hof – ter motivering van de hogere straf – naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betrekking heeft op de persoon van de verdachte en niet op de aard of ernst van het feit als zodanig. Daarbovenop heeft het hof volgens de steller van het middel niet aangegeven waarom het in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding heeft gezien om de op te leggen straf te matigen. 9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in het bestreden arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de strafmaat. Gesteld wordt dat door de verdediging ter terechtzitting is verzocht om in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 180 uur op te leggen, en dat daartoe is aangevoerd dat de verdachte na jarenlang dak- en thuisloos te zijn geweest inmiddels over een eigen huurwoning beschikt en een uitkering ontvangt, dat de verdachte graag wil werken en niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest, dat hij zich als vrijwilliger actief inzet voor de opvang van dak- en thuislozen en dat de verdachte heeft gesteld dat een gevangenisstraf zou betekenen dat hij weer ‘terug bij af’ is. Doordat het hof slechts heeft overwogen dat het in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding ziet om de op te leggen straf te matigen, heeft het hof volgens de steller van het middel niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van de door de raadsman betoogde strafvermindering. 10. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 11. Uw Raad heeft in een arrest van 5 juli 2022 overwogen dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Binnen de grenzen die de wet stelt, is hij vrij ‘in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing’. Uw Raad stelt zich daarbij ‘als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing met betrekking tot de straftoemeting toereikend is’. 12. Ingeval door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen inzake de strafmaat of strafmodaliteit dient de rechter – indien hij afwijkt van dit standpunt – in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Of van een dergelijk standpunt sprake is, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De maatstaf die Uw Raad daarbij hanteert, is of het aangevoerde niet anders kan worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Bij verweren die op de straftoemeting zien, ligt de lat hoog. Uw Raad heeft overwogen dat ‘een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ oplevert. En dit geldt ook ‘voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf’. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan daarentegen wel sprake zijn als het gaat om ‘een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien’. In zo’n geval gaat het volgens Uw Raad bij de controle in cassatie in de kern om de vraag ‘of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter (…) voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf’. 13. De rechter dient de opgelegde straf ook nader te motiveren ingeval deze zonder die motivering verbazing oproept. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechter een aanzienlijk zwaardere straf oplegt dan is gevorderd, of als in hoger beroep een aanzienlijk hogere straf volgt dan in eerste aanleg is opgelegd. 14. De verdachte heeft in de brief die door de raadsman is voorgelezen, aangegeven dat hij vijftien jaar dak- en thuisloos is geweest en zich de laatste zes jaar ver van alles wat negatief is, heeft weten te houden. En dat hij net de sleutel voor een huisje in ontvangst heeft mogen nemen en dat een gevangenisstraf ‘terug bij af’ zou zijn. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep (in aanvulling daarop) aangegeven dat de verdachte een uitkering ontvangt en als vrijwilliger zeer betrokken is bij de dak- en thuislozenopvang. Hij heeft naar voren gebracht dat ‘de persoonlijke omstandigheden’ matigend moeten werken, dat de verdachte ‘niet meer met politie en justitie in aanraking (
- is)geweest’, en heeft verzocht om aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 180 uur op te leggen. 15. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken, waarvan twee weken voorwaardelijk. Het hof heeft overwogen dat het de op te leggen straf heeft bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse salarisspecificaties en een valse werkgeversverklaring om een woning op zijn naam te huren, dat de eigenaar van de woning op grond van deze stukken is overgegaan tot verhuur van haar woning aan de verdachte, en dat de verdachte hiermee het vertrouwen in het economisch verkeer heeft geschaad. Het hof voegt daaraan toe dat dit in deze zaak des te meer klemt, omdat in de verhuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen als gevolg waarvan de woning is beschadigd en de eigenaar is gedupeerd, en dat de gedragingen van de verdachte deze gang van zaken mogelijk hebben gemaakt. Voorts heeft het hof overwogen dat art. 22b Sr zich in het onderhavige geval verzet tegen het opleggen van een taakstraf. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen. 16. Inzake de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan de verdachte in eerste aanleg opgelegde straf geen recht zou doen aan de aard en de ernst van het feit, merk ik op dat het hof die waardering heeft gestoeld op een overweging waarin diverse aspecten van het gepleegde feit aan bod komen. Het hof was niet gehouden deze waardering, die aan de feitenrechter is, nader te expliciteren. Onbegrijpelijk is die waardering in het licht van ’s hofs overwegingen niet. De verwijzing naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie strekt er, zo blijkt ook uit de opbouw van ’s hofs overwegingen, niet toe de (waardering van
- de)ernst van het feit te onderbouwen; voor zover de steller van het middel daarvan uitgaat, berust het middel op een verkeerde lezing van ’s hofs overwegingen. Het hof was voorts niet gehouden nader toe te lichten waarom het in hetgeen de verdediging met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft aangevoerd geen aanleiding heeft gezien de op te leggen straf te matigen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in veel gevallen verlies (van huis, uitkering, werk, relaties, etc.) voor de veroordeelde tot gevolg kan hebben, en dat uit hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd niet volgt dat een gevangenisstraf van een duur als door de rechtbank opgelegd (6 weken onvoorwaardelijk) verlies van de woning of de uitkering tot gevolg heeft. 17. Al met al meen ik dat de klachten die in de tekst van en toelichting op het eerste middel naar voren worden gebracht, falen. 18. Het eerste middel faalt. 19. Inzake de klacht dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de strafmaat merk ik op dat het nog maar de vraag is of het aangevoerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert. De namens de verdachte overgelegde brief en het betoog van de raadsman houden in de kern een opsomming van persoonlijke omstandigheden in met daaraan gekoppeld het verzoek om aan de verdachte geen gevangenisstraf maar een taakstraf van 180 uur op te leggen nu een gevangenisstraf zou betekenen dat hij ‘terug bij af’ zou zijn. Dat betoog kan naar het mij voorkomt worden geduid als een ‘enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf’. De enkele omstandigheid dat het hof in de strafmotivering – kort – aandacht heeft besteed aan een dergelijk betoog, impliceert nog niet dat het hof het betoog als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft aangemerkt waar het ingevolge art. 359, tweede lid, Sv op diende te reageren. 20. Wat daar verder ook van zij, het hof heeft in het bestreden arrest een afzonderlijke overweging gewijd aan het straftoemetingsverweer van de verdediging. Uit de strafmotivering en die overweging blijkt mijns inziens voldoende waarom het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen standpunt. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, meebrengen dat een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, passend en geboden is en heeft dit betrokken bij de beslissing om af te wijken van het verzoek van de raadsman om aan de verdachte een taakstraf op te leggen. Het hof heeft in de strafmotivering samengevat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. En het hof heeft expliciet overwogen dat het daarin geen aanleiding heeft gezien om de op te leggen straf te matigen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. 21. Het tweede middel faalt. 22. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Het hof heeft in de strafmotivering aangegeven dat art. 22b Sr zich in het onderhavige geval zou verzetten tegen het opleggen van een taakstraf. Het hof wijst daarbij op een veroordeling door de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2018. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat zich het geval voordoet dat aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd. Het misdrijf waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld, is blijkens de bewezenverklaring evenwel op 31 januari 2013 gepleegd. Dat brengt mee dat uit de genoemde veroordeling niet volgt dat het taakstrafverbod van toepassing is. Daarover klagen beide middelen evenwel niet en tot ambtshalve cassatie leidt deze tekortkoming in de strafmotivering niet. Ik merk daarbij nog op dat deze overweging in de strafmotivering een ondergeschikte rol inneemt. Daarin staat ’s hofs waardering van de ernst van het feit centraal. 23. De middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De rechtbank had ook twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Eén van deze benadeelde partijen is in hoger beroep ter terechtzitting verschenen. Daar heeft de voorzitter de benadeelde partij voorgehouden dat de verdachte is vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en dat, ‘nu het appel van de verdediging zich beperkt tot het onder feit 4 tenlastegelegde, deze vordering tot schadevergoeding vandaag niet aan de orde zal komen’. De rechtbank had in het vonnis overwogen dat deze vordering was ingediend wegens materiële schade die de benadeelde partij ‘als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden’. ’s Hofs arrest impliceert, naar het mij voorkomt, dat de niet-ontvankelijkverklaring van deze benadeelde partij in de ingestelde vordering voor zover deze desalniettemin aan het oordeel van het hof zou zijn onderworpen, is bevestigd. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, rov. 3.4-3.5.3. Vgl. ook HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, rov. 2.3.2. Vgl. onder meer HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3376, rov. 2.3. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.1. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:909, rov. 3.3.1. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, rov. 3.5.4. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549, rov. 3.5.4 en HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313, NJ 2009/283, rov, 2.4. HR 26 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6830, NJ 1980/434, rov. 5. Dat lag anders in HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3376, rov. 2.2.3-2.3. Aangevoerd was dat de verdachte verslaafd was geweest maar dat hij inmiddels was afgekickt en in een eigen woning woonde. De vrees bestond dat een gevangenisstraf de positieve ontwikkelingen zou doorkruisen, omdat de verdachte in de gevangenis met de verkeerde mensen in aanraking zou komen en in de put zou raken. In eerste aanleg en in hoger beroep was een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken opgelegd. Dit betoog kan worden aangemerkt als een argumentatie ‘waarom (…) een samenstel van specifieke omstandigheden’ (het afgekickt zijn, de eigen woning, de angst dat contacten in de gevangenis met verkeerde mensen positieve ontwikkelingen zouden doorkruisen, de lengte van de opgelegde gevangenisstraf) de rechter tot het afzien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf diende te brengen.