← Nederland

ECLI:NL:PHR:2023:526

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/00554 Zitting 23 mei 2023 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, hierna: de verdachte 1De cassatieprocedure 1.1 Bij arrest van 10 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het op 26 juli 2021 tegen de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (grotendeels) bevestigd. Door dit arrest is de verdachte ook in hoger beroep voor drie gewapende overvallen en overtreding van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zijn verschillende bijzondere voorwaarden gekoppeld. 1.2 Het cassatieberoep is op 17 februari 2022 ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 In het eerste middel wordt geklaagd dat het arrest nietig is “doordien het Hof het vonnis van de Rechtbank ten aanzien van de strafoplegging ten onrechte heeft bevestigd, nu de Rechtbank heeft bepaald dat de aan requirant opgelegde bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke gevangenisstraf van kracht zijn tot het einde van de proeftijd in plaats van tijdens de proeftijd.” 2.2 Het door het hof bevestigde dictum van de rechtbank houdt in: “(…) veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden; bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden: stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat: verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij reclassering Iriszorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem meldt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; verdachte laat zich behandelen door Iriszorg en/of Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft door de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling; verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; verdachte geen alcohol gebruikt en meewerkt aan bloedonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; stelt als overige voorwaarden dat: verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;" 2.3 Uit de formulering van het dictum leidt de steller van het middel af dat het hof (uitsluitend) ten aanzien van de bijzondere voorwaarde die betrekking heeft op de verplichting om zich te melden bij de reclassering, heeft bepaald dat deze van kracht is na het ingaan van de proeftijd. Dat geldt volgens de steller van het middel niet voor de andere bijzondere voorwaarden: “uit het dictum (volgt) dat deze van toepassing zijn tot het einde van de proeftijd en dus al van kracht zijn vóór het ingaan van de proeftijd (cursivering AG). Dat is in strijd te achten met het bepaalde in art. 14c lid 2 Sr, waaruit voortvloeit dat bijzondere voorwaarden enkel gedurende de proeftijd van kracht kunnen zijn.” 2.4 De regeling van de voorwaardelijke veroordeling is opgenomen in de artikelen 14a e.v. Sr. In art. 14a Sr is bepaald in welke gevallen een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke bestraffing mogelijk is, in art. 14b Sr zijn de maximaal mogelijke proeftijden gereguleerd (variërend van drie tot tien jaar) en in art. 14c Sr zijn de aan de voorwaardelijke veroordeling te verbinden voorwaarden opgesomd. Wat betreft de voorwaarden maakt art. 14c Sr onderscheid tussen de verplichte algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (lid 1) en een veertiental bijzondere voorwaarden waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd of – kort gezegd – een deel van de proeftijd heeft te voldoen (lid 2). In art. 14c Sr zijn ook nog twee van rechtswege geldende bijzondere voorwaarden opgenomen (lid 3). Deze voorwaarden zijn automatisch van toepassing als de rechter een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2 Sr heeft opgelegd. De bijzondere voorwaarden van het tweede lid moeten door de feitenrechter zo precies mogelijk worden omschreven. Dat is niet alleen vereist in verband met de rechtszekerheid, het komt ook een doeltreffende invulling en uitvoering van het reclasseringstoezicht ten goede. Ten aanzien van de algemene voorwaarde van lid 1 en de bijzondere voorwaarden van lid 3 zijn de eisen minder stringent. Deze zijn zelfs van toepassing als de rechter heeft verzuimd ze in de uitspraak op te nemen. 2.5 Uitgangspunt is dat een rechterlijke uitspraak pas mag worden tenuitvoergelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. In beginsel is dat niet anders bij een geheel/gedeeltelijk voorwaardelijke veroordeling. Op dit uitgangspunt bestaat sinds 1 april 2012 een belangrijke uitzondering. Sindsdien is in art. 14e Sr bepaald dat de rechter in sommige gevallen door hem opgelegde bijzondere voorwaarden (denk bijvoorbeeld aan de opname in een zorginstelling en/of het deelnemen aan gedragsinterventie) en het hierop door de reclassering uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar kan verklaren. Tegen die achtergrond is in art. 6.1.18 lid 1 Sv bepaald dat bij een geheel/gedeeltelijk voorwaardelijke veroordeling de proeftijd pas begint te lopen op de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, danwel op de dag van de uitspraak indien de rechter de dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen. 2.6 De steller van het middel komt in wezen op tegen de wijze waarop door het hof (en de rechtbank) het dictum van de voorwaardelijke veroordeling is ingericht. Het dictum bepaalt allereerst dat een gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, “tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden (AG: cursivering telkens door mij)”. Vervolgens noemt het dictum vrijwel in één adem en – op één uitzondering na – zonder onderscheid zowel de algemene voorwaarde van art. 14c lid 1 Sr, als de op art. 14c lid 2 Sr gebaseerde bijzondere voorwaarden, als de van rechtswege gelden bijzondere voorwaarden van art. 14c lid 3 Sr. Hiermee zou het dictum – op die ene uitzondering na – in strijd zijn met de wet. In art. 14c lid 2 Sr is immers bepaald dat bijzondere voorwaarden enkel gedurende de proeftijd van kracht kunnen zijn. 2.7 Het verschil in de formulering “voor het einde van de proeftijd” en “gedurende de proeftijd” is een bewuste keuze van de wetgever. Al sinds de invoering van de voorwaardelijke veroordeling heeft hij bij de algemene voorwaarde gekozen voor de formulering “voor het einde van de proeftijd”. Daarmee is het mogelijk dat de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf kan worden gevorderd voor een strafbaar feit dat is begaan tussen het moment van de uitspraak en voor de ingang van de proeftijd. Bij de – veel meer op de persoonlijke levenssfeer ingrijpende – bijzondere voorwaarden van art. 14c lid 2 heeft de wetgever gekozen voor de formulering “gedurende de proeftijd”. Dat betekent dat de veroordeelde vóórdat de proeftijd is ingegaan niet onder dreiging van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de straf kan worden gedwongen zich te melden bij de reclassering, zich te laten behandelen in een zorginstelling, et cetera. Dat kan alleen wanneer de rechter de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden heeft gelast. Vanuit wetssystematisch oogpunt is dat een sluitend systeem. 2.8 Terug naar het middel. De steller van het middel heeft een punt. Er zijn formuleringen denkbaar die grammaticaal meer recht doen aan de wettekst, de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek. Dat geldt niet alleen voor de onderhavige zaak. Een blik op de rechtspraak in eerste aanleg laat zien dat de door de steller van het middel gewraakte opzet van het dictum bepaald niet uitzonderlijk is. Kennelijk is het een vast format. 2.9 Ik meen dat de door de steller van het middel bestreden formulering van het dictum niet tot cassatie hoeft te leiden. Dat hoeft niet omdat bij al de in dit geval opgelegde bijzondere voorwaarden een rol is toebedeeld aan de reclassering en in de formulering van de eerste bijzondere voorwaarde expliciet is aangeknoopt bij een ingegane proeftijd. Eerst als de verdachte/veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd heeft gemeld bij de reclassering, kan de reclassering feitelijk ook uitvoering geven aan de andere bijzondere voorwaarden. De formulering van de derde bijzondere voorwaarde, waar nog wel wordt gesproken over de duur van “de gehele proeftijd”, sluit hierbij aan. Bij deze interpretatie van het dictum is er geen sprake van strijd met de regelgeving. 2.10 Het eerste middel faalt 3Het tweede middel 3.1 In het tweede middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn is overschreden, “doordien het Hof in deze zaak op 10 februari 2022 arrest heeft gewezen, requirant daartegen tijdig - op 17 februari 2022 namelijk - cassatieberoep heeft doen instellen, terwijl het langer dan acht maanden na het instellen van het rechtsmiddel heeft geduurd voordat de stukken van het geding ter Griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen (i.c. 04 november 2022).” 3.2 Namens de verdachte is op 17 februari 2022 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 4 november 2022 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken van een niet preventief gedetineerde verdachte is hiermee met 18 dagen overschreden. Deze overschrijding kan evenwel nog worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening van het cassatieberoep. In dat geval is het middel tevergeefs voorgesteld. 4Slotsom 4.1 Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Aangenomen dat de Hoge Raad het cassatieberoep voortvarend zal kunnen afdoen, is het tweede middel tevergeefs voorgesteld. 4.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 4.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie over de voorwaardelijke veroordeling onder meer F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 342 e.v. Vgl. HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1957, NJ 2021/209, m.nt. T. Kooijmans en HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:70, NJ 2023/90, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4; Dit blijkt voor de algemene voorwaarde uit HR 8 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC8211, NJ 1993/746, rov. 4.6 en voor de bijzondere voorwaarden van art. 14c lid 3 Sr uit de wettelijke terminologie ‘van rechtswege’. Alleen bij de eerste bijzondere voorwaarde is opgenomen dat de verdachte “zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd” moet melden bij de reclassering. Zie bijv. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5752, NJ 2005/328, rov. 4.2. Bleichrodt/Vegter, a.w., schrijven op p. 346: “De formulering ‘voor het einde van de proeftijd’ is niet gelijk te stellen met ‘tijdens de proeftijd’. Het stramien blijkt bijvoorbeeld uit: Rb Gelderland 8 mei 2023, ECLI:RBGEL:2023:2600; Rb Zeeland-West-Brabant 8 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3068; Rb Overijssel 4 mei 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1601; Rb Noord-Nederland 4 mei 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1838; Rb Noord-Nederland 4 mei 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1792. De jurisprudentie wekt de indruk dat bij de formulering van de bijzondere voorwaarden niet altijd even secuur wordt omgegaan met de vermelding “gedurende de proeftijd”.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.