PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01110 P Zitting 17 januari 2023 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, hierna: de betrokkene Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.533.832,50 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.400.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen. Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01109 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. K.A. Krikke, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het oordeel onvoldoende verankering heeft gegeven in een bewijsmiddel. ’s Hofs oordeel zou ook overigens onbegrijpelijk en derhalve onvoldoende gemotiveerd zijn, nu op geen enkele wijze zou zijn verduidelijkt ‘waarom en op grond van welke bewijsmiddelen het hof tot het oordeel is gekomen dat de gekozen verdeling van het voordeel over de diverse betrokkenen de juiste is’. De uitspraak van het hof houdt onder meer het volgende in: ‘Onderzoek van de zaak (…) De verdediging stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van aangifte 1 primair dient te worden gebaseerd op het bedrag dat is overgebleven nadat de bank een groot deel van het geld had teruggehaald, waarbij verwezen wordt naar AH-7049. Subsidiair dient te worden uitgegaan van een opbrengst van € 5.297.000,00. Op de opbrengst, zowel primair als subsidiair, dienen de kosten zoals vermeld op pagina 28 van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. Het bedrag dat daarna resteert dient pondspondsgewijs te worden verdeeld over de vijf leden van de criminele organisatie. Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit aangifte 6 bedraagt € 115.000,00 omdat de opbrengst, na aftrek van het bedrag dat [betrokkene 3] heeft ontvangen, dient te worden gedeeld met de medeveroordeelde [medeverdachte 2] . Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De feiten, waarvoor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gevorderd, zijn van voor 1 juli 2011. Dit betekent dat artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. Op grond van artikel 36e, eerste en tweede lid, (oud) Sr kan op vordering van het openbaar ministerie aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verplichting kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit. De veroordeelde is in de strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor deelnemen aan een criminele organisatie, het plegen van oplichting, oplichting meermalen gepleegd en het medeplegen van witwassen. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de strafbare feiten er toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het Rapport) en het arrest in de hoofdzaak van 18 juli 2018. Aangifte 1 In het onherroepelijk geworden arrest in de hoofdzaak heeft het hof - naar de kern samengevat - het navolgende wettig en overtuigend bewezen (geacht), te weten dat de veroordeelde zich - onder meer - schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen van een door oplichting van de ABN Amro-bank in maart 2010 verkregen bedrag van ruim € 5,6 miljoen. Een deel van dit bedrag is overgemaakt naar twee Hongaarse vennootschappen. Via één van deze vennootschappen is € 1.950.000,00 uiteindelijk overgemaakt naar een rekening op naam van [betrokkene 11] . [betrokkene 11] heeft een deel van dit bedrag, te weten € 1.560.000,00, contant opgenomen en afgedragen aan twee Nederlandse mannen, waarvan vast staat dat een van deze personen de medeveroordeelde [medeverdachte 3] is. Daarnaast is een deel van het uit oplichting verkregen bedrag van € 5,6 miljoen terechtgekomen bij twee Nederlandse restauranthouders. Deze hebben vervolgens van de door hen ontvangen bedragen totaal € 425.100,00 contant opgenomen en afgegeven aan de medeveroordeelde [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij slechts een klein deel van dit bedrag mocht houden en dat hij het overige bedrag heeft afgedragen. Gelet op de omvang van voornoemde bedragen, de rol van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en de rol van de veroordeelde in het geheel, acht het hof het aannemelijk dat voornoemde bedragen grotendeels zijn afgedragen aan de veroordeelde. Hij was immers degene die de ABN Amro-bank heeft opgelicht en 5,6 miljoen heeft overgemaakt naar de twee Hongaarse vennootschappen. Hij was het “brein” achter de oplichting. Bij het vervolgens doorboeken (en daarmee witwassen) van de aldus verkregen bedragen heeft hij anderen ingeschakeld. Nu de veroordeelde geen verklaring heeft afgelegd over welk bedrag aan hem ten goede is gekomen, zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten. Gelet op de rolverdeling binnen de criminele organisatie, zoals ook is vastgesteld in de hoofdzaak, acht het hof het aannemelijk dat [medeverdachte 3] - gezien zijn rol binnen de criminele organisatie - en de persoon die met [medeverdachte 3] naar [betrokkene 11] is gereisd samen € 560.000,00 van het bedrag dat op dat moment contant voor handen was, te weten € 1.560.000,00 hebben gekregen. [medeverdachte 3] had immers binnen deze organisatie een sturende rol die verder ging dan het handelen van de meeste andere deelnemers maar beduidend kleiner dan die van de veroordeelde. [medeverdachte 3] komt in beeld na de oplichting bij de daarop volgende onmisbare ondersteunende fases van wegsluizen naar (buitenlandse) bankrekeningen en contant opnemen van aanzienlijke bedragen. In het voordeel van de veroordeelde gaat het hof ervan uit dat de persoon die met [medeverdachte 3] naar [betrokkene 11] is gereisd een even grote geldelijke beloning heeft ontvangen als [medeverdachte 3] . Het hof acht het op grond van bovenstaande aannemelijk dat de veroordeelde € 1.000.000,00 heeft ontvangen van het door [betrokkene 11] overhandigde bedrag. Gelet op de rol van [medeverdachte 6] , zoals vastgesteld in de hoofdzaak, schat het hof het door hem ontvangen wederrechtelijk verkregen voordeel van het bedrag dat hij van de twee restauranthouders heeft ontvangen, in totaal € 425.100,00, op een bedrag groot € 100.000,00. De rol van [medeverdachte 6] was omvangrijk. Hij is degene die met [betrokkene 13] en [betrokkene 14] in overleg is gegaan, hij heeft de valse contracten en brieven opgesteld en hij heeft vervolgens de contante geldbedragen van [betrokkene 14] en [betrokkene 13] in ontvangst genomen en deze vervolgens daarvoor afgegeven aan (een) andere persoon. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat [medeverdachte 6] € 100.000,00 heeft ontvangen en € 325.100,00 heeft afgedragen aan de veroordeelde. Dit houdt in dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft gehad uit aangifte 1 schat op € 1.325.100,00. Aangifte 6 De veroordeelde is daarnaast tevens onherroepelijk veroordeeld voor de oplichting van de Rabobank Alkmaar waarbij in totaal € 284.386,00 werd verkregen. Op 6 november 2009 werd via andere rekeningen van dit bedrag € 270.000,00 overgeboekt naar een bankrekening op naam van de medeveroordeelde [betrokkene 3] . Van dit bedrag zijn tien goudstaven gekocht. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij één goudstaaf als beloning mocht houden. Deze goudstaaf heeft hij op 10 november 2009 bij Cookson Drijfhout te Amsterdam ingewisseld voor € 23.192,50. De negen andere goudstaven heeft hij afgedragen. Het hof acht het aannemelijk dat deze goudstaven zijn afgedragen aan de veroordeelde. Ook bij deze aangifte was de veroordeelde het “brein” achter de oplichting en ook hier schakelde hij anderen in om de gelden wit te wassen. De waarde van deze goudstaven baseert het hof op het bedrag dat [betrokkene 3] heeft ontvangen uit de verkoop van een goudstaaf, te weten € 23.192,50. Het hof schat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde bij aangifte 6 op € 208.732,50 (9 x € 23.192,50). Conclusie Het hof acht derhalve aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en zal dat voordeel dan ook schatten op een bedrag van € 1.533.832,50 (€ 1.000.000,00 + € 325.100,00 + 208.732,50).’ 6. In de aanvulling op het bestreden arrest heeft het hof de volgende overweging opgenomen (met overneming onder vernummering van voetnoten): ‘Aanvullende overweging In aanvulling op het arrest van 3 maart 2021, overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft ter terechtzitting gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op € 448.913,46 (€ 333.566,71 aangifte 1 en € 115.346,75 aangifte 6). Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van de onherroepelijke veroordeling in de strafzaak en de bedragen die zijn verkregen door middel van de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en die op enig moment feitelijk in handen zijn gekomen van de leden van de criminele organisatie dan wel derden. Het gaat bij aangifte 1 en 6 om de volgende bedragen. Aangifte 1 Bij de oplichting van de ABN Amro-bank rond 19 maart 2010, heeft de veroordeelde ruim € 5,6 miljoen overgemaakt naar de Hongaarse bankrekeningen van twee Hongaarse vennootschappen. Via deze vennootschappen is € 1.560.000,00 in handen gekomen van twee Nederlandse mannen waarvan één de medeveroordeelde [medeverdachte 3] is. Daarnaast is een deel van het bedrag van € 5,6 miljoen terechtgekomen bij twee Nederlandse restauranthouders. Zij hebben vervolgens in totaal € 425.000,00 afgegeven aan de medeveroordeelde [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij een klein deel mocht houden van dit bedrag en het overige bedrag heeft afgedragen. Aangifte 6 Bij de oplichting van de Rabobank Alkmaar is € 284.386,00 verkregen. Van dit bedrag is via een andere rekening € 270.000,00 overgeboekt naar de bankrekening van de medeveroordeelde [betrokkene 3] en zijn met/van dit geld tien goudstaven gekocht. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij één goudstaaf mocht houden en negen goudstaven heeft afgedragen. De goudstaaf die hij mocht houden heeft [betrokkene 3] voor een bedrag van € 23.192,50 ingewisseld. Op basis van de onherroepelijke veroordeling in de strafzaak en de daaruit te destilleren rolverdeling heeft het hof vervolgens een schatting gemaakt van het bedrag dat de veroordeelde heeft mogen houden dan wel heeft verkregen van voornoemde bedragen. Het hof merkt (nog) op dat het niet aannemelijk is dat, zoals door de verdediging is gesteld, de veroordeelde minder heeft gekregen voor zijn rol in het bewezenverklaarde. Daarvoor heeft de verdediging te weinig gesteld.’ 7. De raadsvrouw van de betrokkene heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 19 november 2020 het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota. Deze houdt voor zover van belang het volgende in: ‘Het vonnis van de rechtbank d.d. 26 januari 2016 Het arrest van uw Hof d.d. 18 juli 2018 alsmede De conclusie van de AG d.d. 10 november 2020 Aangifte 1. Opbrengst € 5.297.000 Retour ingrijpen bank -€ 902.873,83 Go & Go Business Services -€ 954.000,00 verzoek aanknoping oordeel rechtbank Kosten p. 28 rapport -€ 869.938,43 in directe relatie tot het strafbare feit (vgl rb p.7) Totaal € 2.552.137,74 : 5 = € 510.437,55 Aangifte 1. Delen door de 5 leden van de CO. Anders dan de rechtbank en met de AG is de verdediging van mening dat dit pondspondsgewijs kan worden verdeeld. Aangifte 6. Opbrengst € 284.386,00 p. 23 rapport Kosten p. 24 -€ 14.064,98 Deel [betrokkene 3] -€ 39.692,50 door rb niet meegenomen (goudstaaf + rek € 16.500) Totaal € 230.693,50 : 2 = € 115.346,75’ 8. In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting het volgende aangevoerd: ‘Ik wijk iets af van mijn pleitnota. In de pleitnota ben ik uitgegaan van de conclusie van het openbaar ministerie en heb ik het standpunt van de verdediging verlaten, terwijl dit het uitgangspunt moet zijn. In AH-7049 staat dat een bedrag van € 3.491.777 nog niet is geretourneerd aan de bank. De rechtbank heeft verwezen naar dit document, maar zegt dat dit niet uit het rapport van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt en gaat uit van het rapport. Als ik naar het rapport kijk dan staat op pagina 6 de daadwerkelijke schade, namelijk € 2.187.126. Dat is een heel ander uitgangspunt dan de vijf miljoen in de conclusie van het openbaar ministerie. Ontneming heeft een reparatoir karakter. Het zou daarom raar zijn als we van een te hoog bedrag uitgaan en de banken meer terugkrijgen dan er daadwerkelijk uit is gegaan. Dat maakt dat ik net als in eerste aanleg vraag uit te gaan van het bedrag in AH-7049. Op pagina 28 van het rapport staan de kosten, die moeten van dit bedrag worden afgehaald evenals het bedrag dat retour is gekomen uit Luxemburg. Ik kom dan op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.667.833,57. Dit delen door vijf, maakt € 333.566,71 per persoon. Ten aanzien van aangifte zes is de verdediging het geheel eens met de advocaat-generaal. Op pagina 24 staan de kosten. Het deel dat [betrokkene 3] heeft ontvangen is door de rechtbank niet meegenomen. Dit moet wel gebeuren. Delen door twee betekent ruim € 115.000,00 per persoon. Dat is bij elkaar € 448.913,46 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.’ 9. Uw Raad heeft in een arrest van 26 maart 2013 overwegingen gewijd aan het bewijsrecht in ontnemingszaken, en in het bijzonder aan de ontnemingsrapportage: ‘3.3.2. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. 3.3.3. Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.