ECLI:NL:PHR:2024:1067
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03956 Zitting 15 oktober 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “het medeplegen van een voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaten met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht”, veroordeeld tot een geldboete van € 4750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis. Voorts is een inbeslaggenomen koffer verbeurdverklaard.
Namens de verdachte hebben E.H.A. van Luijk en E.M. Witjens, beiden advocaat in Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
II.De achtergrond van de zaak 3. De verdachte, onderzoeksjournalist, heeft in het kader van opnames voor het televisieprogramma ‘Undercover’ samen met een collega op 21 augustus 2018 in een eetzaal van de Legerplaats bij [plaats] een attachékoffer met een zogenaamde ‘nepbom’ onbeheerd achtergelaten. Met deze actie wilde de verdachte naar eigen zeggen de beveiliging van defensieterreinen aan de kaak stellen. Aan de koffer hing een label met de naam “ [betrokkene 1] ” en daaronder een telefoonnummer. In de koffer waren verschillende voorwerpen met zwarte tape vastgemaakt, waaronder kabels, een telefoon (Nokia gsm), een bakje met losse metalen schroeven en een kleiachtig materiaal. In de koffer zat tevens een draaiende camera.
Nadat de achtergelaten koffer was gesignaleerd, werd de Defensie Bewakings- en Beveiliging Organisatie (DBBO), een opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee en een Teamleider Explosieven Verkenner op de koffer afgestuurd. De ruimte rondom de koffer werd afgezet met afzetlint en is later ontruimd. Hierna is via het telefoonnummer dat stond op het label aan de koffer, contact gelegd met de verdachte. De verdachte heeft in dat gesprek valse namen van hem en zijn collega opgegeven en zich voorgedaan als medewerker van de MIVD. Nadat bleek dat de opgegeven namen niet bekend waren in de database van de marechaussee is de situatie als een “dreiging” ingeschaald, is een afzetting van 50 meter gerealiseerd, een ontruiming van het hele gebouw uitgevoerd en een hondengeleider explosieven ingeschakeld.
Deze hondengeleider heeft onderzoek uitgevoerd op de koffer en vervolgens de hulp van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) ingeroepen. De EODD heeft toen onder meer met een robot onderzoek gedaan naar de koffer. Uiteindelijk is om 22.13, bijna tien uur na de melding over een onbeheerde koffer in de eetzaal, het sein “veilig” gegeven.
III. De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof III.1 De bewezenverklaring 6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 21 augustus 2018 te ’t Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging, een voorwerp, te weten een zwarte attachékoffer met daarin o.a. een nepbom, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij [plaats] , heeft achtergelaten, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.”
III.2 De bewijsmiddelen 7. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in een aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen: “1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 0156-, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [verdachte]:
Uit de beelden van deze betreffende uitzending maken wij op dat onder andere door u de legerplaats werd betreden en dat vervolgens door u een nepbom werd achtergelaten in de kantine.
V: Wat is uw reactie hierop?
A: Dat is correct.
Op 21 augustus 2018 omstreeks 12.34 uur kreeg ik van de meldkamer KMar (OPS) via de portofoon het verzoek om te gaan naar gebouw 172 (keuken en kantine) van de LbO. Hier was een onbeheerde koffer aangetroffen. Ik hoorde de centralist van de OPS zeggen dat personeel van Defensie Bewakings en Beveiligings Organisatie (DBBO) al aanwezig was.
Ik zag dat de ruimte om de koffer, op ongeveer 2 meter, met rood wit afzetlint was afgezet. Ik zag naast een tafel, tegen een plantenbak, een zogenoemde attaché koffer staan. Ik zag verder geen bijzonderheden aan of rond de koffer.
Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij die morgen werkzaam was in de eetzaal en dat er die morgen iets voor 11.30 uur 2 mannen in burgerkleding de eetzaal waren binnengekomen. Ik vroeg [betrokkene 3] of hij de personen kon omschrijven. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij alleen nog maar wist dat het 2 mannen waren waarvan een wat oudere man een koffer droeg en een wat jongere man een rugzak op de rug had.
Ik heb telefonisch contact opgenomen met de TEV en hoorde ik hem desgevraagd zeggen dat de eetzaal moest worden ontruimd. Hierop heb ik, samen met een medewerker van DBBO, de aanwezige gasten in de eetzaal op een rustige manier verzocht de eetzaal te verlaten.
Ik zag dat de TEV (opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee [betrokkene 4] ) omstreeks 13.30 uur arriveerde waarna ik hem de plaats van de koffer heb gewezen. Nadat ik de TEV bovenstaande informatie had doorgegeven zag ik dat hij bij de koffer ging kijken. Toen de TEV hiervan terugkwam hoorde ik hem zeggen dat het om een nieuwe koffer ging met een cijferslot welk op ‘000” stond. Verder hoorde ik hem zeggen dat er een naamlabel aan de koffer hing waar hij een foto van had genomen.
De TEV liet mij de foto van de naamlabel zien en ik zag dat er op dit label met pen een naam en telefoonnummer was geschreven. Ik zag de naam “ [betrokkene 1] ” en daaronder het nummer “ [telefoonnummer] ”.
Na overleg met de TEV heb ik met mijn diensttelefoon om 13.43 uur het nummer [telefoonnummer] gebeld met de bedoeling de eigenaar ter plaatse te laten komen om de koffer op te halen. Ik hoorde dat oproep niet werd beantwoord. Om 13.44 uur heb ik dit nogmaals geprobeerd maar ook toen werd mijn oproep niet beantwoord.
Om 13.47 uur zag ik dat ik werd gebeld op mijn diensttelefoon. Ik zag op het scherm van mijn telefoon het nummer welke op het naamlabel van de onbeheerde koffer stond. Ik heb de oproep beantwoord en mijzelf voorgesteld als de “Wijkopper van de KMar”. Ik hoorde een mannenstem zeggen “met [betrokkene 1] , je belt zeker voor de koffer”. Ik heb toen gezegd dat dat inderdaad het geval was en dat ik graag wilde dat hij de koffer kwam ophalen omdat de koffer op dat moment als verdacht object werd beschouwd. Ik hoorde dat de man zei dat dat niet mogelijk was omdat hij al in de auto zat en onderweg was naar Amsterdam, en dat hij morgen een conferentie had in Luxemburg. Ik zei tegen deze man dat in dat geval mijn collega nog wel een aantal vragen voor hem had en heb gezegd dat ik de telefoon over zou geven aan mijn collega, ik hoorde dat de man zei dat dat goed was. Hierop heb ik mijn telefoon over gegeven aan collega [betrokkene 4] (TEV) en hoorde ik dat [betrokkene 4] in gesprek ging met de man welke zich als [betrokkene 1] had voorgesteld.
Ik gaf aan betrokkene aan dat ik TEV was en dat wij de eigenaar van de koffer wilden achterhalen. Ik hoorde een, voor mij onbekende, mannenstem zeggen dat hij inderdaad een koffer had laten staan. Ik, [betrokkene 4] , heb toen een aantal vragen gesteld aan de man, ter verificatie of hij wel de eigenaar van de koffer was.
Ik hoorde de man zeggen dat hij bij de MIVD werkte. Toen ik hem vroeg naar zijn geboorteplaats en geboortedatum, gaf hij op geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn adres. Ik hoorde hem toen zeggen dat hij op een vakantiepark in [plaats] woonde, maar dat hij het adres niet wist. Hij woonde daar met een vriendin. Hij was daar wel ingeschreven en hij vertelde dat hij net uit een scheiding kwam. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn peoplesoft nummer. Ik hoorde hem zeggen dat hij deze zo niet wist. Ik vroeg hem hoe hij op de kazerne was gekomen. Hierop antwoorde hij net zoals altijd. Ik vroeg hem wie de andere persoon was met wie hij samen was. Hij antwoorde hierop dat dit [betrokkene 5] (fonetisch) was. [betrokkene 5] was naar zeggen van de man ook een collega werkzaam bij de MIVD. De man gaf aan dat hij mijn chef wel zou bellen om aan te geven wanneer hij de koffer zou ophalen. Vervolgens heb ik hem gevraagd naar de inhoud van de koffer. Hierop hoorde ik hem zeggen defensiepapieren, een camera en een plastic doosje. Hierna heb ik gevraagd wie de leidinggevende van de man was. Hierop hoorde ik hem zeggen dat hij hier geen zin in had. Vervolgens verbrak de man de verbinding. Gedurende, het gehele gesprek klonk de man geïrriteerd.
Ik, [betrokkene 4] , heb vervolgens de namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de real time intelligence desk van de Koninklijke Marechaussee. Hierop kreeg ik als antwoord dat betreffende namen niet bekend zijn binnen het Ministerie van Defensie en dat deze personen niet werkzaam zijn bij de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Door mij, [betrokkene 4] , is de analyse uitgevoerd naar aanleiding van bovenstaande bevindingen. Mijn uitkomst was: “verdachte situatie JA/WEL DREIGING”. Vervolgens heb ik een afzetting gerealiseerd van 50 meter en gebouw laten ontruimen en het verzoek gedaan om de komst van een hondengeleider explosieven.
Ik, [betrokkene 6] , gaf mijn diensthond “ [naam] ” de opdracht om te beginnen met zoeken bij de stoelen voor de plantenbak. Ik zag dat mijn diensthond tijdens het af zoeken van de plantenbak ook de attachékoffer af zocht. Ik zag aan mijn diensthond geen verandering van gedrag en zag niet dat hij geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof.
Naar aanleiding van de gedragingen van mijn diensthond waarin geen veranderingen waar te nemen waren en het feit dat mijn diensthond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof, heb ik, [betrokkene 6] , besloten de koffer aan een nader veiligheidsonderzoek te onderwerpen zonder diensthond.
Hierop, heb ik, [betrokkene 6] , de koffer geopend en zag dat er een camera in de koffer aanwezig was met een brandend groene lampje. Ik zag dat er links naast de camera een plastic bakje zat met deksel. Ik zag dat dit bakje en de camera vast zaten met zwarte tape. Ik zag in het plastic bakje ongeveer 20 centimeter x 15 centimeter was en ongeveer 5 centimeter hoog. Ik zag dat er in het plastic bakje losse metalen voorwerpen zaten, zoals moeren. Ik zag onder deze metalen voorwerpen een wit kleiachtig organisch materiaal zitten. Ik zag in het vak boven in de koffer nog 2 voorwerpen zitten, die ik niet nader kon duiden. Ik zag dat door de koffer een wit kabeltje liep. Toen ik deze waarnemingen deed, heb ik tegen mijn collega [betrokkene 4] geroepen “ IED ”. Ik, [betrokkene 6] , heb nog gevoeld hoe vast het tape zat aan de camera. Ik voelde dat er geen beweging in kwam. Hierop heb ik, [betrokkene 6] , in samenspraak met de TEV, [betrokkene 4] , het plaats incident te verlaten. Ik heb besloten het plaats incident te verlaten, omdat er nog andere strijdmiddelen zijn waarmee een aanslag gepleegd kan, worden, zoals chemische en biologische strijdmiddelen.
16.32 uur arriveerde de EODD ruimingseenheid. Wij, TEV [betrokkene 4] en ik, hebben de collega’s van de EODD onze bevindingen medegedeeld over het incident. Hierna zijn zij aan hun onderzoek begonnen. Tijdens hun onderzoek zagen zij op hun camera die gemonteerd is op hun robot dat de attache koffer gedeeltelijk gesloten was.
Om 22.13 uur hoorde ik de ruimer van de EOD het sein “veilig” geven.
Door mij werd onderzoek verricht aan de op de eettafel aangetroffen goederen (foto 26) Ik zag dat zich op een steriel laken de volgende goederen lagen:
Ik zag dat zich in de binnenzijde van de koffer diverse stukken zwartkleurige tape waren vastgeplakt. Ik zag dat zich in een binnenvakje een witkleurige USB kabel bevond. Aan de buitenzijde bevond zich een naam/adres label aan de koffer (foto 40 en 41). Ik zag dat er in het blauw op het kaartje was geschreven: [betrokkene 1] [telefoonnummer] (foto 41). Ik zag dat zich in de twee cijfersloten van de koffer nog rode vergrendelingen in het slot bevonden (foto 42). Ik zag dat de stapel A4 vellen uit 23 losse vellen bestonden waarop zich diverse foto's en teksten bevonden (foto 43).
Conclusies Op basis van het door mij uitgevoerde forensische onderzoek stel ik vast dat de koffer met inhoud dusdanig in elkaar was gezet en achtergelaten, om te doen voorkomen als zijnde een geïmproviseerd explosief (nepbom).
III.3 De bewijsoverwegingen 8. Voorts heeft het hof het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder – deels met de rechtbank – als volgt.
Door de verdediging wordt niet betwist dat verdachte samen met een ander op 21 augustus 2018 in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats te [plaats] een koffer met inhoud onbeheerd heeft achtergelaten en zich vervolgens die dag tijdens een telefoongesprek met [betrokkene 2] en [betrokkene 4] heeft voorgedaan als [betrokkene 1] .
Is er sprake van een nepbom?
Het hof dient eerst te beoordelen of de koffer met inhoud een voorwerp is als bedoeld in artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht. Voldoende is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. De vraag is dus kort gezegd of verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat voor de beoordeling hiervan de gesloten koffer niet los kan worden gezien van de inhoud van deze koffer. Bij de beoordeling gaat het hof dus uit van dat wat verdachte in de eetzaal heeft achtergelaten, een koffer met inhoud.
Verbalisant [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 12.34 uur een melding ontving over een onbeheerde koffer in de eetzaal. Er was toen al personeel van de Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie (DBBO) aanwezig en de ruimte rondom de koffer was afgezet met afzetlint. Een Teamleider Explosieven Verkenner (TEV) was onderweg. [betrokkene 2] heeft zorg gedragen voor ontruiming van de eetzaal. Na de komst van de TEV heeft [betrokkene 2] tweemaal gebeld met het telefoonnummer dat op het naamlabel (“ [betrokkene 1] ”) van de koffer vermeld stond. De oproepen werd niet beantwoord. Enkele minuten later werd [betrokkene 2] gebeld met vermelding van dit telefoonnummer. Een man zei: “Met [betrokkene 1] , je belt zeker voor de koffer.” [betrokkene 2] heeft dat bevestigd en gemeld dat de koffer als verdacht object werd beschouwd.
Hierna heeft hij de telefoon aan zijn collega [betrokkene 4] gegeven. [betrokkene 4] heeft de man kenbaar gemaakt dat hij de Teamleider Explosieven Verkenner was. Deze [betrokkene 4] hoorde een mannenstem op vragen antwoorden dat hij (‘ [betrokkene 1] ’) de koffer had laten staan, samen met [betrokkene 5] op de kazerne was geweest en dat beiden bij de MIVD werkten. Hij gaf op geboren te zijn in [plaats] op [geboortedatum] 1958 en zou met een vriendin wonen op een vakantiepark in [plaats] , waarvan hij het adres niet wist. Zijn peoplesoft nummer wist hij zo niet en hij was op dezelfde manier als altijd op het kazerneterrein gekomen. Gevraagd naar de inhoud van de koffer antwoordde ‘ [betrokkene 1] ’ dat daarin defensiepapieren, een camera en een plastic doosje zaten.
Toen [betrokkene 4] ‘ [betrokkene 1] ’ vroeg naar de naam van zijn leidinggevende heeft ‘ [betrokkene 1] ’ gezegd dat hij ‘hier geen zin in had’, waarop ‘ [betrokkene 1] ’ de verbinding heeft verbroken. [betrokkene 4] heeft hierop de door ‘ [betrokkene 1] ’ opgegeven namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de Real Time Intelligence Desk van de Koninklijke Marechaussee. Hieruit kwam naar voren dat beide namen niet bekend waren binnen het Ministerie van Defensie en de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft [betrokkene 4] een analyse uitgevoerd waarvan de uitkomst was “verdachte situatie ja / wel dreiging”. Hierop heeft hij een afzetting gerealiseerd van 50 meter en het gebouw laten ontruimen.
Vervolgens is er een hondengeleider explosieven, [betrokkene 6] , ingeschakeld. Hij heeft met zijn gecertificeerde speurhond explosieven onderzoek uitgevoerd op de koffer. [betrokkene 6] concludeerde naar aanleiding hiervan dat de hond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof. Hierop heeft [betrokkene 6] de koffer geopend. In de koffer trof hij – voor zover hij kon zien – aan:
Nadat [betrokkene 6] zijn waarnemingen deed heeft hij IED (Improvised Explosive Device) geroepen.
Hierop heeft de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) nader onderzoek gedaan met onder meer een robot. Uiteindelijk is na onderzoek om 22.13 uur het sein “veilig” gegeven.
Na onderzoek na inbeslagname van de koffer bleek hierin te zitten:
In het dossier bevinden zich foto’s van de koffer met inhoud. Deze foto’s zijn besproken ter zitting van het hof. Onder meer is gesproken over de telefoon die blijkens de foto’s zich bevond in het plastic bakje. Eén van de besproken foto’s staat pagina 0164 van het dossier. [AG: hier staat een foto van de inhoud van de koffer weergegeven] Aan de buitenzijde van de koffer bevond zich een naam/adreslabel. Op het label was geschreven: [betrokkene 1] [telefoonnummer] .
Verdachte heeft over de inhoud van het koffertje tijdens de zitting in hoger beroep herhaald dat het een ‘Bassie en Adriaan-achtige’ nepbom was. Het was geen nepbom in juridische zin, aldus verdachte. Hij heeft zodanige voorwerpen uitgekozen dat het meteen duidelijk zou zijn dat het geen echte bom was. Zo zat de gebruiksaanwijzing van de klei nog in het doosje waarin de klei was verpakt. Ook heeft hij een stapel papieren in de koffer – bovenop de overige inhoud – gedaan, betreffende artikelen over zijn eerdere reportages over gebrekkige beveiliging van defensieterreinen, met daarop onder meer zijn foto. In de koffer zat daarnaast een draaiende camera en aan de koffer zat een label met de naam [betrokkene 1] . Volgens verdachte had door al deze elementen snel duidelijk moeten zijn dat het geen terroristische aanslag was en dat verdachte de persoon was die zij zochten.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het oproepen van beveiligingspersoneel en een TEV, het afzetten van het gebied rond de koffer en het ontruimen van de eetzaal dat al voor het telefoontje met (naar later bleek) verdachte en het openen van de koffer sprake was van een situatie die door de betrokkenen als verdacht werd beschouwd en dat rekening werd gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een explosief in de koffer. Met de rechtbank overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Door tijdens het telefoongesprek een valse naam, valse geboortedatum en -plaats op te geven en bovendien te beweren dat hij en zijn mededader bij de MIVD werkten, heeft hij meerdere rookgordijnen opgeworpen. Uit eerdergenoemde reactie van [betrokkene 4] blijkt ook dat dit telefoongesprek heeft bijgedragen aan zijn conclusie dat er sprake was van een dreiging.
Ter zitting in hoger beroep is verdachte nader bevraagd over de redenen voor het plaatsen van bepaalde voorwerpen in de koffer. Over de metalen schroefjes heeft hij verklaard dat dit was om eventuele beveiliging door middel van een scanapparaat op het terrein te kunnen testen. Over de mobiele telefoon heeft hij verklaard dat de personen die de koffer onderzochten hiermee hadden kunnen bellen. Ten aanzien van de aanwezigheid van de klei heeft verdachte verklaard dat dit was om het ‘Bassie en Adriaan-gehalte’ van de ‘nepbom’ te verhogen. Het bakje en de camera waren met zwart tape vastgemaakt zodat de camera stabiel in de koffer bleef zitten.
Met de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat verdachte een nepbom – een voorwerp in de zin van artikel 142a Wetboek van Strafrecht – heeft gebruikt. Gelet op de combinatie van voorwerpen in de koffer, de koffer zelf, de wijze waarop de objecten in de koffer zijn vastgemaakt met zwart tape en de omstandigheden waaronder de koffer onbeheerd in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij [plaats] is achtergelaten, is het hof van oordeel dat er sprake is van een voorwerp dat sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. Zoals eerder opgemerkt is het een feit van algemene bekendheid dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat mobiele telefoons als onderdeel van een ontsteker voor een bom kunnen worden gebruikt, dat kleine metalen voorwerpen worden verwerkt in spijkerbommen en dat voor kneedbommen materialen gebruikt worden die qua uiterlijk overeenkomsten vertonen met de aangetroffen klei.
Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat de papieren die verdachte in de koffer heeft gedaan niet de dreiging die van de nepbom uitging konden wegnemen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van een draaiende camera. Het hof begrijpt dat verdachte de camera in de koffer heeft geplaatst om beelden voor zijn uitzending te maken, maar deze intentie staat los van de indruk die een draaiende camera met een brandend lampje – in combinatie met de andere voorwerpen in de koffer – kan maken op de vinder van de koffer. Het hof merkt op dat het bij aanslagen niet ongebruikelijk is om de actie te filmen. Ten aanzien van het in de koffer aanwezige stapeltje papieren – waarbij het ook om andere papieren gaat dan die rechtstreeks te linken zijn aan het programma van verdachte – overweegt het hof dat nergens in die papieren staat dat het slechts gaat om een nepbom en/of dat het om een actie van verdachte gaat. Daarnaast is het moeilijk voorstelbaar dat bij het aantreffen van een onbeheerde koffer met een inhoud als eerder beschreven, teksten of afbeeldingen op bijgevoegde papieren rustig zullen worden bekeken of kunnen maken dat de situatie direct als minder bedreigend wordt ingeschat. Zij doen immers op zich niet af aan de samenstelling van de nepbom en het beeld dat daarmee wordt opgeroepen.
Ook het toevoegen (of het niet verwijderen) van de gebruiksaanwijzing voor de klei heeft geen invloed gehad op de dreiging die van de nepbom uitging. Die gebruiksaanwijzing zat immers onder de klei en werd pas zichtbaar nadat het na onderzoek van de EODD veilig was gebleken om de inhoud van de koffer nader te onderzoeken.
Het hof concludeert dat verdachte een voorwerp als bedoeld in artikel 142a Wetboek van Strafrecht heeft achtergelaten in de eetzaal.
Heeft verdachte het oogmerk gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat met het voorwerp (te weten de koffer met inhoud) een ontploffing kon worden teweeggebracht?
Verdachte stelt nimmer de bedoeling te hebben gehad om mensen te doen denken dat het daadwerkelijk ging om een voorwerp dat kon ontploffen en stelt er juist alles aan te hebben gedaan om dit te voorkomen.
Hetgeen verdachte stelt komt niet overeen met de feiten. Toen verdachte (kort nadat de door verdachte geplaatste koffer was aangetroffen) de Teamleider Explosieven Verkenner ( [betrokkene 4] ) aan de telefoon had, heeft verdachte niet kenbaar gemaakt wie hij was. Ook heeft hij niet kenbaar gemaakt dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was. Verdachte heeft tijdens het telefoongesprek gebruik gemaakt van een valse naam en zodanige informatie gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4] ) juist sterker werd.
Daarnaast heeft verdachte – en dit is tevens doorslaggevend voor het bewijs van tenlastegelegde oogmerk – zodanige voorwerpen uitgekozen en zodanig verpakt en achtergelaten in de eetzaal van gebouw 172 op de legerplaats bij [plaats] dat anderen (zoals [betrokkene 6] , werkzaam als hondengeleider Explosieven) serieus rekening hielden (en konden houden) met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de EODD werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen. Gelet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachte, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6] ) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief.
Naar het oordeel van het hof kan dus bewezen worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de door hem geplaatste koffer met inhoud.”
IV. Het eerste en het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan 9. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de koffer met inhoud een voorwerp is in de zin van art. 142a lid 1 Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel niet (zonder meer) begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het vereiste oogmerk niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof niet (zonder meer) begrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
IV.1 Het juridisch kader 11. Omdat bij mijn weten zich niet eerder een zaak bij de Hoge Raad heeft aangediend waarin de strafbepaling van art. 142a Sr centraal stond, komt het mij dienstig voor na het toepasselijke juridisch kader in Nederland, zoals dit in die bepaling tot uitdrukking komt, kort enkele beschouwingen van rechtsvergelijkende aard te wijden aan deze materie. Daarbij betrek ik het toepasselijke recht, voor zover daarvan sprake, is in België, Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten van Amerika.
In Nederland 12. Art. 142a Sr luidt: “1. Hij die een voorwerp verzendt of op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaat of plaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Deze strafbaarstelling wijkt in een aantal opzichten af van die van artikel 142, eerste lid, Sr. Centraal staat dat deze strafbaarstelling (anders dan de voorgestelde) eist dat «de rust» wordt verstoord. Valse bommeldingen die dat gevolg niet hebben, maar er bijvoorbeeld wel toe leiden dat overheidsdiensten in hun functioneren belemmerd worden, vallen daarmee niet onder artikel 142 Sr. Anderzijds wordt de specifieke dreiging die van bommeldingen uitgaat, het gevaar van een ontploffing waardoor vele mensenlevens verloren kunnen gaan, in een strafmaximum van een jaar onvoldoende verdisconteerd. Een strafmaximum van vier jaar is meer in overeenstemming met de strafmaxima in de ons omringende landen. Zo kent de valse bommelding en het plaatsen van nep-bommen in het Verenigd Koninkrijk een strafmaximum van vijf jaren (zie artikel 51 van de Criminal Law Act 1977). Het strafmaximum in Frankrijk is twee jaren (zie artikel 322–14 van de Code Pénal). België en Duitsland kennen vergelijkbare strafbaarstellingen die voorzien in maximaal twee jaren vrijheidsstraf (zie artikel 328 van het Strafwetboek) onderscheidenlijk maximaal drie jaren vrijheidsstraf (zie de paragrafen 145d en 126 van het Strafgesetzbuch).
Wat betreft het oogmerk verdient het navolgende de aandacht. Het oogmerk heeft de in het Wetboek van Strafrecht gebruikelijke betekenis. Benadrukt moet worden dat ook de personen die «voor de grap» een valse bommelding doen met het in de voorgestelde bepaling vervatte oogmerk handelen. Ook in dat geval is het oogmerk erop gericht om een ander te doen geloven dat ergens een bom is.
Het oogmerk kan worden bewezen met een bekennende verklaring van de verdachte; een bekennende verklaring is bewijsrechtelijk gezien echter zeker niet zonder meer noodzakelijk. Het oogmerk kan, bij ontkennende verdachten, ook uit de omstandigheden worden afgeleid. Als het opsporingsonderzoek bijvoorbeeld aantoont dat het de verdachte is geweest die de valse bommelding heeft gedaan, en op de aangegeven plaats is geen bom aangetroffen, dan is het oogmerk daarmee min of meer gegeven.
Overigens is de redactie van de voorgestelde bepaling zo gekozen dat deze aansluit bij bestaande begrippen en formuleringen in het Wetboek van Strafrecht. Voor het doorgeven van gegevens als bedoeld in het voorgestelde artikel 142a, tweede lid, is het onverschillig op welke wijze dit gebeurt: mondeling, schriftelijk, telefonisch, door middel van een e-mail of fax, etc.”
In geen van deze zaken stelde de feitenrechter eisen aan het voorwerp. Dat laat onverlet dat de aard of het uiterlijk van het voorwerp wel een rol kan spelen in de overwegingen van de rechter omtrent het vereiste oogmerk van de verdachte. Zo woog de rechtbank Amsterdam in de in voetnoot 9 aangehaalde zaak bij haar oordeel dat de verdachte met het oogmerk had gehandeld een ander ten onrechte te doen geloven dat door het voorwerp een ontploffing kan worden teweeggebracht onder meer mee dat de achtergelaten doos de uiterlijke kenmerken van een nepbom had. In haar vonnis van 6 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3490 oordeelde de rechtbank Midden-Nederland dat de verdachte niet met het vereiste oogmerk om anderen te doen laten geloven dat er een nepbom was die zou kunnen ontploffen had gehandeld, onder meer omdat het door de verdachte geplaatste pakketje feitelijk niet meer betrof dan een klein doosje met duct tape eromheen, het open was aan één uiteinde en er geen zichtbare bedrading was.
Diezelfde rechtbank kwam ook in haar vonnis van 1 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1220 tot een vrijspraak wegens het ontbreken van het vereiste oogmerk. De verdachte in die zaak had een nepbom, die hij als surprise voor een vriend had gemaakt, per ongeluk achtergelaten op het perron van station Utrecht Lunetten. Volgens de rechtbank had de verdachte de surprise niet achtergelaten met als doel anderen ten onrechte te laten geloven dat hiermee een ontploffing teweeg kon worden gebracht. Naar haar oordeel was evenmin sprake van noodzakelijkheidsbewustzijn. Daarbij betrok de rechtbank de omstandigheid dat de verdachte leed aan verschillende psychische stoornissen, waaronder concentratie- en geheugenstoornissen, alsook het feit dat medewerkers van de instelling waar de verdachte verbleef hem er niet op hadden gewezen dat anderen zouden kunnen schrikken of een verkeerde indruk zouden krijgen van de surprise.
Tot slot noem ik het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1485. De verdachte had bij de hoofdingang van een ziekenhuis in Emmen een gele plastic tas achtergelaten, met daarin een basketbal waaraan elektriciteitskabel(s) en flesjes met kleurloze vloeistof waren bevestigd, die van verschillende teksten waren voorzien. De verdachte was niet vervolgd voor het plaatsen van een nepbom als bedoeld in art. 142a lid 1 Sv, maar voor bedreiging door een nepbom te plaatsen bij die hoofdingang. De rechtbank overwoog in dat verband dat een dergelijk samenstel van voorwerpen ontegenzeggelijk de suggestie van een explosief voorwerp wekt en dat het daarmee naar objectieve maatstaven redelijkerwijs geschikt was om bij het personeel van het ziekenhuis, patiënten of andere bezoekers vrees aan te jagen dat zij het slachtoffer zouden kunnen worden van een ontploffing of een brand.
Hieraan deed volgens de rechtbank niet af dat zich in de tas (en dus niet van buitenaf zichtbaar) een briefje bevond waarop het woord “NEP” – in samenhang met allerlei andere teksten, en dus niet los – was geschreven.
Wetgeving en relevante rechtspraak in ‘civil law’ landen: België, Frankrijk en Duitsland 18. De Nederlandse afzonderlijke strafbaarstelling van het plaatsen van een nepbom is op het Europese vasteland een vreemde eend in de bijt. Geen van de hierboven in het cursiefje genoemde landen kent een dergelijke bepaling. De stellers van het middel menen in de toelichting op het eerste middel dat in België het plaatsen van een nepbom strafbaar is gesteld in art. 328 Strafwetboek (ik begrijp: art. 328bis Strafwetboek), dat luidt: “Hij die op om het even welke wijze stoffen verspreidt die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan hij weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen, waarop gevangenisstraf van ten minste twee jaar is gesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro.”
Een en ander komt neer op de vraag of er een gerechtvaardigde bezorgdheid bestaat dat het handelen van de verdachte delen van de bevolking of een aanzienlijk aantal mensen ernstig zou kunnen verontrusten, het vertrouwen in de openbare veiligheid zou kunnen ondermijnen of (door het scheppen van een klimaat dat bevorderlijk is voor imitatie) het plegen van soortgelijke daden als waarmee wordt gedreigd zou kunnen aanmoedigen of waarschijnlijker zou kunnen maken. Bij de beantwoording van deze vraag is het perspectief van de objectieve waarnemer richtinggevend. Een voorbeeld is een zaak waarin de verdachte, in de nawerking van wereldwijde aanslagen met antraxenveloppen, doorzichtige enveloppen met (ongevaarlijk) keukenzout per post naar verschillende ontvangers had gestuurd, samen met een duidelijk zichtbare inscriptie op de buitenkant van de enveloppe, die suggereerde dat de substantie sporen van antrax betrof.
De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van onder meer par. 126 lid 2 Strafgesetzbuch.
Wetgeving en relevante rechtspraak in ‘common law’ landen: het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten 26. Het Verenigd Koninkrijk heeft het plaatsen van een nepbom wél expliciet strafbaar gesteld, namelijk in section 51 lid 1 van de Criminal Law Act 1977, luidend: “(1) A person who— (a) places any article in any place whatever; or (b) dispatches any article by post, rail or any other means whatever of sending things from one place to another, with the intention (in either case) of inducing in some other person a belief that it is likely to explode or ignite and thereby cause personal injury or damage to property is guilty of an offence. In this subsection “article” includes substance. […]
Volgens deze definitie mag de inhoud van het voorwerp ook worden meegewogen in de vaststelling of het geplaatste voorwerp een nepbom betreft.
Placing a false bomb or hazardous substance in the first degree is a class D felony.”
IV.2 Het eerste en het tweede middel en de bespreking daarvan Het eerste middel 35. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, heeft volgens de klacht in het eerste middel het hof ten onrechte de inhoud van de koffer betrokken bij zijn oordeel dat sprake is van een nepbom en aldus van een voorwerp in de zin van art. 142a Sr. Deze klacht treft naar mijn inzicht geen doel. De stellers van het middel gaan er kennelijk vanuit dat pas van een voorwerp in de zin van art. 142a lid 1 Sv sprake is wanneer dit voorwerp kan worden aangemerkt als een nepbom of nepexplosief. Een dergelijke opvatting vindt mijns inziens geen steun in het recht. De tekst van de wet stelt immers – gelijk het Engelse equivalent, maar anders dan de voorbeelden uit het Amerikaanse recht – geen eisen aan het uiterlijk, de inhoud of het karakter van het voorwerp; de wetsgeschiedenis net zo min. Ik zou dan ook menen dat voor de invulling van dat begrip kan worden uitgegaan van de algemene definitie van een voorwerp die alle stoffelijke zaken omvat, dus zoals Van Dale het definieert: een “ding dat je kunt zien en voelen”.
Stel dat een verdachte in een openbaar voertuig als een trein of een vliegtuig, of in de ontvangsthal van een publieksgebouw of een overheidsinstantie, een tas of koffer onbeheerd achterlaat met de bedoeling de omgeving te doen geloven dat er een bom in die koffer zit. Dat dit beoogde doel kan worden bereikt is in dit voorbeeld niet onrealistisch. De praktijk toont immers aan dat een op een publieke plaats achtergelaten en onbeheerde koffer of tas niet zelden als een (mogelijk) dreigende situatie wordt aangemerkt die kan leiden tot het inschakelen van hulpdiensten en het ontruimen van plaatsen. Ik zou menen dat de verdachte die een koffer of tas op zo’n plek onbeheerd achterlaat om de illusie te wekken (dus met die intentie) dat sprake is van een bom en zo de openbare orde te verstoren, met die gedraging reeds voldoet aan de bestanddelen van art. 142a lid 1 Sr.
Wat er daadwerkelijk in die tas of koffer zit, doet er dan voor de strafbaarheid van de gedraging strikt genomen niet toe. Het lijkt mij onwenselijk en niet in lijn met de bedoeling van de wetgever wanneer de rechter in zo’n geval zou moeten vrijspreken, omdat het gebezigde voorwerp op de keper beschouwd geen gelijkenis vertoont met een bom of explosief. Weliswaar is denkbaar dat wanneer in een dergelijk scenario een bekennende verklaring van de verdachte of overige aanwijzingen die hun licht kunnen schijnen op de intentie van de verdachte ontbreken, zich bewijstechnische problemen kunnen voordoen ter zake van het vereiste oogmerk. Aan de vaststelling van het oogmerk zou in dat geval wel kunnen bijdragen de mate waarin het gebruikte voorwerp op een bom of explosief lijkt of een dergelijk artefact herbergt, alsook de mate waarin dat zichtbaar is voor anderen.
De aard van het voorwerp speelt dan echter niet zozeer een rol bij de bepaling of is voldaan aan de eis van art. 142a Sr dat sprake is van een ‘voorwerp’, maar kan wel alsnog van betekenis zijn in het kader van de beoordeling van de vraag naar het bestaan van het oogmerk van de verdachte.
Het tweede middel 39. Dat brengt mij bij het tweede middel, dat zich richt tegen het bewezenverklaarde oogmerk van de verdachte met de klachten dat (i) het oogmerk niet uit de bewijsvoering van het hof kan volgen en de bewezenverklaring hierom ontoereikend is gemotiveerd en (ii) de bewijsvoering van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de gebezigde bewijsmiddelen niet voor de bewezenverklaring redengevende, althans daarmee tegenstrijdige, informatie bevatten.
Het hof heeft in dat verband uitgebreid stilgestaan bij de inhoud van de attachékoffer en de gelijkenis die deze voorwerpen vertonen met een voorwerp dat een ontploffing kon veroorzaken, alsook de indruk die de draaiende camera die in de koffer was geplaatst op de vinder kon maken. Daarbij heeft het hof betrokken dat het een feit van algemene bekendheid is dat mobiele telefoons als onderdeel van een ontsteker voor een bom kunnen worden gebruikt, dat kleine metalen voorwerpen worden verwerkt in spijkerbommen en dat voor kneedbommen materialen gebruikt worden die qua uiterlijk overeenkomsten vertonen met de aangetroffen klei, alsook dat het bij aanslagen niet ongebruikelijk is om de actie te filmen.
Daarnaast heeft het hof van belang geacht dat de koffer onbeheerd is achtergelaten in de eetzaal van de legerplaats, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat bomaanslagen in betrekkelijk veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd) achtergelaten koffers of tassen.
De vaststelling dat onder meer verbalisant [betrokkene 6] , werkzaam als hondengeleider Explosieven, serieus rekening hield met de aanwezigheid van een echte bom, vindt haar grondslag in het door hem opgetekende proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 4), waarin hij na een geuronderzoek van zijn hond en eigen onderzoek naar de inhoud van de koffer constateerde dat het gaat om een “ IED ”, hetgeen staat voor “Improvised Explosive Device”, oftewel een geïmproviseerd explosief, en vervolgens de EODD inschakelde.
V. Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan 48. Het derde middel klaagt over het gebruik van een foto voor het bewijs. Onder verwijzing naar HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8326, NJ 2004/413 wordt betoogd dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet, althans onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof in de bewijsmiddelen een foto heeft opgenomen terwijl in de bewijsconstructie een toelichting ontbreekt waarom deze foto redengevend is voor het bewijs. De stellers van het middel doelen daarbij op een foto van de inhoud van de koffer, die het hof als bewijsmiddel 6 heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest en tevens in de bewijsmotivering heeft getoond (zie hiervoor onder de randnummers 7 en 8).
Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Die foto komt niet overeen met de werkelijkheid. Als je de koffer opende zag je eerst papierwerk met daarin een foto van mij. Vervolgens zag je de camera die met tape werd vastgehouden. De foto geeft dus niet weer hoe wij de koffer hebben achtergelaten. De foto is naderhand gemaakt.
De voorzitter houdt – aan de hand van pagina’s 21, 22 en 28 van het dossier – voor hoe gehandeld is nadat de koffer is aangetroffen.
Raadsman Witjes merkt op dat in de processen-verbaal niet staat dat de papieren bovenin de koffer lagen waardoor een vertekend beeld wordt gegeven.
De voorzitter merkt op dat zij wil aannemen dat deze papieren bovenin de koffer lagen, maar dat zij het voorstelbaar acht dat als iemand denkt dat sprake is van een explosief de papieren eerst aan de kant legt.
Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik kan niet voor een professional denken. We hebben de koffer zo ingevuld dat duidelijk zou zijn dat het niet om een echte bom ging. Daarom hebben we de camera ook duidelijk vastgezet. Het geheel had een hoog Bassie en Adriaan-gehalte. We hebben er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat het ongevaarlijk leek. […] Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: […] Ook ik schrok toen ik de foto’s in het dossier zag. Toen wij de koffer sloten was er echt een ander beeld. […] U houdt mij voor dat u bij een Bassie en Adriaanbom denkt aan speelgoed. Klei is ook speelgoed en u vergeet de draaiende camera en het papierwerk. Als je de koffer opende gaf dat echt een ander beeld dan op de foto. Als u vindt dat de camera niet geruststellend was dan waren de papieren met mij hoofd erop dat in ieder geval.
Toen ik de foto in het dossier zag van de inhoud van de koffer schrok ik, maar dat was niet hoe wij de koffer hebben achtergelaten. Daar zou iemand niet van schrikken.
Ik zeg nogmaals dat wij de beveiliging op het terrein wilden testen en dat de manier waarop wij gehandeld hebben ook vanwege het testen van de opsporing was. AI eerder was opgevallen dat de opsporing te wensen liet; voertuigen werden niet gemist. Daarom was dit deel ook belangrijk. De metalen voorwerpen zaten in de koffer om te testen of deze gedetecteerd zouden worden. U heeft het over een nepbom. Ik heb het over een koffer. Voor hetzelfde geld hadden ze de koffer niet eens opgemerkt. De meeste zaken die in de koffer zaten waren voor ons als productie van belang. U houdt mij de suggestie voor dat als het er niet als een bom uit had gezien de opsporing niet getest had kunnen worden? Wie zegt mij dat professionals een opblaaskrokodil niet voor een nepbom aanzien? De foto zoals te zien is op pagina 164 van het dossier is absoluut geen juiste weergave van hoe het eruit zag.”
VI. Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan VI.1 Het middel 53. Het vierde middel richt zijn pijlen op de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging gelet op de journalistieke exceptie als bedoeld in art. 10 EVRM, en wel met de volgende twee klachten:
VI.2 Het verweer van de verdediging 54. De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig hun aan het hof overhandigde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die voor zover hier relevant het volgende inhoudt: “JOURNALISTIEKE EXCEPTIE Inleiding 57. Client heeft dus geen nepbom meegenomen en achtergelaten met het door artikel 142a lid 1 Sr. vereiste oogmerk. Hij heeft dat ook niet gedaan, zoals de OvJ het in zijn requisitoir in eerste aanleg nog zei, om consternatie te veroorzaken (p. 6, voorlaatste alinea requisitoir). En ook niet omdat hij pyromaan is, kikt op gevaarzetting of om een andere reden die te herleiden is tot zijn persoon(lijkheid).
Door de Hoge Raad voorgeschreven belangenafweging 69. Het door de HR ontwikkelde beoordelingskader is in grote lijnen vergelijkbaar met dat van het EHRM, met dien verstande dat het EHRM in diverse uitspraken heeft bepaald hoe moet worden beoordeeld of een onherroepelijk oordeel in een strafzaak strijd oplevert met het in het EVRM verankerde recht op vrijheid van meningsuiting, terwijl de HR de uitgangspunten zo heeft geformuleerd dat ze in een fase als deze toepasbaar zijn om te voorkómen dat een oordeel de grondwettelijke vrijheid miskent.
Veroordeling zal door EHRM als strijdig met artikel 10 EVRM worden opgevat 83. Ik noemde zojuist al de specifieke criteria die de Hoge Raad als belangrijk heeft geïdentificeerd in het kader van de door uw Hof (alsnog) te maken belangenafweging. Voor de volledigheid wijs ik u er ook op dat de toets die het EHRM aanlegt daarvan niet wezenlijk verschilt, maar net een andere invalshoek heeft naar zijn aard.
VI.3 De beslissing van het hof op het gevoerde verweer 55. Het hof heeft het verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen: “Artikel 10 lid 1 EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht is echter niet onbegrensd. Artikel 10 lid 2 EVRM laat beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting toe, mits dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving is ter bescherming van de in lid 2 genoemde belangen waaronder het voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van rechten van anderen.
Het hof stelt verder dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat journalisten in beginsel niet op basis van de hun door art. 10 EVRM gegeven bescherming kunnen worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. Hiervan kan slechts sprake zijn onder bijzondere omstandigheden.
Bij de vraag naar de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit in verband met het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dient onder meer gelet te worden op:
Verdachte heeft verklaard dat het doel van zijn handelen drieledig was. Hij had aanwijzingen dat de beveiliging op legerterreinen in zijn algemeenheid nog steeds niet op orde was. Allereerst wilde hij daarom de beveiliging aan de poort testen. Ten tweede wilde hij de beveiliging op het terrein zelf testen. En tot slot wilde hij de opsporing nadien testen. Hiervoor was het meebrengen en achterlaten van de koffer met de door hem bewust gekozen inhoud noodzakelijk, aldus verdachte.
Het onderhavige geval kenmerkt zich door het gegeven dat de naar aanleiding van het handelen van de verdachte gemaakte uitzending van 31 augustus 2018 zonder enige belemmering kon worden uitgezonden en dat de verdachte ook overigens geen belemmering heeft ondervonden bij het uitdragen van de door hem als cruciaal ervaren boodschap, met name het tekortschieten van de beveiliging van legerterreinen. Aan de orde is slechts de vraag of bestraffing van het handelen van de verdachte ter voorbereiding van de openbaarmaking van deze boodschap, welk handelen bestond uit, kort gezegd, het achterlaten van een koffer met daarin een nepbom op een legerbasis, een zodanige beperking vormt van de vrijheid van de journalistieke meningsuiting van de verdachte dat art. 10 EVRM in de weg staat aan toepassing van de strafwet, te weten aan bestraffing ter zake van art. 142a Sr.
Met het plaatsen van een nepbom heeft verdachte onrust en – vanwege de inzet van verschillende personen en diensten – aanmerkelijke financiële schade veroorzaakt. Vervolging en bestraffing voor het overtreden van artikel 142a Sr heeft mede als doel om te voorkomen dat opnieuw dergelijke onrust en financiële schade wordt veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof waren er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van artikel 142a Sr had kunnen realiseren. Minder vergaand, maar toch doeltreffend was bijvoorbeeld geweest als verdachte een geopende en daardoor zichtbaar lege koffer had achtergelaten met daarbij een briefje met de tekst ‘hier zit geen bom in, maar het had gekund’. Weliswaar had een dergelijke aanpak minder spannende televisie opgeleverd, maar dat is in het kader van het beroep op artikel 10 EVRM niet relevant. Ook het argument dat de koffer zekere materialen moest bevatten om zodoende ook een eventuele scan op het legerterrein te testen brengt niet met zich dat die materialen vervolgens op zo’n wijze in de koffer moesten worden gerangschikt dat ze tezamen de indruk wekten van een bom. Bovendien verklaart het niet waarom die materialen daar in de koffer achtergelaten moesten worden.
Het hof is aldus van oordeel dat het door verdachte ingezette middel (namelijk het plaatsen van een nepbom), mede gelet op de gevolgen die het heeft gehad en het bestaan van alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken. Vervolging en bestraffing is noodzakelijk om duidelijk te maken dat het plaatsen van een nepbom niet mocht en om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Veroordeling van verdachte is daarom niet in strijd met artikel 10 EVRM.
Het hof wijst het beroep op art. 10 EVRM af.”
VI.4 De bespreking van het middel 56. Volgens de stellers van het middel heeft het hof in strijd met het bepaalde in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3752, NJ 2013/294, m.nt. Dommering in zijn oordeel niet betrokken (i) de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en (ii) het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking.
Het criterium van “noodzakelijkheid in een democratische samenleving” vereist dat de beperking beantwoordt aan een “pressing social need”, dat zij proportioneel is in het licht van het beoogde doel en dat relevante en toereikende redenen bestaan voor de beperking. Daarbij geldt dat voor alle personen – en dus ook voor journalisten – het uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting ook bepaalde plichten en verantwoordelijkheden meebrengt. Lid 2 van art. 10 EVRM garandeert niet een volledig onbeperkte vrijheid van meningsuiting, zelfs niet waar het gaat om berichtgeving in de pers over zaken die het openbaar belang dienen. Een en ander houdt in dat journalisten – ondanks de vitale rol die de pers in een democratische samenleving speelt – in beginsel niet met een beroep op art. 10 EVRM kunnen worden vrijgesteld van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen.
VII. Het vijfde middel en de bespreking daarvan 64. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
VIII. Slotsom 66. Het eerste tot en met het vierde middel falen. Het derde en het vierde middel kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie ook J.M. ten Voorde, in: T&C Strafrecht, commentaar op die titel V, “Inleidende opmerkingen”, aant. 1 en 3, bijgewerkt t/m 1 juli 2024.
Het plaatsen van een nepbom was hiervóór overigens al strafbaar in het kader van de algemene strafbaarstelling van bedreiging.
Stb. 2006, 23.
Kamerstukken II 2003/04, 28 484, nr. 23.
Zie ook H.J.B. Sackers, Wet Wapens en Munitie (Studiepockets Strafrecht), par. 2.6 ‘Artikel 429 Sr en artikel 142a Sr’, Deventer: Kluwer 2020, p. 107.
Kamerstukken II 2003/04, 28 484, nr. 23, p. 2-3.
Zo wordt voor de invulling van het begrip ‘voorwerp’ in art. 33a en 36e Sr en art. 94a Sv aangesloten bij het civielrechtelijke begrip van goederen in art. 3:1 BW en omvat dit begrip aldus alle “zaken en vermogensrechten” (HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:687, NJ 2022/249, m.nt. Keijzer). Onder een voorwerp in de zin van art. 137e Sr moet worden verstaan “alle beeld- en geluidsdragers”, waaronder boeken, tijdschriften en afbeeldingen (Kamerstukken II 1967/68, 9724, 3, p. 5).
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materiaal strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2024, p. 278-280 (par. IV.4.2).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4165, waarin de verdachte in het portiek van een restaurant in Amsterdam een doos had achtergelaten, die met tape was dichtgeplakt en waaruit elektriciteitsdaden uit de bovenkant staken. Deze draden waren op de doos verbonden met een knoopcelbatterij, een printplaatje en een schakelaar. Vergelijkbaar is de zaak die voorlag in Rb. Overijssel 4 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1911, waarin de verdachte bij een advocatenkantoor en bij een tankstation een pakketje had achtergelaten als ‘explosief’, waarin een waterachtige vloeistof was aangebracht en waaruit een elektriciteitsdraad stak.
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9193.
Rb. Midden-Nederland 21 augustus 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3885. De verdachte had tweemaal een nepbom bij de Rabobank in Utrecht neergelegd om onder een afspraak bij de fraudespecialist van de bank uit te komen. Een van de voorwerpen betrof een koffertje, met daarin een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken.
Rb. Overijssel 5 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:592.
Rb. Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4165.
Ook, zo blijkt uit de navraag die ik daarnaar heb laten doen in de Comparative Law Liaisons Group van het Network of the Presidents of the Supreme Judicial Courts of the EU, kennen landen als Finland, Tsjechië en Slovenië niet een equivalent van art. 142a lid 1 Sr.
Zie bijv. Hof van Cassatie 9 juni 2020, P.20.0598.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.12.
België kent wel een separate strafbaarstelling van het doen van een valse bommelding (art. 328 Strafwetboek). In de parlementaire geschiedenis daarbij wordt met geen woord gerept van het plaatsen van een nepbom.
M. Rigaux en P.M. Trousse, Les crimes et les délits du code pénal, V, Les crimes et les délits contre la sécurité publique. L'ordre des familles et la moralité publique. Avec une étude sur la criminologie et la psychopathologie sexuelle, Bruylant, 1968, p. 36; T. Vandromme, Bedreigingen in Strafrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2019, par. B.3.A.2.c ‘Bedreigingen door gebaren of zinnebeelden’, p. 30.
Rigaux en Trousse, a.w., p. 36.
F. Deruyck en A. de Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2019, p. 160-161; Rigaux en Trousse, a.w., p. 30.
Hof van Cassatie 24 april 1967, Arr. Cass. 1967, 1034.
Zie o.a. M. Krauß in het Leipziger Kommentar zum StGB, § 126 StGB, 2021.
Oberlandesgericht Frankfurt am Main 24 april 2002, 2 Ss 71/02.
Lid 3 luidt: “Ebenso wird bestraft, wer wider besseres Wissen einem Menschen vortäuscht, daß die Verwirklichung eines gegen ihn oder eine ihm nahestehende Person gerichteten Verbrechens bevorstehe.” Het verschil tussen par. 126 enerzijds en par. 241 anderzijds is goed zichtbaar in de zaak die leidde tot de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 30 november 2010, 3 StR 428/10. De verdachte had op het kantoor van de sociale dienst uitlatingen gedaan dat hij een grote schietpartij in het kantoor zou plegen en hij allen zou vermoorden. Het Bundesgerichtshof vernietigde de veroordeling voor par. 126 lid 1 StGB, omdat de gedragingen van de verdachte niet tot een verstoring van de openbare orde konden leiden; de bedreigingen waren beperkt tot de medewerkers van de sociale dienst en konden dus niet uitmonden in een mogelijke verstoring van de algemene openbare veiligheid. De veroordeling voor ‘individuele’ belediging van par. 241 bleef echter wel in stand.
Onze bibliotheek heeft op mijn verzoek navraag gedaan in Engeland, maar helaas bleek bij deze bepaling geen memorie van toelichting of iets van dien aard beschikbaar te zijn.
The Court of Appeal of England and Wales (Criminal Division) 17 March 2020, [2020] EWCA Crim 396 (Roddis v R.).
Ook hier geldt: wél van het doen van een valse bommelding (par. 35, titel 18 van de U.S. Code).
Ik verwijs naar de hiervoor onder randnummer 8 geciteerde overwegingen van het hof onder de kop “Is er sprake van een nepbom?”
De stellers van het middel noemen respectievelijk het zakmes, de powerbank en dual wifi hotspot, de nestcamera, de A4 enveloppe en de 23 stuks A4 vellen.
De verdediging heeft overigens in hoger beroep de aanwezigheid van de verschillende voorwerpen in de koffer niet betwist.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times tegen Verenigd Koninkrijk), NJ 1980/146, par. 62.
EHRM 10 december 2007, nr. 69698/01 (Stoll tegen Zwitserland), NJ 2008/236, m.nt. Dommering, par. 102-103; EHRM 24 mei 2011, nr. 22918/08 (Mikkelsen en Christensen tegen Denemarken), NJ 2012/39, m.nt. Dommering.