← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:1071

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/01232 Zitting 5 november 2024 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 20 maart 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat het hof ten onrechte niet het recht aan de verdachte heeft gelaten het laatst te spreken. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 maart 2024 houdt het volgende in: “De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte. De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende aan (…). Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Rotterdam. Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld. […] De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. In aanvulling hierop deelt hij mede, ter zake van punten:

  1. Op de akte staat de naam [verdachte] . Ik heb mijn cliënte gevraagd of zij toch niet zelf de dagvaarding heeft aangenomen zij kon het zich niet meer herinneren. Als zij de oproep had ontvangen was zij zeker ter terechtzitting in eerste aanleg verschenen.
  2. Het is een gemis dat er destijds bij het uitreiken van de dagvaarding niet om een legitimatiebewijs is gevraagd. Dit had wel moeten gebeuren.
  3. Hier is ook geen legitimatie gevraagd.
  4. De krul aan het eind van de handtekening van de zus vind ik overeenkomen met de krul aan het eind van de handtekening op de akte.
  5. Ik vraag u subsidiair om het aan een deskundige te vragen. Naar mijn mening is het de handtekening van de zus en niet die van mijn cliënte. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na het beraad wordt het onderzoek weer hervat en direct daarna gesloten. Bij monde van de voorzitter doet het hof onmiddellijk uitspraak. De voorzitter deelt mede, dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep cassatie kan instellen. Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffiers vastgesteld en ondertekend.”
  6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van artikel 311 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.
  7. Het middel is terecht voorgesteld.
  8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
  9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.