ECLI:NL:PHR:2024:1081
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04456 Zitting 27 augustus 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 7 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken’ veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.H.W. Janssen, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Bespreking van het eerste middel 3. Het eerste middel bevat de klachten dat het hof op onbegrijpelijke gronden bewezen heeft verklaard dat de verdachte degene is geweest die het feit heeft gepleegd en dat het hof het verweer van de verdediging op het punt van de bewijswaarde van de herkenningen op ontoereikende gronden heeft verworpen.
Op 17 februari 2021 ben ik tussen 10.30 en 11.00 uur naar de ING bank in het centrum van Nijmegen gegaan om € 10.000,- contant op te nemen. Ik parkeerde mijn auto ruim buiten het centrum en ben in ongeveer 15 minuten naar de bank gelopen. Ik moest buiten bij de geldautomaat het geld opnemen en ik heb twee keren met mijn pas € 5.000,- opgenomen om 11.22 uur en 11.24 uur. De grootste coupure had een waarde van € 50,- en ik heb het geld in een ING enveloppe gestopt en de enveloppe in een zwarte map gestopt. Hier zat ook mijn paspoort, rijbewijs en kentekencard in. Deze map heb ik in mijn tas, een soort zwarte aktetas, gestopt. Ik ben vervolgens naar mijn auto gelopen en daar kwam er een man naar mij toe. Volgens mij had ik op dat moment net mijn tas achterin de bak gelegd en de klep dichtgegooid. De man zei: ‘maak die achterklep eens open’ of woorden van gelijke strekking. Hij zei het op een dwingende manier. Ik ben zo stom geweest om de achterklep open te doen. Volgens mij heeft de man toen de hele zwarte map uit mijn tas gepakt met daarin € 10.000,- contant, mijn paspoort, rijbewijs en kentekencard. De man ging er toen vandoor in de richting van het centrum.
Op 18 februari 2021 werden in het kader van een buurtonderzoek met betrekking tot een straatroof op de [a-straat] te Nijmegen zes adressen in deze straat bezocht. Ik sprak met de bewoner van [a-straat 1] te Nijmegen, waar ik een camera aan de voorgevel van de woning zag hangen. Ik deelde hem mede dat ik de beelden vorderde. We hebben samen de beelden bekeken. Het tijdstip van de beelden loopt een uur voor op de werkelijke tijd. Op de beelden is op de werkelijke tijd om 11:57 uur te zien dat aangever bij zijn voertuig terugkomt en een onbekende man bij hem komt staan. (...) De man pakt de tas. haalt er een mapje uit en loopt weg. Deze beelden worden aan mij gemaild en zullen op een later tijdstip volledig uitgekeken worden.
Ik bekeek de camerabeelden en zag dat aangever om 12:57:34 uur bij zijn auto kwam. Deze stond geparkeerd aan de [a-straat] te Nijmegen. Ongeveer vijf seconden later kwam er nog een persoon in beeld. Hij liep achter aangever aan. Hij was aan het bellen. Aangever stond bij de kofferbak van de auto, zette zijn tas op de grond en probeerde de kofferbak open te maken. Vermoedelijk lukte dit niet, want aangever liet zijn tas staan en liep richting de bestuurderszijde van de auto. Verdachte liep ondertussen ook richting de auto van de aangever. Aangever zag dit en draaide zich direct om richting de verdachte. Aangever stond naast zijn tas en verdachte stond erg dicht op aangever, binnen een halve meter.
Aangever opende de kofferbak van zijn auto en legde de tas erin. (...) Verdachte wees naar de kofferbak van de auto. Hij ging direct met zijn hand richting de kofferbak van de auto en opende de kofferbak. Aangever drukte zijn hand tegen de kofferbak. Verdachte trok de klep van de kofferbak omhoog en aangever drukte deze juist naar beneden. Aangever ging er een beetje voor staan, waardoor hij aan de kant werd geduwd door de klep van de kofferbak, die verdachte omhoog trok. Verdachte pakte de tas uit de kofferbak van de auto en aangever probeerde zijn tas van verdachte af te pakken. Verdachte draaide zijn rug naar de aangever toe. Aangever sloeg zijn armen om verdachte heen, in de hoop zijn tas te pakken te krijgen, maar dit lukte niet.
Verdachte greep iets uit de tas, gooide de tas naast zich neer en liep weg.
Ik ben wijkagent van het centrum in Nijmegen en contactpersoon van het Multi Functioneel Centrum in Nijmegen, een opvang voor alcohol- en drugsverslaafden.
Op 8 april 2021 heb ik de beelden van TV Gelderland gezien van een beroving van € 10.000,- bij een oude man. Nadat ik de beelden had gezien, fietste ik door het centrum van Nijmegen. Ik zag een man op en neer lopen en dacht meteen aan de beelden van de overvaller. Ik fietste naar hem toe en maakte een praatje. De man vertelde dat hij [verdachte] was, dat hij eerst in de Jan Massinkhal had verbleven en sinds enkele maanden op het MFC verbleef. Postuur, lengte, bijzonder loopje van [verdachte] kwamen overeen met de overvaller.
Op 12 en 14 april 2021 heb ik diverse personen gesproken op het MFC. Kort nadat [verdachte] op het MFC kwam wonen in februari heeft hij aan meerdere personen een flink pak geld laten zien, allemaal briefjes van 50. Hij zou enkele dagen daarna een dure scooter en duur Breitling horloge hebben gekocht. Hij liep ook in dure kleding rond.
Ik heb gisteren op 7 april 2021 beelden gezien van het televisieprogramma Bureau Gelderland. Op deze beelden werd een oudere man overvallen in Nijmegen. Ik ben de beelden gaan bekijken en herkende de verdachte als [verdachte] . Ik werk als groepsleider in de noodopvang voor daklozen gevestigd in de Jan Massinkhal te Nijmegen. Ik heb in die hoedanigheid [verdachte] in de periode van november 2020 tot en met februari 2021 begeleid en hij woonde toen in de opvang. Ik herken hem aan zijn manier van lopen en zijn gezicht. Vooral op het moment dat hij aan het bellen is, herken ik hem. Hij droeg een vale grijs/zwarte spijkerbroek, zwarte sportschoenen met witte opdruk en een korte donkergroene jas met capuchon over zijn hoofd met daaronder een baseballcap. Deze kleren had hij vaker aan toen ik hem begeleidde.
Ik ben toezichthouder op het MFC in Nijmegen. Dit betreft een opvang voor alcohol- en drugsverslaafden. Ik kreeg op 8 april 2021 een filmpje te zien van een beroving van € 10.000,- van een oudere man in Nijmegen. Wat mij direct opviel was de broek van verdachte. Samen met zijn loopje, postuur en houding, zei ik: dat is [verdachte] . [verdachte] verblijft ongeveer twee of drie maanden bij ons op de opvang. Er zaten van die witte flapjes op zijn broek, het was exact de broek die op het filmpje te zien was. Samen met die lange spillenbenen van hem. Ik heb [verdachte] bij ons zien lopen met diezelfde broek.
Bij V.O.F. [bedrijf] was een voertuig gekocht door de verdachte, twee dagen het incident (Het hof begrijpt: twee dagen na het incident op 17 februari 2021). p. 63: [bedrijf] [verdachte] Factuur 19/02/2021 Artikel: IR3746 VESPA SPRINT E4 SPORT 45 KM/H DTP94P Prijs: 3.150,00 Totaal inc. BTW: 3.200,00 €’ 6. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof het volgende overwogen: ‘Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit om verdachte vrij te spreken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beelden waarop de herkenningen zijn gebaseerd van slechte kwaliteit en lage helderheid zijn. Er zijn geen specifieke lichamelijke of gezichtskenmerken zichtbaar en de enige herkenningsfactor op de beelden is het loopje van de persoon. De herkenningen kunnen daarom niet worden gebezigd voor het bewijs. Daarnaast heeft verdachte kort voor het overlijden van zijn moeder een geldbedrag van € 4.000,- ontvangen, waardoor de aankoop van een scooter verklaarbaar is. Tot slot zijn er getuigen die andere personen menen te herkennen op de beelden en het is niet uit te sluiten dat de persoon op de beelden een van deze mensen betreft.
Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende en stelt voorop dat behoedzaamheid geboden is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning in het kader van het bewijs. Dit geldt te meer als een herkenning van doorslaggevend belang is om de betrokkenheid van een verdachte bij het hem ten laste gelegde aan te tonen. Het komt bij de beoordeling van het bewijs aan op een toetsing van de betrouwbaarheid van de gedane herkenning op basis van foto's of beelden, mede in het licht van de overige omstandigheden, om al dan niet tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning zijn de volgende elementen van belang. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de camerabeelden of stills daarvan, voldoende duidelijk en helder zijn om een (gezichts-)herkenning op te kunnen baseren. Hierbij is van belang wat de mate van kwaliteit van de beelden is en in hoeverre hierop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Het tweede beoordelingselement staat daarmee in nauw verband, namelijk hoe goed de herkenner verdachte kent. Hoe beter men verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en), van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht van de herkenning. Ten slotte dient het hof te bekijken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken.
Ten aanzien van de kwaliteit van de camerabeelden en de stills daarvan, overweegt het hof dat een postuur, een manier van lopen en kleding met een zeer specifiek kenmerk goed te onderscheiden zijn. Daarnaast is op een still ingezoomd op het gezicht van de persoon, waarbij de kleding wederom zichtbaar is en een gedeelte van het gezicht. Het hof is daarom van oordeel dat de beelden en stills voldoende duidelijk en helder zijn om daarop onderscheidende kenmerken van de persoon te zien en op basis daarvan herkenningen te doen.
De persoon op de beelden is door [getuige 1] herkend als verdachte. Hij herkende hem aan zijn manier van lopen, zijn gezicht en zijn postuur en aan zijn kleding. [getuige 1] begeleidde verdachte vier maanden lang (van november 2020 tot en met februari 2021, derhalve in de periode voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde delict) in de noodopvang en gaf aan dat verdachte de kleding op de beelden, ook vaak droeg toen hij hem begeleidde. [getuige 2] herkende in april 2021 de man op de beelden als ‘ [verdachte] ’, die sinds twee of drie maanden bij hen verblijft op het MFC in Nijmegen, een opvang voor alcohol- en drugsverslaafden. [getuige 2] werkt daar als toezichthouder. Hij herkent [verdachte] aan zijn broek, waarop witte flapjes zitten en die hij ook bij de opvang draagt en aan zijn lange spillenbenen, zijn loopje, postuur en houding. Het hof gaat er vanuit dat [getuige 2] met ‘ [verdachte] ’ verdachte bedoelt, aangezien verdachte in deze periode op het MFC verbleef.
Daarnaast zag wijkagent [verbalisant 3] op 8 april 2021 in het centrum van Nijmegen verdachte lopen, die hij herkende van de beelden van de beroving. Verdachte vertelde hem dat hij eerst in de Jan Massinkhal had verbleven en sinds enkele maanden op het MFC verbleef. De wijkagent stelde vast dat het postuur, de lengte en het bijzondere loopje van verdachte overeenkwamen met het signalement van de overvaller. [verbalisant 3] verklaarde verder van meerdere personen te hebben gehoord dat verdachte enkele maanden geleden een groot pak geld had en flinke uitgaven had gedaan.
Het hof stelt vast dat verdachte door tenminste drie personen is herkend. Twee daarvan zagen hem regelmatig op hun werk, waar verdachte verbleef, en kenden hem dus goed. Alle drie de getuigen hebben verdachte herkend op momenten dat zij nog in contact met verdachte stonden of kwamen. Het tijdsverloop tussen de ontmoetingen en herkenningen is daarom minimaal en de frequentie van de ontmoetingen met, met name van [getuige 1] en [getuige 2] , is veelvuldig geweest. Het hof is daarom van oordeel dat het drie betrouwbare herkenningen betreft.
In het dossier bevinden zich ook herkenningen die naar een ander persoon dan de verdachte wijzen, maar het hof is van oordeel dat dit geen afbreuk doet aan de eerdere herkenningen. Er zijn namelijk tenminste drie getuigen die zonder aarzeling verdachte herkennen en twee daarvan kennen hem goed vanuit hun werkzaamheden. Het hof is met de raadsman eens dat er behoedzaam dient te worden omgegaan met de herkenning van wijkagent [verbalisant 3] , omdat hij al had gehoord dat verdachte mogelijk de beroving had gepleegd, voordat hij hem zelf herkende. Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die verdachte zonder enige voorkennis herkenden, is het hof van oordeel dat de herkenning van [verbalisant 3] wel gebezigd kan worden voor het bewijs. Het is immers niet slechts zijn herkenning waarop de bewezenverklaring steunt.
Tot slot overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte door een erfenis over het geld beschikte waarmee hij de scooter twee dagen na het tenlastegelegde feit heeft gekocht. Het staat vast dat hij grote bedragen heeft uitgegeven na de overval. De verklaring van verdachte dat hij dit twee dagen voor het overlijden van zijn moeder in september 2020 als erfenis heeft gekregen en een tijd heeft bewaard, omdat hij zijn moeder had beloofd het goed te besteden, is niet passend bij de situatie waarin verdachte destijds verkeerde. Hij leidde destijds een zwervend bestaan en had te kampen met verslavingen en het is naar het oordeel van het hof onaannemelijk dat hij zo’n geldbedrag al die tijd onder zich heeft gehouden. Het hof schuift daarom de verklaring van verdachte terzijde.
Het hof is voorts van oordeel dat bij de diefstal geweld is gepleegd. In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven is vermeld dat op de beelden is terug te zien dat verdachte met zijn hand naar de kofferbak van de auto gaat en de kofferbak opent. Aangever drukt direct daarop zijn hand tegen de kofferbak, naar het hof aanneemt om de verdachte tegen te houden. De verdachte trekt vervolgens de klep van de kofferbak omhoog terwijl aangever deze juist naar beneden drukt. De aangever gaat er dan een beetje voor staan waardoor hij door de klep van de kofferbak, die door verdachte omhoog getrokken word, wordt weggeduwd. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte aldus handelend geweld gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken.’ 7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in: ‘3. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 15 juli 2022 is op te maken dat de politierechter de bewezenverklaring voornamelijk stoelt op de getuigenverklaring van [getuige 1], de herkenning door wijkagent [verbalisant 3] én de koop van een scooter met een contante aanbetaling kort na de diefstal. Dit alles, ook in combinatie met de dossierstukken, maakt naar het oordeel van de verdediging niet dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de tenlastelegging, te weten dat cliënt de diefstal op 17 februari 2021 zou hebben gepleegd. Het bewijs is onvoldoende overtuigend en laat ruimte voor andere mogelijke scenario’s. (…) Enkel een loopje 9. Voorafgaand dient opgemerkt te worden dat op de camerabeelden geen gezicht, althans een zeer wazig gezicht zonder herkenningspunten, te zien is. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de herkenningen dient dan ook al rekening gehouden te worden met het feit dat de kwaliteit en helderheid van de beelden slecht is. Hierdoor zien de getuigen op de camerabeelden enkel een persoon lopen zonder dat specifiek lichamelijke of gezichtskenmerken zichtbaar zijn. Enkel wordt in de gegeven omschrijving bij de beelden gesproken over een ingevallen gezicht.
2.1.1. [getuige 1] 11. Na een Meld Misdaad Anoniem-melding te hebben gedaan wordt [getuige 1] gehoord als getuige. Hij geeft daar aan cliënt te herkennen aan zijn manier van lopen en zijn gezicht. Dit ondanks − naar eigen zeggen − dat de beelden niet heel erg scherp waren. [getuige 1] geeft aan dat hij cliënt vooral herkent op het moment dat hij aan het bellen is. De verdediging gaat ervan uit dat [getuige 1] hier verwijst naar het camerabeeld deel 1 van de diefstal (12:57 uur). Tijdens het bellen heeft de persoon zijn hand regelmatig voor zijn mond én lijkt hij een mondkapje te dragen. Het is dan ook opmerkelijk dat [getuige 1] de persoon net op dat moment herkent, terwijl zijn gezicht niet of nauwelijks in beeld is.
2.1.8. Getuige wijkagent [verbalisant 3] 16. Wijkagent [verbalisant 3] heeft, na een tip dat het zou gaan om [verdachte] en dat een bewoner is van het MFC, de camerabeelden bekeken.
Aankoop van de scooter 25. Er wordt namelijk waarde gehecht aan het feit dat cliënt vlak na het voorval een scooter van € 3.200,00 heeft gekocht. Cliënt heeft vanaf dag één een duidelijke verklaring gegeven voor het contante geld waarmee hij de scooter heeft gekocht. Zijn moeder is overleden, zij heeft hem € 4.000,00 contant geld gegeven kort voor haar overlijden en van dat geld heeft hij een scooter gekocht. Nadat cliënt begin februari 2021 weer een adres had waar hij ingeschreven stond, te weten de van Schevichavenstraat, kon hij vanaf dat moment een verzekering afsluiten en besloot hij toen een scooter te kopen van het van zijn moeder verkregen geld. Dit is ook een logische verklaring voor het (niet erg lange) tijdsverloop tussen de ontvangst van het geld en de aankoop.
Andere personen als verdachte aangemerkt?
2.1.3. [getuige 3] 30. [getuige 3] herkent de persoon eveneens aan het loopje, maar zij koppelt daar een andere naam aan: [betrokkene 1]. Anders dan [getuige 1] omschrijft [getuige 3] het loopje specifiek. Sterker nog, zij herkent de persoon niet alleen aan zijn loopje maar ook aan een hele specifieke houding: "Toen de jongere man tot stilstand kwam, zag ik dat hij zijn rechter voet haaks naast zijn andere voet en maakte zich wederom zo breed mogelijk." Aan de hand van het loopje én die houding herkent deze getuige de persoon als [betrokkene 1]. [betrokkene 1] woonde bij de getuige in de buurt. De getuige heeft vervolgens aan andere buurtgenoten gevraagd of zij de persoon ook als [betrokkene 1] herkende, dat was het geval. De persoon op de video is dus gezien de verklaring door drie bij naam bekende personen herkend. Deze drie personen zagen hem bijna dagelijks en toch is deze persoon niet door het Openbaar Ministerie onderzocht. Evenmin zijn de andere getuigen nader bevraagd.
2.1.4. [getuige 4] 31. [getuige 4] herkent de persoon op de camerabeelden als haar eigen broer. Haar broer heeft een ingevallen gezicht en hij heeft ook een raar 'Donald Duck loopje'. Eerder heb ik aangegeven dat de betrouwbaarheid van een herkenning vermeerderd indien de herkenner een persoon goed kent. Van alle herkenningen in dit strafdossier is de herkenning van [getuige 4] het meest betrouwbaar. Het gaat nota bene om haar broer. Zij herkent haar broer niet alleen. Ook haar andere broer én haar vader herkennen de persoon op de beelden als hun familielid. [getuige 4] mag haar broer dan één jaar niet gezien hebben, maar het postuur en het rare loopje verandert niet zomaar. Desondanks heeft het Openbaar Ministerie blijkbaar ook nagelaten om naar deze persoon onderzoek te doen, dat is onbegrijpelijk.
2.1.5. overige getuigen 32. De verklaring van [getuige 5] kan niet als betrouwbaar worden geacht omdat [getuige 5] de persoon niet specifiek herkent als [verdachte] . Hij herkent ene [naam] die hij kent van tien jaar geleden en die hij nu nog regelmatig in de stad ziet lopen. Wederom wordt verwezen naar het ingevallen gezicht en het specifieke loopje. De vraag is echter of [getuige 5] hier verwijst naar [verdachte] of misschien wel naar [betrokkene 1]. Daarnaast geeft [getuige 5] aan dat de [naam] die hij herkent zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Op de justitiële documentatie van cliënt komt dit strafbare feit niet terug. Zou de oplichting wel op de justitiële documentatie van [betrokkene 1] staan? Of is sprake van een hele andere [naam] ? Die vraag zal onbeantwoord blijven, want nader onderzoek is door het Openbaar Ministerie niet verricht. Voorgaande geldt ook voor de overige getuigen die of geen naam weten of enkel ene [naam] benoemen.
2.1.7. MMA Meldingen 33. In de MMA-meldingen wordt voorts nog de naam van [betrokkene 2] genoemd, hetgeen zou gaan om [betrokkene 2] alsmede de naam [betrokkene 3]. Deze laatste zou volgens de melding een bekende van de politie zijnde voor soortgelijke delicten.
Wettig en overtuigend bewijs?
3Conclusie 40. De grote vraag in deze kwestie is: wie is de persoon op de camerabeelden? Is het cliënt, [betrokkene 1], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 4] of [betrokkene 2]? Allemaal hebben ze een vreemd loopje en/of een ingevallen gezicht en/of dragen zij een donkergekleurd jack met een spijkerbroek en sportschoenen. Op basis van die kenmerken stellen de getuigen dat de man op de camerabeelden de persoon is die zij kennen. Het zou goed één van de herkende personen kunnen zijn, maar op basis van deze herkenningspunten zijn er ook nog honderd anderen in de omgeving van Nijmegen die aan de herkenningspunten voldoen.
4Strafmaat 45. Enkel en alleen indien uw Gerechtshof tot de conclusie komt dat een diefstal wel wettig en overtuigend is bewezen, is de verdediging van mening dat in ieder geval geen sprake is van geweld en / of bedreiging met geweld.
Bespreking van het tweede middel 16. Het tweede middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘geweld’ niet naar behoren heeft gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat geweld in de zin van art. 312 Sr (en art. 81 Sr) in het algemeen wordt omschreven als ‘de aanwending van fysieke kracht welke met zo’n hevigheid geschiedt dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen, of korter: elke uitoefening van lichamelijke kracht van niet al te geringe intensiteit’. Het ‘door het hof bewezenverklaarde handelen (dicht op iemand gaan staan en tegen het lichaam duwen en vervolgens voornoemd geld (o.a.) uit de tas van diegene te pakken) levert, mede in het licht van de verklaring van aangever die zelf op geen enkele manier over enige aanwending van fysieke kracht heeft verklaard’, geen diefstal met geweld op.
Afronding 27. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merk ik op dat de schriftelijke bijzondere volmacht op basis waarvan de ‘Akte cassatie’ is opgemaakt, door B.J.F. Hofmans, de advocaat die de verdachte in hoger beroep als raadsman bijstond, is verzonden. Deze volmacht houdt in dat de verdachte heeft ‘aangegeven in cassatie te willen’ tegen het bestreden arrest; ‘In verband hiermee verklaar ik dat ik door verdachte bepaaldelijk ben gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep. Ik verklaar hierbij tevens dat verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds instellen van hoger beroep en het in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting.’ Deze akte bevat als ik het goed zie niet een expliciete machtiging van een medewerker van de griffie. De steller van de cassatieschriftuur, […], heeft evenwel verklaard tot ‘indiening en ondertekening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie’. Dat brengt mee, zo leid ik uit HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 en de voorafgaande conclusie van A-G Harteveld af, dat het cassatieberoep ontvankelijk is, ook al gaat het om een andere advocaat (vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212).
HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, NJ 2020/129. Zie ook HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452.
Vgl. in dit verband het reeds genoemde HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452, NJ 2020/129, rov. 2.4.
A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 81 Sr, aant. 6 (online, actueel t/m 26 september 2017).
T & C Sr, aant. 2 (actueel t/m 1 juli 2024).
K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2007, p. 191-197.
Lindenberg wijst onder meer op HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8927 (dreigend heffen van stenen, art. 141 Sr).
Lindenberg noemt daarbij onder meer HR 19 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6615, NJ 1979/585, waarin Uw Raad overwoog dat onder geweld in de zin van art. 317 Sr mede begrepen is te achten ‘het in het verkeer brengen van voor menselijke consumptie bestemde giftige drank door een aantal flessen met die drank in winkels te plaatsen’.
HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3375, rov. 4.4 (inzake art. 325 SrNA). Vgl. ook A-G Machielse in de (niet gepubliceerde) conclusie (onder 7 en 8) voor HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2421 (art. 81 RO).
A-G Machielse in de (niet gepubliceerde) conclusie (onder 4.7) voor HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4339 (art. 81 RO).
A-G Vellinga in de (niet gepubliceerde) conclusie (onder 11 en 17) voor HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0635 (art. 81 RO).
Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9035.
HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7969 (art. 81 RO).
HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:179, NJ 2023/93. Het voorgaande is deels aan de conclusie voor dit arrest ontleend.
Vgl. A-G Vellinga, conclusie (onder 11 en 17) voor HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0635 (art. 81 RO) en de conclusie voor laatstgenoemd arrest.