ECLI:NL:PHR:2024:1109
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/04207 Zitting 22 oktober 2024 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – bij arrest van 8 november 2022 wegens “poging tot een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen” (gevoegde strafzaak met parketnummer 10-279609-21) en “bedreiging met brandstichting” (gevoegde strafzaak met parketnummer 10-310016-21) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 41 dagen, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot vorderingen tot vergoeding van schade die het gevolg is van het onder parketnummer 10-279609-21 bewezen verklaarde feit, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie en de verwerping van het verweer 4. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik eerst de relevante onderdelen uit de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, alsmede de verwerping van het door de verdediging gevoerde bewijsverweer weer.
Zaak met parketnummer 10-310016-21: hij in de periode van 12 november 2021 tot en met 15 november 2021 te Dordrecht het Dordrechts museum heeft bedreigd met brandstichting, door via een e-mail dat Dordrechts Museum dreigend de woorden toe te voegen: “ik blijf as. dinsdag tot 13.00 uur rustig afwachten daarna loop ik met 2 busjes benzine naar het museum en dring mezelf naar binnen en daarna gaat alle kunst in de brand gestoken worden.””
Op 9 oktober 2021 zag ik, verbalisant, aan de achterzijde van de [panden] te [plaats] tien geplastificeerde A4-tjes hangen met teksten en enkele afbeeldingen. Dichterbij gekomen, zag ik dat de teksten betrekking hadden op onder andere de verhuurders van de [panden] te [plaats] . Het is mij bekend dat deze panden eigendom zijn van: [slachtoffer 3] . Hij heeft de panden in beheer bij [bedrijf] te [plaats] . De eigenaren van [bedrijf] zijn: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
Het is mij bekend dat [slachtoffer 2] het beheer doet van de [panden] . Het is mij tevens bekend dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een conflict hebben met een van de bewoners van genoemde panden. Dit betreft: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te [plaats] .
Ik zag dat de A4-tjes waren geschreven en ondertekend door bovengenoemde [verdachte] . Ik ben bekend met de schrijfstijl van [verdachte] en zag dat een deel van de A4-tjes van autobiografische aard was.
Ik nam vervolgens foto's van de A4-tjes, welke bij dit proces-verbaal zijn gevoegd. Ik zag dat de passages in de teksten van beledigende, dan wel bedreigende aard waren en dat er mogelijk ook sprake was van smaad en laster. Ik zag dat de personen waarover hij schreef met volledige voor- en achternaam in de stukken werden genoemd en dat ook het adres van [bedrijf] en het privéadres van [slachtoffer 1] in de papieren genoemd werden.
Ik nam hierop telefonisch contact op met [slachtoffer 2] . Hij gaf aan dat hij een dag ervoor ook een stuk of tien geplastificeerde A4-tjes had weggehaald aan de Cornelis de Wittstraat. Het zou hier om dezelfde teksten en afbeeldingen gaan.
Op 10 oktober 2021 kreeg wijkagent [verbalisant 1] , de melding om naar het oude gebouw van de ANWB te Dordrecht te gaan. De melding was als volgt: "Melder ziet teksten op een raam geplakt. Hierop staan e-mailadressen en woonadressen en ook teksten dat er tongen, vingers en hoofden worden afgesneden indien er geen geldbedrag wordt betaald. Ook wordt er een excuus geëist.” Volgens meldster zouden de teksten er sinds zondagochtend hangen.
Collega [verbalisant 1] trof uiteindelijk op drie verschillende plaatsen, waaronder genoemd gebouw, en op de voorzijde van de [panden] in totaal 22 geplastificeerde A4-tjes aan. Het betrof hier wederom dezelfde teksten.
Op 13 oktober 2021 deed [verdachte] bij de politie een terugbelverzoek met de volgende tekst: "Lees aub in de bijlage het deel 'Sanctie en boetedoening.’ Mijn eisen zijn serieus. Ik kan het mij niet veroorloven om het niet nakomen van hun verplichtingen aan mij nalaten direct te beantwoorden. M.a.w. ik voel me dan verplicht om over te gaan op actie.
Op diezelfde datum overhandigde [verdachte] aan collega [verbalisant 2] een e-mail gericht aan [bedrijf] (bijlage 18). (…) 2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 oktober 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021314903-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 46 e.v.): als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben samen met [slachtoffer 1] directeur van [bedrijf] te [plaats] . Vanaf 1 april 2021 hebben wij het beheer van [panden] overgenomen. [verdachte] woont op [a-straat 1] . Vanaf toen is het gezeur begonnen met [verdachte] .
Op 9 oktober 2021 werd ik gebeld door mijn collega [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat er bedreigingen op flyers stonden en waren opgehangen, aan het pand van Dirk van den Broek, aan de Cornelis de Witstraat te [plaats] . [verdachte] doet zulke bizarre uitspraken dat het mij bang maakt. Ik ben bang dat hij één van deze uitspraken daadwerkelijk zal uitvoeren.
Ik heb samen met mijn compagnon genaamd [slachtoffer 2] een makelaar- en vastgoedbeheerkantoor in [plaats] . Wij beheren onder andere onroerend goed aan de [a-straat 1] in [plaats] .
In april 2021 hebben wij het beheer overgenomen van de panden waar [verdachte] een kamer huurt op adres [a-straat 1] .
Op 9 oktober 2021 ontving ik een WhatsApp-bericht van een vriend van mij. Ik kreeg een foto toegestuurd met een afbeelding van pamfletten met onder andere bedreigingen met dood, smaad/laster en belediging naar mij als persoon met naam en toenaam en mijn huisadres. Hier werden ook de namen van [slachtoffer 2] en eigenaar van het pand, [slachtoffer 3] benoemd. Deze pamfletten zijn geplaatst bij de supermarkt Dirk van den Broek op adres Cornelis de Wittstraat 84 in Dordrecht.
Mijn compagnon [slachtoffer 2] werd later die dag gebeld door de politie dat er op een andere locatie dezelfde pamfletten waren geplaatst.
De bedreigingen met de dood die door [verdachte] zijn geuit op een van de pamfletten zijn onder andere: "Jullie hoofden op een staak gestoken voor mijn deur geplaatst uiterlijk vrijdag 15 oktober as. voor 13:00 uur” "Jullie betalen mij 51.000 euro p/p en jullie plegen alle 3 zelfmoord; alles uiterlijk uitgevoerd voor vrijdag 15 oktober as. voor 13:00 uur". "Jullie betalen mij 102.000 euro p/p en jullie leveren jullie tong en 1 van jullie duimen bij mij in uiterlijk vrijdag 15 oktober as. 13:00 uur". “Jullie betalen mij 204.000 euro p/p en jullie leveren alle vier 1 van jullie pinken in uiterlijk vrijdag 15 oktober as. 13:00 uur”. "Daar gaan jullie om 14:00 uur op de knietjes zitten en met gebogen hoofden naar beneden kijkende gaan jullie je excuses maken aan minimaal 6 van mijn medehuurders die door jullie als stront behandeld zijn en behandeld worden en uiteraard jullie excuses maken aan mijn persoon”.
Op 10 oktober 2021 ontving de eigenaar [slachtoffer 3] en onze [advocaat] een email van [verdachte] waarin hij bevestigt dat hij de pamfletten had geplaatst. In deze email zegt [verdachte] onder andere: “Ik had jullie reeds gesteld of doodnormaal doen of doodmaken. Jullie weigeren doodnormaal te doen dus maak me dood of op de knietjes en betalen!!!".
De bedreigingen die [verdachte] uit, neem ik zeer serieus. Ik acht (het hof leest: niet uitgesloten) dat deze man zijn woord bij de daad [ik lees: de daad bij het woord, D.A.] gaat voegen, hij is ontoerekeningsvatbaar. [verdachte] weet mijn huisadres en ook blijkbaar wat privézaken. Hij chanteert mij met geldbedragen die ik moet afstaan. In de pamfletten heeft [verdachte] aangegeven niet terug te deinzen geweld te gebruiken.
Ik wens strafvervolging tegen [verdachte] .
Hij deed aangifte namens het slachtoffer Dordrechts Museum.
Ik ben hoofdbeveiliger bij het Dordrechts Museum te Dordrecht. Vanmiddag ben ik door de politie gebeld dat er een man, genaamd [verdachte] , morgen 16 november naar het museum komt en het museum helemaal in de brand gaat steken Ik hoorde dat deze [verdachte] om 13:00 uur met jerrycans benzine naar het museum komt en het dan aansteekt, als er geen gehoor gegeven wordt aan bepaalde eisen die hij stelt.
Wij, als museum, nemen dit zeer serieus, en zijn bang dat deze man daadwerkelijk naar het museum komt om deze bedreiging uit te voeren door middel van brandstichting.
Op 15 november 2021, omstreeks 11:00 uur, bevond ik mij op de locatie Spuiboulevard 300 te Dordrecht, alwaar het stadskantoor is gevestigd.
Door [verdachte] waren twee e-mails verzonden naar de mailbox van de gemeente Dordrecht, waarvan er één gericht was aan de burgemeester. In deze mail stond onder andere dat hij het museum in Dordrecht in de fik zou steken en dat hij om 11:00 uur met de burgemeester zou komen praten over zijn problemen.
Omstreeks 11:00 uur die dag zag ik dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] aan kwam lopen.
Ik, verbalisant, verklaar het volgende.
Op 16 november 2021 werd [verdachte] aangehouden ter zake van bedreiging. De dagen ervoor was er diverse malen politiebemoeienis geweest met [verdachte] , omdat hij had gedreigd het Dordts museum in de fik te steken.
Op 15 november 2021 worden er door de [verdachte] twee e-mails naar de mailbox van de gemeente Dordrecht verstuurd.
De tweede mail begint met: @Wouter Kolff Burgemeester. In die mail zegt [verdachte] dat hij tot dinsdag 13.00 uur rustig zal afwachten en dat hij daarna met 2 busjes benzine naar het museum gaat, dat hij zichzelf naar binnen dringt en daarna alle kunst in brand steekt. Verder gaat hij in op zijn persoonlijke situatie dat hij alles onterecht vind en hij sluit af met de tekst: Het museum of een R.M. voor mij met acute spoed Wouter. Kies.
Groet, [verdachte] Deze mail is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. (…) 7. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 maart 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Het ophangen van de pamfletten en het versturen van de mail aan [bedrijf] heb ik allemaal gedaan. Eind augustus/begin september 2021 was ik er net bovenop. Toen ontdekte ik dat er aangifte was gedaan tegen mij. Door die aangifte ben ik volledig uit mijn plaat gegaan. Ik heb die pamfletten op drie verschillende plaatsen in het centrum opgehangen.
Het klopt dat ik een e-mail heb gestuurd aan de gemeente Dordrecht. Ik heb de burgemeester verzocht om een Rechterlijke Machtiging (RM). Ik heb gezegd: "Geef mij een RM of ik loop om 13:00 uur naar het museum".”
Kort gezegd komt haar standpunt ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 10-279609-21 erop neer dat er geen dreiging met geweld is geweest en dat onduidelijk is wat de dwang inhoudt.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10-310016-21 is aangevoerd dat er geen sprake was van een serieuze bedreiging. Bekend was dat de verdachte opgepakt of opgenomen wilde worden. Het opzet van de verdachte was niet gericht op het opwekken van vrees.
Het hof overweegt als volgt.
Feit 2 in de zaak met parketnummer 10-279609-21 houdt in dat de verdachte door het ophangen van pamfletten en een e-mail heeft geprobeerd de in de bewezenverklaring genoemde personen te dwingen tot het maken van excuses en/of de betaling van een geldbedrag. Het hof is van oordeel dat de teksten op de pamfletten en in de e-mail niet anders kunnen worden uitgelegd dan als dwang om datgene te doen wat de verdachte eiste.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10-310016-21 is het hof van oordeel dat door de tekst in de e-mail aan de burgemeester, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden, bij het Dordts Museum in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat daar brandstichting zou plaatsvinden. Dat daarop niet direct is gehandeld, maakt dit niet anders. Gelet op de tekst van de e-mail was er een aanmerkelijke kans dat het Dordts Museum daarvan op de hoogte zou geraken. Het hof is van oordeel dat de verdachte met het sturen van de e-mail die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.”
Het eerste middel (betreffende de zaak met parketnummer 10-279609-21) 8. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van poging tot dwang en behelst zoals gezegd de klacht dat het hof heeft nagelaten te motiveren waaruit de dwang heeft bestaan c.q. dat het hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dienaangaande.
Het beoordelingskader: dwang 10. Het delict dwang (artikel 284 Sr) is opgenomen in titel XVIII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht (‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’). De strafbaarstelling strekt ertoe te voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke wijze in zijn of haar vrijheid van handelen wordt beperkt, doordat dwang ten aanzien van hem of haar wordt uitgeoefend.
De bespreking van het eerste middel 14. In het bestreden arrest heeft het hof ter verwerping van het bewijsverweer overwogen, ik herhaal: “Feit 2 in de zaak met parketnummer 10-279609-21 houdt in dat de verdachte door het ophangen van pamfletten en een e-mail heeft geprobeerd de in de bewezenverklaring genoemde personen te dwingen tot het maken van excuses en/of de betaling van een geldbedrag. Het hof is van oordeel dat de teksten op de pamfletten en in de e-mail niet anders kunnen worden uitgelegd dan als dwang om datgene te doen wat de verdachte eiste.”
Dat oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de slachtoffers, blijkens de bewijsvoering, (i) er met (de lugubere inhoud van) de pamfletten en de e-mail toe werden bewogen om, in de context van een huurgeschil, excuses te maken (“op de knietjes”) en een geldsom te betalen; (ii) een en ander “zeer serieus” namen; (iii) “bang” waren dat de verdachte “een van deze uitspraken daadwerkelijk zal uitvoeren” en (iv) het niet uitgesloten achtten dat de verdachte “zijn woord bij de daad gaat voegen” (ik begrijp: de daad bij het woord gaat voegen).
De bewezenverklaring is in dit opzicht toereikend gemotiveerd.
Het tweede middel (betreffende de zaak met parketnummer 10-310016-21) 19. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van bedreiging met brandstichting en behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting van “het Dordrechts Museum”.
Rechtspraak over bedreiging van anderen dan natuurlijke personen 21. Artikel 285 lid 1 Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde feit als volgt: “Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Nu uitdrukkelijk de bedreiging van het ambassadegebouw is tenlastegelegd, en niet de bedreiging van het personeel van de ambassade of de ambassade als rechtspersoon, komt het hof tot het oordeel dat de uitlatingen van de verdachte geen strafbare bedreiging van het ambassadegebouw oplevert. Het hof spreekt van de verdachte daarvan vrij.”
Het gaat hierbij in de eerste plaats niet om een subjectieve toets, waarbij de ervaring van de bedreigde maatgevend is, maar om een objectieve toets (“in redelijkheid”). Daarbij komt dat subjectieve bestanddelen als opzet en schuld ook niet aan het daderschap van een rechtspersoon in de weg hoeven te staan. In dit verband komt wel gewicht toe aan de aard van hetgeen waarmee wordt gedreigd. Gaat het om een bedreiging van een feit dat tegen een rechtspersoon kan worden begaan? Zo is bedreiging van een rechtspersoon met verkrachting van die rechtspersoon niet goed denkbaar, omdat moeilijk valt in te zien dat in redelijkheid vrees kan ontstaan dat dit delict jegens een rechtspersoon kan worden begaan.
Aldus werpt het delict waarmee wordt bedreigd zijn schaduw vooruit bij de beoordeling of bedreiging van een rechtspersoon mogelijk is. Brandstichting is zonder twijfel een delict dat tegen een rechtspersoon kan worden begaan. Aldus meen ik dat ook de aard van het feit zich er niet tegen verzet dat dit tegen een rechtspersoon wordt begaan.”
2.4.
Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat bij een rechtspersoon, anders dan bij een natuurlijk persoon, geen 'redelijke vrees' kan ontstaan, berust het middel op een onjuiste opvatting. Van het ontstaan van zulke vrees bij een rechtspersoon kan sprake zijn indien bij voor een rechtspersoon relevante natuurlijke personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee de rechtspersoon is bedreigd, zou kunnen worden gepleegd.
2.5.
Het Hof heeft - kort gezegd - vastgesteld dat de verdachte bij de balie van Woningstichting [A] heeft gezegd "als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik", en dat ter plaatse heeft herhaald tijdens een telefoongesprek met de deurwaarder. Aldus heeft het Hof vastgesteld dat de bedreiging inhield dat het kantoor van Woningstichting [A] in brand zou worden gestoken. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat bij [aangeefster], die als interim woonconsulent werkzaam is bij Woningstichting [A], daadwerkelijk vrees is ontstaan dat verdachte tot die brandstichting zou overgaan, en dat ook de overige medewerkers van de woningstichting zich door de uitlatingen van de verdachte daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat door de uitlatingen van de verdachte bij voor de Woningstichting relevante personen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het kantoor van de woningstichting in brand zou worden gestoken.
2.6.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen hetgeen in 2.4 is overwogen, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte Woningstichting [A] met brandstichting heeft bedreigd, niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip bedreiging als bedoeld in art. 285 Sr en is, mede gelet op de bewijsvoering, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.”
De bespreking van het tweede middel De bespreking van de problematiek: kunnen andere entiteiten dan natuurlijke personen of rechtspersonen slachtoffer zijn van strafbare feiten?
De toepassing van het voorgaande op het geval 36. Het hof heeft in het midden gelaten of het Dordrechts museum als rechtspersoon deelneemt aan het maatschappelijk verkeer. Hoewel veel musea in de vorm van een stichting, vereniging of vennootschap en dus in de vorm van een rechtspersoon worden gedreven, is dat geen wet van Meden en Perzen (en dus ook geen feit van algemene bekendheid dat geen bewijs behoeft). Zo heb ik bijvoorbeeld in openbare bronnen gezocht naar de (mogelijke) rechtsvorm van het Dordrechts museum, maar hierop het antwoord niet gevonden. Hoewel het museum wordt gesteund door vriendenstichtingen, kan ik niet uitsluiten dat het Dordrechts museum zelf eigendom is van de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Dordrecht.
Slotsom 39. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 oktober 2022 heeft de raadsman het woord ter verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities. Een weergave is eveneens terug te vinden op p. 3-4 (randnummer 5) van de cassatieschriftuur. Tevens heeft de verdachte ter terechtzitting onder meer nog het volgende naar voren gebracht: “Ik heb de e-mail gestuurd aan de beheermaatschappij en aan [slachtoffer 3] . Het is een luguber keuzemenu, maar het is geen bedreiging. U, de voorzitter, houdt mij voor dat de advocaat met de wijziging tenlastelegging stelt dat het versturen van het e-mailbericht ook het iemand dwingen is om iets te doen, maar hoe kan ik iemand dwingen iets te doen. U, de voorzitter, houdt mij voor dat ik schrijf dat ik excuses en een geldbedrag wil. Het is wel dwingend, maar ik heb niet gedwongen. Ik wilde uit de situatie.” (Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 oktober 2022, p. 4.) A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 284, aant. 4 (online, bijgewerkt tot 1 oktober 2012). Zie omtrent het bestanddeel ‘enige andere feitelijkheid’ uitgebreider: K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu-uitgevers 2007, par. 3.5.
Vgl. HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5834, NJ 2006/234, en recenter HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:568, NJ 2020/159.
Ook als het resultaat – datgene wat het slachtoffer ten gevolge van de dwang heeft gedaan, niet heeft gedaan of heeft geduld – niet wordt bewezen verklaard, blijft het dwingen in een poging steken. Zie P.P.J. van der Meij, in: T&C Strafrecht, Deventer: Kluwer 2024, art. 284, aant. 10 en 12. (Mede) gelet op de context leverden in die zaak de uitingen “werk gewoon mee, anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden” en “luister meneer, luister naar die jongen en ga mee naar het politiebureau” een pogingsvariant op van dwang, te weten een “poging tot het medeplegen van een ander door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen” op. Volgens de Hoge Raad (rov. 3.4.2) heeft het hof bij die beoordeling “kennelijk – en terecht – ook de context van het geval mede van betekenis geacht” (onderstreping mijnerzijds).
A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 285, aant. 2 (online, bijgewerkt tot 10 januari 2022).
Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448 rov. 3.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1862.
A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens, Uitingsdelicten (Studiepockets Strafrecht nr. 36), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 333.
Immers: het gaat om een in redelijkheid kunnen ontstaan van vrees en niet om een ontstane vrees. Om met de woorden van Keijzer te spreken: “Er zijn immers uitzonderlijk koelbloedige en ook uitzonderlijk vreesachtige mensen.” Zie zijn noot onder HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer. In dit licht kan betekenis worden toegekend aan de ‘criteriumfiguur’ als vertrekpunt, vgl. K.K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Apeldoorn: Maklu uitgevers 2007, p. 224-225. Het hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 1 februari 2007 evenwel ruimte gezien om de ervaring van aangeefster (wel) van doorslaggevend belang te achten: “Uit de aangifte blijkt niet dat er zodanige vrees is opgewekt bij de aangeefster dat van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Het hof acht niet doorslaggevend wat er in het algemeen als bedreigend wordt ervaren, maar de wijze waarop de aangeefster zelf de situatie en de bewoordingen heeft ervaren. Het hof kent in dit opzicht vooral betekenis toe aan de opmerking van aangeefster dat zij zich niet prettig voelde na het gedrag van verdachte en dat gedrag onacceptabel vond.” Hof Amsterdam 1 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8842.
Vgl. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 285, aant. 2 (online, bijgewerkt tot 10 januari 2022); A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens, Uitingsdelicten (Studiepockets Strafrecht nr. 36), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 331; Conclusie van Knigge vóór HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824, NJ 2006/397 m.nt. Buruma, randnummer 23.
De Hullu & Van Kempen menen in algemene zin dat een rechtspersoon eveneens slachtoffer van een strafbaar feit kan zijn, ofschoon de wetgever uitsluitend aan natuurlijke personen als slachtoffer heeft gedacht. Zie J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 133. Zie ook D.R. Doorenbos, ‘Meer aandacht voor de rechtspersoon’, DD 2024, afl. 1, p. 98: “Naast de processuele hoedanigheid van verdachte, kan een rechtspersoon ook de hoedanigheid van klager, slachtoffer of benadeelde partij hebben. Aanvankelijk leek niet elke rechter daar helemaal voor open te staan. Echter: wanneer de rechtspersoon eenmaal wordt beschouwd als een volwaardig rechtssubject, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat hij ook in andere hoedanigheden aan het strafproces kan deelnemen.” Zie ook art. 51a lid 1 sub a onder 1 Sv, waaruit volgt dat (in de betreffende titel) met het slachtoffer wordt gelijkgesteld “de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden”.
Handelingen II 1998/99, nr. 98, p. 5694: “Gelet op de plaatsbepaling in de titel ’’misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’’ en de terminologie ’’persoonlijke levenssfeer’’ ligt het niet voor de hand dat een rechtspersoon belaagd kan worden.”
Vgl. HR 25 januari 2000, NJ 2000/279; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 285b, aant. 6 (online, bijgewerkt tot 4 februari 2023). Zie ook: M.J.A. Duker, ‘De reikwijdte van het belagingsartikel’, RM Themis 2007, afl. 4, p. 141-154, i.h.b. 145.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht. Volledige verzameling van regeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen enz. (Herzien en aangevuld met de wijzigingen, door J.W. Smidt), tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891-1901, p. 389-395. De wetgever leek bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht met de term ‘iemands’ te doelen op bescherming van de eer en goede naam van natuurlijke personen tegen aanranding ervan. Wetgeving van recentere datum wijst overigens op bijzondere bescherming van entiteiten; zie art. 267 sub 1 onder 3 Sr waarin de strafverzwaring is geregeld met betrekking tot belediging gericht aan openbare lichamen en openbare instellingen.
HR 22 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9316, NJ 1986/927 m.nt. ’t Hart; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1059, NJ 2019/348 m.nt. Dommering. Vgl. A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 87-89.
Aan de verdachte werd in die strafzaak die ten grondslag ligt aan het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:999, onder meer ten laste gelegd dat “hij in of omstreeks de periode van 10 december tot en met 12 december 2018 te Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Krimpenerwaard, en/of Rotterdam, althans in Nederland, een of meer perso(o)n(en) van de afdeling bewaken en beveiligen en/of een rechtspersoon te weten de politie (eenheid Den Haag, afdeling bewaken en beveiligen) en/of het ambassadegebouw van de Islamitische Republiek Iran heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte gezegd dat hij een aanslag wil plegen op de Iraanse ambassade in Nederland met een bom en/of dat hij met een auto de ambassade zal inrijden en dan zelf misschien ook zou overlijden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking” (onderstreping mijnerzijds).
Hof Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:999.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat "hij op 6 februari 2012 te Goirle [aangeefster] en Woningstichting [A] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend om zich heen gewezen en (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "als ik weg moet dan steek ik het hier in de fik" en/of "dan steek ik de wagen in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking".
CAG Bleichrodt 1 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1918, vóór HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3360, NJ 2016/12.
Lochs merkt hierover op in M. Lochs in: T&Cr Strafvordering, art. 51a, aant. 2b (online, actueel t/m 1 januari 2024), dat hoewel het Kaderbesluit noch de richtlijn verplicht tot uitbreiding van rechten van slachtoffers tot rechtspersonen, in deze bepaling een afzonderlijke verwijzing naar rechtspersonen is opgenomen, omdat de wetgever geen wijziging wilde brengen in de bestaande praktijk dat ook rechtspersonen hun schade als gevolg van een strafbaar feit in het strafproces kunnen verhalen. Ook de tot dusver in beleidsregels vastgelegde gedragsregels voor politie en justitie inzake de omgang met slachtoffers omvatten reeds de rechtspersoon als slachtoffer, aldus Lochs, met verwijzing naar Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3, p. 5.
Een enigszins andere opvatting zou wellicht kunnen worden afgeleid uit A.L.J. van Strien, De rechtspersoon in het strafproces. Een onderzoek naar de procesrechtelijke aspecten van de strafbaarheid van rechtspersonen (diss. Leiden), Den Haag: Sdu Juridische & Fiscale Uitgeverij 1996, p. 49-50. Hoewel dit werk (zoals de ondertitel al te kennen geeft) zich concentreert op de procesrechtelijke aspecten van de strafbaarheid van rechtspersonen en niet op het slachtofferschap ervan, acht ik het nuttig te wijzen op de door de auteur besproken rechtspraak over entiteiten die geen rechtspersoon zijn in de zin van art. 51 Sr of art. 528 Sv. Het gaat hier om een beklagzaak waarin het weekblad ‘Bluf!’ optrad als klager tegen de inbeslagneming van een gehele oplage van het tijdschrift.
De auteur merkt op: “Uit deze beschikking [van de Hoge Raad] blijkt, dat volgens de Hoge Raad ook entiteiten die geen 'rechtspersoon' in de zin van art. 51 Sr of art. 528 Sv zijn, wel beklag kunnen doen tegen de inbeslagneming. Naar mijn mening terecht, omdat wanneer bij de toepassing van dwangmiddelen een inbreuk wordt gemaakt op rechten en vrijheden van een entiteit, deze ook in de gelegenheid moet worden gesteld om hiertegen de in het procesrecht voorziene rechtsmiddelen in te stellen. Bij de vraag of een niet-natuurlijke persoon bepaalde (rechts)handelingen kan verrichten in een strafrechtelijke procedure is dus niet altijd beslissend of deze als "rechtspersoon' in de zin van art. 51 Sr kan worden beschouwd.”