PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/00830 Zitting 19 november 2024 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 2 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 1 en 2 "medeplegen van moord en medeplegen poging tot moord”, het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 3 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 4 bewezenverklaarde “medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie en medeplegen II van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 5 bewezenverklaarde “handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd”, het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 6 bewezenverklaarde “medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 03-721590-15 onder 7 bewezenverklaarde “medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, het in de zaak met parketnummer 03-866313-17 onder 1 bewezenverklaarde “medeplegen van opzetheling”, het in de zaak met parketnummer 03-866313-17 onder 2 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, het in de zaak met parketnummer 03-8663 13-17 onder 3 bewezenverklaarde “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren. Ook heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. Er bestaat samenhang met de zaak 23/00910. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben elf middelen van cassatie voorgesteld. 4Het eerste middel 4.1 Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige. 4.2 Om een en ander beter te kunnen duiden geef ik eerst kort weer wat er in de onderhavige zaak is voorgevallen en waardoor de gedingfase in hoger beroep zich heeft gekenmerkt. Het bestreden arrest houdt hierover, voor zover van belang, het volgende in: “1. Inleiding Op 25 september 2015 is de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten zwaar onder vuur genomen. [slachtoffer 1] is hierbij overleden en [slachtoffer 2] is gewond geraakt. Op basis van de uitkomsten van het verrichte onderzoek door de politie zijn de drie verdachten in deze zaak [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beeld gekomen. Het onderzoek Specht richt zich op de betrokkenheid van voornoemd drietal bij deze en enkele andere (al dan niet gelieerde) feiten. In deze zaak is onder andere een WOD-er ingezet. De [medeverdachte 1] heeft tegenover deze WOD-er bekend één van de schutters te zijn geweest. Voorts heeft hij de [verdachte] aangewezen als de chauffeur van de auto die bij het schietincident is gebruikt. De [verdachte] heeft tijdens een WOD-inzet eveneens verklaard over diens eigen betrokkenheid bij het schietincident op 25 september 2015. Volgens de [medeverdachte 1] was één persoon die schuil gaat achter de bijnaam "de Lange" de tweede schutter. De [medeverdachte 2] luistert naar die bijnaam en kwam, in het bijzonder op basis daarvan, als mogelijke tweede schutter in beeld. De rechtbank achtte bij vonnissen van 23 januari 2018 bij de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het medeplegen van moord, poging tot moord en de overige feiten waarvoor de verdachten zijn gedagvaard, bewezen. Aan de [medeverdachte 1] is een levenslange gevangenisstraf opgelegd, aan de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar. Namens alle verdachten is hoger beroep ingesteld tegen voormelde vonnissen. De gedingfase van het hoger beroep is vooral gekenmerkt door het afleggen van bekennende verklaringen door de [medeverdachte 1] , waarvoor geldt dat hij zowel over eigen betrokkenheid bij de feiten heeft verklaard als over betrokkenheid van de medeverdachte [verdachte] maar de betrokkenheid van [medeverdachte 2] ontkent, alsmede door nader onderzoek dat in hoger beroep is verricht c.q. is uitgezet, waaronder het doen horen van een getuige van wie mogelijk werd verondersteld dat hij in plaats van [medeverdachte 2] als tweede schutter betrokken is geweest. Tevens is op verzoek van de verdediging onderzoek gedaan naar de contacten tussen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in verband met de stelling dat tussen beide verdachten (leugenachtige) afspraken zijn gemaakt over de door [medeverdachte 1] af te leggen verklaring. In hoger beroep zijn de gevoerde verweren toegespitst geweest op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, het bewijs en de straftoemeting.” 4.3 Daar waar het hof spreekt over een getuige van wie mogelijk werd verondersteld dat hij in plaats van [medeverdachte 2] als tweede schutter betrokken is geweest, wordt door het hof gedoeld op de onderhavige [getuige 1] . 4.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 oktober 2021 houdt, voor zover van belang, het volgende in: “Het verzoek om het horen van [getuige 1] is zowel door de raadslieden als door het Openbaar Ministerie gedaan. Ter terechtzitting van 20 september 2021 werd die naam geroepen vanuit de zittingzaal. Het hof had zich toen al teruggetrokken in raadkamer. Op diezelfde dag heeft het Openbaar Ministerie al aan de politie, die ook in zaal was, gevraagd om te achterhalen wie dat zou kunnen zijn. Er zijn namen gevonden die niet pasten bij het signalement. Na een zoektocht kwam men uit bij [getuige 1] , zijn bijnaam is ook wel [getuige 1] , die, kijkend naar de leeftijd en het spleetje tussen de voortanden zou kunnen passen in het door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gegeven signalement. Wij willen graag aan de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een foto tonen van [getuige 1] , en vragen of dat de man is over wie gesproken wordt. Mr. Weening zegt dat zijn cliënt het niet zal ontkennen, maar ook niet zal bevestigen. [medeverdachte 2] heeft [getuige 1] al herkend van de foto. Ik wil het ook graag van [verdachte] horen. Het Openbaar Ministerie wenst [getuige 1] te horen, omdat dat van belang is voor de strafzaak, in ieder geval voor één van de verdachten. In de media is stellig de stelling ingenomen dat het Openbaar Ministerie nu de juiste man te pakken heeft. Wellicht is één van de verdachten ten onrechte veroordeeld, aldus de pers. Dus het is van belang en ook noodzakelijk om deze man te horen. Ik snap dat mr. Nillesen alvast een voorschot neemt en zegt dat hij wel zal ontkennen, maar misschien doet hij dat ook niet. Misschien bekent hij wel. Misschien heeft hij een goed alibi. Om de juiste beslissing te nemen in de zaak van [medeverdachte 2] is het horen van [getuige 1] van belang. (…) De raadsvrouw van de verdachte voert het woord tot verdediging conform de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die als bijlage 7 aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.” 4.5 Genoemde pleitnota, die zich bij de processtukken bevindt houdt, voor zover van belang het volgende in: “11. [medeverdachte 1] over de bijrijder: [medeverdachte 1] heeft in 2018 een verklaring als verdachte afgelegd waarin hij verklaard heeft dat voorin de auto een man zou hebben gezeten die hij in het gezelschap van [verdachte] weleens een of twee keer eerder had gezien, maar die hij niet van naam kende. Hij geeft aan dat de man naast [verdachte] iets langer was dan [medeverdachte 1] zelf, zwarte haren had, blank was en spleetjes tussen zijn voortanden had. Later, verklaart hij, als ik mij niet vergis als verdachte hier bij het hof, dat de bijrijder als ‘G’ zou zijn aangeduid. En op 16 september jongstleden komt hij met de verklaring, voor het eerst, dat de bijrijder de naam De Lange zou hebben gehad. Via de schoonmoeder van [medeverdachte 2] is vervolgens de naam genoemd van [getuige 1] . [getuige 1] is inderdaad een bekende van cliënt, maar zeker ook van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zelf. [getuige 1] is namelijk iemand met wie cliënt wel eens een oldtimer heeft gestolen en daar zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook bij geweest. Beide heren kennen [getuige 1] ook van bijeenkomsten bij cliënt thuis maar ook op andere plekken. [medeverdachte 1] heeft hier gesuggereerd dat hij de bijrijder alleen in aanwezigheid van cliënt zou hebben gezien en dat hij zijn naam niet kende, echter dat is volgens cliënt, als [medeverdachte 1] daar [getuige 1] mee zou bedoelen, totale flauwekul. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn ook meerdere malen bij [getuige 1] thuis in Belgie geweest, in [plaats] . Mijn cliënt blijft bij zijn verklaring dat hij niet met [medeverdachte 1] en welke ‘Lange’ dan ook in een auto achter [slachtoffer 1] is aangegaan. Client stelt dat [getuige 1] bovendien niet de bijnaam Lange had maar Turk, dat hij kleiner of net zo lang als [medeverdachte 1] en dat hij het zich niet kan voorstellen dat deze man die kennelijk door [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] wordt aangewezen als de bijrijder iets te maken heeft met de dood van [slachtoffer 1] . Voor zover cliënt weet is er geen link tussen [slachtoffer 1] en [getuige 1] en ontbreekt dus een motief bij deze man om [slachtoffer 1] wat aan te doen. Ook kan hij zich niet voorstellen dat [getuige 1] tot zulk excessief geweld in staat zou zijn als richting [slachtoffer 1] is uitgeoefend. Cliënt zei letterlijk tegen mij dat [getuige 1] iemand is die je ’s nachts kunt bellen om een auto te pikken maar dat ‘dit soort geweld niet zijn ding is’. Client is er inmiddels van overtuigd dat dit appèl door [medeverdachte 1] ook gebruikt wordt om zijn maat [medeverdachte 2] koste wat kost buiten te krijgen en dat de heren intensief contact met elkaar hebben over de manier waarop dit doel bereikt kan worden. Nu dus kennelijk ook over de rug van [getuige 1] . Ik doe hierbij het voorwaardelijk verzoek [getuige 1] als getuige te horen indien u de verklaring van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ten laste van cliënt zou willen gebruiken.” 4.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 houdt, voor zover van belang, het volgende in: “Het hof onderbreekt het onderzoek. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede: Van de zijde van het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn verzoeken ingekomen om het horen van getuigen en om het doen van nader onderzoek. Het hof is van oordeel dat de gelegenheid moet worden geboden om een aantal zaken uit te zoeken, zoals met betrekking tot de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ook dient onderzoek te worden gedaan naar de ‘Arubaan’ en het telefoonnummer en naar [getuige 1] . Het hof zou hem als getuige willen horen, maar hij is vertrokken naar Turkije zonder dat hij een verblijfplaats heeft achtergelaten. Dat maakt het erg lastig. Wellicht wenst de verdediging het verzoek om andere getuigen te horen nog toe te lichten. De raadsvrouw van de verdachte voert vervolgens het woord tot verdediging conform de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, die als bijlage 9 aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. (…) De advocaat-generaal Van Tilburg verklaart: (…) We hebben begrepen dat de [getuige 1] bereid is om mee te werken aan telehoren. Het heeft niet de voorkeur van het Openbaar Ministerie, maar er zijn praktische bezwaren tegen het lijfelijk aanwezig zijn van de getuige. (…) De voorzitter deelt mede: Het Hof van Justitie heeft zeer recentelijk, namelijk op 11 november 2021, een arrest gewezen met betrekking tot het telehoren. We zullen moeten bezien hoe het horen van [getuige 1] dient te worden vormgegeven en of dat binnen redelijke termijn plaats kan vinden. (…) De voorzitter deelt mede: (…) Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 1] (…) toe en zal de zaak daartoe verwijzen naar de raadsheer-commissaris. Bekeken dient te worden in welke vorm de verhoren dienen plaats te vinden en of dit binnen afzienbare tijd te regelen is. (…) - stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, niet zijnde een lid van de behandelend strafkamer, teneinde de volgende personen als getuige te horen: • [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [plaats] (België) aan de [a-straat 1] ” 4.7 De door het hof genoemde pleitnota, die als bijlage 9 aan het onder 4.6 genoemde proces-verbaal is gehecht, houdt - voor zover van belang - het volgende in: “ [getuige 1] [medeverdachte 2] heeft onlangs de naam van [getuige 1] genoemd als degene die betrokken zou zijn bij de dood van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 2] kleurde feitelijk de verklaring van [medeverdachte 1] van 6 december 2018 nader in en gaf de beschreven derde man een naam. Daarmee is natuurlijk nog allerminst gezegd dat het verhaal van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook klopt. Hier lanceren de heren een Turkse man de arena in, die volgens cliënt niet luistert naar de bijnaam ‘Lange’ (maar wel ‘Turk’), niet lang is en kaal is. Dit alles strookt niet met de verklaring van [medeverdachte 1] : hij spreekt in zijn verklaring van 6 december 2018 over een man met zwarte haren en dat deze man iets langer zou zijn geweest dan [medeverdachte 1] zelf. Ik heb het OM verzocht nader onderzoek te doen naar de lengte van [getuige 1] , de lengte van [medeverdachte 1] en na te gaan of er bijnamen van [getuige 1] bekend zijn. Voor zover het OM zelf niet bereid is hieraan uitvoering te geven, verzoek ik uw hof het OM hiertoe opdracht te geven. [getuige 1] komt hier dus letterlijk uit de lucht vallen. En met het voor de verdediging van [verdachte] nogal schokkende resultaat dat [medeverdachte 2] nu buiten loopt en ongetwijfeld onbelemmerd contact heeft gehad met de getuigen die hier vandaag worden gehoord door uw Hof: moeder en dochter Hagedoorn. Voor wat betreft [getuige 1] , wenst de verdediging van [verdachte] hem zo snel mogelijk via een videoverbinding te horen voor zover [getuige 1] inderdaad in Turkije verblijft. Ik lees in de stukken dat zijn advocaat heeft aangegeven dat [getuige 1] bereid is hieraan mee te werken. Het standpunt van het OM [getuige 1] in persoon te willen horen, begrijp ik en dat zou ook mijn voorkeur zijn. Echter dat zal voor aanzienlijke vertraging gaan zorgen en dat is voor mijn cliënt, zeker nu hij nog gedetineerd zit, niet aanvaardbaar.” 4.8 De processen-verbaal van de zittingen in hoger beroep van 31 januari 2022, 17 maart 2022, 19 en 23 mei 2022 en 13 oktober 2022 vermelden aan het slot steeds de volgende passage: “Zoals bevolen ter terechtzitting van 26 november 2021 en thans nog niet verricht: - stelt de stukken, voor zover van belang, in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, niet zijnde een lid van de behandelend strafkamer, teneinde de volgende personen als getuige te horen: • [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [plaats] (België) aan de [a-straat 1](…)” 4.9 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in: “De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. Advocaat-generaal mr. Sta brengt als standpunt van het Openbaar Ministerie het volgende naar voren: Wij, de advocaten-generaal, hebben bij e-mailbericht van 30 november jl. te kennen gegeven dat wij oog hebben voor het belang dat de verdediging heeft bij het als getuigen horen van [getuige 2] en [getuige 3] . In de visie van het Openbaar Ministerie kan het verzoek tot het horen van deze personen dan ook worden toegewezen. Met betrekking tot het horen van [getuige 1] willen wij het navolgende op te merken. De raadsheer-commissaris heeft een proces-verbaal opgemaakt waaruit naar voren komt dat [getuige 1] niet op de afgesproken datum is verschenen om gehoord te worden door de raadsheer-commissaris. Het traject om [getuige 1] als getuige te horen kent dan ook een lange voorgeschiedenis. In juli 2022 is de partner van [getuige 1] , mevrouw Lemmens, in België gehoord. Ook is [getuige 1] via een videoverbinding vanuit Turkije gehoord. Naar aanleiding van dat verhoor is discussie gerezen tussen de advocaat van [getuige 1] , de raadsvrouw van de verdachte, de raadslieden van de medeverdachten en de raadsheer-commissaris, waarna is geconcludeerd dat het onwenselijk is om [getuige 1] middels een videoverbinding te horen. Met [getuige 1] is vervolgens afgesproken dat hij naar Nederland zou komen, teneinde op 3 november in Nederland als getuige te worden gehoord. Ondanks zijn toezegging is [getuige 1] niet op de afgesproken datum verschenen. De raadsheer-commissaris schetst thans in het proces-verbaal de verdere (on)mogelijkheden om [getuige 1] te horen en de raadsheer-commissaris vraagt uw hof in dat kader om nadere instructies. Eén van de door de raadsheer-commissaris geopperde mogelijkheden betreft een rechtshulpverzoek aan Turkije. Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris komt evenwel haar voren dat [getuige 1] in dat geval de toezegging moet worden gedaan, dat wat hij als getuige verklaart niet op enig later moment in een strafrechtelijke procedure jegens hem zal worden gebruikt. Wij hebben meermalen naar voren gebracht dat wij het noodzakelijk achten dat [getuige 1] als getuige wordt gehoord. Het Openbaar Ministerie stelt zich derhalve op het standpunt dat uw hof de raadsheer-commissaris instructies dient te geven opdat al het nodige in het werk wordt gesteld om [getuige 1] als getuige te kunnen horen. (…) Na onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting voor beraad van het hof in raadkamer, deelt de voorzitter als beslissingen van het gerechtshof het volgende mede: Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 3] en [getuige 2] als getuigen toe. In dit verband overweegt het hof dat de nadere (inhoudelijke) behandeling van de zaak van de verdachte en diens medeverdachten op de terechtzittingen van 2 en 6 februari 2023 zal worden voorgezet. Het hof hecht waarde aan de voortgang van de behandeling van de zaak. Om die reden zullen voormelde getuigen ter terechtzitting van 2 februari 2023 worden gehoord. De beslissing op het verzoek tot het horen van [getuige 1] houdt het hof aan tot de terechtzitting van de inhoudelijk behandeling. Hiertoe merkt het hof op dat het de ervaring van het hof is dat rechtshulpverzoeken aan Turkije in de regel - voor zover al succesvol - (zeer) geruime tijd in beslag nemen. Het aanhouden van de beslissing tot en met de datum van de inhoudelijke behandeling biedt bovendien de mogelijkheid om de resultaten van de verhoren van [getuige 3] en [getuige 2] af te wachten en bij de beoordeling van het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen te betrekken.” 4.10 De onder 4.9 genoemde pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte houdt, voor zover van belang, het volgende in: “ [getuige 1] Ten aanzien van het proces-verbaal van de RHC dat mij recent bereikte het volgende. Ik wil uw hof dringend verzoeken alles in het werk te stellen [getuige 1] zo spoedig mogelijk te horen. Tot nu toe is duidelijk dat [getuige 1] wel degelijk bereid is een verklaring af te leggen, zijn verblijfplaats ook bekend is maar na een uitspraak van zijn raadsman dat hij zo 1 a 2 jaar in voorlopige hechtenis kan belanden, te bang is een voet op Europees grondgebied te zetten. Voor de verdediging van client is het essentieel dat alles in het werk gesteld wordt om [getuige 1] te horen. Het is frustrerend dat [getuige 1] op 6 juli jongstleden klaar zat om een verklaring via de videoverbinding af te leggen, maar dat de RHC hier uiteindelijk van afzag om de Turkse autoriteiten niet te schofferen. Ik heb op zich begrip voor die beslissing maar dat betekent nu wel dat er echt alles aan gedaan moet worden om langs een andere weg [getuige 1] zo spoedig mogelijk als getuige te horen. Steeds meer wordt duidelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een slim een-tweetje gespeeld hebben om in ieder geval [medeverdachte 2] buiten te kunnen krijgen. Nu blijkt, dat als we de uitlatingen van [getuige 3] mogen geloven, had [medeverdachte 1] daarbij nog de intentie middels een gijzeling de gevangenis te verlaten! Dit alles over de rug van mijn client en [getuige 1] die lijdzaam moeten toezien hoe hun leven op zijn kop gezet wordt. Ik denk dat het hoog tijd is dat u in gaat zien dat die mogelijkheid veel reëler is dan u tot nu toe heeft willen aannemen. [getuige 1] durft niet meer in België te komen en mijn cliënt dreigt nu nog langer in detentie te moeten wachten op een verhoor van [getuige 1] en de inhoudelijke behandeling. Wat de verdediging betreft is hier nu wel een grens bereikt. Client zit nu al ruim 6 jaar vast voor iets waar hij al jaren van zegt geen enkele betrokkenheid bij te hebben. Het steekt hem en frustreert hem oneindig dat het OM niet veel meer bovenop [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zit, door actief, grondig onderzoek te doen naar hun onderlinge contacten en het feit dat [medeverdachte 1] nu kennelijk al meerdere malen kon beschikken over een mobiele telefoon in zijn cel. Al zijn doen en laten en communicatie blijft zo buiten beeld en het is puur geluk dat er in zijn omgeving iemand kennelijk de noodzaak heeft gevoeld te rapporteren wat [medeverdachte 1] verkondigt en wat kennelijk zijn plannen zijn. [medeverdachte 1] heeft met zijn levenslange straf ook nauwelijks wat te verliezen en kan doen en laten wat hij wil. Ik doe nogmaals een beroep op uw hof een einde te maken aan de voorlopige hechtenis van client. Het horen van [getuige 1] zal nog wel enige tijd op zich laten wachten, hetgeen [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard bevestigt sowieso hetgeen de verdediging al lange tijd stelt: namelijk dat [medeverdachte 1] client voor de gerechtelijke bus gooit om [medeverdachte 2] buiten te krijgen en wellicht, nu blijkt, daarmee ook de kans om zelf succesvol te ontsnappen heeft vergroot. Mocht u de verhoren van [getuige 3] en [getuige 2] toewijzen en de inhoud ervan willen afwachten, verzoek ik u deze verhoren met voorrang te laten plannen bij de RHC.” 4.11 Blijkens de door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2023 overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw, voor zover van belang, het volgende aangevoerd: “Ik denk nog even aan het fragment dat we hier afgelopen donderdag beluisterden en waarin [medeverdachte 1] er lachend op hint dat hij het liefst een machinegeweer gebruikt omdat hij dan kan zien hoe iemands kleding van het lichaam afgeschoten wordt. Wat verwacht u van een dergelijk persoon? Dat hij na het onterecht voor de bus gooien van mijn client elke nacht wakker ligt? Moet er voor zulk gedrag een logica zijn als je zo’n belevingswereld hebt, waarbij je het kennelijk oprecht grappig vindt bij iemand kleding van het lijf te schieten? Met hetzelfde gemak schiet hij nu met woorden op client en het deert hem kennelijk niets wat dat voor client en zijn naasten voor gevolgen heeft. Hetzelfde geldt voor het feit dat vanuit het team [medeverdachte 1] - [medeverdachte 2] een naam van iemand uit de omgeving van cliënt hier de zaal in geslingerd is. Er ligt nog niet de minste aanwijzing dat deze [getuige 1] betrokken is bij dit feit en over de waarde van de getuigenissen van [getuige 4] , haar dochter en [getuige 5] is onderhand wel genoeg gezegd. (…) Hier komt de verklaring van [getuige 3] nog bovenop. Deze man heeft helaas niet de moed gehad te herhalen wat door gevangenisdirecteur [getuige 2] uit zijn mond is opgetekend. Namelijk dat [medeverdachte 1] ‘iemand anders voor de zaak wil laten opdraaien’. Suggesties van de verdediging van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat [getuige 3] door client zou zijn geïnstrueerd deze verklaring af te leggen, zijn totaal absurd. Wat [getuige 3] tegen [getuige 2] heeft gezegd is iets wat op client zou kunnen slaan, maar net zo goed op [getuige 1] , of op beiden. Als client hier al achter had gezeten, had het veel meer voor de hand gelegen dat [getuige 3] dan ook expliciet een naam genoemd had van degene die door [medeverdachte 1] kennelijk onterecht belast wordt. (…) Na 6,5 jaar wil ik daarom u primair verzoeken vandaag nog een eind te maken aan de detentie van cliënt en een einde aan deze zaak door hem vrij te spreken. Wat er ligt tegen cliënt is onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen. Mocht u hier anders over denken, meent de verdediging dat u niet ontkomt aan aanvullende onderzoek. De verdediging meent dat het verhoor van [getuige 1] , van wie u reeds bepaald heeft dat hij gehoord moet worden in dit onderzoek, alsnog doorgang zal dienen te vinden. We weten waar hij is en hij heeft reeds aangegeven bereid te zijn een verklaring af te leggen. Zijn verklaring raakt direct aan de betrouwbaarheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en is daarom voor de verdediging van [verdachte] cruciaal.” 4.12 Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in: “4. Voorwaardelijke verzoeken 4.1. Voorwaardelijke verzoek van de verdediging Ter terechtzitting van 6 februari 2023 heeft de verdediging zich zeer kort samengevat op het standpunt gesteld dat - in de bewoordingen van de verdediging - onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is en dat, ingeval het hof daar anders over denkt, aanvullend onderzoek noodzakelijk is, namelijk:
- a)het horen van [getuige 1] ;(…) 4.2. Beoordeling door het hof 4.2.1. De beoordelingsmaatstaf De verzoeken zoals namens de verdachte gedaan zijn voorwaardelijke verzoeken tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 315, derde lid Sv jo artikel 328 Sv, welke bepalingen op grond van artikel 415, eerste lid Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Gelet op de voorwaardelijke vorm van de verzoeken is slechts een uitdrukkelijke beslissing vereist indien de daaraan gestelde voorwaarde is vervuld. Het hof begrijpt dat de verdediging heeft willen bepleiten dat wanneer het hof tot een bewezenverklaring komt, nader onderzoek noodzakelijk is. Met betrekking tot het horen van de verzochte getuigen stelt het hof als beoordelingskader het volgende voorop. De verdachte heeft het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576). Ten aanzien van de getuigen genoemd onder a (…) stelt het hof vast dat het hier geen getuigen betreft als hiervoor in de vooropstelling bedoeld. Dat betekent dat het verzoek tot het horen van deze getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931). Als het verzoek ontlastende getuigen betreft, kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december 2018, appl. no. 36658/05, Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van dergelijke verzoeken als voornaamste toets wordt aangelegd of het verzoek om de ontlastende getuige door de verdediging voldoende beargumenteerd c.q. onderbouwd is en of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. 4.2.2. Beslissingen van het hof Met betrekking tot het horen van [getuige 1] overweegt het hof als volgt. Ter terechtzitting van 26 november 2021 heeft het hof de zaak verwezen naar het kabinet van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, teneinde (onder meer) [getuige 1] te doen horen als getuige. Ondanks vele inspanningen daartoe, heeft het verhoor van voornoemde getuige niet plaatsgevonden. De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of thans nog meer inspanningen moeten worden verricht om het verhoor van de getuige te bewerkstelligen of dat kan worden afgezien van het horen van de getuige. De verdediging heeft zich ter terechtzitting van 6 februari 2023 op het standpunt gesteld dat het horen van [getuige 1] noodzakelijk is, aangezien zijn verklaring van betekenis is voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De verdediging heeft het verhoor kennelijk verzocht in het kader van het onderzoeken van het scenario dat [medeverdachte 1] bewust een onware de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd met als doel er zelf beter van te worden en om [medeverdachte 2] vrij te pleiten. Het hof beslist dat van het verhoor van [getuige 1] kan worden afgezien. Gelet op de onderwerpen waarover hij zou moeten worden bevraagd, vermag het hof niet in te zien op welke wijze een verhoor van deze getuige bewijsrechtelijk relevante ontlastende betekenis zou kunnen hebben voor de zaak van de [verdachte] . De betrokkenheid van de verdachte bij het schietincident wordt door het hof vooral aangenomen op basis van verdachtes eigen uitlatingen ten overstaan van de WOD-er. Het hof heeft dat hiervoor uitgebreid uitgelegd. Dat betekent dat een verhoor van [getuige 1] als irrelevant en overbodig voor de zaak tegen [verdachte] kan worden aangemerkt. Een verhoor van de [getuige 1] zou wellicht betekenis kunnen hebben voor de vraag of [medeverdachte 2] wel of niet betrokken is geweest is bij het schietincident, maar niet voor de zaak tegen de verdachte. Waarom het horen van deze getuige in het kader van de waarheidsvinding voor het overige relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden, ziet het hof dus niet. Bij die stand van zaken kan thans worden aangenomen dat de verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van het verzoek. Daartoe zal het hof dan ook overgaan. (…) Het hof heeft, bij de beoordeling van voormelde voorwaardelijke verzoeken, tevens de vraag betrokken of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat dit het geval is.” 4.13 Het middel houdt een drietal deelklachten in. 4.14 In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof bij de afwijzing van het verzoek de verkeerde - want te zware - maatstaf heeft toegepast, namelijk het noodzaakscriterium in plaats van de maatstaf van het verdedigingsbelang, zoals neergelegd in art. 288, eerste lid onder c, Sv. Ook zou het hof bij de daadwerkelijke beoordeling van het verzoek kennelijk de maatstaf uit het door het hof aangehaalde Murtazaliyeva-arrest hebben gebruikt, welke maatstaf ook ruimer is dan de maatstaf genoemd in art. 288, eerste lid onder c, Sv, terwijl deze maatstaf lijkt toe te staan vooruit te mogen lopen op hetgeen de getuige in kwestie zou kunnen verklaren. Bovendien lijkt het hof de relevantie van de getuige voor de beoordeling van de vragen van art. 348 en 350 Sv te onderkennen door te overwegen dat deze getuige betekenis zou kunnen hebben voor de vraag of [medeverdachte 2] wel of niet betrokken is geweest bij het schietincident, zodat op grond van de maatstaf in art. 288, eerste lid onder c, Sv tot oproeping had moeten worden overgegaan. 4.15 Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige aangemerkt als een verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in art. 315, derde lid (bedoeld zal zijn: eerste lid) Sv in verbinding met art. 328 Sv, welke bepalingen op grond van art. 415, eerste lid, Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het gaat om een eerst ter terechtzitting in hoger beroep verzochte getuige. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de rechter het horen van de getuige “noodzakelijk” oordeelt. In het onderhavige geval heeft het hof het horen van [getuige 1] als getuige noodzakelijk geacht en op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 toepassing gegeven aan het bepaalde in art. 316, eerste lid, Sv. Het verhoor van de getuige heeft uiteindelijk, ondanks vele inspanningen daartoe, niet plaatsgevonden en het hof heeft de vraag of nog meer inspanningen moeten worden verricht om het verhoor van de getuige te bewerkstelligen in het bestreden arrest ontkennend beantwoord en geoordeeld dat wordt afgezien van het horen van de getuige. Met de stellers van het middel ben ik het eens dat de onderhavige getuige moet worden aangemerkt als een “niet verschenen getuige” als genoemd in art. 287, derde lid, Sv en in art. 288, eerste lid, Sv, zodat die bepalingen van toepassing zijn indien de oproeping door het openbaar ministerie is verzuimd dan wel indien de getuige aan de bevolen oproeping of hernieuwde oproeping geen gevolg heeft gegeven. Van oproeping kan op grond van het bepaalde in art. 288, eerste lid, Sv onder meer worden afgezien indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Daarvan is sprake indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. 4.16 Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof in zijn afwijzende beslissing op het verzoek van dit criterium is uitgegaan. De slotoverweging van het hof luidt immers “Bij die stand van zaken kan thans worden aangenomen dat de verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van het verzoek”. Dat het hof bij de afwijzing van het verzoek de aan de rechtspraak van het EHRM ontleende beoordelingsmaatstaf voor een ontlastende getuige heeft betrokken komt mij evenmin onbegrijpelijk voor, in aanmerking genomen dat de rechterlijke motiveringsplicht mede op art. 6 EVRM steunt. 4.17 Overigens gaat het in cassatie bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Dat speelt een rol bij de subsidiaire deelklacht. 4.18 De eerste deelklacht faalt. 4.19 Subsidiair stellen de stellers van het middel zich op het standpunt dat, als het hof wel de juiste maatstaf zou hebben toegepast, de afwijzende beslissing op het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen ook in zichzelf onbegrijpelijk is. Het hof zou in zijn beslissing namelijk ontoelaatbaar vooruit zijn gelopen op hetgeen de getuige kan verklaren, door te overwegen dat “een verhoor van de [getuige 1] wellicht betekenis zou kunnen hebben voor de vraag of [medeverdachte 2] wel of niet betrokken is geweest is bij het schietincident, maar niet voor de zaak tegen de verdachte”. Door de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een één-tweetje waarin [medeverdachte 1] , ten gunste van [medeverdachte 2] , de verdachte belast. De verklaring van [getuige 1] zou direct licht kunnen schijnen op de vraag of sprake is van zo’n één-tweetje, omdat [getuige 1] - ervan uitgaande dat hij één van de betrokken daders was - uit eigen waarneming kan verklaren welke personen er (naast hem) in de auto zaten tijdens de schietpartij en dus of de verdachte daar wel of niet één van was. De verklaring van [getuige 1] zou zodoende niet alleen rechtstreeks van belang zijn voor de bewijsvraag, maar ook voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van [medeverdachte 1] (die immers verklaart dat [getuige 1] wel één van de betrokken daders was). In de tweede plaats zou de afwijzende beslissing onbegrijpelijk zijn in het licht van de eerdere toewijzing en in het licht van de motivering van de latere aanhouding van de beslissing op het verzoek d.d. 22 december 2022. Een verandering van opvatting over de aanwezige noodzaak voor het horen van [getuige 1] zou volgens de stellers van het middel nader moeten worden gemotiveerd. Ook komen de gezichtspunten die het hof noemt in zijn beslissing van 22 december 2022 tot aanhouding van het verzoek tot aan de inhoudelijke behandeling - te weten de resultaten van de verhoren van [getuige 3] en [getuige 2] - niet in de afwijzende beslissing terug. Verder zou uit de overwegingen van het hof over de vraag of sprake is van genoemd één-tweetje blijken dat het hof de (de-auditu)verklaringen van [getuige 2] hoe dan ook irrelevant acht voor de beoordeling van het verzoek [getuige 1] te doen horen. Dit maakt de afwijzing volgens de stellers van het middel des te meer onbegrijpelijk, omdat als [getuige 2] (kennelijk) niet de noodzakelijke inzichten kan verschaffen, terwijl zij wel verklaart te hebben gehoord dat [medeverdachte 1] een onschuldige voor de moord wilde laten opdraaien, het juist zaak is om [getuige 1] - die uit eigen wetenschap kan verklaren of hij en/of de verdachte bij de uitvoering van de moord betrokken was/waren - te horen. Aan het voorgaande zou de overweging van het hof dat de betrokkenheid van de verdachte grotendeels wordt aangenomen op basis van diens (door de verdediging betwiste) uitlatingen tegenover de WOD-er niet afdoen. Dat zou juist neerkomen op het ontoelaatbaar vooruitlopen op hetgeen een getuige zou kunnen verklaren. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het hof niets heeft overwogen over “the witness’s (un)reachabality”, noch heeft vastgesteld welke inspanningen door de rechterlijke autoriteiten zijn geleverd om [getuige 1] toch ter zitting - of per videoverbinding - te kunnen horen. De vraag of art. 288 lid 1 onder a Sv grond kan vormen voor de afwijzing van het verzoek van de verdediging zou daarom niet ter toetsing voorliggen. 4.20 Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging, waaronder het horen van [getuige 1] als getuige, eerst na de bespreking van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren behandeld. In het kader van de gevoerde bewijsverweren heeft het hof onder meer geoordeeld over het verweer dat de inhoud van de processen-verbaal van stelselmatige informatie-inwinning onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten en het verweer dat de verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 1] als onvoldoende betrouwbaar terzijde moet worden gesteld. Daarbij is het hof ook ingegaan op het verweer van de verdediging dat sprake is van een ‘één-tweetje’ tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om de verdachte te onrechte te belasten, in die zin dat [medeverdachte 2] wordt vrijgepleit en dat de verdachte wordt opgeofferd en als chauffeur van de auto is genoemd, terwijl hij in werkelijkheid niet bij het schietincident betrokken was. Het hof heeft - kort gezegd - geoordeeld dat de van de WOD-inzet gemaakte processen-verbaal betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs, dat de verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar is en zonder schending van art. 6 EVRM voor het bewijs kan worden gebruikt en dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] de verdachte ten onrechte heeft belast. 4.21 Bij de aanvang van de bespreking van de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tot aanvullend onderzoek vat het hof het in dit verband door de verdediging ingenomen standpunt als volgt samen: er is onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig en mocht het hof daar anders over denken, dan is aanvullend onderzoek nodig. Het hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 1] als getuige vervolgens zo uitgelegd dat de verdediging de getuige wenst te horen omdat zijn verklaring van betekenis is voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , meer in het bijzonder voor het onderzoeken van het scenario dat [medeverdachte 1] bewust een onware - de verdachte belastende - verklaring heeft afgelegd met als doel er zelf beter van te worden en om [medeverdachte 2] vrij te pleiten. Deze uitleg van het verzoek wordt in cassatie niet betwist en is in het licht van de door de verdediging aan het verzoek gegeven onderbouwing ook niet onbegrijpelijk. 4.22 Het hof heeft geoordeeld dat, gelet op de onderwerpen waarover [getuige 1] zou moeten worden bevraagd, het niet vermag in te zien op welke wijze een verhoor van deze getuige bewijsrechtelijk relevante ontlastende betekenis zou kunnen hebben voor de zaak van de verdachte. Een verhoor van [getuige 1] wordt door het hof als irrelevant en overbodig voor de zaak van de verdachte aangemerkt, omdat de betrokkenheid van de verdachte bij het schietincident door het hof vooral wordt aangenomen op basis van verdachtes eigen uitlatingen ten overstaan van de WOD-er. Die uitlatingen houden, voor zover hier relevant, in dat hij (“Chanel”) bij de schietpartij als bestuurder is opgetreden en hij toen samen met “Payo” en “De Lange” was. Volgens het hof zou een verhoor van de [getuige 1] wellicht betekenis kunnen hebben voor de vraag of [medeverdachte 2] wel of niet betrokken is geweest bij het schietincident, maar niet voor de zaak tegen de verdachte. Ook voor het overige ziet het hof niet in waarom een verhoor van [getuige 1] voor de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en - om in de termen van de rechtspraak van het EHRM te spreken - waarom en in hoeverre het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te beïnvloeden. Dit oordeel komt mij, in het licht van de omstandigheid dat [medeverdachte 1] niet is teruggekomen op de persoon die volgens hem als bestuurder is opgetreden en gelet op genoemde door de verdachte ten overstaan van de WOD-er gedane uitlatingen, niet onbegrijpelijk voor. Dat het hof bij de afwijzing van het verzoek niet de resultaten van de verhoren van [getuige 3] en [getuige 2] heeft betrokken, zoals in de beslissing van 22 december 2022 is verwoord, is evenmin onbegrijpelijk, nu deze getuigen niet over verdachtes betrokkenheid bij het schietincident hebben verklaard en het hof overigens in die beslissing spreekt van - slechts - een mogelijkheid die resultaten in de beoordeling te betrekken. 4.23 De afwijzing van het verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dit brengt mee dat ook de tweede deelklacht faalt. 4.24 Ten slotte wordt geklaagd dat ’s hofs oordeel dat ondanks de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [getuige 1] als getuige te horen, de procedure als geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof zou immers niet hebben toegelicht waarin voor de verdediging zodanige compensatie heeft bestaan voor het niet kunnen horen van [getuige 1] , dat de ‘proceedings as a whole’ als een eerlijk proces kunnen worden beschouwd. Ook is volgens de stellers van het middel niet duidelijk wat het hof precies met deze algemene en holle overweging probeert uit te drukken, voor zover van toepassing op getuigen à decharge. Als zodanig is de beoordeling van het proces als geheel immers geen aspect van de beoordeling van het verzoek om een ontlastende getuige te beoordelen. Een onbegrijpelijke motivering zou volgens de stellers van het middel in strijd zijn met art. 6 EVRM, terwijl in een onbegrijpelijke motivering eveneens besloten ligt dat eventuele compensatie ook onbegrijpelijk is gemotiveerd. 4.25 Het hof heeft bij de beoordeling van onderhavig getuigenverzoek ook de vraag betrokken of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en die vraag bevestigend beantwoord. Deze vraag betreft het derde criterium van het door het EHRM gehanteerde beoordelingskader voor het afzien van het horen van een “defence witness”. Dit beoordelingskader houdt, voor zover van belang, het volgende in: “(
- i)Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation? (
- ii)Whether the domestic courts considered the relevance of that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial? (iii) Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness of the proceedings?” Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de eerste twee stappen van het beoordelingskader over het algemeen zeer indicatief zijn voor de vraag of sprake is geweest van een eerlijk proces. Dit is slechts anders in uitzonderlijke gevallen. 4.26 Het hof heeft in het onderhavige geval - (mede) aan de hand van de uit de EHRM rechtspraak voortvloeiende beoordelingsmaatstaf voor een ontlastende getuige - op niet onbegrijpelijke wijze geoordeeld dat het verhoor van de getuige voor de zaak van de verdachte relevantie mist. Daarmee is ’s hofs oordeel in overeenstemming met de eerste twee criteria van het beoordelingskader. Van een geval waarin desondanks geen sprake is van een eerlijk proces is in het onderhavige geval mijns inziens geen sprake. Daarbij merk ik op dat het hof in het bestreden arrest uitvoerig heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] de verdachte ten onrechte heeft belast. 4.27 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 5Het tweede middel 5.1 Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van [getuige 6] als getuige. 5.2 Door de raadsvrouw van de verdachte is blijkens de door haar aan het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2021 overgelegde pleitnota, voor zover van belang, het volgende aangevoerd: “Tenslotte wijs ik nog op de brief die ik van [getuige 6] heb ontvangen die stelt dat [medeverdachte 1] in zijn aanwezigheid gesproken zou hebben over zijn eigen betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] zou er richting [getuige 6] op hebben aangedrongen dit nooit tegen mijn cliënt te zeggen, omdat volgens [medeverdachte 1] mijn cliënt zijn mond niet zou kunnen houden. [getuige 6] stelt dus dat [medeverdachte 1] richting hem beweerd heeft met twee andere personen, niet zijnde cliënt, betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer 1] . Ik verzoek u deze verklaring aan de stukken toe te voegen en verzoek u [getuige 6] te horen over deze uitlatingen van [medeverdachte 1] . (…) Tenslotte merk ik op dat alle verzoeken tot het horen van getuigen en het doen van nader onderzoek door de verdediging van [verdachte] in voorwaardelijke zin worden gedaan, dus alleen in het geval u meent dat cliënt bij de huidige stand van zaken veroordeeld zou dienen te worden voor het hem ten laste gelegde.” 5.3 Blijkens de door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2023 overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw, voor zover van belang, het volgende aangevoerd: “Tevens herhaal ik hier nogmaals mijn verzoek om [getuige 6] te horen. Ik heb uw hof reeds een schriftelijke verklaring van [getuige 6] overgelegd waarin hij stelt dat [medeverdachte 1] met hem op enige moment gesproken heeft over de schietpartij en waarbij [medeverdachte 1] zou hebben gezegd dat mijn client hier niet van op de hoogte mocht zijn omdat [medeverdachte 1] mijn client er niet op vertrouwde dat hij zijn mond zou houden. [medeverdachte 1] zou tegen [getuige 6] hebben verteld betrokken te zijn bij de schietpartij met twee personen, niet zijnde client.” 5.4 Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 6] als getuige als volgt afgewezen: “4.1. Voorwaardelijke verzoek van de verdediging Ter terechtzitting van 6 februari 2023 heeft de verdediging zich zeer kort samengevat op het standpunt gesteld dat - in de bewoordingen van de verdediging - onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is en dat, ingeval het hof daar anders over denkt, aanvullend onderzoek noodzakelijk is, namelijk: (…)
- b)het horen van [getuige 6] ; (…) 4.2. Beoordeling door het hof 4.2.1. De beoordelingsmaatstaf De verzoeken zoals namens de verdachte gedaan zijn voorwaardelijke verzoeken tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 315, derde lid Sv jo artikel 328 Sv, welke bepalingen op grond van artikel 415, eerste lid Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Gelet op de voorwaardelijke vorm van de verzoeken is slechts een uitdrukkelijke beslissing vereist indien de daaraan gestelde voorwaarde is vervuld. Het hof begrijpt dat de verdediging heeft willen bepleiten dat wanneer het hof tot een bewezenverklaring komt, nader onderzoek noodzakelijk is. Met betrekking tot het horen van de verzochte getuigen stelt het hof als beoordelingskader het volgende voorop. De verdachte heeft het recht heeft om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht en daartoe verzoeken kan doen. In bepaalde gevallen moet het belang van de verdediging bij het oproepen en horen van een getuige worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al eerder - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576). Ten aanzien van de getuigen genoemd onder (…) b stelt het hof vast dat het hier geen getuigen betreft als hiervoor in de vooropstelling bedoeld. Dat betekent dat het verzoek tot het horen van deze getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931). Als het verzoek ontlastende getuigen betreft, kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december 2018, appl. no. 36658/05, Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van dergelijke verzoeken als voornaamste toets wordt aangelegd of het verzoek om de ontlastende getuige door de verdediging voldoende beargumenteerd c.q. onderbouwd is en of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. 4.2.2. Beslissingen van het hof (…) Met betrekking tot het horen van [getuige 6] overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft een schriftelijke verklaring van [getuige 6] aan het hof overgelegd en wenst deze getuige nader te bevragen over omstandigheden die door de [medeverdachte 1] aan hem zouden zijn verteld, waaronder de omstandigheid dat [medeverdachte 1] gezegd zou hebben dat de [verdachte] niet betrokken is geweest bij het schietincident op 25 september 2015. Het hof overweegt dat deze getuige niet aanwezig is geweest bij het schietincident en dus niet uit eigen waarneming of ondervinding over de toedracht daarvan en over wie daarbij betrokken zijn geweest, kan verklaren. Het hof stelt verdachtes betrokkenheid vast mede op basis van verdachtes eigen uitlatingen tegenover de WOD-er, welke uitlatingen, zoals reeds overwogen, wijzen op daderkennis en betrokkenheid. Verdachtes betrokkenheid is aldus al op basis van ander bewijsmateriaal genoegzaam komen vast te staan. De verklaring van [getuige 6] over wat [medeverdachte 1] tegen hem zou hebben gezegd, ook als de juistheid van deze mededeling van [getuige 6] (dat [medeverdachte 1] heeft gezegd dat [verdachte] er niet bij aanwezig was) zou komen vast te staan, kan daarover geen redelijke twijfel zaaien. Tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden en onder verwijzing naar al het vorenoverwogene, gaat het hof dus uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging. Het hof wijst op grond van het bovenstaande dan ook het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige 6] af.” 5.5 Het middel houdt een viertal deelklachten in. 5.6 In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof bij de afwijzing meeweegt dat de betrokkenheid van de verdachte wordt vastgesteld op basis van diens eigen uitlatingen tegenover de WOD-er en dat hetgeen [getuige 6] zou kunnen verklaren daarin geen redelijke twijfel kan zaaien, terwijl de verdachte het tenlastegelegde juist heeft ontkend en ook heeft ontkend de uitlatingen te hebben gedaan tegenover genoemde WOD-er. Volgens de stellers van het middel is mede tegen deze achtergrond het kennelijke oordeel van het hof dat de raadsvrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom het horen van de verzochte getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak c.q. waarom het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden, niet begrijpelijk. Immers, hetgeen [getuige 6] van [medeverdachte 1] heeft gehoord - kort gezegd: dat verdachte niet één van de daders is - zou bezwaarlijk anders kunnen worden gezien als relevant voor de beoordeling van de bewijsvraag en als een versteviging van de positie van de verdediging. Dat [getuige 6] niet aanwezig is geweest bij hetgeen is ten laste gelegd, zou daar niet aan afdoen. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1208. 5.7 In genoemd oordeel van het hof lees ik niet dat het hof het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte heeft afgewezen omdat dit verzoek onvoldoende zou zijn onderbouwd. Ik lees in genoemde overwegingen, in het bijzonder de overweging dat verdachtes betrokkenheid al op basis van ander bewijsmateriaal genoegzaam is vastgesteld, veeleer dat het hof zich wat betreft het daderschap van de verdachte voldoende voorgelicht acht en een verhoor van [getuige 6] als getuige daarom niet noodzakelijk is. Dit onderdeel van de eerste deelklacht stuit daarmee af op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. 5.8 Ook wordt nog geklaagd dat met de overweging dat de betrokkenheid van de verdachte reeds genoegzaam vaststaat en dat hetgeen [getuige 6] zou kunnen verklaren daarover geen redelijke twijfel kan zaaien, ontoelaatbaar wordt vooruitgelopen op hetgeen deze getuige zou kunnen verklaren. Daarbij wordt opgemerkt dat het bij de (gewenste) verklaring van [getuige 6] - net als bij de WOD-er - gaat om een getuige die van één van de verdachten iets zou hebben gehoord over de uitvoering van de moord op [slachtoffer 1] en de daarbij betrokken personen. De verdachte zou volgens de mededeling van [medeverdachte 1] aan [getuige 6] niet één van die betrokkenen zijn. Met de overweging dat hetgeen [getuige 6] over die mededeling van [medeverdachte 1] (nog meer) kan verklaren zou het hof niet alleen ontoelaatbaar op de (mogelijke) inhoud van diens verklaring vooruitlopen, maar ook op de waarde van die verklaring voor de beoordeling van de bewijsvraag c.q. de te voeren verweren van de verdediging op basis van (onder meer) die verklaring. 5.9 Ik merk allereerst op dat de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 6] als (ontlastende) getuige heeft gedaan onder de voorwaarde dat de verdachte “bij de huidige stand van zaken veroordeeld zou dienen te worden voor het hem ten laste gelegde”. Het hof heeft dit verzoek eerst in het bestreden arrest beoordeeld. Het hof vangt zijn afwijzende beslissing tot het horen van deze getuige aan met een vaststelling over het soort getuige: niet een ooggetuige, maar (slechts) een de-auditu getuige. Vervolgens overweegt het hof dat de betrokkenheid van de verdachte bij het schietincident mede - naast de verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd bij de raadsheer-commissaris en in het WOD-traject waarin hij de verdachte aanwijst als de chauffeur - vastgesteld wordt op basis van verdachtes bekennende uitlatingen tegenover de WOD-er en dat verdachtes betrokkenheid daarmee genoegzaam is komen vast te staan. Daarbij merk ik op dat het hof in het bestreden arrest uitvoerige overwegingen heeft gewijd aan de vraag of de van de WOD-inzet opgemaakte processen-verbaal - meer in het bijzonder de betrouwbaarheid van de geverbaliseerde uitlatingen van de verdachte en de [medeverdachte 1] - als betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs kunnen worden aangemerkt, welke vraag door het hof bevestigend is beantwoord. Ook is het hof uitvoerig ingegaan op de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 1] , waarbij ik in het bijzonder opmerk dat het hof het scenario dat [medeverdachte 1] de verdachte ten onrechte heeft belast - zoals ook door een medegedetineerde van [medeverdachte 1] ( [getuige 3] ) van [medeverdachte 1] zelf zou zijn gehoord - niet aannemelijk heeft geoordeeld. Tegen deze achtergrond komt ’s hofs oordeel dat de verklaring van [getuige 6] over wat [medeverdachte 1] tegen hem zou hebben gezegd (namelijk dat de verdachte niet bij de schietpartij aanwezig was) - ook indien vast zou staan dat [medeverdachte 1] dit heeft gezegd - geen redelijke twijfel kan zaaien over het belastende bewijs dat er ligt ten aanzien van het daderschap van de verdachte, mij niet onbegrijpelijk voor. Van een ontoelaatbaar vooruitlopen op de verklaring van [getuige 6] is mijns inziens geen sprake. Ook het tweede onderdeel van de eerste deelklacht faalt. 5.10 In de tweede plaats zou het oordeel van het hof onbegrijpelijk zijn in het licht van de interpretatie van de voorwaardelijkheid van het verzoek, gelet op het bewijsrechtelijke “moment” dat het hof een beslissing neemt over het verzoek. Het hof heeft mede aan de verwerping ten grondslag gelegd de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal die het hof toekomt, meer in het bijzonder dat “het hof dus uit [gaat] van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging”. In het onderhavige geval gaat het echter om de vraag of iemand moet worden opgeroepen om deze te (doen) horen, teneinde dusdoende het ‘beschikbare materiaal’ uit te breiden c.q. de inhoud en betrouwbaarheid van dat materiaal te wijzigen. De overwegingen van het hof veronderstellen dat het hof niet de voorwaarde ‘geen vrijspraak’, maar de voorwaarde ‘wel bewezenverklaring’ heeft gelezen als de bij het verzoek behorende voorwaarde. Het hof zou zo bezien bij de beoordeling van het verzoek betrokken hebben dat het feit bewezen is, met welke redenering nooit sprake zou kunnen zijn van de noodzaak van nader onderzoek. 5.11 Als gezegd heeft de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 6] als (ontlastende) getuige gedaan onder de voorwaarde dat de verdachte “bij de huidige stand van zaken veroordeeld zou dienen te worden voor het hem ten laste gelegde” en is dit verzoek eerst bij eindarrest door het hof beoordeeld. Dat het hof eerst tot bespreking van het verzoek is overgaan na te hebben vastgesteld wat er aan als betrouwbaar geoordeeld belastend bewijsmateriaal tegen de verdachte ligt, wekt gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde voorwaarde geen verbazing. Dat er door deze handelwijze nooit meer sprake zou kunnen zijn van een noodzaak tot het horen van een ontlastende getuige, vermag ik niet te zien. Ook de tweede deelklacht faalt. 5.12 In de derde plaats wordt gesteld dat de door het hof gehanteerde werkwijze tot strijd met de onschuldpresumptie zou leiden. Geklaagd wordt dat het hof al een bewijsbeslissing heeft genomen op het moment dat het een beslissing neemt op het voorwaardelijke verzoek van de verdediging. Deze lezing van het arrest zou worden versterkt door de overwegingen dat “verdachtes betrokkenheid aldus al op basis van ander bewijsmateriaal genoegzaam is komen vast te staan” en de overweging dat (daarin) geen verschil kan komen door een verklaring van [getuige 6] . Volgens de stellers van het middel moet er eerst beslist worden op een verzoek voordat een eindoordeel geveld kan worden, hetgeen slechts anders is indien het (getuigen)verzoek in kwestie ziet op de strafmaat. Dat de verdachte uiteindelijk - middels hetzelfde arrest - schuldig bevonden is zou aan het voorgaande niets af kunnen doen. 5.13 Deze deelklacht stuit af op hetgeen ik hiervoor onder 5.11 heb opgemerkt. Ik lees het bestreden arrest zo, dat het hof op grond van het aanwezige en als betrouwbaar beoordeelde belastende bewijsmateriaal tegen de verdachte tot een veroordeling kan komen en het verzoek om de getuige te horen dat niet anders maakt, of om in de termen van de EHRM beoordelingsmaatstaf te spreken: het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding niet relevant is voor de beoordeling van de zaak c.q. redelijkerwijs niet geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden. 5.14 Deze vierde deelklacht is identiek aan de derde deelklacht van het eerste middel. Daarom verwijs ik hier naar hetgeen ik daarover onder 4.25 en 4.26 heb opgemerkt. 5.15 De afwijzing van het verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 5.16 Het middel faalt in al zijn onderdelen. 6Het derde middel 6.1 Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de [getuige 3] te gijzelen. 6.2 Door de raadsvrouw van de verdachte is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2023, voor zover van belang, het volgende aangevoerd: “Ik heb net uitgebreid overleg gehad met mijn cliënt. Wij doen geen afstand van deze getuigen. Mijn client zegt dat zijn leven hier vanaf hangt. We worden geconfronteerd met een verklaring van de [getuige 3] die er niet om liegt. Dit kan over niemand anders gaan dan cliënt. Cliënt is de enige die vast zit op basis van verklaringen van [medeverdachte 1] . Cliënt vindt het vervelend voor de [getuige 3] dat hij wordt bedreigd en bang is, maar hij wil tot het uiterste gaan om hem ervan te laten doordringen dat het belangrijk is dat hij antwoorden geeft zoals een getuige dient te doen. Ik ga u vragen om de getuige te gijzelen.” 6.3 Het hof heeft dit verzoek op genoemde terechtzitting als volgt afgewezen: “Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede. Het hof zal niet overgaan tot gijzeling van de getuige. Hierbij zijn de volgende overwegingen van belang. De [getuige 3] zou uitlatingen hebben gedaan aan [getuige 2] in verband met mededelingen die zouden zijn gedaan door [medeverdachte 1] . Die mededelingen zijn door de [getuige 2] op schrift gesteld en [getuige 2] is daarover gehoord. In zoverre zijn die gedane mededelingen en hetgeen daarover op schrift is gesteld getoetst kunnen worden. Een getuige is verplicht om te verklaren, dat staat in de wet. Om een getuige aan te zetten overeenkomstig zijn wettelijke plicht een verklaring af te leggen, voorziet het Wetboek van Strafvordering in een dwangmiddel, namelijk de gijzeling. Het hof gaat daar echter niet toe over omdat in redelijkheid te verwachten valt dat dit drukmiddel in de voorliggende situatie tot niets zou leiden. De getuige is al gedetineerd en heeft nog jaren te gaan. Daarnaast heeft de getuige tijdens zijn verklaring gezegd dat ook als hij gegijzeld gaat worden hij niet gaat verklaren. De getuige heeft verklaard dat er mensen aan de deur zijn geweest in de Penitentiaire Inrichting en dat hij rekening wil houden met zijn familie. Onder die omstandigheden verwacht het hof dat gijzeling niet het gewenste effect zal gaan hebben. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de raadsvrouw en voor het feit dat het frustrerend is dat een getuige geen verklaring wil afleggen terwijl de getuige in de visie van de verdediging voor haar standpunt van belang is. Het hof heeft op alle manieren en van alle kanten geprobeerd om de getuige ertoe te bewegen een verklaring af te leggen. Het hof verwacht gezien de zojuist genoemde omstandigheden niet dat het afleggen van een verklaring gaat gebeuren, ook niet met een gijzeling. Het hof komt tot de slotsom dat de gijzeling van deze getuige niet dringend noodzakelijk is in het belang van het onderzoek.” 6.4 Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “De verdediging heeft in dit verband nog gewezen op het feit dat de verklaring van plaatsvervangend vestigingsdirecteur [getuige 2] een extra aanknopingspunt oplevert voor de veronderstelling dat sprake is van een opzetje tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om [verdachte] ten onrechte als chauffeur aan te wijzen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De [getuige 2] heeft bij gelegenheid van haar verhoor ten overstaan van de politie op 27 september 2022 (opgenomen als bijlage bij de 10e aanvulling op het einddossier) onder meer verklaard dat zij van een medegedetineerde van [medeverdachte 1] te horen had gekregen dat deze [medeverdachte 1] tegen hem, de medegedetineerde, had gezegd dat hij ( [medeverdachte 1] ) betrokken was bij het schietincident, dat hij ( [medeverdachte 1] ) destijds de fatale schoten had gelost en dat hij ( [medeverdachte 1] ) iemand anders voor de moord op [slachtoffer 1] wilde laten opdraaien. Ter terechtzitting van het hof als getuige gehoord is zij bij die verklaring gebleven. De betreffende medegedetineerde is ook als getuige ter terechtzitting gehoord, maar deze heeft toen geweigerd vragen hierover te beantwoorden. Naar ‘s hofs oordeel is er geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid en waarheidsgetrouwheid van de verklaring van [getuige 2] te twijfelen. Dat brengt echter niet onmiddellijk met zich dat ook vast is komen te staan dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk tegen een medegedetineerde die uitlatingen heeft gedaan. [getuige 2] zelf was immers niet aanwezig op het moment dat [medeverdachte 1] die beweerdelijke uitlatingen had gedaan en kan dus niet uit eigen waarneming of ondervinding daarover verklaren. Dat [medeverdachte 1] die uitlatingen heeft gedaan, hetgeen hij zelf overigens betwist, moet dus worden aangenomen op basis van enkel de mededelingen van de medegedetineerde. Deze medegedetineerde heeft als getuige ter terechtzitting van het hof evenwel geen verklaring hierover willen afleggen. Maar ook als wordt aangenomen dat [medeverdachte 1] inderdaad die uitlatingen tegenover de medegedetineerde heeft gedaan, dan betekent dat niet onmiddellijk dat deze uitlatingen ook inhoudelijk waar zijn. En als wél wordt aangenomen dat die uitlatingen van [medeverdachte 1] waar zijn, dan nog heeft dat niet zonder meer ontlastende betekenis voor de [verdachte] . De naam van [verdachte] wordt niet genoemd en de uitlatingen van [medeverdachte 1] zouden net zo goed betrekking kunnen hebben op de persoon ‘ [getuige 1] ’, wiens naam door ook [medeverdachte 1] naar voren is geschoven als de tweede schutter in plaats van [medeverdachte 2] . Wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de vermeende door [medeverdachte 1] gedane uitlatingen, dat hij de fatale schoten heeft gelost, maar hiervoor iemand anders wilde laten opdraaien, past juist de rol van [getuige 1] die hij als tweede schutter heeft aangeduid, en aan wie [medeverdachte 1] naar zijn zeggen zijn wapen heeft gegeven en niet de rol van verdachte die zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard als chauffeur is opgetreden. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] de verdachte ten onrechte heeft belast.” 6.5 In de toelichting op het middel wordt een drietal klachten opgeworpen. 6.6 In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof de in deze toepasselijke maatstaf heeft miskend, omdat het hof geen blijk heeft gegeven van de belangenafweging tussen enerzijds het belang van de af te leggen verklaringen en anderzijds de belangen van de getuige c.q. het onderzoek. Meer in het bijzonder zou het hof niet de ernst van het misdrijf - en de eventueel te volgen strafoplegging c.q. de belangen die voor de verdachte op het spel staan - hebben afgewogen tegen de gevolgen van een gijzeling voor [getuige 3] , zodat door het hof blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 6.7 Artikel 294, eerste lid, Sv luidt: “Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden, ofwel de gevorderde eed of belofte af te leggen, kan de rechtbank indien dit dringend noodzakelijk is voor het onderzoek, diens gijzeling bevelen voor ten hoogste dertig dagen. De rechtbank beveelt op welk tijdstip, maar in ieder geval uiterlijk binnen veertien dagen nadat het bevel tot gijzeling is gegeven, dat de getuige aan haar wordt voorgeleid.” 6.8 De rechter zal het belang van de af te leggen verklaringen moeten afwegen tegen de nadelen welke toepassing van dit dwangmiddel met zich meebrengen, zowel voor de betrokkene zelf als voor het onderzoek, dat zal moeten worden geschorst. Is het mogelijk dat iemand anders dan deze getuige licht zal kunnen werpen op het probleem waarover hij het zwijgen bewaart, dan zal gijzeling achterwege moeten blijven. De voorkeur voor deze procesrechtelijke maatregel zal moeten berusten op de redelijke verwachting dat de maatregel effect heeft met het oog op het verkrijgen van de verlangde (onmisbaar geachte) verklaring. Dit betekent niet dat in elk geval waarin een getuige 'principieel' weigert antwoord te geven het dwangmiddel niet behoort te worden toegepast. Gijzeling behoort niet te worden gehanteerd als een sanctie, maar als een pressiemiddel waarmee de getuige wordt bewogen aan zijn verplichtingen te voldoen. 6.9 Verder geldt dat art. 294 Sv noch enige andere bepaling voorschrijft dat de rechter zijn beslissing om geen bevel tot gijzeling van een getuige te geven behoort te motiveren, terwijl een dergelijke motiveringsplicht in zijn algemeenheid evenmin aan de beginselen van een behoorlijke procesorde of het bepaalde in art. 6, eerste lid, EVRM valt te ontlenen. Indien de rechter zijn beslissing motiveert, zoals het hof in het onderhavige geval heeft gedaan, dient zijn redengeving consistent en begrijpelijk te zijn. 6.10 Het hof heeft geoordeeld dat niet wordt overgegaan tot het gijzelen van [getuige 3] . In de daaraan ten grondslag liggende overwegingen komt duidelijk naar voren dat het hof heeft getoetst of de redelijke verwachting bestaat dat de gijzeling effect heeft met het oog op het verkrijgen van de verlangde (onmisbaar geachte) verklaring. Verder blijkt daaruit ook dat het hof het belang van de af te leggen verklaring voor de verdediging onder ogen heeft gezien en in dat verband heeft opgemerkt dat het hof op alle manieren en van alle kanten geprobeerd heeft om de getuige ertoe te bewegen een verklaring af te leggen. Ten slotte blijkt dat het hof bij de afwijzing van het verzoek de in art. 294, eerste lid, Sv genoemde maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat gijzeling van deze getuige niet dringend noodzakelijk is in het belang van het onderzoek. De beslissing van het hof geeft zodoende niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de eerste deelklacht faalt. 6.11 Ook indien het voorgaande anders zou zijn, is de afwijzende beslissing volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk, omdat de aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag liggende overweging dat de door [getuige 3] aan [getuige 2] gedane uitlatingen aan de hand van het getuigenverhoor van [getuige 2] kunnen worden getoetst onbegrijpelijk is, nu het hof in het bestreden arrest - verwezen wordt naar ’s hofs overwegingen in reactie op het verweer van de verdediging dat sprake is van een opzetje tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om de verdachte ten onrechte als chauffeur aan te wijzen - heeft overwogen dat de verklaringen van de (de-auditu) [getuige 2] weliswaar betrouwbaar zijn, maar dat zij niet uit eigen ondervinding of waarneming kan verklaren dat hetgeen waarover [getuige 3] zou kunnen verklaren feitelijke grondslag heeft. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat iemand anders dan [getuige 2] licht heeft kunnen werpen op het probleem waarover [getuige 3] het zwijgen bewaart, zodat het horen c.q. gijzelen van [getuige 3] bittere noodzaak was. Daaraan zou volgens de stellers van het middel niet afdoen dat het hof (impliciet ten overvloede) overweegt dat zelfs indien [medeverdachte 1] inderdaad verklaard heeft zoals [getuige 2] beweert dat [medeverdachte 1] verklaard heeft, het niet zonder meer helder is dat dit ontlastend zou zijn voor de verdachte. Met deze overweging zou het hof ten onrechte vooruit lopen op hetgeen [getuige 3] zou kunnen verklaren. Ook zou het hoogst speculatief zijn dat [medeverdachte 1] over [getuige 1] in plaats van de verdachte zou hebben verklaard, terwijl de verdediging als er een verklaring van [getuige 3] was (beter) een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou kunnen hebben voeren. 6.12 Anders dan de stellers van het middel, lees ik de overweging van het hof dat de gedane mededelingen die zouden zijn gedaan door [medeverdachte 1] en hetgeen daarover op schrift is gesteld getoetst zijn kunnen worden (en dus niet: kunnen worden getoetst) niet als een aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag liggende overweging. Het oordeel van het hof dat in redelijkheid te verwachten valt dat de gijzeling in de voorliggende situatie tot niets zou leiden c.q. niet het gewenste effect zal gaan hebben berust immers op de grond dat de getuige al is gedetineerd en nog jaren heeft te gaan, dat de getuige tijdens zijn verklaring heeft gezegd dat ook als hij gegijzeld gaat worden hij niet gaat verklaren, dat er volgens de getuige mensen aan de deur zijn geweest in de Penitentiaire Inrichting en dat hij rekening wil houden met zijn familie. Het zijn die omstandigheden die voor het hof maken dat niet verwacht wordt dat het afleggen van een verklaring gaat gebeuren, ook niet met een gijzeling. Daarop stuit deze deelklacht af. 6.13 In de derde plaats wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat “gijzeling niet het gewenste effect zal gaan hebben” en “de gijzeling van deze getuige (derhalve) niet dringend noodzakelijk is in het belang van het onderzoek”. Dit oordeel zou ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat daaraan ten grondslag ligt dat “in redelijkheid te verwachten valt dat dit drukmiddel in de voorliggende situatie tot niets zou leiden”, nu “de getuige al gedetineerd is en nog jaren heeft te gaan” en hij daarnaast tijdens zijn verklaring heeft gezegd dat “ook als hij gegijzeld gaat worden hij niet gaat verklaren”. Met deze overweging zou het hof de werking van het (druk)middel gijzeling zodanig uithollen, dat dit middel - ook in andere zaken - tot een lege huls verwordt. Daarbij wordt opgemerkt dat het feit dat een getuige reeds in detentie verblijft niet(
- s)afdoet aan de effectiviteit van dit middel. 6.14 Het hof heeft het verzoek tot gijzeling van de [getuige 3] afgewezen en geoordeeld dat de gijzeling van de deze getuige niet dringend noodzakelijk is in het belang van het onderzoek. Daarbij heeft het hof de onder 6.12 genoemde omstandigheden in aanmerking genomen. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 6.15 Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het vierde middel 7. Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkende verweer, inhoudende dat opsporingsambtenaar A-3930 bij de tenuitvoerlegging van het bevel tot pseudo-koop de verdachte heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Voor zover de verwerping van dat verweer besloten ligt in ’s hofs overwegingen “omtrent - kortgezegd - het niet-geschonden zijn van de verklaringsvrijheid” van de verdachte “gedurende het WOD-traject”, getuigt die verwerping van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die verwerping onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet had moeten beoordelen of de verdachte in vrijheid verklaringen aan opsporingsambtenaar A-3930 heeft afgelegd, maar of hij door opsporingsambtenaar A-3930 tot andere strafbare handelingen is gebracht dan waarop zijn opzet van tevoren al was gericht. 7.1 De hier toepasselijke bepaling van het Wetboek van Strafvordering luidt: - art. 126i, eerste lid, onder a, en tweede lid: “1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar: a. goederen afneemt van de verdachte, (…) 2. De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.” 7.2 Het voorschrift in art. 126i, tweede lid, Sv strekt mede tot bescherming van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het EHRM heeft in dit verband overwogen dat “the use of special investigative methods – in particular, undercover techniques – cannot in itself infringe the right to a fair trial. However, on account of the risk of police incitement entailed by such techniques, their use must be kept within clear limits”.Over deze “clear limits” heeft het EHRM onder meer in de zaak Yakhymovych tegen Oekraïne overwogen (met weglating van verwijzingen): “30. Furthermore, while the use of undercover agents may be tolerated provided that it is subject to clear restrictions and safeguards, the public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset (…). 31. Police incitement occurs where the officers involved – whether members of the security forces or persons acting on their instructions – do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed, in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution (…).” 7.3 Over de vraag of sprake is van “police incitement” en in hoeverre het optreden van opsporingsambtenaren “essentially passive” is, heeft het EHRM in Yakhymovych tegen Oekraïne overwogen (met weglating van verwijzingen): “32. In its extensive case-law on the subject the Court has developed criteria to distinguish entrapment breaching Article 6 § 1 of the Convention from permissible conduct in the use of legitimate undercover techniques in criminal investigations. The Court’s examination of complaints of entrapment has developed on the basis of two tests: the substantive and the procedural test of incitement. The relevant criteria determining the Court’s examination in this context are set out in the case of Bannikova v. Russia (…). These criteria are summarised below (…). (
- ii)Substantive test of entrapment 33. When examining the applicant’s arguable plea of entrapment, the Court will attempt, as a first step, to establish on the basis of the available material whether the offence would have been committed without the authorities’ intervention, that is to say whether the investigation was “essentially passive”. In deciding whether the investigation was “essentially passive” the Court will examine the reasons underlying the covert operation, in particular, whether there were objective suspicions that the applicant had been involved in criminal activity or had been predisposed to commit a criminal offence (…) and the conduct of the authorities carrying it out (…). 34. In this connection, the Court has also emphasised the need for a clear and foreseeable procedure for authorising investigative measures, as well as for their proper supervision. It has considered judicial supervision to be the most appropriate means in cases involving covert operations, although with adequate procedures and safeguards, other means may be used, such as supervision by a prosecutor (…). 35. Indeed, a lack of procedural safeguards in the ordering of an undercover operation generates a risk of arbitrariness and police entrapment (…). (iii) Procedural test of entrapment 36. As a second step, the Court will examine the way the domestic courts dealt with the applicant’s plea of incitement, which is the procedural part of its examination of the agent provocateur complaint (…). 37. As the starting point, the Court must be satisfied with the domestic courts’ capacity to deal with such a complaint in a manner compatible with the right to a fair hearing. It should therefore verify whether an arguable complaint of incitement constitutes a substantive defence under domestic law, or gives grounds for the exclusion of evidence, or leads to similar consequences. Although the Court will generally leave it to the domestic authorities to decide what procedure must be followed by the judiciary when faced with a plea of incitement, it requires such a procedure to be adversarial, thorough, comprehensive and conclusive on the issue of entrapment. 38. In particular, the questions to be addressed by the judicial authority when deciding on an entrapment plea were set out in Ramanauskas (…): “The Court observes that throughout the proceedings the applicant maintained that he had been incited to commit the offence. Accordingly, the domestic authorities and courts should at the very least have undertaken a thorough examination ... of whether or not [the prosecuting authorities] had incited the commission of a criminal act. To that end, they should have established in particular the reasons why the operation had been mounted, the extent of the police’s involvement in the offence and the nature of any incitement or pressure to which the applicant had been subjected. ... The applicant should have had the opportunity to state his case on each of these points.” 39. In this connection, the Court has also found that a guilty plea as regards criminal charges does not dispense the trial court from the duty to examine allegations of incitement (…). 40. Moreover, the principles of adversarial proceedings and equality of arms are indispensable in the determination of an agent provocateur claim, as well as the procedural guarantees relating to the disclosure of evidence and questioning of the undercover agents and other witnesses who could testify on the issue of incitement (…). (
- iv)Methodology of the Court’s assessment 41. It follows from the Court’s case-law that a preliminary consideration in its assessment of a complaint of incitement relates to the existence of an arguable complaint that an applicant was subjected to incitement by the State authorities. In this connection, in order to proceed with further assessment, the Court must satisfy itself that the situation under examination falls prima facie within the category of “entrapment cases” (…). 42. If the Court is satisfied that the applicant’s complaint falls to be examined within the category of “entrapment cases”, it will proceed, as a first step, with the assessment under the substantive test of incitement (…). 43. Where, under the substantive test of incitement, on the basis of the available information the Court could find with a sufficient degree of certainty that the domestic authorities investigated the applicant’s activities in an essentially passive manner and did not incite him or her to commit an offence, that will normally be sufficient for the Court to conclude that the subsequent use in the criminal proceedings against the applicant of the evidence obtained by the undercover measure does not raise an issue under Article 6 § 1 of the Convention (…). 44. However, if the Court’s findings under the substantive test are inconclusive owing to a lack of information in the file, the lack of disclosure or contradictions in the parties’ interpretations of events (…) or if the Court finds, on the basis of the substantive test, that an applicant was subjected to incitement contrary to Article 6 § 1, it will be necessary for the Court to proceed, as a second step, with the procedural test of incitement (…). 45. The Court applies this test in order to determine whether the necessary steps to uncover the circumstances of an arguable plea of incitement were taken by the domestic courts and whether in the case of a finding that there has been incitement or in a case in which the prosecution failed to prove that there was no incitement, the relevant inferences were drawn in accordance with the Convention (…). The proceedings against an applicant would be deprived of the fairness required by Article 6 of the Convention if the actions of the State authorities had the effect of inciting the applicant to commit the offence of which he or she was convicted and the domestic courts did not address appropriately the allegations of incitement (…).” 7.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 september, 20 september, 18 oktober, 11 november en 26 november 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota. Door de raadsvrouw is bepleit dat “de substantive test of incitement in het voordeel van de verdachte moet uitvallen door, kort gezegd, aan te voeren dat de verdachte “door de pseudokoper ergens toe is gebracht, waar zijn opzet niet op was gericht: niet aannemelijk is immers, dat cliënt ook naar vuurwapens op zoek zou zijn gegaan als A-3930 niet in zijn leven verschenen was met de wensen [AEH: die] hij had”. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De raadsvrouw heeft in dit verband, ter onderbouwing van het door haar ingenomen standpunt, het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten; met verwijzing naar het paginanummer van de pleitnota): - “Op het moment van de start van de operatie lag er geen enkele aanwijzing dat cliënt in bezit zou zijn van een vuurwapen, laat staan dat hij in dergelijke objecten zou handelen” (p. 12); - “Hoewel het onderzoeksteam team ten tijde van het bevel pseudokoop ten aanzien van [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beschikte over tapgesprekken waaruit wellicht de conclusie kon worden getrokken dat de heren contact hadden over vuurwapens, dergelijke aanwijzingen lagen er ten aanzien van cliënt uitdrukkelijk niet” (p. 12-13); - “Een factor die voor cliënt relevant was op het verzoek van A-3930 in te gaan, is dat cliënt ontdekte dat de aankoopbedragen die A-3930 geboden had relatief fors waren en cliënt daar als bemiddelaar in korte tijd veel geld aan zou gaan verdienen” (p. 15); - “Ook spiegelde A-3930 cliënt voor dat als hij de wapens zou leveren, ze dan later een deal met gouden zouden gaan doen” (p. 15); - “Ik wijs ook op de inhoud van de OVC waarin [betrokkene 1] (A-3930) op een ander moment letterlijk aangeeft ergens (het gaat dan om het in contact brengen met bepaalde gasten) ‘grof geld’ voor te willen betalen” (p. 15); - “Deze [betrokkene 1] vroeg dus aan cliënt om AK-47 te regelen en niet andersom” (p. 16); - “Op die 25ste april is cliënt op een gegeven moment weggegaan en komt hij naar enige tijd weer binnen en meldt dan dat hij aan een AK kan komen die hem kan meegeven. Dat is een exemplaar dat cliënt niet zelf had maar via iemand kon regelen. Later op de avond maakt A-3930 vervolgens duidelijk dat als hij zaken met cliënt doet, laatste ook moet leveren. Het is een van de meerdere momenten dat A-3930 duidelijk maakt dat hij niet voor niets wil komen en niet ‘weer opnieuw wil beginnen’” (p. 16); - “Op 19 mei 2016 gaat A-3930 richting Brunssum omdat hij daar een afspraak had met cliënt maar cliënt komt niet opdagen en is ook niet telefonisch bereikbaar. Vervolgens rijdt A-3930 samen met [medeverdachte 1] in de nacht richting de woning van mijn cliënt waar A-3930 cliënt vraagt of hij de wapens heeft al heeft. Dat blijkt niet het geval.” (p. 17); - “Cliënt is nog steeds wanhopig op zoek en [betrokkene 2] stelt voor iets te regelen via zijn schoonvader, dat weliswaar duur is en waar ze dan zelf niets aan overhouden. Waarbij hij afsluit met de opmerking dat ze die man dan ‘in ieder geval geholpen hebben’ (p. 19). - “A-3930 zijn invloed laat gelden en druk zet door zijn ongenoegen te laten blijken als hij kennelijk krijgt wat hij wil. Dan zijn het ‘kleine jongetjes’” (p. 21); - “Uit alles blijkt dat cliënt geen kaas gegeten heeft van vuurwapens noch de handel daarin blijkens het gegeven dat het hem de grootst mogelijke moeite om aan de door [betrokkene 1] gevraagde spullen te komen” (p. 21); - “dat cliënt met heel andere zaken bezig is, bijvoorbeeld het in- en verkopen van fietsen” (p. 22); - “Cliënt is geen heilige, hij had op het moment dat de undercoveroperatie begon weliswaar een strafblad, maar op het moment dat het bevel pseudokoop is afgegeven blijkt niet dat justitie cliënt eventueel voor vergelijkbare of andere feiten op de korrel had” (p. 22); - “De conclusie is dat hier is een undercover op cliënt afgestuurd is die duidelijk het initiatief heeft genomen via [betrokkene 1] en zo bij cliënt terecht is gekomen. Vervolgens heeft deze undercover de nodige druk op cliënt heeft uitgeoefend om iets te leveren wat hij allesbehalve had liggen” (p. 22); 7.5 Het hof heeft onder meer overwogen (met weglating verwijzingen): “2. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 2.1. De gevoerde verweren De verdediging heeft primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging. Ter onderbouwing hiervan is - op de gronden zoals nader in de pleitnota vermeld - samengevat het volgende aangevoerd. 1) Er bestond geen redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte ten tijde van het verlenen van de bevelen pseudokoop en stelselmatige informatie-inwinning (het WOD-traject), zodat deze bevelen ten onrechte zijn afgegeven. 2) Bij de toepassing van deze bijzondere opsporingsmethoden is de verklaringsvrijheid van de verdachte geschonden en in strijd met het uitlokkingsverbod (het Tallon-criterium) gehandeld (…) De verdediging stelt zich blijkens de gegeven toelichting op het standpunt dat de aard en ernst van deze (combinatie van) verzuimen, zowel op zichzelf beschouwd, als in samenhang, een zodanige onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces opleveren dat die, bezien naar de procedure als geheel, niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. 2.2. Beoordeling door het hof (…) 2.2.3. Feiten en omstandigheden Het hof stelt - voor zover voor de bespreking van de gevoerde ontvankelijkheidsverweren van belang - de navolgende feiten en omstandigheden vast. Op vrijdag 25 september 2015 kwam omstreeks 22:45 uur de melding binnen dat ter hoogte van het [restaurant] in de Akerstraat te Brunssum geschoten werd met automatische wapens. Ter plaatse op de rotonde Akerstraat te Brunssum-Heerenweg-Vondelstraat te Heerlen troffen politieambtenaren een blauwe Kia Picanto aan waarvan de motor nog liep en waarvan de ruiten kapot waren. Omstanders vertelden tegen de politie dat een persoon was neergeschoten met een automatisch vuurwapen. Deze persoon zou zich bevinden in de tuin van [perceel] te Heerlen. De bij het schietincident betrokken Volkswagen Golf met Duits kenteken zou daarna zijn weggereden in de richting Brunssum. In de voortuin van [perceel] te Heerlen werd het levenloze lichaam aangetroffen van een man, die door politieagenten werd herkend en later werd geïdentificeerd als [slachtoffer 1] . Rond 23:10 uur kwam voorts de, melding binnen dat een man het ziekenhuis te Heerlen was binnengekomen die aangaf beschoten te zijn in, Brunssum. Deze persoon bleek later te zijn genaamd [slachtoffer 2] . Hij was bij de schietpartij gewond geraakt. Na de schietpartij zijn diezelfde avond c.q. kort nadien meerdere ooggetuigen van de schietpartij door de politie gehoord. Het hof wijst in het bijzonder op de verklaringen van [getuige 7] (…), [getuige 8] (...), [getuige 9] (…), [getuige 10] (…), [getuige 11] (…), [getuige 12] (…), [getuige 13] (…) en [getuige 14] (…). Het samengevatte beeld dat uit die verklaringen naar voren kwam was dat de inzittenden van de Kia Picanto vanuit een achtervolgende Volkswagen Golf werden beschoten met automatische vuurwapens, dat de Picanto op enig moment stil kwam te staan en dat de inzittenden uitstapten, waarna één van die inzittenden de tuin van een nabijgelegen perceel invluchtte, dat de Volkswagen Golf vervolgens deze persoon achterna reed de tuin in, dat daar vervolgens wederom salvo’s van een automatisch vuurwapen te horen waren en dat ten slotte de Volkswagen Golf achteruit reed en met hoge snelheid van de plaats delict vertrok. Voordat het delict plaatsvond waren door het Team Criminele Inlichtingen (hierna te noemen: TCI) reeds meerdere processen-verbaal verstrekt, waarvan de inhoud telkens als betrouwbaar werd aangemerkt. Het hof wijst onder meer op de volgende processen-verbaal: Op 23 september 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “De lange Antiliaan, die woont in het pand [b-straat 1] in [plaats] (opmerking Hof: betreft het adres waarop [medeverdachte 2] op dat moment stond ingeschreven), is in het bezit van een echt handvuurwapen. Dit handvuurwapen betreft een pistool. Hij heeft dat vuurwapen altijd in zijn nabijheid/bij zich, tenzij hij boodschappen gaat doen”. (TCI proces-verbaal, (…)). Op 23 september 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “Pajo, de Antiliaan van de [c-straat] in [plaats] (opmerking Hof: [medeverdachte 1] stond op dit moment ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats] ) is in het bezit van een pistool en een shotgun. Het is niet bekend waar hij deze wapens bewaart. Als Pajo 's avonds of ‘s nachts met [medeverdachte 2] de straat op gaat hebben zij deze wapens vaak bij zich. Zij verplaatsen zich in een kleine blauwe auto. Deze auto is beschadigd”. (TCI proces-verbaal, (…)). Op 24 september 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “ [slachtoffer 1] is momenteel in het bezit van een echt vuurwapen met scherpe patronen. [slachtoffer 1] heeft problemen met enkele mannen uit het criminele milieu en schroomt niet om op deze mannen te schieten. Enkele jaren geleden heeft [slachtoffer 1] geschoten op [verdachte] en deze daadwerkelijk ook geraakt. [slachtoffer 1] heeft nu nog steeds problemen met [verdachte] . Eind Juli/begin augustus 2015 heeft [slachtoffer 1] geschoten op een vriend van [verdachte] genaamd [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] werd niet geraakt en hij heeft geen aangifte gedaan. Tijdens het schieten op [medeverdachte 2] was [slachtoffer 1] samen met [betrokkene 3] ”. (TCI proces-verbaal, (…)). Op 24 september 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “ [slachtoffer 1] heeft nog steeds problemen met een Antilliaan die hij langere tijd geleden al eens in zijn arm heeft geschoten. Deze Antilliaan betreft [verdachte] . Enkele weken geleden hebben beiden partijen elkaar in een woonwijk in Brunssum getroffen. [verdachte] was op dat moment in gezelschap van een lange Antilliaan, woonachtig op de [b-straat] in [plaats] . [slachtoffer 1] schoot tijdens die ontmoeting op [verdachte] , waarna die lange Antilliaan op [slachtoffer 1] geschoten heeft. De lange Antiliaan gaat ‘s avonds vaker met [medeverdachte 1] op pad. Mochten zij [slachtoffer 1] tegenkomen, en komt het tot een ontmoeting, wordt er mogelijk weer geschoten”. (TCI proces-verbaal, (…)). In de maand september 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “[verdachte] houdt zich onder andere bezig met inbraken, ramkraken, rippartijen en autodiefstallen. Hij pleegt deze feiten samen met andere Antillianen. Een van hen woont aan de [b-straat] in [plaats] , nabij de verkeerslichten met de [d-straat] . Deze Antilliaan is ongeveer 25 jaar oud. De auto's die zij stelen zijn van de merken BMW en Volkswagen, meestal type Golf. Op de momenten dat zij op pad gaan dan dragen zij nep brillen”. (TCI proces-verbaal, (…)). Verder was ook de navolgende informatie van het TCI beschikbaar gekomen. Op 1 december 2015 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: "Op 25 september 2015 heeft een Antilliaan met de bijnaam " [verdachte] ", [slachtoffer 1] doodgeschoten. Deze Antilliaan komt uit de [wijk] in [plaats] . Twee weken voordat [slachtoffer 1] werd geliquideerd heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen [slachtoffer 1] en die " [verdachte] ". Tijdens die confrontatie is door [slachtoffer 1] geschoten". (TCI proces-verbaal, (…)). Op 04 januari 2016 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “De lange [medeverdachte 2] is in het bezit van een echt pistool”. (…). Op 04 januari 2016 werd een proces-verbaal verstrekt waarin stond vermeld: “[medeverdachte 1] heeft de beschikking over enkele vuurwapens, waaronder een shotgun. Het is niet bekend waar hij, deze, vuurwapens, bewaart". (TCI proces-verbaal, (…)). In de tussenliggende periode zijn veel personen door de politie als getuige gehoord. Zo zijn de moeder en de zus van het slachtoffer op 26 en 27 september 2015 gehoord. Zij verklaarden - samengevat - over een al lang lopend conflict tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] en vertelden dat daarbij ook was geschoten. Ook werd de tweede inzittende van de Kia Picanto, [slachtoffer 2] , een aantal keren gehoord. Bij gelegenheid van zijn verklaring van 28 september 2015 (…) verklaarde ook hij over een al eerder bestaand conflict tussen [slachtoffer 1] en ‘ [verdachte] ’ en verklaarde hij dat "Pajo, [verdachte] en Lange”, “de enige vijanden van [slachtoffer 1] ” waren. Op 28 oktober 2015 (…) werd Van [slachtoffer 2] wederom een verklaring opgenomen (…). Bij die gelegenheid verklaarde [slachtoffer 2] opnieuw over het al lang bestaande conflict tussen [slachtoffer 1] en ‘ [verdachte] ’, dat daarbij ook was geschoten en dat hij ‘Payo’ herkende als één van de schutters. Gedurende deze periode van het opsporingsonderzoek en kort nadien zijn verschillende bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder het opvragen van historische verkeersgegevens, telefoontaps en observaties. Deze leverden voor het opsporingsonderzoek evenwel weinig bruikbare aanknopingspunten op. Uiteindelijk leidde de stand van het onderzoek ertoe dat op 8 maart 2016 een proces-verbaal aanvraag bevel pseudokoop/dienstverlening is opgemaakt, welke inzet gericht was op de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Dit proces-verbaal houdt, naast een beschrijving van het schietincident en de maatschappelijke impact die het feit gehad heeft, een samenvatting in van het resultaat van de tactische opsporing tot dusverre. Het proces-verbaal houdt dienaangaande het volgende in: “Tot op dit moment zijn ongeveer 55 getuigen gehoord. Veel van deze getuigen om het slachtoffer heen, kunnen vertellen over perikelen die in het verleden hebben gespeeld tussen [slachtoffer 1] enerzijds en [verdachte] , al dan niet in combinatie met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , anderzijds. Van de getuigen op de plaats delict is geen enkele getuige die iets kan verklaren omtrent de inzittenden van het voertuig van waaruit geschoten is. Daarnaast zijn nog enkele getuigen, contacten van [slachtoffer 1] , die bang zijn om te verklaren. Uitgelezen camerabeelden, van bewakingscamera 's in de omgeving van de plaats delict, leveren geen aanwijzingen op omtrent de inzittenden van het voertuig van waaruit geschoten is. Processen verbaal verstrekt door TCI (Team Criminele Inlichtingen) leveren geen concrete informatie op omtrent het schietincident. Er wordt wel gesproken over: - het voorhanden hebben van vuurwapens van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - een schietincident waarbij [slachtoffer 1] op [verdachte] geschoten heeft en deze gewond geraakt is - een schietincident waarbij [slachtoffer 1] nogmaals op [verdachte] geschoten heeft en waarbij [medeverdachte 2] op [slachtoffer 1] geschoten heeft - kort voor het schietincident zijn vier getinte mannen gezin in een zwarte Volkswagen Golf, mogelijk GTI - [slachtoffer 1] enkele weken voor zijn dood nogmaals op een getinte man heeft geschoten. De gebruikte Volkswagen Golf is uitgebrand terug gevonden in België. Op het voertuig waren geen kentekenplaten meer aanwezig. De Golf zelf bleek van diefstal afkomstig. In het voertuig werden door de brand geen bruikbare sporen maar aangetroffen. Verder ingesteld onderzoek, in de omgeving van de aangetroffen auto, op een nabijgelegen vakantiepark loopt op dit moment nog in België. Uit verklaringen blijkt dat [verdachte] regelmatig op dit park zou verblijven. Er is een onderzoek ingesteld in de ziekenhuizen in de omgeving van de aangetroffen auto, omdat de mogelijkheid bestond dat een van de verdachten gewond was geraakt bij het schietincident, dan wel de brandstichting van de auto. Dit onderzoek heeft niets opgeleverd. Er is een onderzoek ingesteld of op de mogelijk rijroute van de verdachten kentekenplaten werden aangetroffen langs de weg. Dit heeft niets opgeleverd, De ANPR (Automatic Number Plate Recognition) beelden zijn bevraagd, om te kijken of een verdacht voertuig traceerbaar was bij het in en uitrijden naar België. Dit onderzoek heeft niets opgeleverd. Betreffende de telecom worden meerdere telefoonnummers opgenomen en afgeluisterd. Tevens zijn van meerdere nummers (imei en telefoon), de historische gegevens bevraagd. Ook dit heeft tot op heden geen relevante informatie met betrekking het schietincident opgeleverd. Er werd een onderzoek ingesteld op de plaats delict, in het voertuig waarin [slachtoffer 1] zich bevond, in de woning van [slachtoffer 1] , de gegevensdragers van [slachtoffer 1] . Aangetroffen hulzen. Deze onderzoeken hebben tot op heden geen relevante informatie opgeleverd. Inzet bijzondere opsporingsmiddelen Uit het onderzoek tot dusver blijkt dat eventuele getuigen weinig kunnen of willen (durven) verklaren omtrent de juiste toedracht van het feit. Daarnaast blijkt dat getuigen zeer bang zijn voor de groep ‘Antillianen’. Slechts de verklaring van de betrokken [slachtoffer 2] wijst [medeverdachte 1] (Payo) aan als de bijrijder van de bij het feit betrokken Volkswagen Golf. Gesteld kan worden dat de gebruikelijke opsporingsmethodieken geen bewijs opleveren richting verdachten. Daarnaast hebben de veiliggestelde sporen geen bruikbare aanwijzingen opgeleverd. Getracht zal worden om bij het schietincident gebruikte vuurwapens te verwerven. Ik verzoek de officier van justitie te bevelen dat gebruik zal worden gemaakt van pseudokoop/dienstverlening als bedoeld in artikel 126i lid 1 van het Wetboek van Strafvordering”. (Proces-verbaal aanvraag bevel pseudokoop/pseudo dienstverlening, (…)). Op dezelfde datum werd ook een proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning opgemaakt met min of meer gelijke inhoud. Dat proces-verbaal, houdt naast een uiteenzetting met dezelfde strekking als het hiervoor weergegeven proces-verbaal, ook nog het volgende in: "Ik verzoek de officier van justitie te bevelen, gelet op artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering, dat meerdere opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, zonder dat kenbaar is dat zij optreden als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwinnen over de verdachten, teneinde bewijs te vergaren omtrent de moord op [slachtoffer 1] . Van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning zal gebruik worden gemaakt door een of meerdere opsporingsambtenaren, in de periode ingaande afgifte datum bevel. Op de navolgende wijze zal uitvoering dan het bevel worden gegeven. Door politie ambtenaren zal getracht in contact te komen met de verdachten dan wel contacten van de verdachten, om zo meer informatie te vergaren omtrent de moord op [slachtoffer 1] , zonder dat deze politie ambtenaren als dusdanig kenbaar zijn”. (Proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie inwinning (…)). Vervolgens heeft de officier van justitie op 24 maart 2016 zowel een bevel pseudokoop afgegeven als een bevel stelselmatige informatie-inwinning. Het bevel pseudokoop houdt in dat deze geldig was van 24 maart 2016 tot en met 20 juni 2016 en het houdt, als bepaling van de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, het volgende in: “Getracht zal worden om vuurwapens te verwerven door de inzet van daartoe opgeleide politiebeambten; aan deze politiebeambten wordt toestemming verleend om bij de uitvoering van dit bevel strafbare feiten te begaan, in het bijzonder handelen in strijd met de Wet wapens en munitie door vuurwapens en/of munitie voorhanden te hebben”. (Bevel pseudokoop (…)). Het bevel stelselmatige informatie-inwinning was geldig gedurende dezelfde tijdspannen en houdt wat betreft de wijze waarop aan het bevel uitvoering zou worden gegeven, het volgende in: “Door politieambtenaren zal getracht in contact te komen met de verdachte en medeverdachten, dan wel contacten van de verdachte en medeverdachten, om zo meer informatie te vergaren omtrent de moord op [slachtoffer 1] , zonder dat deze politieambtenaren als dusdanig kenbaar zijn.” (Bevel stelselmatige inwinning van informatie (…)). Het WOD/pseudokoop-traject werd vervolgens opgestart. Daartoe nam de WOD-er eerst contact op met [betrokkene 1] teneinde via hem in contact te komen met de verdachten. In het relaas-proces-verbaal (…) staat in dit verband vermeld dat - althans zo begrijpt het hof – de reden hiervoor was gelegen dat uit afgeluisterde telefoongesprekken vanaf 27 oktober 2015 tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] was gebleken dat [betrokkene 1] een contact van [medeverdachte 1] betrof (…) en dat tussen hen in verdekte termen zou worden gesproken over (de aankoop van) vuurwapens. Het hof is op basis van de inhoud van dat tapgesprek (…) en de overige opgenomen gesprekken (…) van oordeel dat redelijkerwijs de verdenking kon worden verkregen dat in verdekte termen over vuurwapens werd gesproken. In relatie tot deze opsporingsmethode werd ook op grond van de bevoegdheid als bedoeld in art. 126l van het Wetboek van Strafvordering in de woning van [medeverdachte 1] afluisterapparatuur (OVC) geplaatst. De start van de inzet vond plaats op 31 maart 2016 door middel van het versturen van een e-mail naar het klusbedrijf van verdachte [betrokkene 1] . Door deze e-mail ontstond het contact met [betrokkene 1] en een ontmoeting op 2 april 2016, waarna [betrokkene 1] werd ingehuurd om een woning aan de [e-straat] in Amsterdam te verbouwen. (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Vervolgens is er weer een ontmoeting geweest tussen A-3930 en [betrokkene 1] op 11 april 2016 waar werd afgesproken om elkaar de volgende dag te ontmoeten. (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Op 12 en 13 april 2016 spraken de WOD-er A-3930 en [betrokkene 1] elkaar wederom. Afgesproken werd om op maandag 18 april 2016 samen naar Duitsland te rijden om aldaar een auto te kopen. (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Op 18 april 2016 reden A-3930 en [betrokkene 1] vanuit Amsterdam naar Duitsland en tijdens deze rit werden door [betrokkene 1] vuurwapens aangeboden: “ antwoorde dat (...) als ik wapens wilde hebben hij hier zelf wel voor kon zorgen. Ik vroeg aan [betrokkene 1] wat hij kon leveren omdat ik een specifieke smaak heb en toen vertelde hij dat hij bijna alles kon leveren (...). [betrokkene 1] vertelde dat hij wel een Glock 19 met 1 normale houder en een houder met 30 patronen kon leveren voor 2500 euro. Verder kon hij een CZ leveren voor 1600 euro. Beide waren nieuw en schoon: [betrokkene 1] gaf ook aan dat de Glock met een burst functie was. Ik vroeg aan [betrokkene 1] of hij deze voor mij zou kunnen regelen waarop [betrokkene 1] zijn telefoon pakte en een bericht ging versturen.". Ook werd er tijdens de rit gesproken over een loods in Limburg, waarop [betrokkene 1] besloot om A-3930 te introduceren bij zijn vrienden in [plaats] die mogelijk iets konden betekenen met betrekking tot deze loods. A-3930 kwam hierdoor op de [c-straat 1] terecht, in, wat later bleek, de woning van [medeverdachte 1] . Ook ontmoette hij hier deze [medeverdachte 1] , die eerst werd geïntroduceerd als ' [medeverdachte 1] ' en later "Payo" werd genoemd. Na deze ontmoeting reden A-3930 en [betrokkene 1] door naar Duitsland waar [betrokkene 1] een auto kocht die hij de volgende dag met A-3930 op ging halen. (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Tijdens deze rit (op 19 april 2016) vertelde [betrokkene 1] dat hij ook aan AK machinegeweren kon komen en deze kon leveren aan A-3930: “Vervolgens zei [betrokkene 1] tegen mij dat hij de Glock en CZ, waar we het gisten over hadden gehad kon leveren, en dat hij ook AK’s kon regelen. Ik vroeg hoe die AK’s geleverd werden en uit welk land ze afkomstig waren. [betrokkene 1] gaf aan dat het Russische waren met verschillende houders. De normale met 30 patronen of de "banaan" met 60 patronen of de trommel met 120 patronen. De trommel hadden ze nu niet beschikbaar maar hadden ze wel gehad en zouden ook weer komen. [betrokkene 1] vertelde dat de AK met trommel als patroonhouder was gebruikt om iemand "onder de douche" te zetten en dus was weggemaakt om de sporen uit te wissen en daardoor kon hij er niet meer over beschikken”. (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Tijdens de inzetten die volgen wordt door A-3930 met [betrokkene 1] de aankoop van enkele vuurwapens doorgesproken. Zo werd tijdens de inzet op 22 april 2016 door [betrokkene 1] gezegd dat hij de ‘speeltjes’ kan regelen en dat hij binnenkort naar Limburg gaat om alles te regelen: “Op een gegeven moment zegt [betrokkene 1] tegen mij dat de speeltjes die hij voor me zou regelen gingen lukken maar dat er wel een paar veranderingen zouden zijn. [betrokkene 1] geeft in dit gesprek aan dat de CZ die hij kon regelen er niet was maar dat het om een Glock 19 ging. Verder gaf [betrokkene 1] aan dat de loods geregeld gaat worden (…). Verder geeft [betrokkene 1] aan dat hij ook AK’s kan regelen maar dat dat nu wat lastig is, maar dat ze binnenkort gewoon weer binnen komen. lk geef aan dat gebruikte AK’s geen probleem zijn, zolang ze maar geregeld worden met trommels. [betrokkene 1] geeft aan dat hij naar Limburg zal gaan om alles te regelen.” (proces-verbaal van bevindingen A-3930, (…)). Tijdens de inzet op 25 april 2016 rijdt A-3930 samen met [betrokkene 1] naar [c-straat 1] in [plaats] . A-3930 ontmoet dan een man die hij leerde kennen als zijnde ‘de lange' en een man die hij leerde kennen als zijnde 'Chanel'. Gedurende deze inzet kocht A-3930 van ‘de Lange’ een CZ vuistvuurwapen en van ‘Chanel’ een Mauser machinegeweer. Ook bestelde hij bij ‘Chanel’ een handgranaat. [medeverdachte 1] vertelde tijdens deze inzet dat hij kort geleden met een AK op een rijdende auto had geschoten en dat er een man uit die auto was gestapt waar hij eveneens op had geschoten. Het van deze inzet door A-3930 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen houdt onder meer het volgende in: “We vertrokken om 09.50 uur uit de woning en reden met mijn auto naar Limburg alwaar [betrokkene 1] een aantal afspraken voor mij had geregeld.(…) Rond Breukelen zei [betrokkene 1] tegen mij dat hij vrijdag en zaterdag in [plaats] was geweest en dat hij hier verschillende gesprekken had gehad en dat de wapens voor mij klaar lagen. Ook had hij de makelaar geregeld en deze zou vandaag ook klaar staan om met mij in gesprek te gaan.(…) Omstreeks 12.27 uur kwamen we aan in [plaats] waar we direct doorreden naar de woning van de vriend van [betrokkene 1] gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] . [betrokkene 1] had deze man eerder [medeverdachte 1] genoemd tegen mij. We liepen de woning binnen en ik zag dat alleen " [medeverdachte 1] " in de woning aanwezig was. We hadden een kort gesprek over auto's en over het feit dat iedereen zo slecht te bereiken was en hun "huiswerk" niet deden. Verder spraken we over wapens en AK's in het bijzonder dat deze altijd werken. Verder spraken we met elkaar over dat je niet op iedereen kan vertrouwen. [medeverdachte 1] gaf aan dat je altijd op hem kan vertrouwen en dat hij altijd klaar staat. lk zie dat [medeverdachte 1] hierbij opstaat uit zijn stoel en begint te lachen. [medeverdachte 1] vertelt dat hij altijd klaar staat en zeker met een AK in zijn handen. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij laatst nog op een rijdende auto heeft geschoten. lk zag dat [medeverdachte 1] een houding aan nam waarbij hij een denkbeeldig lang wapen vastpakt en dit van zich afdrukt en een geluid met zijn mond maakt, prrrrrrttt. lk zie dat hij hierbij zijn denkbeeldige wapen licht heen en weer beweegt. [medeverdachte 1] gaf verder aan dat de man uit de auto stapte en dat hij hier op schoot en weer dat geluid met zijn mond maakte, prrrrt. (…) [betrokkene 1] vertelde dat hij afgelopen vrijdag en zaterdag ook al hier was geweest om van alles te regelen en dat dat niet mee viel omdat ze allemaal zo langzaam waren.” en “we gaan eerst kijken of Chanel thuis is voor je speeltjes. (…) We reden vervolgens weer terug naar [plaats] waar we omstreeks 14.28 uur aankwamen bij het huis van Chanel. (…) Bij ons aangekomen stapte hij bij ons achter in de auto. We gaven elkaar een hand en de man stelde zich voor als Chanel. Chanel vroeg mij direct wat voor wapens ik wilde hebben. Hij had van [betrokkene 1] gehoord dat ik een Glock en AK wilde hebben maar dat hij de AK nu niet had maar dat hij wel een ander machinegeweer voor mij had. lk vroeg aan hem wat voor 1 dat was en Chanel gaf aan dat hij schoon was en in zeer goede conditie. lk zei dat ik hem eerst wilde zien. Chanel gaf aan dat hij hem eerst nog moest opgraven en dat hij dan naar de woning van [medeverdachte 1] zou komen om hem te laten zien. (…). Omstreeks 16.00 uur kwamen we aan bij de woning van [medeverdachte 1] en aten daar wat. (…) 30 minuten later werd er op de deur geklopt en [medeverdachte 1] deed de deur open. lk zag dat er een man van begin 20 binnen kwam en [betrokkene 1] sprak hem aan met "lange". De lange vroeg aan mij of ik een CZ wilde hebben met een houder en patronen. lk gaf aan dat ik hem eerst wilde zien. De lange liep vervolgens terug naar buiten. 30 minuten later werd er weer op de deur geklopt en [medeverdachte 1] deed open. lk zag dat Chanel binnenkwam lopen en hij gaf mij twee A4-tjes. Hierop zag ik dat een machinegeweer stond afgebeeld. Chanel gaf aan dat hij deze had liggen en dat ik deze voor 2000 euro kon kopen. lk gaf aan dat dat ok was en Chanelvertrok vervolgens weer samen met [medeverdachte 1] . Ik bleef alleen achter in de woning van [medeverdachte 1] samen met [betrokkene 1] (…). Na ongeveer 20 minuten werd er op de deur geklopt en deed [betrokkene 1] open. lk zag dat De Lange binnenkwam en zag dat hij een tasje bij zich had. Uit dit tasje haalde hij een CZ pistool met een houder en 9 mm patronen. lk pakte het wapen vast en begon het te testen door hem te spannen zonder patronen en de single en double action functie te voelen. Ik zag dat het een relatief nieuw wapen was. lk vroeg aan De Lange wat hij er voor wilde hebben. De lange gaf aan 2500 euro. lk gaf aan dat dat te veel was en dat ik er 2100 voor wilde betalen. We kwamen overeen dat ik er 2200 euro voor zou betalen. Maar dat ik dat dan even moest halen. De lange vond dat ok en verliet de woning met het wapen. Ongeveer 40 minuten later kwamen Chanel en [medeverdachte 1] weer terug en ik zag dat Chanel een Albert Heijn tas vast had met een voorwerp hierin. Toen hij de tas opende haalde hij hier een voorwerp gewikkeld in vuilniszakken uit. Vervolgens opende hij de vuilniszakken en haalde hier een machinegeweer uit met houder en 9mm patronen. lk zag dat het hetzelfde wapen was als ik eerder op het A4tje had gezien. lk zag dat het een Mauser was zonder kolf. lk pakte alles uit en zette het wapen in elkaar. lk zag dat er veel olie op zat en ook zand in de houder. Chanel gaf aan dat hij altijd alle wapens ergens in de grond stopte en dat hij er voor zorgde dat ze goed in de olie zaten omdat hij er al een paar was kwijtgeraakt doordat ze waren weggerot. lk gaf aan dat ik het wapen wel wilde kopen en gaf hem 2000 euro in briefjes van 50. lk zag vervolgens dat Chanel alle patronen met een doek begon te poetsen en op het aanrecht legde. lk stopte de patronen vervolgens in de houder waarbij Chanel aan mij vroeg waarom ik ze met mijn blote handen aanpakte. Ik gaf aan dat ik met deze patronen toch zou oefenen en dat ze nergens mee gebruikt zouden worden. Chanel gaf aan dat hij ook nog een handgranaat had liggen waar hij 250 euro voor moest hebben. lk gaf aan dat i