ECLI:NL:PHR:2024:1207
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03435 Zitting 12 november 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 23 augustus 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 primair ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ en 2. ‘het door de bestuurder van een vennootschap een onware staat of een onware balans, winst en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een van die stukken opzettelijk openbaar maken, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof heeft de verdachte voorts ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid, en van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon, voor de duur van 5 jaren, en gelast dat de uitspraak openbaar wordt gemaakt in de registers van de Kamer van Koophandel en in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E. van Reydt, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat een bewijsklacht inzake het onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen. Het tweede middel bevat klachten inzake de opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid. Het derde middel bevat een klacht met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaringen en de bewijsvoering weer. Voorts citeer ik delen van het bestreden arrest die betrekking hebben op de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid, en van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon. Ten slotte geef ik een deel van de pleitnota van de raadsman van de verdachte weer.
Bewezenverklaringen, bewijsvoering, overwegingen hof en pleitnota 5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘1. primair hij in de periode van 7 mei 2017 tot en met 6 augustus 2018 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met de rechtspersonen:
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik heb gedaan wat is ten laste gelegd, dat wil zeggen dat ik in de periode van 7 mei 2017 tot en met 6 augustus 2018 te [plaats] of in ieder geval in Nederland de aangiften voor de omzetbelasting die in de tenlastelegging onder feit 1. worden genoemd, onjuist heb ingevuld en aldus bij de Belastingdienst heb ingediend, al dan niet digitaal. Ik heb ook in de periode van 3 januari 2018 tot en met 1 augustus 2018 te [plaats] de in de tenlastelegging onder feit 2. genoemde onjuiste stukken bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. Ik was, al dan niet middellijk, bestuurder en aandeelhouder van alle in de tenlastelegging genoemde vennootschappen. Ik deed de aangiften voor en namens die vennootschappen. Het klopt ook dat er € 190.000,00 door de Belastingdienst is uitgekeerd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Onder gezag van de [officier van justitie], werkzaam bij het Functioneel Parket te Amsterdam, is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [verdachte] (hierna [verdachte] ) en 47 besloten vennootschappen (hierna BV’s) waarvan hij (middellijk) aandeelhouder en bestuurder is.
De selectie van het beperkte aantal rechtspersonen is gebaseerd op de lijst met 47 BV’s waartegen een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Het gaat om:
2.1 [bedrijf 1] BV De BV is op 21 maart 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd).
De BV heeft vier negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 2e, 3e en 4e kwartaal 2017 en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 32.705 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft € 22.075 OB uitbetaald op basis van de ingediende negatieve aangiften.
2.2 [bedrijf 2] BV De BV is op 18 oktober 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft twee negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 4e kwartaal 2017 en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 7.353 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.3 [bedrijf 3] BV De BV is op 18 oktober 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft twee negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 4e kwartaal 2017 en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 4.710 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.4 [bedrijf 4] BV De BV is op 18 oktober 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft twee negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 4e kwartaal 2017 en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 10.377 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.5 [bedrijf 5] BV De BV is op 21 maart 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste kapitaal bij oprichting bedroeg € 500. Dit was bij oprichting nog niet volgestort.
De BV heeft drie negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 2e, 3e en 4e kwartaal 2017. In totaal heeft de BV € 76.230 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft € 33.785 uitbetaald op basis van de ingediende negatieve aangiften.
2.6 [bedrijf 6] BV De BV is op 21 maart 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste kapitaal bij oprichting bedroeg € 50.000. Dit was bij oprichting nog niet volgestort.
De BV heeft vier negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 2e, 3e, 4e kwartaal 207 (het hof begrijpt: 2017) en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 28.518 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.7 [bedrijf 7] BV De BV is op 11 januari 2018 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV. Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft één negatieve kwartaal aangifte OB gedaan: 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 2.464 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.8 [bedrijf 8] BV De BV is op 6 februari 2018 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV. Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft één negatieve kwartaal aangiften (het hof begrijpt: aangifte) OB gedaan: 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 2.402 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.9 [bedrijf 9] BV De BV is op 21 maart 2017 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste kapitaal bij oprichting bedroeg € 100. Dit was bij oprichting nog niet volgestort.
De BV heeft vier negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 2°, 3°, 4e kwartaal 2017 en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 63.966 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.10 [bedrijf 10] BV De BV is op 6 februari 2018 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV. Het geplaatste en gestorte kapitaal bij oprichting bedroeg € 1.
De BV heeft één negatieve kwartaal aangifte OB gedaan: 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 5.383 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft op basis van de ingediende negatieve aangiften niets uitbetaald.
2.11 [bedrijf 11] BV De BV is op 4 oktober 2016 door [verdachte] opgericht namens [bedrijf 18] BV (toen nog [bedrijf 19] BV genaamd). Het geplaatste kapitaal bij oprichting bedroeg € 500. Dit was bij oprichting nog niet volgestort.
De BV heeft vier negatieve kwartaal aangiften OB gedaan: 1e t/m 4e kwartaal 2017. In totaal heeft de BV € 32.931 OB teruggevraagd.
De Belastingdienst heeft € 20.893 uitbetaald op basis van de ingediende negatieve aangiften.
4.1 Juistheid van de aangiften OB Volgens de 106 negatieve aangiften OB hebben de 47 verdachte BV’s over de periode 1e kwartaal 2017 tot en met tweede kwartaal 2018 € 906.819 voorbelasting geclaimd. In de (digitale) administratie zijn 389 inkoopfacturen aangetroffen. Op deze facturen is € 10.204 voorbelasting in rekening gebracht. Deze € 10.204 had als voorbelasting in aftrek mogen worden gebracht op de aangiften OB. Dit bedrag strookt op geen enkele wijze met de voorbelasting ad € 906.819 die op de aangiften OB is geclaimd. Zelfs als rekening wordt gehouden met de OB ad € 55.928 die is vermeld op de offertes (volgengs de Belastingdienst bestaat op basis van een offerte geen recht op aftrek van voorbelasting), wordt het bedrag van € 906.819 bij lange na niet gehaald. In de (digitale) administratie van deze 47 BV’s zijn geen verkoopfacturen gevonden, terwijl op de aangiften OB ongeveer 1,5 miljoen euro omzet is vermeld, waarover € 263,361 OB is aangegeven. De voorbelasting wordt hierop in mindering gebracht. Per saldo heeft dit geleid tot negatieve aangiften OB van € 643.458. Hiervan is volgens (het hof begrijpt: vervolgens) € 194.590 uitbetaald.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Onder gezag van de [officier van justitie], werkzaam bij het Functioneel Parket te Amsterdam, is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen:
Over het jaar 2017 zijn jaarrekeningen gedeponeerd bij de KvK van de onderstaande zeven BV’s: [bedrijf 12] By; [bedrijf 13] BV; [bedrijf 14] BV; [bedrijf 11] BV; [bedrijf 16] BV; [bedrijf 17] BV; [bedrijf 18] BV (voorheen [bedrijf 19] BV).
De verdachte heeft naar eigen zeggen zelf namens de vennootschappen opzettelijk de onjuiste aangiften (digitaal) ingevuld en bij de Belastingdienst ingediend. Rechtspersonen kunnen alleen door middel van natuurlijke personen feitelijk handelen. Indien dat handelen opzettelijk en strafbaar is kan zowel de gedraging als het opzet aan de rechtspersonen worden toegerekend. Alsdan kan zowel de feitelijk handelende persoon als de rechtspersoon in kwestie worden vervolgd, tezamen dan wel elk afzonderlijk.
In dit geval hebben de rechtspersonen en de verdachte gezamenlijk de onder 1 tenlastegelegde kwaliteitsdelicten van de rechtspersonen uitgevoerd, zodat elk voor medeplegen kon worden vervolgd. Dat de rechtspersonen in deze zaak niet tevens zijn of worden vervolgd, maakt dit niet anders; hetzelfde geldt voor het feit dat de verdachte ook (indirect) bestuurder van de vennootschappen was. (…) Oplegging van straffen (…) Beroepsverbod en openbaarmaking arrest Naast de hiervoor genoemde straffen ziet het hof net als de rechtbank aanleiding een beroepsverbod op te leggen voor de duur van vijf jaren. Hierbij heeft het hof meegewogen dat de feiten allemaal in de hoedanigheid van bestuurder van een rechtspersoon en van voorgewend ondernemer zijn gepleegd, terwijl de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven. Ter bescherming van het handelsverkeer en om nakoming van de verplichtingen uit de belastingwet te bevorderen, wil het hof herhaling van het oprichten, besturen en voeren van ondernemingen door de verdachte, in de vorm van rechtspersonen maar ook in de vorm van eenmanszaken of van andere entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, met het (neven)doel daarmee frauduleuze delicten te plegen, voorkomen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de door hem reeds ondernomen acties op het gebied van het zoeken naar hulp, brengen in die preventienoodzaak geen verandering.
Het verweer van de verdediging dat geen sprake is van ‘in de bij wet bepaalde gevallen’ waarin een beroepsverbod op grond van artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd omdat de feiten niet zijn begaan in een beroep, slaagt niet. Vooropgesteld wordt dat uit de memorie van toelichting volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat ook het zijn van bestuurder van een (…) rechtspersoon wordt bestreken door het beroepsverbod. Daar komt bij dat de feiten zijn gepleegd gedurende een periode van ruim een jaar, waarbij sprake was van professioneel handelen en waarmee de verdachte veel geld heeft verdiend. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte beroepsmatig heeft gehandeld. Het hof vindt, in zaken als de onderhavige, dat het voeren van een onderneming op eigen naam of anderszins buiten verband van een rechtspersoon eveneens door een beroepsverbod moet kunnen worden voorkomen.’ 8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2021 houdt in dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegd schriftelijk pleidooi. Dit schriftelijk pleidooi houdt onder meer in (met weglating van verwijzingen): ‘Feit 1 6. Bij de tenlastelegging van feit 1 is primair gekozen voor het ten laste leggen van het medeplegen waarbij de verschillende rechtspersonen als medeplegers zijn aangemerkt. Subsidiair is het feitelijk leiding geven aan de door de rechtspersonen gepleegde strafbare feiten ten laste gelegd. Bij feit 2 is enkel het medeplegen tenlastegelegd.
Redenen waarom cliënt dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde medeplegen.’ Bespreking van het eerste middel 9. Het eerste middel bevat de klacht dat ‘de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en/of niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’.
2.4.2 Mede gelet op de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis van de thans in art. 69, tweede lid, AWR opgenomen strafbaarstelling kan een als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend worden aangemerkt als een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft, of door degene die uit hoofde van de art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van de belasting- of betalingsplichtige kan optreden.
2.4.3 Het middel gaat uit van de opvatting dat ook buiten deze gevallen sprake kan zijn van het als pleger strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid, AWR. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
2.5 Opmerking verdient dat - zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis - de art. 47 tot en met 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Onder omstandigheden kan een dergelijke gedraging ook opleveren het in art. 225, tweede lid, Sr strafbaar gestelde (‘valsheid in geschrift’), welke delictsomschrijving tot eenieder is gericht.’ 13. Art. 69, tweede lid, AWR is derhalve een kwaliteitsdelict. Dat het medeplegen van een kwaliteitsdelict mogelijk is, werd door Uw Raad beslist in het bekende Magazijnbediende-arrest. Uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof de bewezenverklaring van het medeplegen mede heeft gebaseerd op de vaststelling dat de vennootschappen als belastingplichtigen zijn aangemerkt en ‘daarmee de voor het vervullen van de delictsomschrijving van artikel 69, tweede lid, AWR, vereiste kwaliteit’ bezitten.
Hierdoor kunnen volgens het hof ‘alle gedragingen en het opzet van verdachte in dit kader (ook) aan’ de rechtspersoon worden toegerekend. Uw Raad overwoog dat dit oordeel blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof had ‘miskend dat de enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, niet kan meebrengen dat de verdachte het strafbare feit tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. Indien het Hof op het oog had dat de verdachte op de voet van art. 51, tweede lid, Sr feitelijke leiding heeft gegeven aan het strafbare feit dat door de rechtspersoon is begaan, had het zulks op de grondslag van de tenlastelegging moeten onderzoeken.’ 15. Anders dan in dit arrest heeft het hof het medeplegen door de verdachte met de rechtspersoon in de onderhavige strafzaak niet (alleen) afgeleid uit de omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het hof heeft, zo bleek, (tevens) betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de rechtspersonen de voor het vervullen van de delictsomschrijving vereiste kwaliteit bezitten. Het hof heeft ook niet overwogen dat het medeplegen wordt afgeleid uit de omstandigheid dat (de verdachte feitelijk bestuurder was en) de gedragingen en het opzet van de verdachte van de verdachte aan de rechtspersoon worden toegerekend. Het hof heeft alleen overwogen, zo begrijp ik, dat de gedragingen en het opzet van de verdachte (ook) aan de rechtspersoon worden toegerekend (en daarmee tevens diens bijdrage aan het strafbare feit opleveren).
Bespreking van het tweede middel 23. Het tweede middel bevat de klacht dat de strafoplegging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd, doordat het hof aan de verdachte de bijkomende straf heeft opgelegd inhoudende ontzetting van het recht tot uitoefening van 'het beroep ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid' terwijl dat niet als een beroep in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr kan gelden.
De steller van het middel wijst daarbij op twee definities van het begrip ‘ondernemer’. Volgens Van Dale is dit iemand ‘die een bedrijf voor eigen rekening uitoefent’. Hij leidt uit deze omschrijving af dat elke ‘als ZZP’er opererende taxichauffeur, buitenschilder, pakket- of maaltijdbezorger’ is aan te merken als een ‘ondernemer’. Deze omschrijving is, aldus de steller van het middel, ‘ruimer dan het fiscale begrip ondernemer. Immers niet elke zzp’er, freelancer of mkb’er ingeschreven bij de Kamer van Koophandel wordt door de belastingdienst als ondernemer aangemerkt.’ 26. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard, kort gezegd, het medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften voor de omzetbelasting. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard, kort gezegd, het als (middellijk) bestuurder van rechtspersonen telkens opzettelijk onware staten en balansen en winst- en verliesrekeningen en staten van baten en lasten of toelichtingen op die stukken openbaar maken. Het hof heeft in verband met het beroepsverbod overwogen ‘dat de feiten allemaal in de hoedanigheid van bestuurder van een rechtspersoon en van voorgewend ondernemer zijn gepleegd’. En dat het hof ter ‘bescherming van het handelsverkeer en om nakoming van de verplichtingen uit de belastingwet te bevorderen’ herhaling van het oprichten, besturen en voeren van ondernemingen door de verdachte wil voorkomen. Uit deze context wordt naar het mij voorkomt duidelijk dat het hof het oog heeft op het fiscale begrip ondernemer, meer in het bijzonder het begrip ondernemer in de context van de Wet op de omzetbelasting.
Ik ben dan ook van mening dat vaker gebruik zou dienen te worden gemaakt van de mogelijkheden om personen in geval van veroordeling voor bepaalde duur het recht te ontzeggen een bepaald beroep uit te oefenen, daaronder begrepen het optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Voorts dient het aantal gevallen waarin een dergelijke ontzetting kan worden opgelegd, te worden uitgebreid.’ 35. Waar het de wetgever om gaat, zo kan uit deze passage worden afgeleid, is dat ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder kan voorkomen dat de verdachte opnieuw ‘op zuiver instrumentele wijze’ gebruik kan maken van het juridische karakter van de rechtspersoon, bijvoorbeeld teneinde ‘eigen handelen te verdoezelen’ en ‘aansprakelijkheid voor ontstane schade te ontlopen’. Aanleiding kan ook zijn, zo begrijp ik, dat bestuurders op hen rustende verplichtingen in verband met de boekhouding en openbaarmaking van stukken niet naleven.
In de eerste plaats moeten de verrichtingen die in het kader van de activiteit plaatsvinden een zekere samenhang vertonen, wil er sprake zijn van een beroep. Het gaat er daarbij bijvoorbeeld om dat iemand de diverse taken vervult die bij het desbetreffende beroep behoren. Zo maakt het regelmatig schetsen van bouwplannen iemand nog geen architect als hij de overige aan dit beroep verbonden werkzaamheden niet verricht.
Het tweede aspect betreft de duurzaamheid. Pas wanneer de werkzaamheden met een zekere bestendigheid plaatsvinden, kan van de uitoefening van een beroep worden gesproken. De eenmalige uitvoering van een specifieke last is dus geen beroepsuitoefening. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verschil tussen het optreden als executeur-testamentair in de privé-hoedanigheid van familielid en in de uitoefening van het beroep van notaris.
Niet relevant is verder of betrokkene de werkzaamheid uitvoert als hoofdberoep dan wel als nevenberoep. Het is namelijk goed voorstelbaar dat iemand verschillende beroepen naast elkaar uitoefent. «Beroep» beperkt zich evenmin tot kostwinning. Een bezigheid die praktisch als beroep wordt verricht, verliest het beroepsmatig karakter niet wanneer zij om niet of enkel tegen vergoeding van onkosten wordt verricht. Activiteiten van een zekere samenhang en duurzaamheid kunnen derhalve, ook zonder bezoldiging, worden aangemerkt als het uitoefenen van een beroep.
In de praktijk wordt de wettelijke regeling inzake de ontzetting van het recht tot uitoefening van een bepaald beroep door de rechter ook op deze wijze toegepast. Zo zijn door de rechter in strafzaken bijvoorbeeld de (zakelijke) activiteiten van de opkoper, zaakwaarnemer, nachtverpleger, caféhouder, archivaris, conservator, masseur, turnleraar, arts, apotheker, paranormaal genezer, advocaat, accountant en financieel-adviseur aangemerkt als beroep in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr.’ 37. Uit deze passage kan worden afgeleid dat het begrip kostwinning niet (langer) centraal wordt gesteld. Gekozen wordt voor een benadering waarin ‘samenhang en duurzaamheid’ van verrichtingen de kern vormen. Daarbij gaat het evenwel om een bijstelling van de eerdere benadering, niet om een keuze voor een ander uitgangspunt. De huisvrouw die volgens de wetgever van 1886 geen beroep uitoefende, doet dat thans wellicht wel.
Binnen het kader van een rechtspersoon kunnen gewoonlijk tal van functies worden onderscheiden. Te denken valt aan accountants, financieel adviseurs, juristen en administratief en commercieel personeel. Niet zelden worden de functies, behorende tot het hogere kader van de rechtspersoon, ook wel aangeduid met het verzamelbegrip «bestuurders». Het gaat dan bijvoorbeeld om de beleidsbepalende en leidinggevende functies. Dit neemt niet weg dat ook deze zogenoemde bestuurders doorgaans ook een bepaalde functie bekleden, bijvoorbeeld die van chief executive officer (CEO), directeur of commissaris. De toepasselijkheid van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr is daarmee gegeven.
Het voorgaande geldt eveneens voor functies binnen stichtingen en verenigingen. De bovengenoemde in de rechtspraak ontwikkelde criteria om van de uitoefening van een beroep te kunnen spreken zijn ook op activiteiten in het kader van een stichting of vereniging van toepassing. Voor zover binnen een stichting of vereniging dan wel een andere rechtspersoon van geringe omvang geen specifieke differentiatie heeft plaatsgevonden naar afzonderlijke en nader bepaalde functies, kan de rechter met het oog op de toepassing van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr terugvallen op de ontzetting van het recht tot het beroepsmatig zijn van bestuurder van een vereniging of stichting.
Op de keper beschouwd kan de term «bestuurder» derhalve zowel worden gebruikt als verzamelbegrip voor een aantal (top)functies die worden uitgeoefend in het kader van een samenhangende bedrijfseconomische activiteit, alsook gelden als benaming voor een werkzaamheid die niet gekoppeld is aan een specifieke functie maar desondanks aangemerkt kan worden als een vorm van beroepsuitoefening in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr. (…) Het OM heeft evenwel in zijn advies een aantal kanttekeningen geplaatst bij het gebruik van het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders. Het OM stelt dat het beter zou zijn om in dit kader te spreken van «functie» en artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr in die zin aan te vullen. Ik zie daar echter geen aanleiding toe. Uit het bovenstaande blijkt dat het begrip «beroep» in de rechtspraktijk ruim wordt uitgelegd. Niet is gebleken dat het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders te beperkt is. Met het advies van de NVvR ben ik van mening dat uiteindelijk de rechter in een concrete zaak zal moeten uitmaken of bepaalde werkzaamheden voldoende specifiek zijn om van een beroep te kunnen spreken en wat de precieze omvang van dat beroep is.’ 39. Op de vraag of niet beter van ‘functie’ dan van ‘beroep’ kan worden gesproken wordt nader ingegaan in de Nota naar aanleiding van het verslag: ‘De leden van de fractie van het CDA stelden een vraag over het gebruik van het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders. Zij vroegen of in dit verband niet beter van «functie» kan worden gesproken. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, wordt het begrip beroep in de rechtspraktijk ruim uitgelegd. Om een bepaalde activiteit als beroep aan te kunnen merken is het van belang dat de verrichtingen in het kader van die activiteit enige mate van samenhang vertonen en met een zekere bestendigheid plaatsvinden. Bovendien beperkt de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep zich niet tot het hoofdberoep, maar kan deze sanctie evenzeer betrekking hebben op de uitoefening van een nevenberoep.
Ook het als nevenfunctie verrichten van werkzaamheden als bestuurder kan derhalve als een beroepsmatige activiteit worden aangemerkt. De begrippen beroep en functie zijn nauw aan elkaar verwant. Naar mijn mening is het begrip beroep evenwel ruimer dan het begrip functie. Het begrip functie wordt voornamelijk gehanteerd om de verschillende posities binnen het kader van een organisatie formeel te duiden. Het begrip beroep is meer verbonden aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Geenszins uitgesloten is dat wanneer iemand uit een bepaalde functie zou worden ontzet, deze persoon dezelfde werkzaamheden onder de noemer van een andere functie zou kunnen blijven verrichten. De ontzetting uit een «functie» heeft daarmee naar mijn mening een beperkter bereik, waardoor de sanctie aan effectiviteit inboet.
Bij deze stand van zaken zie ik geen aanleiding om naast de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep te voorzien in de mogelijkheid tot ontzetting uit een «functie».’ 40. Uit deze uitleg kan naar het mij voorkomt (ook) niet worden afgeleid dat het begrip beroep (buiten de context van de kwaliteit van ‘bestuurder’) anders moet worden uitgelegd dan voorheen, en ruimere hoedanigheden omvat dan daar voorheen onder begrepen waren. Accountant is een beroep, en financieel adviseur kan als een beroep worden aangemerkt. Enige twijfel wekt de aanduiding ‘juristen’ nu deze alleen verduidelijkt dat de betrokkene kennis van het recht heeft. Maar uit de context kan worden afgeleid dat wordt gedoeld op een bedrijfsjurist, en dat kan naar het mij voorkomt als een beroep worden aangeduid.
Bespreking van het derde middel 46. Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn is geschonden nu in de cassatiefase de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Afronding 49. Het eerste middel faalt en kan in beginsel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede middel en derde middel slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Dit artikellid is het laatst gewijzigd door de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2010), Stb. 2009, 609.
HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121, NJ 2020/157 m.nt. De Bont. Vgl. ook HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372.
HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955, m.nt. Besier.
HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140. Vgl. ook de verwijzing in HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.3.1 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk.
K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 297.
Lindenberg en Wolswijk, a.w., p. 294.
HR 17 november 1981, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen.
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 492, onder verwijzing naar HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, NJ 2012/176. Ik merk in dat verband nog op dat zich bij het inschakelen van een belastingadviseur door een belastingplichtige ook situaties kunnen voordoen waarin de uitvoering (vrijwel geheel) door de belastingadviseur voor zijn rekening wordt genomen. Vgl. de bewijsvoering in het genoemde HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1372.
Artikel 28 Sr is het laatst gewijzigd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82, in werking getreden op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507). Daarbij is het vierde lid toegevoegd.
Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245, in werking getreden op 1 april 2010 (Stb. 2010, 139).
Vgl. HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. Ten Voorde.
Zie HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. Ten Voorde. Vgl. ook HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:765 voor wat betreft het beroep van ‘bestuurder – middellijk of onmiddellijk – van een stichting’. Vgl. in dit verband de bewijsmiddelen 1 en 2. https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/ondernemer.
De randnummers inzake het begrip ‘beroep’ zijn deels ontleend aan de conclusie voor HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. Ten Voorde.
Het artikel is het laatst gewijzigd door de Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2013), Stb. 2013, 413.
Zie over dit begrip nader E. Sparidis MSc, Het begrip ondernemer in de omzetbelasting (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2020.
Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel 1, tweede druk, herzien door J.W. Smidt, Haarlem, H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 91: ‘Geene straffen brengen eerloosheid mede, doch de rechter is bevoegd (niet verpligt) om in de (zeer talrijke) gevallen, bij de wet bepaald, ontzetting van bepaalde rechten uit te spreken.’ Smidt, a.w., deel 1, p. 92.
Smidt, a.w., deel 1, p. 532. Het antwoord sluit bij deze opvatting aan: ‘De ledematen en zintuigen die de huismoeder voor hare bezigheden als zodanig behoeft (handen, oogen enz.), kunnen haar niet worden ontnomen, zonder dat het zwaar lichamelijk letsel ontwijfelbaar zeker is’. Daarom zou het, zo begrijp ik, geen bezwaar zijn dat in art. 82 Sr alleen buiten twijfel wordt gesteld dat ‘voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden’ zwaar lichamelijk letsel oplevert.
Smidt, a.w., deel 2, p. 33.
Smidt, a.w., deel 2, p. 272.
Smidt, a.w., deel 2, p. 485-486.
Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, in werking getreden op 14 december 2001.
Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11, in werking getreden op 1 februari 2006 (Stb. 2006, 23).
Wet van 12 juni 2009, Stb. 245, in werking getreden op 1 april 2010 (Stb. 2010, 139).
Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 10 en 13.
Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 10.
Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 13.
Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 14-15.
Kamerstukken II 2008/09, 31 386, nr. 8, p. 12-13. https://www.nationaleberoepengids.nl/beroepsgroep-accountancy-finance.
HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. Ten Voorde, rov. 2.5.2.
HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. Ten Voorde HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:168.