PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02609 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting – 2012 t/m 2014 Nr. Gerechtshof BK-SHE 22/00344 tot en met 22/00346 Nr. Rechtbank 17/4419 tot en met 17/4421 CONCLUSIE P.J. Wattel In de zaak van [X] tegen STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan afdrachtvermindering genoten zou hebben. Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende is tevergeefs in bezwaar gegaan. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1.3 De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem hetzelfde recht op afdrachtvermindering toekent als nationaalrechtelijk aan een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) toekomt omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. 1.4 Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht afgewezen, gegeven dat u in de zaak BNB 2021/89 heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd als niet-ingezeten beleggingsinstellingen, doordat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor de afdrachtvermindering waarvoor wél-inhoudingsplichtige ingezeten fbi’s in aanmerking komen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1.5 De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting tot hetzelfde bedrag als de afdrachtvermindering die een ingezeten fbi zou genieten omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op die teruggaaf bestaat. De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.