PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/04218 Zitting 12 november 2024 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 31 oktober 2022 het vonnis van de rechtbank Limburg van 17 maart 2021 (inclusief de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en de vordering tot tenuitvoerlegging) bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van artikel 38v Sr. Het hof heeft de verdachte wegens in de zaak met parketnummer 03-104898-19 onder 1 “belaging” en onder 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 03-034481-19 “belaging” vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 198 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar locatieverbod en een contactverbod opgelegd, telkens voor de duur van 5 jaren. 1.2 Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld. 2Het eerste middel 2.1 Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van belaging in de zaak met parketnummer 03-034481-19. Uit de bewijsmiddelen zou niet volgen dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. 2.2 Ten laste van de verdachte is in deze zaak bewezenverklaard dat hij: “in de periode van 11 april 2018 tot en met 3 augustus 2018, te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door die [benadeelde] veelvuldig sms-berichten te sturen met een voor die [benadeelde] beledigende, intimiderende en dreigende aard of strekking, met daarin de volgende teksten - "jij zult ook lijden" en - "het is mijn laatste waarschuwing aan jou. Binnenkort gaan we elkaar onder vier ogen spreken" en - "Maar ja, boontje komt om zijn loontje. Je bent het boontje, en je krijgt daarom je loontje. Je hebt mij laten lijden, jij zult ook levenslang lijden"; en onder de (valse) naam " [naam] " die [benadeelde] berichten te sturen via haar Facebook-account, waarbij verdachte zich bediende van voor die [benadeelde] beledigend, intimiderend en bedreigend taalgebruik, met de tekst "Ik neuk zowel die hond als jou". en een GPS-tracker in de fietstas van de flets van die [benadeelde] te plaatsen en geplaatst te houden, terwijl die GPS-tracker middels sms-berichten de locatie van de fiets aan hem kenbaar maakte; met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen”. 2.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “Aangeefster [benadeelde] , woonachtig te [plaats] , deed aangifte. Zij verklaarde bij de politie op 9 augustus 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt: Tot 12 april 2018 heb ik diverse sms-berichten ontvangen van [verdachte] . Alle berichten zijn in het Turks. Ik had [verdachte] overal voor geblokt, maar op 3 augustus 2018 kreeg ik via Messenger een bericht binnen van [naam] . Ik ken deze naam niet, maar in het bericht stond mijn whatsappbericht dat ik eerder heb gestuurd naar een politieman uit [plaats] . Ik kreeg direct in de gaten dat dit [verdachte] was met een valse naam. Hij beschuldigde mij weer overal van. Hij bedreigt mij dat ik er voor ga boeten. Begin juli 2018 kwam ik erachter dat een apparaatje in mijn fietstas zat. Onder in de tas is een bodemplaat. Daaronder zit dit apparaatje. Dit apparaatje is een GPS Tracker. Deze is ontwikkeld met zwarte ducktape. Ik had al direct in de gaten dat [verdachte] dit gedaan had. Door de tracker kan hij mij volgen waar ik naar toe ga. Ik ben bang voor [verdachte] dat hij mij iets aandoet. Verbalisant [verbalisant] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt: Op dinsdag 14 augustus 2018 ontving ik, [verbalisant] , de vertaling van de Whatsappberichten (naar de rechtbank begrijpt: sms-berichten en het bericht verstuurd via het facebookaccount ‘ [naam] ’) welke door aangeefster bij de aangifte waren overhandigd. Deze vertaling was gedaan door [tolk] , RBTV tolk 1317. Bij het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] zijn bijlagen toegevoegd. Dit levert onder meer de volgende vertalingen vanuit het Turks op. [telefoonnummer] : woensdag 11 april 2018 - (…) Het is mijn laatste waarschuwing aan jou. Binnenkort gaan we elkaar onder vier ogen spreken. - (…) Maar ja, boontje komt om zijn loontje. Je bent het boontje, en je krijgt daarom je loontje. Je hebt mij laten lijden, jij zult ook levenslang lijden. donderdag 12 april 2018 - (…) Jij zult ook lijden. [naam] 3 augustus - Ik neuk zowel die hond als jou. De verdachte verklaarde bij de politie op 19 augustus 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt: Het telefoonnummer [telefoonnummer] is mijn nummer. De verdachte verklaarde bij de politie op 23 augustus 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt: De sms-berichten die van 9 april 2018 tot en met 12 april 2018 zijn verstuurd heb ik verstuurd. [naam] is mijn facebook. U, verbalisant, houdt mij voor dat op 3 augustus 2018 via facebook messenger berichten naar [benadeelde] werden gestuurd door [naam] . Ik kan hierover verklaren dat ik dat was. U, verbalisant, houdt mij voor dat [benadeelde] in haar fietstas een gps tracker heeft gevonden. Ik kan hierover verklaren dat dat klopt.” 2.4 Het hof heeft de volgende overwegingen van de rechtbank over de bewezenverklaring bevestigd: “Uit de voorgaande bewijsmiddelen volgt dat de verdachte veelvuldig sms-berichten heeft verstuurd en via Facebook berichten heeft verstuurd onder de (valse) naam ‘ [naam] ’. Ook heeft verdachte een GPS-tracker in de fietstas van aangeefster geplaatst met de kennelijke bedoeling haar bewegingen te kunnen volgen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de tenlastegelegde belaging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over de GPS-tracker, te weten dat hij de GPS-tracker in de fietstas van aangeefster heeft geplaatst zodat hij de fiets bij diefstal kan opsporen en kan zien waar [betrokkene 1] is, volstrekt onaannemelijk. Ten eerste is het plaatsen van een GPS-tracker in een fietstas van een ander, zonder dat die ander daar weet van heeft onder omstandigheden strafbaar en een hoogst ongebruikelijke manier om een fietsendiefstal te voorkomen. Daarnaast past in het gehele feitencomplex, waaruit naar voren komt dat de verdachte steeds wilde weten waar aangeefster verbleef, dat de tracker enkel en alleen is geplaatst om aangeefster te kunnen controleren. De verdachte heeft immers veelvuldig en op verschillende wijzen contact gezocht met aangeefster. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte de GPS-tracker heeft geplaatst teneinde aangeefster in de gaten te kunnen houden. De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat de belaging heeft plaatsgevonden in de periode van 11 april 2018 tot en met 3 augustus 2018. De verdachte zal van de overige ten laste gelegde periode partieel worden vrijgesproken.” 2.5 In de schriftuur wordt gesteld dat de bewezenverklaarde periode ongeveer vier maanden bestrijkt en dat het aantal bewezenverklaarde gedragingen in die periode beperkt is: op 11 april 2018 twee berichten naar de aangeefster, op 12 april 2018 één bericht, op 3 augustus 2018 één bericht en begin juli 2018 de ontdekking van de GPS-tracker in de fietstas. Volgens de steller van het middel kan daarom niet worden gesteld dat de verdachte een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster heeft gemaakt. Hij wijst daarbij op een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat het zeven keer binnen twee maanden door de straat van de aangeefster fietsen en het op twee dagen bellen naar de aangeefster geen belaging oplevert. Daarnaast zou niet uit de bewijsvoering volgen dat de verdachte veelvuldig berichten heeft verstuurd, zoals door de rechtbank is overwogen. 2.6 Art. 285b lid 1 Sr luidt: “Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.” 2.7 Kort gezegd is sprake van belaging (ook wel ‘stalking’) wanneer iemand opzettelijk een ander herhaaldelijk lastigvalt waardoor een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling of sprake is van belaging zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. 2.8 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het feit dat de gedragingen zich binnen een kort tijdsbestek hebben afgespeeld op zichzelf niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar dat dan wel aanvullende vaststellingen moeten worden gedaan over de aard, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen. Zo kan al bij het sturen van drie berichten binnen een week tijd, waarvan twee binnen 24 uur, sprake zijn van belaging als de berichten anoniem zijn, gaandeweg specifieker en indringender worden, en zijn verstuurd in privétijd terwijl ze betrekking hebben op de beroepsmatige betrokkenheid van het slachtoffer bij een opsporingsonderzoek. Ook heeft de Hoge Raad een veroordeling voor belaging in stand gelaten in een zaak waarin de door de verdachte aan de aangeefster verzonden berichten in een relatief korte periode van drie dagen zijn verstuurd, maar de berichten van zeer dreigende aard waren, kort na elkaar werden verzonden en steeds indringender werden. In die zaak nam de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte een e-mailbericht aan de aangeefster had gestuurd met in de bijlage een naaktfoto van haar en vervolgens diezelfde dag meer e-mailberichten heeft verzonden waarin hij dreigde haar naaktfoto’s openbaar te maken, waarna hij de volgende dag 46 reacties heeft geplaatst op de Facebook-pagina van de werkgever van de aangeefster met de tekst dat de aangeefster “de grootste huur in Nederland!!!” was, en weer een dag later in een e-mailbericht aan de aangeefster wederom heeft gedreigd met de openbaarmaking van deze foto’s. 2.9 De ondergrens van belaging komt in zicht als de gedragingen minder indringend of minder op de persoon gericht zijn, of in een korter tijdsbestek plaatsvinden. Zo casseerde de Hoge Raad in een zaak waarin de verdachte op één dag meermaals naar een advocatenkantoor had gebeld. Volgens de Hoge Raad kon dat als storend worden ervaren, maar levert het niet zonder meer belaging op. Ook werd de ondergrens niet gehaald in een zaak waarin de verdachte zeven keer binnen twee maanden door de straat van de aangeefster fietste en op twee dagen een paar keer belde naar de aangeefster. Mijn ambtgenoot Keulen heeft daarnaast in een conclusie van twee jaar geleden gewezen op drie andere zaken waarin de ondergrens van belaging niet werd gehaald. Ik citeer uit zijn conclusie: “12. […] In een arrest van 11 maart 2014 was bewezenverklaard dat de verdachte in een periode van twee dagen meermalen de woning van betrokkene had bezocht, meermalen had getracht haar telefonisch te bereiken, telefonisch aan haar had meegedeeld dat hij met haar wilde praten over hun dochter en haar dringend had verzocht de aangifte die zij tegen hem had gedaan wegens stalking in te trekken, en een foto in haar brievenbus had gedeponeerd waarop een man met een masker stond afgebeeld, met op de achterzijde de tekst ‘We’d better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro’s kosten. U.R. warned’. A-G Hofstee meende dat sprake was van ‘een twijfelgeval’ maar dat uit foto en tekst ‘nog niet een zodanig ernstige of serieus te nemen bedreiging op te maken (valt) dat deze in combinatie met de overige gedragingen’ een strafbare belaging opleverde (randnummer 24). 13. In een arrest van 10 oktober 2017 was bewezenverklaard dat de verdachte in een periode van anderhalve maand stelselmatig opzettelijk inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene door diens werkgever en echtgenote te bellen en/of bezoeken en aldaar een verhaal af te steken over de ’tot over zijn oren verslaafde zoon’ van betrokkene, door een brief te sturen aan de werkgever van de echtgenote van betrokkene met negatieve uitlatingen over de zoon van betrokkene, door de receptie in het pand waar de fysiopraktijk van betrokkene was gevestigd te bellen en te bezoeken en zich daar negatief uit te laten over de zoon van betrokkene, door daar een brief aan de receptioniste af te geven voor betrokkene en daarbij op te merken dat de receptioniste deze ook moest lezen, en door een brief te sturen aan het BIG-register met daarin onder meer de vraag of betrokkene in het BIG-register was ingeschreven. A-G Hofstee vestigde er onder meer de aandacht op dat de verdachte de betrokkene slechts éénmaal telefonisch had gesproken en dat dit was toen de betrokkene de verdachte belde. En dat de contacten met de echtgenote van de betrokkene en haar werkgever geen verband hielden met de betrokkene maar met diens zoon (randnummers 24 en 25). 14. In een arrest van 30 maart 2021 was bewezenverklaard dat de verdachte in een periode van bijna negen maanden stelselmatig opzettelijk inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zes personen. In cassatie werd geklaagd over de bewezenverklaring en bewijsvoering betrekking hebbend op de belaging van drie van deze personen. Uit de vaststellingen van het hof volgde dat de bewezenverklaarde gedragingen bij twee van deze personen op één dag hadden plaatsgevonden, en bij één van hen op een dag en in de daaropvolgende nacht. A-G Paridaens meende dat hoewel de bedreigingen die door de verdachte waren geuit en de anonimiteit van de verdachte en zijn medepleger angst hadden veroorzaakt bij het slachtoffer ‘geen sprake (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.