PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03913 Zitting 19 november 2024 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens de eendaadse samenloop van 1. “medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of deel daarvan, voorhanden hebben, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 53 weken, waarvan 16 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en over de vordering van de benadeelde partij. Tot slot heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder bij arrest van het hof van 19 mei 2016, parketnummer 22-005536-15, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, afgewezen. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. 1.3 Deze zaak hangt samen met de zaken 22/03889, 22/03872 en 22/03946. In de zaken 22/038889 en 22/03872 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 22/03946 is het cassatieberoep ingetrokken. 2Een korte schets van de feiten 2.1 Gezien de bewijsvoering van het hof gaat het in deze zaak om het volgende. De verdachte en/of zijn mededader(
(100)meter afstand van de Mediamarkt gevestigd aan de Grote Marktstraat 17-37, 2511 BH te Den Haag. Naar aanleiding van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de aankoop van de twee iPhone’s op 30 april 2018, in de mediamarkt te ‘s-Gravenhage, gedaan zijn door de verdachte [medeverdachte] . 13. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juni 2018 van de politie Eenheid Noord-Holland met nr. PL1100-2018102907-1/1806021254. [slachtoffer 3] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16-18, Zaaksdossier CD Speler): als de op 2 juni 2018 afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] : Op zaterdag 26 mei 2018 werd ik via marktplaats benaderd door een man genaamd [naam 4] . Op maandag 28 mei 2018 werd ik weer benaderd door [naam 4] via de whatsapp met 06 nummer [telefoonnummer 5] . [naam 4] vroeg mij of ik 0,01 cent wilde overmaken zodat hij kon zien of mijn gegevens klopte. Ik heb via deze [naam 4] een betaalverzoek ontvangen waarbij ik op een link moest klikken. Ik heb de link aangeklikt en hier moest ik mijn ING inloggegevens invullen ik heb dit meerdere gedaan omdat ik dacht dat de link niet werkte. Ik vroeg aan [naam 4] of ik zijn bankrekeningnummer mocht omdat de link niet werkte. Ik heb van [naam 4] een bankrekeningnummer ontvangen [rekeningnummer 3] op naam van [naam 5] , van deze bankrekening kreeg ik een melding dat het versturen van 0,01 cent niet gelukt was, ik heb dit via mijn bankierenapp op mijn mobiele telefoon verstuurd. Ik kreeg toen het bankrekeningnummer van [naam 4] zijn zus, die zou ook bij de ING bank zitten [rekeningnummer 4] op naam van [naam 6] . Ik heb via mijn bankierenapp op mijn mobiele telefoon wederom 0,01 cent proberen over te maken maar die gaf aan dat het genoemde rekeningnummer geblokkeerd, ik heb toen via mijn bankierenapp geld overgeboekt naar mijn eigen ABN bankrekening en dit ging goed. [naam 4] heeft mij toen nog een bankrekeningnummer gegeven [rekeningnummer 5] op naam van [naam 7] te Tiel, ik heb 0,01 cent via mijn mobiel bankieren app overgemaakt en dit keer ging het goed. Ik ben op woensdag 30 mei 2018 benaderd via mijn ING bankierenapp dat ik contact moest opnemen met de klantenservice van de ING omdat mijn bankrekening geblokkeerd was. Ik heb toen direct gebeld met de ING en ik hoorde dat een medewerkster van de afdeling fraude dat er iemand gebruik had gemaakt van mijn bankgegevens. Ik hoorde dat de ING de overschrijving heeft kunnen voorkomen. Er is een bedrag van 2,51 euro overgeschreven naar bankrekeningnummer [rekeningnummer 6] op naam van [naam 8] en [naam 9] . Ik heb geen idee van wie dit bankrekeningnummer is.” 3.3 Verder bevat de bijlage bij het bestreden arrest, inhoudende de bewijsmiddelen, de volgende nadere bewijsoverweging: “Nadere bewijsoverweging De verdediging heeft overeenkomstig de door haar ter terechtzitting overgelegde pleitnota betoogd dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten (aangiftes [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) onvoldoende bewijs is om de verdachte als medepleger te kunnen aanmerken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. [slachtoffer 1] Aangever [slachtoffer 1] heeft een Tikkielink ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Diezelfde dag zijn er via een mobiel betalen app ten laste van zijn bankrekening betalingen bij MediaMarkt en Albert Heijn gedaan. De verdachte heeft verklaard dat hij deze betalingen heeft verricht. Daarbij maakte hij gebruik van een telefoon waarmee, kennelijk door toedoen van zijn mededaders, toegang tot de bankrekening van [slachtoffer 1] werd verkregen, en daarmee tot een server en/of het netwerk van ING. Mede gelet op hetgeen verdachte heeft verklaard over het ter beschikking krijgen is het hof van oordeel dat de samenwerking met de persoon of personen die door middel van de Tikkie-fraude de telefoon hiervoor geschikt hadden gemaakt nauw en bewust was. [slachtoffer 2] Op de dag van de aanhouding van de verdachte [verdachte] op 29 mei 2018, heeft hij onder andere geprobeerd twee mobiele telefoons, waaronder een Samsung telefoon, te verstoppen in zijn tuin. Aan deze Samsung telefoon met inbeslagnamenummer D.01.01.001, waarvan de verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoon betreft, was het telefoonnummer [telefoonnummer 3] gekoppeld. De verklaring van de verdachte dat deze telefoon door anderen werd gebruikt, acht het hof niet aannemelijk. Vanaf dit telefoonnummer - en dus door de verdachte - is op 30 april 2018 de tikkielink gestuurd aan aangeefster [slachtoffer 2] . Om 19.39 uur is het laatste contact tussen de aangeefster en de verdachte. Om 21.33 uur heeft de medeverdachte [medeverdachte] ten laste van de rekening van aangeefster [slachtoffer 2] een aankoop gedaan bij de MediaMarkt te Den Haag voor een bedrag van € 2.118,05. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte] (en mogelijke andere daders) ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen in dit zaaksdossier. [slachtoffer 3] Aangeefster [slachtoffer 3] heeft op 28 mei 2018 een Tikkie-link vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 5] ontvangen. Iemand anders dan de aangeefster heeft vervolgens gebruik gemaakt van haar bankgegevens. De ING bank heeft door tijdig ingrijpen een overschrijving kunnen voorkomen. Op de Samsung van de verdachte met het telefoonnummer eindigend op 1445 zijn onder andere vijf schermopnamen met daarop diverse gegevens van de bankrekening van aangeefster [slachtoffer 3] en een Tikkie-link van €0,01 aangetroffen. De verdachte beschikte dus over de bankgegevens van [slachtoffer 3] . Mede gelet op het bewijs in de zaken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en overige aangetroffen inhoud van de telefoon van de verdachte die - naar het oordeel van het hof - ziet op Tikkie-fraude, acht het hof bewezen dat de verdachte de bankgegevens van [slachtoffer 3] met opzet op en wetenschap van de Tikkie-fraude heeft ontvangen. Gelet op de werkwijze bij Tikkie-fraude en de benodigde snelheid om deze te laten slagen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen.” 4Het eerste middel 4.1 Het middel heeft betrekking op de bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 2] . In de kern wordt geklaagd dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest met wie [slachtoffer 2] contact heeft gehad, evenals dat niet begrijpelijk is gemotiveerd dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. 4.2 Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging – kort gezegd – vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen in het zaaksdossier van de aangeefster [slachtoffer 2] nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte] (en mogelijke andere daders), gelet op het feit dat de verdachte op 30 april 2018 de “Tikkie-link” aan [slachtoffer 2] heeft gestuurd en [medeverdachte] vervolgens diezelfde avond ten laste van de rekening van [slachtoffer 2] een aankoop heeft gedaan bij de MediaMarkt in Den Haag. Dat het de verdachte was die de “Tikkie-link” naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd, heeft het hof gebaseerd op het gegeven dat de link is gestuurd vanaf het telefoonnummer dat is gekoppeld aan de Samsung telefoon met inbeslagnamenummer D.01.01.001, die de verdachte op de dag van zijn aanhouding probeerde te verstoppen in zijn tuin en waarover de verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoon betreft, terwijl het hof de verklaring van de verdachte dat deze telefoon door anderen werd gebruikt, niet aannemelijk acht. 4.3 In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd over het oordeel dat de verklaring van de verdachte dat de telefoon door anderen werd gebruikt niet aannemelijk is en het oordeel dat het de verdachte is geweest die de “Tikkie-link” naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd. Volgens de steller van het middel zijn deze oordelen niet begrijpelijk. Daartoe voert hij allereerst aan dat het hof in de nadere bewijsoverweging tevens heeft overwogen dat de medeverdachte [medeverdachte] ten laste van de rekening van [slachtoffer 2] een aankoop heeft gedaan bij de MediaMarkt en dat uit de bewijsmiddelen 8 en 9 blijkt dat deze telefoon is gebruikt bij die aankoop. Daarnaast wijst de steller van het middel erop dat het hof de verklaring van de verdachte dat deze telefoon met name door de medeverdachte [medeverdachte] werd gebruikt, voor het bewijs heeft gebruikt (bewijsmiddel 1). Hieruit zou blijken dat een ander dan de verdachte gebruik maakte van de telefoon en zijn de oordelen van het hof onbegrijpelijk. 4.4 Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende. De aangeefster [slachtoffer 2] heeft op 25 april 2018 via Marktplaats contact gehad met een persoon die zich voorstelde als [naam 3] . Op 30 april 2018 heeft zij van deze [naam 3] een betaalverzoek ter hoogte van € 0,01 ontvangen. [slachtoffer 2] heeft de link aangeklikt en diverse gegevens ingevuld (bewijsmiddel 7). Diezelfde dag is een Samsung SM-J330FN frauduleus aangemeld op het ING-account van [slachtoffer 2] (bewijsmiddel 8). Vervolgens is later die dag, om 21.33 uur, een contactloze betaling verricht ter hoogte van € 2.118,05 bij de MediaMarkt te Den Haag. Deze betaling heeft plaatsgevonden met de Mobiel Betalen App onder vermelding van pasnummer [002] (bewijsmiddel 7 en 8). De medeverdachte [medeverdachte] heeft deze aankoop verricht (bewijsmiddel 9). 4.5 Mijns inziens volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] bij deze aankoop de Samsung heeft gebruikt die de verdachte heeft geprobeerd te begraven in zijn tuin en die is geregistreerd onder inbeslagnamenummer D.01.01.001. Immers, uit bewijsmiddel 9 volgt dat de Samsung met het inbeslagnamenummer D.01.01.001 een Galaxy J3 (SM-J330FN) betreft. De telefoon die op 30 april 2018 frauduleus is aangemeld op het ING-account van [slachtoffer 2] – en waarmee dus kennelijk ten laste van de bankrekening van [slachtoffer 2] contactloos kon worden betaald – betrof eveneens een Samsung SM-J330FN. Bovendien blijkt uit bewijsmiddel 4 dat op 13 april 2018 bij de MediaMarkt en bij de Albert Heijn te Rotterdam betalingen zijn gedaan middels de Mobiel Betalen App met “pasvolgnr: [002] ” en heeft de verdachte verklaard dat hij deze betalingen heeft verricht met de Samsung Galaxy S3 die hij had verstopt (bewijsmiddel 1), terwijl uit bewijsmiddel 7 en 8 blijkt dat de betaling ten laste van de rekening van [slachtoffer 2] op 30 april 2018 bij de MediaMarkt te Den Haag eveneens is gedaan met “pasvolgnr. [002] ”. 4.6 Uit de bewijsmiddelen kan dan ook worden afgeleid dat de telefoon met inbeslagnamenummer D.01.01.001 op 30 april 2018 om 21.33 uur door [medeverdachte] is gebruikt om ten laste van [slachtoffer 2] een aankoop te doen bij de MediaMarkt. In het licht hiervan acht ik het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat een ander dan de verdachte deze telefoon gebruikte, niet zonder meer begrijpelijk. 4.7 Dit doet de vraag rijzen of het oordeel van het hof dat het de verdachte was die de “Tikkie-link” naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd, daarmee eveneens onbegrijpelijk is. Ik meen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Uit de bewijsmiddelen volgt weliswaar dat de telefoon van de verdachte was en ook door de verdachte werd gebruikt, maar hieruit kan niet worden opgemaakt dat de verdachte de telefoon ook gebruikte op het moment dat de “Tikkie-link” naar [slachtoffer 2] werd verstuurd. Gezien het korte tijdsbestek tussen het vermeende gebruik van de telefoon door de verdachte en het gebruik van de telefoon door de medeverdachte [medeverdachte] – minder dan twee uur –, kan deze bewijsconclusie zonder nadere motivering niet worden getrokken. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. 4.8 Nu de betrokkenheid van de verdachte bij het feitencomplex ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 2] niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, is de klacht dat de bewezenverklaring met betrekking tot het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd, mijns inziens eveneens terecht voorgesteld. 4.9 Het middel slaagt. 5Het tweede middel 5.1 Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 3] ontoereikend is gemotiveerd, nu niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. 5.2 In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van enige bijdrage van de verdachte aan de feitelijke uitvoering van de feiten. Zo zou niet blijken dat de verdachte contact heeft gehad met aangeefster [slachtoffer 3] , noch dat de verdachte heeft ingelogd op geautomatiseerde werken. Bovendien blijkt niet van een bijdrage in de vorm van gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. 5.3 De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Dit is slechts aan de orde als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. 5.4 Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging met betrekking tot het feitencomplex ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 3] vastgesteld dat de verdachte beschikte over de bankgegevens van [slachtoffer 3] en dat hij deze bankgegevens heeft ontvangen met opzet op en wetenschap van de Tikkie-fraude. Aan deze vaststelling heeft het hof ten grondslag gelegd (
- i)dat op de Samsung van de verdachte vijf schermopnamen zijn aangetroffen met daarop diverse gegevens van de bankrekening van de aangeefster [slachtoffer 3] , (
- ii)het bewijs in de zaken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en (iii) de overige aangetroffen inhoud van de telefoon van de verdachte die ziet op Tikkie-fraude. Het hof heeft verder aan de bewezenverklaring van het medeplegen in het bijzonder ten grondslag gelegd de werkwijze bij Tikkie-fraude en de benodigde snelheid om deze te laten slagen. Daarmee gaat het hof kennelijk uit van een vooropgezet plan. 5.5 Onder 2 is bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen één of meer toegangscode(
- s)heeft verworven, ingevoerd en voorhanden gehad. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte beschikte over de bankgegevens van [slachtoffer 3] . Dit vindt bevestiging in bewijsmiddel 9, waaruit blijkt dat op de telefoon van de verdachte vijf ontvangen schermopnamen zijn aangetroffen met diverse bankgegevens van de bankrekening op naam van [slachtoffer 3] . In zoverre is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd en faalt het middel. 5.6 Dat ligt naar mijn oordeel anders voor de feiten 1 en 3 ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 3] . Ik meen dat het oordeel van het hof dat de verdachte kan worden aangemerkt als de medepleger van de computervredebreuk (feit 1) en de oplichting (feit 3) ten aanzien van [slachtoffer 3] ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof over de gedragingen van de verdachte niet meer heeft vastgesteld dan dat hij de bankgegevens van [slachtoffer 3] heeft ontvangen met opzet op en wetenschap van de Tikkie-fraude. Die vaststelling is niet toereikend om het oordeel van het hof ten aanzien van de feiten 1 en 3 te dragen. De kern van het onder 1 bewezenverklaarde feit is dat is binnengedrongen in een server en/of netwerk van ING Bank, doordat (
- i)“Tikkie” links zijn verzonden naar de slachtoffers, (
- ii)(inlog)gegevens van de bankrekeningen zijn afgevangen en (iii) met die gegevens is ingelogd. De kern van het onder 3 bewezenverklaarde feit is dat ING Bank is bewogen tot de afgifte van geldbedragen, doordat (
- i)gegevens van bankrekeningen van de aangevers heimelijk en zonder toestemming zijn verworven, (
- ii)met die gegevens is ingelogd en (iii) een of meer goederen zijn aangekocht/betaald. Het louter voorhanden hebben van de bankgegevens van [slachtoffer 3] kan mijns inziens niet worden aangemerkt als een wezenlijke bijdrage aan deze feiten. 5.7 Uit bewijsmiddel 9 blijkt weliswaar dat op de telefoon die in de achtertuin van de verdachte is aangetroffen, bestanden zijn aangetroffen die samen deel uitmaken van een website die het mogelijk maakt om login gegevens van gebruikers van deze website af te vangen, evenals een logbestand waarin diverse login gegevens van gebruikers zijn opgeslagen. Hieruit kan mijns inziens niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte de Tikkie-links heeft verzonden of de gegevens zelf heeft afvangen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof hierover niets heeft vastgesteld en dat, zoals bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, ook anderen dan de verdachte van deze telefoon gebruikmaakten. 5.8 Voorts brengt het feit dat het hof de werkwijze bij de Tikkie-fraude en de benodigde snelheid in aanmerking heeft genomen, mij niet tot een ander oordeel. Het hof heeft hiermee mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat sprake was van vooropgezet plan. Zonder nadere motivering kan hieruit echter niet worden afgeleid dat de intellectuele bijdrage van de verdachte aan dit plan daarmee ook van voldoende gewicht was om te kunnen spreken van medeplegen. 5.9 Het middel slaagt in zoverre. 6Het derde middel 6.1 Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3 in strijd met art. 342 lid 2 Sv uitsluitend steunt op de verklaring van één getuige, namelijk aangeefster [slachtoffer 3] . 6.2 Volgens de steller van het middel staan de schermopnamen die in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen in een te ver verwijderd verband van feit 3 en heeft het hof deze schermopnamen in zijn nadere bewijsoverweging bezien tegen de achtergrond van feit 2. 6.3 Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De Hoge Raad heeft in recente arresten over het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv het volgende vooropgesteld: “Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.” 6.4 Uit de nadere bewijsoverweging van het hof blijkt dat het hof het bewijs van het feitencomplex ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 3] heeft gebaseerd op de inhoud van de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 3] , hetgeen is aangetroffen op de telefoon van de verdachte en het bewijs in de zaken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . 6.5 Uit het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (bewijsmiddel 13) blijkt dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij via Marktplaats werd benaderd met het verzoek om € 0,01 over te maken. Daartoe heeft zij een betaalverzoek met een link ontvangen, waarop zij heeft geklikt en haar ING-inloggegevens heeft ingevuld. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat [slachtoffer 3] meermalen heeft geprobeerd een bedrag van € 0,01 te betalen en dat dit uiteindelijk gelukt is. Uit het door het hof voor het bewijs gebruikte proces-verbaal digitaal onderzoek GSM (bewijsmiddel 9) volgt dat op de telefoon die – blijkens bewijsmiddel 10 – is aangetroffen in de tuin van de verdachte, ontvangen schermopnamen zijn aangetroffen met diverse bankgegevens van de bankrekening “ [rekeningnummer 2] ” op naam van “ [slachtoffer 3] ” en een tikkie link van € 0,01 cent op de website genaamd “tlkkieme.nl”. Ook blijkt uit dit proces-verbaal dat op deze telefoon bestanden zijn aangetroffen die samen deel uitmaken van een website, mogelijk om login gegevens van gebruikers van deze website af te vangen. 6.6 Bewijsmiddel 9 bevestigt daarmee dat de bankgegevens van [slachtoffer 3] zijn verworven en dat sprake is geweest van een betaalverzoek ter hoogte van € 0,01 cent. Anders dan de steller van het middel, ben ik van oordeel dat geen sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal. De verklaring van [slachtoffer 3] vindt derhalve reeds voldoende steun in bewijsmiddel 9. 6.7 Het middel faalt. 7Het vierde middel 7.1 Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 3 bewezenverklaarde feit ten aanzien van de aangeefster [slachtoffer 3] ontoereikend is gemotiveerd, aangezien niet uit de bewijsvoering kan volgen dat ING Bank is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag. 7.2 In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat met betrekking tot het feitencomplex van het slachtoffer [slachtoffer 3] niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat er goederen zijn gekocht, anders dan bij de feitencomplexen van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Bovendien blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 3] (bewijsmiddel 13) dat de ING een overschrijving heeft kunnen voorkomen en blijkt uit de nadere bewijsoverweging dat het hof dit ook zo opvat. Gelet hierop zou uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat ING Bank door de verdachte of zijn mededader(
- s)is bewogen tot daadwerkelijke afgifte van een geldbedrag. 7.3 Onder 3 is – kort gezegd – bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen ING Bank (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), door inloggegevens van de bankrekening van onder meer [slachtoffer 3] heimelijk en zonder toestemming te verwerven en met die gegevens in te loggen op de server en/of de website en/of een netwerk van ING Bank en één of meerdere goederen aan te kopen en/of te betalen, waardoor ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte. 7.4 Deze bewezenverklaring is gebaseerd op art. 326 Sr. Dit misdrijf is pas voltooid wanneer de derde is bewogen tot afgifte. De persoon jegens wie het misdrijf wordt gepleegd is bewogen tot afgifte wanneer hij het afgeeft. Van afgifte is slechts sprake wanneer het goed uit de beschikkingsmacht van de ander raakt. In Noyon/Langemeijer/Remmelink wordt gesteld dat de woorden “bewegen tot” in de zin van art. 326 Sr niet zo moeten worden begrepen dat het te kennen geven van de wil tot afgifte reeds voldoende is. 7.5 De door het hof gebruikte bewijsmiddelen houden niet in dat door de verdachte of zijn mededader(
- s)goederen zijn aangekocht ten laste van de bankrekening van [slachtoffer 3] . Uit het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (bewijsmiddel 13) blijkt enerzijds dat de ING de overschrijving heeft kunnen voorkomen. Anderzijds wordt hierin vermeld dat een bedrag van € 2,51 is overgeschreven naar bankrekeningnummer [rekeningnummer 6] op naam van – de voor [slachtoffer 3] onbekende – [naam 8] en [naam 9] . Gelet op deze tegenstrijdigheid, kan uit dit bewijsmiddel mijns inziens niet zonder meer worden afgeleid dat een overschrijving heeft plaatsgevonden, temeer nu het hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft benadrukt dat de ING Bank door tijdig ingrijpen een overschrijving heeft kunnen voorkomen. 7.6 Dit brengt mee dat de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van het feitencomplex van de aangeefster [slachtoffer 3] . 7.7 Het middel slaagt. 8Het vijfde middel 8.1 Het middel houdt in dat de inzendtermijn in de cassatiefase is geschonden. 8.2 Op 19 oktober 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 augustus 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn in cassatie van acht maanden is overschreden met ruim een maand. Een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie behoort niet meer tot de mogelijkheden. Als de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen en kan het vijfde middel onbesproken blijven. 9. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel slagen. 10. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 19 oktober 2022 cassatie is ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM geschonden. Indien de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt, zal de rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen ook met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening moeten houden bij de eventuele strafoplegging. 11. Voor het overige heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde voor wat betreft de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Uit bewijsmiddel 1, 5 en 10 blijkt immers dat de telefoon is aangetroffen in de tuin van de woning van de verdachte, uit bewijsmiddel 10 blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat deze telefoon van hem is en uit bewijsmiddel 1 blijkt dat de verdachte met deze telefoon naar de MediaMarkt is gegaan en telefoons heeft gekocht ten laste van de aangever [slachtoffer 1] . Recent herhaald in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:439, r.o. 2.3. In deze uitspraak wordt verwezen naar HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis. HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1156, r.o. 2.3; HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1116, r.o. 2.3; HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:643, r.o. 2.3. In deze uitspraken wordt verwezen naar HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. M.J. Borgers. Dan wel tot het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld. In de onderhavige zaak is slechts de afgifte van enig goed bewezenverklaard. J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 326 Sr, aant. 3. Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0102, r.o. 3.4. HR 23 maart 1931, ECLI:NL:HR:1931:141; HR 13 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0064, r.o. 7.3.2. J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 326 Sr, aant. 3.