PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/01915 Zitting 3 december 2024 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de verdachte 1Het cassatieberoep 1.1 De verdachte is bij arrest van 3 mei 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken, met aftrek van de tijd als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde voorhanden hebben/dragen van een stiletto, zijnde een wapen van categorie I onder 1°. Verder heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in beslag genomen stiletto en de teruggave gelast van de in beslag genomen lifehammer. Het hof heeft tot slot de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de in beslag genomen zonnebril, merk Polaroid en het in beslag genomen rode sieradendoosje. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen de veroordeling van de verdachte wegens verduistering. Het tweede middel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen stiletto. 2Het eerste middel 2.1 Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van verduistering. Volgens de steller van het middel heeft het hof op onjuiste, dan wel op ontoereikend gemotiveerde en/of onbegrijpelijke gronden geoordeeld dat de verdachte zich de pinpas, die door midden gebroken was toen deze bij de verdachte werd aangetroffen, wederrechtelijk heeft toegeëigend. Gesteld wordt dat het hof in het midden heeft gelaten in welke staat de verdachte de pinpas heeft aangetroffen en of de gebroken pinpas zodoende nog wel aan iemand toebehoorde. 2.2 Het hof heeft ten aanzien van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 9 juli 2021 tot en met 18 augustus 2021 te Valkenswaard, opzettelijk een pinpas, toebehorende aan [slachtoffer] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door verdachte gevonden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.” 2.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “4. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 9 juli 2021, dossierpagina’s 16-20, met goederenbijlage, voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] . Op vrijdag 9 juli 2021 te 14:48 uur, is door mij de middels internet gedane aangifte verwerkt tot een proces-verbaal. De aangeefster gaf op te zijn: Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedatum] 1954 Zij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict, tussen vrijdag 9 juli 2021 te 11:45 uur en vrijdag 9 juli 2021 te 12:00 uur: Tijdens bezoek begraafplaats de Sil 17 in Valkenswaard. Auto stond op parkeerterrein. Bij terugkomst is het achterraam ingeslagen en handtas meegenomen. Hieronder de lijst van door mij ingevoerde goederen die geen uniek identificerend nummer hebben. Eventuele goederen die wel een uniek identificerend nummer hebben staan genoemd in de bijlage goederen. BANKPAS Merk: SNSAantal: 1 stuksBijzonderheden: Op naam van [slachtoffer] . Het goed is: Diefstal Hierbij werd het goed, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 5. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 augustus 2021 ,dossierpagina’s 33- 35, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Op donderdag 19 augustus 2021 waren wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], belast met het onderzoek naar een auto-inbraak. Op verzoek onderzochten wij de onder [verdachte] in beslag genomen Mitsubishi Lancer voorzien van het kenteken [kenteken]. [...] Ik, [verbalisant 2], zag in het handschoenenvakje een blikje zitten. Ik opende het blik. Ik zag dat er in het blik een gripzakje zat met restanten wit poeder. Ik zag in het bakje restanten van wit poeder zitten. Ik zag in het blikje een door midden gebroken pinpas zitten op naam van [slachtoffer] , voorzien van het rekeningnummer: "[rekeningnummer]". 6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 21 augustus 2021, dossierpagina’s 58-61, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte. V: vraag verbalisant A: antwoord verdachte […] V: In het handschoenenvakje in de auto werd in een blikje een gripzakje met resten van wit poeder aangetroffen. Van wie is dit blikje met de inhoud? A: Van mij. V: In het blikje zat ook een door midden gebroken pinpas op naam van [slachtoffer] . Wat kan je er over verklaren? A: Dat zou ik niet weten. Dat zal ik ooit gevonden hebben.” 2.4 Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd: “Door de verdediging is vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening aangezien de verdachte de pinpas enkel gebruikt zou hebben om cocaïne tot zich te nemen en aldus niet als heer en meester over de pinpas heeft beschikt. En voorts moet de pinpas beschouwd worden als een res nullius, aangezien deze doormidden gebroken en daardoor onbruikbaar was. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de pinpas van aangever [slachtoffer] op 9 juli tussen 11.45 uur en 12.00 uur te Valkenswaard uit haar auto werd weggenomen. Op 18 augustus 2021 werd de verdachte aangehouden terwijl hij reed in een auto met kenteken [kenteken]. Bij de doorzoeking van deze auto werd de pinpas van aangever [slachtoffer] , doormidden gebroken en onder wit poeder, teruggevonden in een blikje. De verdachte verklaarde dat het blikje van hem was en dat hij de pinpas ooit heeft gevonden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte verklaard dat de verdachte de pinpas heeft gevonden en deze pinpas heeft gebruikt om lijntjes drugs tot zich te nemen. Voorgaande feiten en omstandigheden maken dat het hof van oordeel is dat de verdachte – zonder daartoe gerechtigd te zijn – als heer en meester heeft beschikt over de pinpas die aan [slachtoffer] toebehoorde door, in plaats van de gevonden pinpas aan de rechtmatige eigenaar te retourneren dan wel af te geven bij de daarvoor bestemde instantie, de pinpas na vondst onder zich te houden. Daardoor heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Voorts is het hof, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de pinpas – ook indien deze is doorgeknipt – niet kan worden aangemerkt als een res nullius vanwege de aard van het goed en de persoonlijke verbondenheid van het goed met de eigenaar. Van een res nullius is sprake als het gaat om een roerende zaak die aan niemand toebehoort. Uit de aangifte volgt dat de pinpas toebehoorde aan en op naam stond van aangever [slachtoffer] . Daarbij komt nog dat een pinpas privé-gegevens weergeeft van de eigenaar zoals een tenaamstelling en een persoonlijk rekeningnummer waardoor niet gesteld kan worden dat de pinpas aan niemand toebehoorde. Dat de pinpas doormidden gebroken was, doet daar niet aan af. Voorgaande maakt dat een pinpas niet als res nullis aangemerkt kan worden. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.” De bespreking van het eerste middel 2.5 Zoals onder 2.1 is omschreven, klaagt het eerste middel over (de motivering van) de bewezenverklaring ten aanzien van het wederrechtelijk toe-eigenen van de pinpas. In de toelichting op het middel richt de verdediging zich op de staat van de pinpas ten tijde van de vondst door de verdachte en de wijze waarop de verdachte de pinpas heeft gebruikt. In de toelichting kunnen twee deelklachten worden onderscheiden. 2.6 De eerste deelklacht ziet op de overweging van het hof dat “de verdachte – zonder daartoe gerechtigd te zijn – als heer en meester heeft beschikt over de pinpas die aan [slachtoffer] toebehoorde door, in plaats van de gevonden pinpas aan de rechtmatige eigenaar te retourneren dan wel af te geven bij de daarvoor bestemde instantie, de pinpas na vondst onder zich te houden”. Volgens de steller van het middel ligt in deze overweging van het hof het oordeel besloten dat de pinpas ten tijde van de vondst door de verdachte nog intact was. Dat oordeel is, aldus de verdediging, niet begrijpelijk. 2.7 De stelling waarop de klacht berust, namelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de pinpas ten tijde van de vondst nog intact was, mist feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen volgt enkel dat de pinpas op het moment dat deze door de verbalisanten bij de verdachte werd aangetroffen door midden gebroken was. Het hof laat zich niet uit over de vraag of de pinpas nog intact was op het moment dat de verdachte de pinpas vond. Om deze reden faalt de eerste deelklacht. 2.8 Dat het hof niet is ingegaan op de vraag of de pinpas ten tijde van de vondst door de verdachte nog intact was, erkent de verdediging in het vervolg van de schriftuur zelf ook. De toelichting vermeldt: “Ofschoon verzoekers raadsvrouw heeft aangevoerd dat de pas al gebroken was toen verzoeker deze vond, heeft het hof de juistheid daarvan in het midden gelaten. Daaruit volgt dat het heeft geoordeeld dat een gevonden pinpas die is doorgeknipt of doormidden gebroken, zonder meer geacht moet worden aan een ander toe te behoren.” 2.9 De verdediging neemt vervolgens – en hierin lees ik een tweede deelklacht – het standpunt in dat van een pinpas die doormidden gebroken is of doorgeknipt is en (bijvoorbeeld op straat) wordt gevonden, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat deze nog aan een ander toebehoort. Om te kunnen beoordelen op sprake was van wederrechtelijke toe-eigening had het hof, zo stelt de verdediging, moeten vaststellen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.