PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer23/01164 Zitting 1 oktober 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, hierna: de verdachte Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 maart 2023 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd voor zover de verdachte daarin is veroordeeld wegens
(7). [slachtoffer 3] is seksueel misbruikt rondom peuterleeftijd door haar vader en heeft daarvoor toen behandeling gehad. Rond haar 7e jaar heeft ze de diagnose ADHD gehad, gebruikt nu geen medicatie meer. Werd daar ook somber van. DSM classificatie Hoofddiagnose 309.81 Posttraumatische stressstoornis (incl. de posttraumatische stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger) GAF-score 50 (max 55) Samenvatting en resultaat van de behandeling [slachtoffer 3] heeft vanaf september 2019 tot november 2019 traumabehandeling (EMDR) gehad. Deze therapie sloeg goed aan bij [slachtoffer 3] . De klachten passend bij PTSS zijn fors afgenomen. [slachtoffer 3] gaf aan minder herbelevingen te hebben, zich beter in haar vel te voelen, minder terug te denken aan het trauma. Ook moeder zag hierin voldoende verbetering. In de thuissituatie is het daarentegen minder goed gegaan. [slachtoffer 3] ging thuis meer gedragsproblemen laten zien en er waren zorgen of [slachtoffer 3] thuis daarin voldoende kon worden begeleid. Het wijkteam heeft dit verder opgepakt en gekeken naar een passende vorm van meer intensieve jeugdhulpverlening. Samen met moeder is besloten het dossier hier te sluiten.’ 38. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota houdt inzake de vorderingen van de benadeelde partijen onder meer het volgende in: ‘Vordering [slachtoffer 3] Ook ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken aannemelijk is geworden dat er voorafgaand aan het bewezenverklaarde reeds zorgen waren omtrent (de thuissituatie van) [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] is vaker van huis weggelopen en eerder seksueel misbruikt. Zij heeft daarvoor een behandeling gehad. De rechtbank neemt in haar overwegingen ook mee dat het seksueel contact tussen cliënt en [slachtoffer 3] vrijwillig heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft overwogen dat ook deze vordering benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en heeft [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De verdediging sluit zich hier volledig bij aan en bepleit ook in hoger beroep niet-ontvankelijkheid van de vordering van [slachtoffer 3] . De toelichting die vandaag op zitting is gegeven, maakt dat niet anders. De vordering vormt een onevenredige belasting van het strafproces.’ 39. Het arrest van het hof houdt inzake de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ten aanzien van materiële schade het volgende in: ‘Het hof is van oordeel dat de onderhavige vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de gemaakte reiskosten in het kader van de opname en (gesloten) klinische behandeling van de benadeelde bij Fier te Leeuwarden met voldoende bewijsstukken is onderbouwd en acht deze toewijsbaar voor het gevorderde bedrag van € 1.679,60. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat de gesloten en klinische behandeling van de benadeelde een rechtstreeks gevolg is van onder meer het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Dat er mogelijk andere problemen bij de benadeelde partij (hebben) bestaan is niet van belang. De dader moet het slachtoffer accepteren zoals het is. Het verweer van de verdediging dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld en een onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, treft derhalve geen doel. Met betrekking tot de gestelde schade vanwege de opgelopen studievertraging overweegt het hof dat aan de benadeelde partij geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging en dat, nu de vordering op dit punt conform de Letselschade Richtlijn Studievertraging is vastgesteld, het hof de gestelde en gevorderde schade voor het bedrag van € 14.475,00 voldoende aannemelijk en onderbouwd acht. Ook hier treft aldus het verweer van de verdediging dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld geen doel.’ 40. In het overzichtsarrest inzake de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 heeft Uw Raad uiteengezet op welke wijze de rechter de vordering van de benadeelde partij dient te beoordelen. Uw Raad overwoog onder meer (met weglating van voetnoten): ‘2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. 2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. 2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (…) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. (...) (…) 2.8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.’ 41. In dit overzichtsarrest overwoog Uw Raad inzake de begrippen ‘rechtstreekse schade’ en ‘schade’ het volgende ( (met weglating van voetnoten): ‘’Rechtstreekse schade’(art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv) 2.3.1 De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. (…) Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. 2.3.2 Van zodanige schade die de benadeelde partij rechtstreeks door een strafbaar feit heeft geleden, was bijvoorbeeld sprake in het geval waarin: (
- i)de benadeelde partij door de verdachte was mishandeld en haar schade bestond uit de reparatiekosten van de fiets die zij had laten vallen op het moment dat de verdachte op haar afkwam en haar mishandelde; (
- ii)de benadeelde partij een vergoeding vorderde van het geld dat door een onbekend gebleven persoon is opgenomen nadat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij had gestolen; (iii) de benadeelde partij vergoeding vorderde van loon, gederfd door het opnemen van een vrije dag vanwege de door de verdachte in haar woning gepleegde inbraak; (
- iv)de benadeelde partij vergoeding vorderde van schade die was ontstaan doordat de politie op zoek was naar (mede)daders van de door de verdachte gepleegde inbraak en daarbij schade toebracht aan een deur in de woning van de benadeelde partij. Schade 2.4.1 Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).
- a)Vermogensschade (art. 6:96 BW) 2.4.2 Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade. (…) Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).’ 42. Blijkens de in hoger beroep voorgedragen pleitnota heeft de verdediging betoogd dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en dat deze op die grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft overwogen dat uit de stukken aannemelijk is geworden dat er voorafgaand aan het bewezenverklaarde reeds zorgen waren omtrent (de thuissituatie van) [slachtoffer 3] , dat zij vaker van huis is weggelopen, dat zij eerder seksueel is misbruikt en dat zij daarvoor een behandeling heeft gehad. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat de rechtbank heeft overwogen dat het seksueel contact tussen de verdachte en [slachtoffer 3] vrijwillig heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft aangegeven dat zij zich volledig bij de overwegingen van de rechtbank aansluit. 43. Het hof heeft overwogen dat aan de benadeelde partij ‘geen strenge eisen mogen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging’ en heeft de gestelde en gevorderde schade voor het bedrag van € 14.475,00 voldoende aannemelijk en onderbouwd geacht. Daarmee heeft het hof – meen ik − niet miskend dat overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last rust om de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden en dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de gestelde feiten en omstandigheden in voldoende mate zijn komen vast te staan. Tegen het oordeel van het hof dat de benadeelde partij genoegzaam heeft aangetoond dat zij ter zake van studievertraging materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 14.475,00 zijn in cassatie geen klachten gericht. 44. Het bepaalde in art. 6:98 BW impliceert dat sprake dient te zijn van een condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. In ’s hofs overweging dat aan de verdediging geen strenge eisen mogen worden gesteld omtrent de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de gestelde studievertraging ligt naar het mij voorkomt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijk causaal verband sprake is. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof daaraan voorafgaand heeft geoordeeld ‘dat de gesloten en klinische behandeling van de benadeelde’ bij Fier ‘een rechtstreeks gevolg is van onder meer het bewezenverklaarde handelen van de verdachte’ en dat daarbij niet van belang is dat er ‘mogelijk andere problemen bij de benadeelde partij (hebben) bestaan’, nu de dader ‘het slachtoffer (moet) accepteren zoals het is’. Ik wijs er voorts op dat het hof – zo bleek – in het kader van de strafmotivering heeft overwogen dat het ‘algemeen bekend’ is dat het bewezenverklaarde plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige slachtoffers ‘grote schade kan toebrengen aan de verdere ontwikkeling van kinderen’. In ’s hofs overwegingen ligt voorts besloten dat het hof in hetgeen namens de verdachte is aangevoerd geen grond heeft gezien om de gestelde schade door studievertraging niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. 45. Inzake de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel wijs ik erop dat namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat er direct na het incident ‘langdurige hulpverlening is geweest’, dat dit ‘zelfs tot een uithuisplaatsing en opname (heeft) geleid’ en dat dit ‘ongeveer 10 maanden’ duurde. Deze omstandigheden zijn namens de benadeelde partij onderbouwd met een brief van 6 mei 2019 waaruit volgt dat op 29 april 2019 (minder dan een week na het bewezenverklaarde) een aanmelding is gedaan bij een hulpverlenende instantie en een brief van 1 april 2020 waaruit volgt dat de aanmelding (voor onder meer traumabehandeling voor het bewezenverklaarde) is beëindigd. De aldus gestelde feiten zijn door of namens de verdachte niet bestreden. 46. Aldus faalt het middel voor zover daarin wordt geklaagd dat het hof op onbegrijpelijke gronden zou hebben geoordeeld dat sprake is van een condicio sine qua non-verband tussen de bewezenverklaarde gedragingen en de schade door studievertraging, dan wel op onbegrijpelijke gronden zou hebben geoordeeld dat deze schade geheel aan de verdachte kan worden toegerekend. 47. In de overwegingen van het hof ligt voorts het oordeel besloten dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade die de benadeelde partij heeft geleden voldoende verband bestaat en er dus sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. 48. Het middel faalt. Afronding 49. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 50. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 630, 706.. Vgl. HR 20 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:135, NJ 1959/102 m.nt. Pompe. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360. Vgl. ook HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119. Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 968. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga. Vgl. HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 en HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233 m.nt. Lindenbergh. Vgl. over dit causaliteitsvereiste E.M. Witjens, Strafrechtelijke causaliteit. De redelijke toerekening vergeleken met het privaatrecht, Deventer: Kluwer BV 2011, p. 65 e.v. en p. 77 e.v. Vgl. in verband met schadevergoeding wegens studievertraging eerder HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1123. Ik wijs in verband met het begrip ‘rechtstreekse schade’ op de conclusie van A-G Hofstee, randnummer 33, voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2335, NJ 2019/378 m.nt. Lindenbergh. Zie voorts I.H.L. Felix en A.J.P. Schild, ‘Rechtstreekse schade en causaal verband bij de vordering van de benadeelde partij in het strafproces’, NJB 2019/1317 en de noot van Vellinga onder HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379. Inmiddels is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven, Stb. 2024, 59, in werking getreden (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2024, 61). Art. 248, eerste lid, Sr luidt als volgt: ‘Als schuldig aan verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die met een kind van twaalf tot zestien jaren seksuele handelingen verricht, welke handelingen bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.’ Vergelijking van art. 248, eerste lid, Sr en art. 245 (oud) Sr leert dat geen sprake is van een verandering van wetgeving die wat betreft de kwalificatievraag dan wel het toepasselijke strafmaximum voor de verdachte gunstiger is.