PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/03088 C Zitting 10 december 2024 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij vonnis van 6 juli 2023 wegens “handelen in strijd met artikel 24 van de Motorrijtuig- en motorbootbelastingverordening 1928”, “handelen in strijd met artikel 99 van de WVVC 2000” en “handelen in strijd met artikel 88 van de WVVC 2000” veroordeeld tot geldboetes van achtereenvolgens 150 NAf, 50 NAf en 75 NAf. 1.2 Namens het openbaar ministerie heeft A.K. Tiggelaar, advocaat-generaal, één middel van cassatie voorgesteld. 2Het middel 2.1 Het middel klaagt dat het Hof zijn vrijspraak heeft gebaseerd op niet bestaande wetgeving. 2.2 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao: - zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan; - terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde; - terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt en enig materiaal aan/op/tegen de voorzijruiten was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg.” 2.3 Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat: “hij op 16 december 2021 als bestuurder van een motorvoertuig heeft gereden op de openbare weg, de Ontarioweg te Curaçao: - zonder dat daarvoor verschuldigde en opvorderbare motorrijtuigbelasting was voldaan; - terwijl de voorgeschreven geldige nummerplaat niet was aangebracht aan de voorzijde; - terwijl enig materiaal aan/op/tegen de voorruit was geplakt.” 2.4 De verdachte is daarmee vrijgesproken van het tenlastegelegde rijden met een voertuig waarvan tegen de voorzijruiten enig materiaal was geplakt waardoor de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg. 2.5 Ten aanzien van deze vrijspraak bevat het vonnis de volgende motivering: “Vrijspraak van de overtreding van de lichtdoorlaatbaarheidsnorm doordat materiaal tegen de voorzijruiten was geplakt De verdachte wordt ervan verdacht op 16 december 2021 als bestuurder in een motorvoertuig te hebben gereden, waarvan de voorzijruiten van dat motorvoertuig beplakt waren met een materiaal als gevolg waarvan de lichtdoorlaatbaarheidsnorm minder dan 70% bedroeg. Als constatering van aspirant-agent [verbalisant] is in de Pro-Justitia oproeping van 16 december 2021 opgenomen dat de gebruikte meetapparatuur 17% aangaf. De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken met welk apparaat (merk, model serienummer) de lichtdoorlaatbaarheid is gemeten en voorts of dit apparaat gecertificeerd en/of geijkt is. Recent heeft het Hof in een andere strafzaak naar aanleiding van een soortgelijk gevoerd verweer het volgende overwogen en beslist [in een voetnoot wordt verwezen naar GHvJ 16 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:32, D.P.]: ‘Uit het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, houdende aanwijzing van apparatuur om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten ("het Landsbesluit") alsmede de Instructie meting lichtdoorlatendheid ("de Instructie") volgt welke apparatuur geschikt is om de lichtdoorlatendheid van ruiten van motorvoertuigen te meten en aan welke voorschriften dit apparaat dient te voldoen. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat de desbetreffende lichtdoorlatendheid van de voorzijruiten van de verdachte is gemeten met een apparaat dat voldoet dan de vereisten zoals omschreven in het Landsbesluit en de Instructie. Het Hof stelt vast dat de stukken in het dossier niet ook inhouden een relaas waaruit blijkt hoe en met welk apparaat de meting van lichtdoorlatendheid is verricht. Gelet daarop is het voor het Hof niet mogelijk te controleren of de meting op de juiste wijze is verricht. Het verweer in eerste aanleg is in hoger beroep andermaal gevoerd. Dit een en ander heeft de procureur-generaal niet ertoe gebracht het dossier aan te vullen met bescheiden, die alsnog die rechterlijke controle mogelijk maakt. Het Hof ziet, mede gelet op het soortelijk gewicht van de in deze zaak op het spel staande belangen, geen grond om ambtshalve de procureur generaal te verzoeken dergelijke bescheiden te verstrekken. Dat betekent voor het bewijs dat er in het onderhavige geval een manco is dat dan bewezenverklaring in de weg staat.' Deze overwegingen hebben ook in de onderhavige strafzaak te gelden, zodat het Hof de verdachte van dit feit zal vrijspreken.” 2.6 De steller van het middel betwist dat de geldende wetgeving op Curaçao speciale eisen stelt aan de apparatuur waarmee de lichtdoorlatendheid van motorvoertuigen wordt gemeten. Verder voert hij aan dat deze wetgeving – anders dan het Hof veronderstelt – geen specifieke Instructie ten aanzien van de meting van de lichtdoorlatendheid kent. 2.7 Art. 88 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 luidde ten tijde van de in de tenlastelegging genoemde datum – voor zover hier van belang – als volgt: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.