ECLI:NL:PHR:2024:1354
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03416 Zitting 10 december 2024 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, hierna: de verdachte I. Inleiding 1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 september 2022 de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven. De maatregel is gelast naar aanleiding van:
II. De motivering van het hof betreffende de sanctieoplegging 3. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel het volgende in: “De rechtbank heeft de voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren met een proeftijd van 2 jaren gelast. De advocaat-generaal heeft zich achter deze maatregel geschaard. Ter terechtzitting d.d. 22 augustus 2022 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte het niet eens is met de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde overweegt het hof dat de verdachte na beëindiging van de aan hem in 2017 opgelegde ISD-maatregel in 2019 is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. Binnen een jaartijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan 7 diefstallen, verduistering en opzetheling. De verdachte heeft hiermee laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en slechts te handelen uit eigen belang wat voor veel overlast en financiële schade voor de slachtoffers heeft gezorgd.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2022 waaruit volgt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Er is dus sprake van relevante recidive. Daarnaast volgt uit genoemd uittreksel dat reeds in 2017 een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is gelast.
Voorts heeft het hof ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden de verdachte betreffende bij zijn oordeel de inhoud betrokken van het advies van de reclasseringsinstelling [naam] van 11 februari 2021.
Het reclasseringsadvies vermeldt onder meer het navolgende: [verdachte] is een 32-jarige man die verdacht wordt van diefstal uit een hotelkamer, gepleegd op 15 november 2020 te Goirle. Betrokkene is een deels bekennende verdachte. Betrokkene ontkent dat hij spullen heeft gestolen uit een hotelkamer, maar bekent dat hij twee flessen drank van het hotel heeft gestolen. Kijkend naar het uittreksel Justitiële Documentatie kunnen we spreken van een delictpatroon in het plegen van vermogensdelicten. Het plegen van delicten staat in directe relatie met zijn verslavingsproblematiek. Betrokkene pleegt vermogensdelicten om zichzelf in zijn middelengebruik te kunnen voorzien. Naast zijn verslavingsproblematiek is bij betrokkene persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld. Er is sprake van een trauma- of stressgerelateerde stoornis en borderline problematiek. Betrokkene is langdurig bekend binnen de hulpverlening, maar dit heeft nooit geleid tot blijvende gedragsverandering. Hoewel betrokkene eerder zeer wisselend gemotiveerd was tot gedragsverandering, zien wij het als een beschermde factor dat hij in de periode voor zijn huidige detentie motivatie toonde om zijn leven te veranderen en bereid is om mee te werken aan een klinisch behandeltraject.
Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.
In gesprek toont betrokkene motivatie om maatschappelijk doelen na te streven. Hij wil graag zijn leven op de rit krijgen en lijkt te beseffen dat hier een intensief behandeltraject voor nodig is. Ook van zijn toezichthouder vernemen wij dat betrokkene graag anders wil in zijn leven en dat hij in de periode voorafgaand aan zijn aanhouding, inzake de huidige tenlastelegging, meer motivatie toonde richting de betrokken hulpverlening. Hoewel dit pril te noemen is, zien wij dit als een stap in de goede richting. In gesprek vertelt betrokkene meermaals dat hij open staat voor een klinisch behandeltraject. Dit in tegenstelling tot zijn vorige ISD-maatregel waarin hij stellig bleef aangeven dat hij niet klinisch opgenomen wilde worden.
De afgelopen jaren heeft betrokkene zich zeer wisselend opgesteld ten aanzien van hulpverleningstrajecten. Concluderend kunnen we stellen dat eerdere trajecten niet hebben geleid tot recidivevermindering. Gezien de motivatie die betrokkene momenteel laat zien, willen wij hem de kans bieden om een klinisch behandeltraject te doorlopen met als doel stabiliteit creëren op de leefgebieden waardoor de kans op recidive afneemt. Met een voorwaardelijk ISD-kader staat er een flinke stok achter de deur. Wanneer betrokkene zijn motivatie gedurende een voorwaardelijk ISD-maatregel niet weet vast te houden ofwel het leidt niet tot recidivevermindering, zien wij vanuit de reclassering geen andere mogelijkheden dan wederom de inzet van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Het hof stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De hiervoor bewezenverklaarde misdrijven zijn feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juni 2022 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 17 december 2019 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de in dit arrest bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel en er, zoals blijkt de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Hierbij telt het hof ook het vonnis waarbij aan de verdachte op 23 juni 2017 een ISD-maatregel is opgelegd en de veroordelingen die geleid hebben tot de vorige ISD-maatregel mee. Uit de geldende jurisprudentie blijkt namelijk dat een zaak waarin een vorige ISD-maatregel is opgelegd, meetelt bij het bepalen of is voldaan aan de (harde) criteria.
Het hof heeft oog gehad voor het gegeven dat na de vorige ISD-maatregel, buiten de onderhavige feiten, er geen veroordelingen meer bij zijn gekomen, echter is het hof van oordeel dat gezien de hoeveelheid van feiten die in een relatief korte periode zijn gepleegd er sprake is van een veelpleger waarvoor de ISD-maatregel is toegelaten. Het hof acht het dan ook zorgwekkend dat de verdachte een paar maanden nadat hij uit de ISD-traject is gekomen strafbare feiten heeft gepleegd. Bovendien heeft de verdachte ook een aantal van de bewezenverklaarde feiten gepleegd terwijl hij in de schorsing van de voorlopige hechtenis liep in de andere zaken.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen derhalve de oplegging van de ISD-maatregel eist.
Desalniettemin is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel nu niet opportuun is. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte thans hulpverlening lijkt te accepteren, acht het hof de veiligheid van personen en goederen, alsmede de beveiliging van de maatschappij daarmee voldoende gewaarborgd.
Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden, zoals hierna nader omschreven, passend en geboden. In het belang van het behoud van de effectiviteit van deze maatregel, zal het hof, gebruikmakend van de mogelijkheid die artikel 38n van het Wetboek van Strafrecht biedt, geen rekening houden met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Indien de verdachte zich niet houdt aan na te noemen voorwaarden, dan kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de ISD-maatregel alsnog zal worden tenuitvoergelegd.
Aldus wordt de oplegging van deze voorwaardelijke maatregel dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en de beveiliging van de samenleving. Bovendien biedt het hof de verdachte hiermee een laatste kans om buiten het dwingende kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te breken met zijn gevestigde gedragspatronen als zeer actieve veelpleger en in plaats daarvan te werken aan een positieve toekomst. […] BESLISSING Het hof: […] legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren; bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; stelt als bijzondere voorwaarden;
III. Het verweer van de raadsman betreffende de sanctieoplegging 4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2022 heeft de raadsman van de verdachte, voor zover hier relevant, het volgende pleidooi gevoerd: “Het appel ziet op de opgelegde straf of maatregel en is niet gericht tegen de bewezenverklaring. Ik ga het daar dan ook niet over hebben. In eerste aanleg is er uitvoerig op ingegaan en zijn er een aantal deskundigen gehoord. Anders dan de advocaat-generaal was de officier van justitie uiteindelijk voorstander van de voorwaardelijke ISD-maatregel. ISD is in het leven geroepen als laatste redmiddel met daaraan verbonden diverse juridische voorwaarden en een aanwijzing vanuit het openbaar ministerie. Cliënt heeft een ISD-maatregel volbracht en komt in vrijheid. Dit vonnis vormt de eerste nieuwe veroordeling sinds de vorige ISD-maatregel waarbij het laatste feit dateert van januari 2017. De advocaat-generaal heeft het over een sepot na de datum van het vonnis en dat telt niet mee.
Het is de vraag wat de wetgever heeft bedoeld. Sinds de veroordeling van maart 2020 zijn er geen nieuwe strafbare feiten bijgekomen. Dat is best bijzonder en ook hoopgevend. Het is ook hoopgevend dat cliënt nooit een vaste woning heeft gehad en nu in een woning verblijft waar hij de nodige begeleiding krijgt welke gericht is op mensen die lang dak- en thuisloos waren. Ze proberen om hem weer een plek in de maatschappij te geven. Er zijn geen nieuwe misdrijven gepleegd. Ik betwist het oordeel van de rechtbank dat de wetgeving er niet aan in de weg staat om opnieuw ISD op te leggen. Het is de vraag of dat de bedoeling is geweest. Zelfs als je verwijst naar uitspraken waar het eerder is goedgevonden, is het de vraag of voorwaardelijke ISD de oplossing is.
Voor cliënt ontstaan er dan beren op de weg die er nu niet zijn. Het is voor cliënt enorm moeilijk om op zitting te verschijnen. We zijn nu een jaar verder en ook nu is het hem niet gelukt om te komen. Ik heb gekeken naar de geadviseerde voorwaarden. Je kan je klok erop gelijk zetten dat als cliënt aan die voorwaarden moet voldoen de kans op het kwijtraken van zijn woning gigantisch groot is. Hij krijgt dan een klinische opname en raakt het meest dierbare bezit in zijn leven kwijt, namelijk zijn [hond] . Sneaky is een hond die zich niet makkelijk laat verzorgen. Dat zijn de angsten van cliënt. De advocaat-generaal zegt dan wel dat wanneer cliënt zich aan de voorwaarden houdt, hij nergens last van heeft.
Het is de vraag of cliënt zich aan de voorwaarden kan houden. Het is namelijk niet zo dat je altijd zelf kiest voor het plegen van een strafbaar feit. De sepotbeslissing waar de advocaat-generaal naar verwees is bij uitstek een situatie waar cliënt in een bepaalde situatie is gebracht. Als je in een moeilijke omgeving verblijft en geen netwerk hebt, dan is de kans wat groter om in de problemen te geraken en zeker met het verleden van cliënt. Wanneer cliënt niet naar de reclassering komt, met wie hij een slechte verstandhouding heeft, krijgt hij een herinnering en daarna sturen ze de zaak naar het openbaar ministerie en kunnen ze een vordering tenuitvoerlegging indienen wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden.
Cliënt gaat dan twee jaar lang in detentie. Hij raakt dan nog meer het vertrouwen kwijt en moeten we er alles aan doen om hem op hetzelfde punt als nu te krijgen. Ik snap de advocaat-generaal en ik vind het ook jammer dat cliënt er vandaag niet is. Ik heb met cliënt het vonnis besproken en hij ziet weinig in een voorwaardelijke ISD-maatregel. De kans is namelijk klein dat hij kan voldoen aan de voorwaarden, zeker als er sprake is van een klinische opname. Als er geen klinische voorwaarden worden opgelegd, is de kans op mislukken kleiner. Op het moment dat cliënt klinisch wordt opgenomen, raakt hij alles kwijt en verwacht ik dat hij niet zal meewerken aan het traject met de reclassering. Cliënt heeft in totaal 121 dagen in voorarrest gezeten en er zijn alternatieven beschikbaar.
Hij wordt nog steeds begeleid door [betrokkene] . Het is de vraag of de reclassering dan nog wat toevoegt. Een alternatief kan gevonden worden in een voorwaardelijk gevangenisstraf. Cliënt heeft ruim vier maanden vastgezeten. Als je dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest oplegt, dan is dat niet een uit de bocht schietende straf. Als er voorwaarden aan gekoppeld moeten worden dan zal dit moeten zijn reclasseringstoezicht, meewerken aan alcohol- en drugscontrole en dagbesteding, maar niet opname in een zorginstelling of ambulante behandeling door [naam] aansluitend aan de klinische behandeling.”
IV. Het eerste middel en de bespreking daarvan Het middel 5. Het middel richt zijn pijlen op het oordeel van het hof dat aan alle voorwaarden is voldaan die art. 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt en dat de veiligheid van personen of goederen de oplegging van deze maatregel eist. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof ten onrechte in deze zaak bij de oplegging van de ISD-maatregel de veroordelingen die tot de vorige ISD-maatregel hebben geleid heeft meegeteld.
Het juridisch kader 6. Art. 38m luidt voor zover hier relevant: “1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:
1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en 3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
En in de Nota naar aanleiding van het verslag valt in dit verband het volgende te lezen: “Wanneer een ISD-maatregel is opgelegd en is tenuitvoergelegd, en de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan hij andermaal tot een ISD-maatregel worden veroordeeld, als aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan. Daarbij kan de eerdere ISD-veroordeling in aanmerking worden genomen. Artikel 38m, eerste lid, onderdeel 2°, staat er naar mijn oordeel niet aan in de weg dat eerdere veroordelingen die bij die eerdere ISD-veroordeling reeds in aanmerking zijn genomen, opnieuw in aanmerking worden genomen. Zulks is niet in strijd met fundamentele rechtsbeginselen. De verdachte pleegt een nieuw strafbaar feit, ondanks een eerdere ISD-veroordeling en eerdere veroordelingen. Als die eerdere veroordelingen vallen binnen de vereiste periode van vijf jaar, is aan het desbetreffende vereiste voldaan. Deze bepaling dwingt niet tot een beperkte uitleg, waarin een ISD-maatregel pas opnieuw zou kunnen worden opgelegd, indien aan het nieuwe feit een periode van vijf jaar is voorafgegaan, waarin naast de eerdere ISD-maatregel ten minste twee nieuwe straffen of maatregelen zijn tenuitvoergelegd. Een moratorium dat het gevolg zou zijn van zo’n beperkte uitleg, zou strijdig zijn met de strekking en de doeleinden van de ISD-maatregel. Het spreekt vanzelf dat het beslissende oordeel over de uitleg van artikel 38m, eerste lid, onderdeel 2°, is opgedragen aan de onafhankelijke rechter.”
De bespreking van het middel 10. Blijkens de Justitiële Documentatie van de verdachte die het hof bij zijn beslissing heeft betrokken, is eerder, namelijk op 23 juni 2017, door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de ISD-maatregel gelast ten aanzien van de verdachte. Deze maatregel is toen geheel tenuitvoergelegd. Na de tenuitvoerlegging hiervan is de verdachte niet meer opnieuw wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, noch tot een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf (vgl. art. 38m lid 1 onder 2° Sr).
V. Het tweede middel en de bespreking daarvan 15. Het tweede middel houdt in dat het hof bij de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel in strijd met art. 38p lid 5 Sr ten onrechte een aantal vergaande bijzondere voorwaarden heeft gesteld die op een klinische opname en behandeling zien, zonder dat de verdachte zich nadrukkelijk bereid heeft verklaard die opname en/of behandeling te ondergaan.
Bij de TBS met voorwaarden wordt in art. 38 lid 5 Sr een soortgelijke eis van bereidverklaring gesteld, maar daar voor alle te stellen bijzondere voorwaarden. Omdat bij niet-naleving van die voorwaarden de TBS met voorwaarden kan worden omgezet in de TBS met verpleging van overheidswege, dient de rechter zich te vergewissen van de bereidverklaring van de betrokkene tot nakoming van de voorwaarden. Op grond van het voorgaande komt het mij voor dat deze vergewissingsplicht ook heeft te gelden indien de voorwaardelijke ISD-maatregel met bijzondere voorwaarden als vorenbedoeld op de terechtzitting in beeld komt, nu bij niet-naleving van een gestelde voorwaarde, en wanneer niet met een waarschuwing kan worden volstaan, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel op vordering van het openbaar ministerie door de rechter kan worden bevolen (art. 6:6:21 Sv).
Die vergewissingsplicht ligt in zekere zin ook besloten in de vorengenoemde memorie van toelichting.
VI. Slotsom 28. Het eerste middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt gedeeltelijk.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Penitentiaire beginselenwet (plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders), Kamerstukken I 2003/04, 28 980, D, p. 2.
Kamerstukken I 2003/04, 28 980, F, p. 4 (zie in verband daarmee Kamerstukken I 2003/04, 28 980, C, p. 2 (voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie) en Kamerstukken I 2003/04, 28 980, E, p. 2-3 (verslag van de vaste commissie voor Justitie)).
In de versie van Stcrt. 2013, 35061, p. 2 (ad 2 ”Definities”) luidde deze alinea in de Richtlijn (2013R017): “Als de veroordeelde na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel opnieuw een misdrijf pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan opnieuw een ISD-maatregel worden gevorderd mede op grond van de eerdere veroordelingen. Het is dus niet zo dat de eerdere veroordelingen slechts één keer zouden mogen meetellen. Wel geldt dan opnieuw de voorwaarde dat de veroordelingen, waarvan de ISD-maatregel er dan één is, dateren van maximaal vijf jaar voorafgaand aan het nieuwe misdrijffeit en deze ook ten uitvoer zijn gelegd.“ Aldus o.a. HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1421 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1012, NJ 2022/268.
Uit het detentieoverzicht volgt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel aanving op 8 juli 2017 en eindigde op 12 juli 2019.
Vgl. Rb. Rotterdam 22 september 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BI3779, Rb. Amsterdam 14 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:137 en Rb Noord-Holland 11 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:5810. Ook in de literatuur wordt het standpunt ingenomen dat de wet deze ruimte biedt; zie S. Struijk, De ISD in perspectief, Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2011, p. 475 en 480 e.v..
Zie voor voorbeelden daarvan – zinloos of buitenproportioneel – de uitspraken van: Rb. Groningen 9 augustus 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BB1454; Rb. Almelo 14 februari 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BC4372; Rb. Utrecht 12 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM5031; Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 18 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2652; Rb Noord-Holland 17 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:12506.
Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 augustus 2022, blad 4-5.
Vgl. de TBS met voorwaarden.
Ten tijde van het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 02-300028-19 (pleegdatum 17 december 2019) luidde de slotzin van lid 4 (oud): “Bij het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.” Deze slotzin is vervallen bij wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82, in werking getreden op 1 januari 2020. Deze wijziging is echter niet van belang voor de bespreking van het tweede middel.
Kamerstukken II, 1997/98, 26 023, nr. 3, p. 21.
Aldus de memorie van toelichting bij de ‘Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering omtrent de terbeschikkingstelling en de sanctietoepassing ten aanzien van geestelijk gestoorde delinquenten’, Kamerstukken II 1994/95, 24 256, nr. 3, p. 9 en 10.
Daarmee zeg ik niet dat reeds de enkele absentie van een verdachte ter terechtzitting niet zou kunnen leiden tot de overtuiging van de rechter dat de verdachte zich bereid heeft verklaard een behandeling te ondergaan. Uiteraard zal wel in zijn algemeenheid doorgaans juist de opstelling van de op de zitting aanwezige verdachte een belangrijk gegeven zijn in de beantwoording van de vraag of de bereidheid er wel of niet is.
Luidend: “Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen: 10°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling”.