← Nederland

ECLI:NL:PHR:2024:1362

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/01481 Datum 13 december 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting 2015-2018 Nrs. Gerechtshof BK-22/00098 t/m 22/00101 Nrs. Rechtbank SGR 21/4370, 21/5620, 21/5621 en 21/5622 CONCLUSIE C.M. Ettema In de zaak van Gemeente [X] (belanghebbende) tegen staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) 1Inleiding 1.1 Deze zaak heeft betrekking op de btw-behandeling van de gescheiden inzameling en rapportering van huishoudelijk verpakkingsafval door gemeenten. Belanghebbende is een Nederlandse gemeente. Op grond van een overeenkomst met Stichting [A] heeft zij zich ertoe verplicht zorg te dragen voor de gescheiden inzameling van verpakkingsafval dat vrijkomt bij huishoudens en doet zij opgave van het door haar ingezamelde verpakkingsafval. Hiervoor ontvangt belanghebbende een vergoeding. 1.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vergoeding niet is belast met omzetbelasting en heeft voor de omzetbelasting die drukt op de kosten van de genoemde werkzaamheden aanspraak gemaakt op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds. De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat belanghebbende met haar activiteiten een met omzetbelasting belaste dienst verricht. Hij heeft de aan belanghebbende verleende bijdrage uit het BTW-compensatiefonds teruggevorderd en hierover belastingrente berekend. De rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag (het Hof) hebben de Inspecteur in het gelijk gesteld. Belanghebbende komt in cassatie tegen de uitspraak van het Hof met zes middelen. 1.3 Bij deze conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage (de bijlage), waarin ik onder meer het juridische kader voor de inzameling van huishoudelijk verpakkingsafval in Nederland bespreek. Ik verwijs hiervoor naar onderdeel 3 van deze bijlage. Voorts behandel ik de door belanghebbende voorgestelde cassatiemiddelen in de bijlage. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties 2.1 Voor de feiten en het geding in feitelijke instanties verwijs ik naar onderdeel 4 van de bijlage. 3Het geding in cassatie 3.1 Voor het geding in cassatie verwijs ik naar onderdeel 5 van de bijlage. 4Beoordeling van de middelen 4.1 Belanghebbende komt in cassatie met zes middelen 4.2 Middel I komt op tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van een rechtsbetrekking in het kader waarvan over een weer prestaties worden uitgewisseld. Het middel voert onder meer aan dat de vergoeding die belanghebbende ontvangt deels betrekking heeft op haar eigen activiteiten die zij wettelijk verplicht is uit te voeren. Het middel faalt. Ik verwijs naar onderdeel 6 van de bijlage. 4.3 Middel II herhaalt het in hoger beroep ingenomen standpunt dat geen sprake is van een economische activiteit, aangezien belanghebbende haar activiteiten verricht onder omstandigheden waaronder geen enkele ondernemer zou handelen. Het middel slaagt. Ik verwijs naar onderdeel 7 van de bijlage. Het Hof had moeten onderzoeken of belanghebbende haar activiteiten verricht op een wijze die overeenkomt met de manier waarop particuliere marktdeelnemers dergelijke activiteiten verrichten. Het Hof heeft deze beoordeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat de activiteiten van belanghebbende voldoende vergelijkbaar zijn, dan getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de door het Hof in dit verband genoemde gronden niet kunnen leiden tot de conclusie dat dit het geval is. De bestreden uitspraak kan op dit punt niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient te beoordelen of belanghebbende haar activiteiten verricht op een wijze die overeenkomt met de manier waarop particuliere marktdeelnemers dergelijke activiteiten verrichten. 4.4 Middel III voert aan dat het Hof ten onrechte oordeelt dat belanghebbende niet handelt ‘als overheid’ met de onderwerpelijke activiteiten. Het middel faalt. Ik verwijs naar onderdeel 8 van de bijlage. 4.5 Middel IV betoogt dat het Hof belanghebbendes beroepen op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Het middel faalt. Ik verwijs naar onderdeel 9 van de bijlage. 4.6 Middel V en middel VI voeren aan dat het in rekening brengen van rente in het geval van belanghebbende onrechtmatig is, aangezien de Belastingdienst reeds kon beschikken over het bedrag van de terugvordering. Het middel faalt. Ik verwijs naar onderdeel 10 van de bijlage. 5Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft het oordeel over de economische activiteit, en de zaak te verwijzen voor verdere behandeling. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Gerechtshof Den Haag 16 februari 2023, BK-22/00098 t/m 22/00101, ECLI:NL:GHDHA:2023:388. Rechtbank Den Haag 30 december 2021, SGR 21/4370, 21/5620, 21/5621 en 21/5622, niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.