PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 24/00459 Bv Zitting 17 december 2024 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager], geboren in op [geboortedatum] 1969, hierna: de klager 1Het cassatieberoep 1.1 De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, heeft bij beschikking van 24 januari 2024 de klager, zijnde een verschoningsgerechtigde advocaat, niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende beklag tegen het uitblijven van een last tot teruggave van onder zijn cliënten in beslag genomen schriftelijke geheimhouderstukken en op digitale gegevensdragers staande geheimhouderstukken. 1.2 Er bestaat samenhang met de zaken 24/00461 en 24/00463. In deze zaken concludeer ik vandaag ook. 1.3 Het cassatieberoep is op 6 februari 2024 ingesteld namens de klager. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring in het beklag. 1.4 De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. 2Het processuele verloop van de zaak 2.1 Op 2 juni 2016 heeft met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking van de woning van de cliënten van de klager plaatsgevonden. Bij die doorzoeking zijn onder andere geheimhouderstukken in beslag genomen, te weten gegevensdragers met daarop vertrouwelijke communicatie tussen de klager en zijn cliënten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het kader van de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Volgens het van de doorzoeking opgemaakte proces-verbaal heeft de hoofdbewoonster van de woning, [betrokkene 2] op een vraag van de rechter-commissaris geantwoord “dat er papieren en digitale correspondentie van/met een advocaat kunnen worden aangetroffen”. De bij de doorzoeking in beslag genomen voorwerpen zijn vermeld op de aan het proces-verbaal van de doorzoeking gehechte beslaglijst. Dat beslag is voor onderzoek overgedragen aan de opsporingsambtenaren. De klager heeft – zo wordt in het klaagschrift gesteld – op 3 juni 2016 aan zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie bij brief/mailbericht laten weten dat er geheimhoudersstukken in beslag zijn genomen. De klager, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben op 15 juni 2016 ieder afzonderlijk een klaagschrift ingediend tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen geheimhouderstukken. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 de klaagschriften gegrond verklaard ten aanzien van een aantal schriftelijke bescheiden die als geheimhoudersstukken moeten worden aangemerkt. Voor wat betreft de digitale gegevensdragers, waarop zich eveneens mogelijk geheimhoudersstukken zouden bevinden, heeft de rechtbank de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing. Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 blijkt dat deze digitale gegevensdragers inmiddels zijn teruggegeven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De rechtbank heeft in haar beschikkingen van 24 januari 2024 telkens geoordeeld dat door die teruggave niet meer bereikt kan worden “dan de feitelijke situatie thans is”, waardoor het belang aan het klaagschrift is komen te ontvallen en het beklag niet-ontvankelijk is. 3Het middel 3.1 In het middel wordt geklaagd dat de beslissing van de rechtbank “tot niet-ontvankelijkverklaring in het beklag blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende met redenen is omkleed en/of onbegrijpelijk is”, waardoor de beschikking aan nietigheid lijdt. 3.2 Het door de klager op 15 juni 2016 ingediende klaagschrift houdt het volgende in: “1. (…). 2. Op 2 juni 2016 heeft er met machtiging van de rechter-commissaris mr. M.A.M. Wolters een doorzoeking van de woning van een tweetal cliënten ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) plaatsgevonden. Afschrift van het proces-verbaal van de doorzoeking d.d. 2 juni 2016, gedateerd op 8 juni 2016, wordt aangehecht. 3. Klager heeft aan zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie bij brief/mailbericht d.d. 3 juni 2016 laten weten dat er bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1]/[betrokkene 2] geheimhouderstukken in beslag zijn genomen. Het betreft de weergave van vertrouwelijke communicatie tussen klager en zijn cliënten in hun mobiele telefoons, in hun computer(s), in administratie en in ordners, waarin [betrokkene 1] de door haar raadsman aan haar overhandigde processtukken uit de strafzaak heeft gebundeld. Op deze processtukken bevinden zich aantekeningen van [betrokkene 1] bestemd voor klager ter voorbereiding op de regiezitting van dinsdag 14 juni a.s. en de behandeling van de strafzaak zelf. Meer specifiek betreft het de volgende in beslag genomen goederen met IBN-Code: (…). 4. Tijdens de doorzoeking, zo blijkt uit het proces-verbaal, is door de rechter-commissaris specifiek gevraagd naar de aanwezigheid van geheimhouderstukken. Daarop heeft [betrokkene 2] de rechter-commissaris laten weten: “dat er papieren en digitale correspondentie van/met een advocaat kunnen worden aangetroffen.” 5. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben tijdens de doorzoeking specifiek (enkele) goederen aangewezen waarin de geheimhouderstukken zich zouden bevinden. 6. Ten aanzien van de beslag op geheimhouderstukken dient gehandeld te worden zoals in art. 98, derde lid, Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist. 7. In de onderhavige zaak is aan de rechter-commissaris aangegeven dat geheimhouderstukken kunnen worden aangetroffen. Desondanks heeft de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het proces-verbaal, tijdens de doorzoeking de voorwerpen in beslag genomen en heeft hij het beslag voor onderzoek overgedragen aan de opsporingsambtenaren. 8. Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat de rechter-commissaris de inbeslagneming van voornoemde bescheiden, ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, heeft toegestaan, wordt dit klaagschrift ingediend. 9. Klager stelt dat door de inbeslagneming van de hierboven vermelde goederen zijn verschoningsrecht is geschonden. 10. Dit klaagschrift wordt binnen de wettelijke termijn ingediend, zodat klager ontvankelijk is. 11. Klager beklaagt zich met name over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen. Bij gelegenheid van de behandeling van dit klaagschrift zal klager zijn beklag nader motiveren. Redenen waarom: Klager uw rechtbank verzoekt het beklag gegrond te verklaren en het beslag, op die onder klaagster inbeslaggenomen stukken/goederen, waarvan is aangevoerd dat deze stukken onder het verschoningsrecht van klager vallen, op te heffen en de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen te gelasten.” 3.3 Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 10 januari 2024 houdt onder meer het volgende in: “De voorzitter geeft een overzicht van het procesverloop van het klaagschrift en van het met dit klaagschrift samenhangende strafrechtelijke onderzoek Bobolink. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft destijds het klaagschrift voor een deel gegrond verklaard en voor het overige de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het voornoemde klaagschrift wordt in openbare raadkamer voortgezet. De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. In aanvulling hierop merkt hij – zakelijk weergegeven – het volgende op: Ik wil graag duidelijkheid krijgen over hetgeen met de inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en de inhoud daarvan is gebeurd. Ik ben ervan overtuigd dat mijn correspondentie, en daarmee geheimhoudersstukken, bij de digitale recherche liggen. Er dient gekeken te worden hoe de inhoud van deze digitale gegevensdragers is gefilterd, dit is onbekend. Ten aanzien van de schriftelijke bescheiden is dit wel duidelijk geworden. Ik ben van mening dat onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris de digitale gegevensdragers gefilterd dienen te worden, zodat hierover een proces-verbaal kan worden opgemaakt, net zoals gedaan is ten aanzien van de schriftelijke bescheiden. De voorzitter merkt op dat de oorspronkelijke inbeslaggenomen digitale gegevensdragers terug zijn gegeven aan klaagsters [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Daarmee rijst de vraag of het doel dat met de klaagschriften wordt nagestreefd nog kan worden bereikt. Evenzeer rijst de vraag hoeveel juridische ruimte de onderhavige procedure biedt voor de mogelijkheden die de raadsman oppert. De voorzitter merkt daarnaast op dat in het procesdossier van de strafzaak in ieder geval geen geheimhoudersstukken terecht zijn gekomen. De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven – : Ik heb geen kennis genomen van geheimhoudersstukken. Ik ben van mening dat de stellingen die de raadsman inneemt, beter passen bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Op dit moment loopt er een beklagprocedure op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. In de klaagschriften van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is de kern van het verzoek de teruggave van de destijds inbeslaggenomen goederen. Deze goederen zijn echter in 2016/17 al teruggegeven aan klaagsters. Er is dus op dit moment geen belang meer bij de beklagprocedure. Ik ben dan ook van mening dat deze klaagschriften niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Op het klaagschrift van [klager] is op 21 juli 2016 al een beslissing genomen. In zoverre ben ik van mening dat ook dit klaagschrift dan ook niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De vraag of er zich mogelijk nog digitale kopieën van geheimhoudersstukken in de systemen van de politie bevinden kan ik nu niet beantwoorden. Ik ben van mening dat deze vraag niet past in de behandeling van de beklagprocedure, maar bij de behandeling van de hoofdzaak. De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –: Ik ben het oneens met de stelling van de officier van justitie dat geen belang meer zou zijn bij de klaagschriften omdat de goederen al zijn teruggegeven aan klaagsters. Het belang gaat er juist om dat er zich geheimhoudersstukken bij de digitale recherche bevinden. We zijn op dit moment zeven jaar verder. Ik vind niet dat er gewacht kan worden op de uitkomst van de strafzaak in hoger beroep. Ik zou het zorgelijk vinden als de opsporingsautoriteiten kennis hebben genomen van de geheimhoudersstukken. De kopieën van de digitale stukken zouden kunnen worden teruggegeven. De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven –: Ik kan niets teruggeven. Het gaat om 3 TB aan gegevens die op een computerserver staan. Ik zou de gegevens op de server wel kunnen laten vernietigen, maar dit lijkt me met het oog op het lopende hoger beroep op dit moment geen verstandige beslissing. De raadsman voert het woord – zakelijk weergegeven –: Ik geloof best dat het veel werk kost om 3 TB aan digitale gegevens te filteren. Aan de andere kant is het zorgelijk dat er digitale gegevensdragers in beslag worden genomen, maar dat er niet voor kan worden gezorgd dat de geheimhoudersstukken eruit gefilterd worden. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat op 24 januari 2024 een beslissing zal worden genomen op het klaagschrift.” 3.4 De door de raadsman tijdens de behandeling in raadkamer voorgedragen pleitnota houdt onder meer het volgende in: “Bij de doorzoeking zijn schriftelijke bescheiden en digitale gegevensdragers in beslag genomen, waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] direct (tijdens de doorzoeking) hebben aangegeven dat hierin geheimhoudersstukken aanwezig waren (zie pv 8 juni 2016, RC nr. 15/5392). Hiermee is door de politieambtenaren, noch door de dienstdoende RC iets gedaan. Ondanks dat bij de RC bekend was geworden dat er op de inbeslaggenomen goederen waarschijnlijk geheimhoudersstukken aanwezig waren, werden deze stukken meegenomen naar het politiebureau. De volgende dag heb ik mij tot de RC en de OvJ gewend en ik veronderstel de inhoud bij u bekend. Op mijn verzoek de juiste procedure te volgen kwam geen inhoudelijke reactie. Zoals ik de voorzitter van de rekestenkamer op 20 juli 2016 (per fax) heb laten weten is de indiening van de klaagschriften ingegeven door het uitblijven van een tijdige reactie van de RC (was de inbeslagneming van de geheimhoudersstukken nu wel of niet toegestaan). Uw rechtbank heeft op 21 juli 2016 geoordeeld dat het klaagschrift gegrond is ten aanzien van een aantal met name genoemde stukken. Ten aanzien van de digitale gegevensdragers heeft de rechtbank (zie beschikkingen d.d. 21 juli 2016) het volgende overwogen: “Bij de doorzoeking zijn ook de digitale gegevensdragers in beslag genomen. Deze bevinden zich in beheer bij de afdeling forensische digitale opsporing. Deze afdeling zal aan de hand van het forensische softwareprogramma Forensic Tool Kit een image maken van de data op basis waarvan geheimhoudersstukken automatisch kunnen worden gefilterd door middel van een geheimhouderslijst. Door het filteren ontstaan er twee databakken: één zonder geheimhouders en één met geheimhouders. De databak met geheimhouders is slechts toegankelijk door een aangewezen politiemedewerker geheimhouders, die buiten het onderzoeksteam werkzaam is. Deze medewerker maakt vervolgens proces-verbaal op van de aangetroffen geheimhoudersstukken. Het uitlezen van alle datadragers zal naar verwachting enige weken vergen.” De vraag rest dan ook nog immer of er op de digitale gegevensdragers geheimhoudersstukken zijn aangetroffen en, zo ja, op welke wijze deze zijn afgeschermd. Dat de digitale gegevensdragers zouden zijn teruggegeven is weinig relevant. Van de inhoud op deze gegevensdragers zijn immers door het onderzoeksteam kopieën gemaakt. Van belang is dat wordt vastgesteld of hierop geheimhoudersstukken staan en wat er verder met deze stukken is gebeurd (bewaard, vernietigd). De vraag aan u is of u bij de stukken een pv heeft gezien waarin staat dat de digitale gegevensdragers zijn beoordeeld (gefilterd) en dat hierbij wel of geen geheimhoudersstukken zijn aangetroffen. Zonder zo’n pv kunnen mijns inziens de onderhavige klaagschriften (ten aanzien van de inhoud op de digitale gegevensdragers) niet beoordeeld worden. Mijn cliënte [betrokkene 1] en ik hebben in de periode voorafgaande aan de doorzoeking bijzonder veel met elkaar gemaild over de onderhavige strafzaak en de uitleveringsprocedure. Ik kan mij niet voorstellen dat deze correspondentie zich niet op de in beslag genomen digitale gegevensdragers bevindt. En het idee dat deze correspondentie nu ergens op een diskette bij de digitale recherche ligt, kan ik moeilijk verdragen. Het is daarom dat artikel 98 en 218 Sv en de bescherming van het verschoningsrecht van ondergetekende indachtig wordt vastgehouden aan het onderhavige verzoek uit 2016.” 3.5 De bestreden beschikking houdt het volgende in: “Feiten Op 2 juni 2016 heeft met machtiging van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van (de toenmalige partner van) de cliënt van klager. Bij de doorzoeking zijn schriftelijke bescheiden en digitale gegevensdragers in beslag genomen. Klager heeft op 15 juni 2016 een klaagschrift doen indienen tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de bij de doorzoeking in beslag genomen geheimhouderstukken. Procedure Het klaagschrift is op 15 juni 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft op 21 juli 2016 het klaagschrift gegrond verklaard ten aanzien van een aantal schriftelijke bescheiden die als geheimhoudersstukken moeten worden aangemerkt. Voor wat betreft de digitale gegevensdragers, waarop zich eveneens mogelijk geheimhoudersstukken zouden bevinden, heeft de rechtbank de beslissing voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek door de afdeling forensische digitale opsporing. De rechtbank heeft – na aanhouding – op 10 januari 2024 de behandeling van het voornoemde klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet. De rechtbank heeft klager en de officier van justitie op zitting gehoord. Beoordeling Vast staat dat de digitale gegevensdragers die destijds bij de doorzoeking in beslag zijn genomen reeds aan de beslagene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.