ECLI:NL:PHR:2024:1428
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer22/03410 Zitting 17 december 2024 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren op [geboorteplaats] 1988, hierna: de verdachte Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 september 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2021 bevestigd voor zover de verdachte daarin wegens ‘als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard’, is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst – kort gezegd – de klacht dat het hof ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gedrag van de verdachte ‘een immer actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving’. Het middel komt daarmee op tegen de motivering van de bewezenverklaring.
Voordat ik overga tot bespreking van het middel, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weer, alsmede de overwegingen op grond waarvan de politierechter van andere ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken. Ook bespreek ik regelgeving en rechtspraak die voor de beoordeling van het middel van belang zijn.
Bewijsmiddelen en bewijsmotivering 5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij: ‘op of 9 november 2021 te Tilburg als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden
De verdachte gaf aan dat hij inderdaad wist dat hij ongewenst vreemdeling was voor Nederland. Verdachte gaf aan dat hij in Nederland was omdat zijn vriendin waarmee hij in België mee samen woont een familielid in Nederland wilde bezoeken. Ik legde verdachte uit dat hij gewoon niet in Nederland mag zijn en dat er destijds een beschikking is gegeven door de Immigratie en Naturalisatie dienst, deze beschikking heeft hij destijds ontvangen en voor getekend. Verdachte heb ik de beschikking getoond en hij herinnerde zich dit nog. Verdachte gevraagd sinds hoelang hij in Nederland was waarop hij verklaarde dat hij vanaf dinsdag in Nederland was.
Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, (…), opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] .
Betrokkene heeft tot 17-10-2019 rechtmatig in Nederland verbleven. Dit rechtmatig verblijf is beëindigd per 18-10-2019 na aanleiding van een beschikking die door de Immigratie en Naturalisatie Dienst is gegeven tot ongewenst vreemdeling voor het Nederlands grondgebied. Betrokkene werd op 18-10-2019 een ongewenstverklaring ex art. 67 van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd. De beschikking werd hem in persoon uitgereikt op 25-10-2019. Sinds aan hem een ongewenstverklaring is opgelegd is hij eerder uit Nederland verwijderd:
Op 04-03-2020 binnenkomst in NL en op 30-09-2020 uitgezet vanuit strafrecht.
Op 30-09-2020 binnenkomst in NL en op 19-11-2020 uitgezet vanuit strafrecht.
Betrokkene keert dus iedere keer terug naar Nederland terwijl hij weet dat hij is ongewenst verklaard. (…) Het geschrift, te weten de beschikking ongewenstverklaring d.d. 18 oktober 2019 en de daarbij behorende akte van uitreiking aan de verdachte, (…), inhoudende, zakelijk weergegeven:
Besluit Ik beëindig uw verblijfsrecht.
U moet Nederland meteen verlaten.
Ik verklaar u ongewenst.’ 7. Bij de stukken van het geding bevindt zich een de verdachte betreffende beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 18 oktober 2019, inhoudende voor zover hier van belang: ‘Uit uw strafblad blijkt dat u veroordeeld bent wegens opzetheling; diefstal d.m.v. braak; diefstal uit/vanaf auto; autodiefstal; schuldheling; huisvredebreuk. Ik stel vast dat u sinds 20 september 2013 vrijwel jaarlijks misdrijven hebt gepleegd tot en met 11 februari 2018 waarvoor u bent veroordeeld. In totaal bent u voor 20 misdrijven veroordeeld en heeft u in totaal 35 maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen. Dat is omgerekend bijna 3 jaar gevangenisstraf.
U hebt kort geleden strafbare feiten gepleegd waarvoor u bent veroordeeld. Ik heb geen aanwijzingen dat u dat niet opnieuw zult doen. De omstandigheden waardoor u die delicten hebt gepleegd, zijn er in principe nog steeds. (…) Ik stel vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat u werkzaam bent in detentie en dat u goed gedrag vertoont. U heeft echter geen bewijsstukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld een reclasseringsrapport, waaruit zou kunnen blijken dat er geen kans op recidive is. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat u uw gedrag in de samenleving hebt verbeterd.
Voor wat betreft uw gedrag en uw persoonlijke situatie heb ik geen concrete aanwijzingen dat u niet opnieuw een misdrijf zult plegen. In de zienswijze van 15 mei 2019 is namens u aangevoerd dat de officier van justitie u geen ISD-maatregel opgelegd heeft vanwege de door u gepleegde delicten. Ik stel echter vast dat u sinds 2013 vrijwel jaarlijks misdrijven gepleegd waarvoor u bent veroordeeld. Ondanks de straffen die u daarbij opgelegd hebt gekregen, pleegt u daarna opnieuw misdrijven. Het gaat ook steeds weer om een zelfde soort misdrijf, zoals onder andere diefstal door middel van braak, diefstal uit of vanaf een auto, diefstal van een auto. Met het plegen van deze verstoord u de sociale en economische orde ernstig. Ook tast u een algemeen gevoel van veiligheid aan in de Nederlandse samenleving. Dat zijn fundamentele belangen van de Nederlandse samenleving. (…) Wat u aanvoert is geen reden om u niet ongewenst te verklaren. Ik verwijs naar mijn toelichting bij de beëindiging van uw verblijfsrecht.’ 8. In het door het hof met verbetering en aanvulling van gronden bevestigde vonnis van de politierechter is de volgende bewijsoverweging opgenomen: ‘feit 1:
Verdachte is bij beschikking van 18 oktober 2019 ongewenst verklaard in Nederland, omdat zijn gedrag destijds een actuele, werkelijk en ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verdachte was iemand die voortdurend strafbare feiten pleegde. De ongewenstverklaring is aan verdachte in persoon uitgereikt en de bezwaar- en beroepsprocedure is afgerond, zodat hij wist dat hij op de ten laste gelegde datum niet in Nederland mocht zijn. Ten overstaan van de politie heeft hij dit ook erkend. De actuele dreiging die destijds gold, wordt niet steeds opnieuw getoetst. Het is aan verdachte zelf om bij de bestuursrechter het verzoek te doen om zijn ongewenstverklaring ongedaan te laten maken. Tot op heden heeft hij dit niet gedaan en blijft de ongewenstverklaring gelden. De politierechter acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als vreemdeling in Nederland heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard.’ 9. Aan de verdachte was onder 2, 3 en 4 tenlastegelegd dat: ‘2 hij op of omstreeks 9 november 2021, te Tilburg, een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad; (…) 3 hij op of omstreeks 9 november 2021, te Tilburg, een wapen van categorie II, onder 6°, van de Wet wapens en munitie, te weten een busje CS-gas, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad; (…) 4 hij op of omstreeks 9 november 2021, te Tilburg, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,7 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, in elk geval bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;’ 10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg volgt dat de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd van feit 3 ‘nu niet kan worden vastgesteld dat het om pepperspray ging’. En dat de raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 2 nu hij ‘geen wetenschap had dat het mes in zijn auto lag en daar ook geen beschikkingsmacht over had’, verdachte ‘niet de enige inzittende van de auto was’ en het kenteken van de auto ‘in verband (is) gebracht met meerdere personen’.
Gezien het voorgaande is besloten om de bestuurder aan te houden.
De politierechter is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig is geweest. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 2] blijkt niet dat hij voorafgaand aan de doorzoeking de reden daartoe aan verdachte kenbaar heeft gemaakt. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal de verdenking van enig strafbaar feit, anders dan het niet kunnen overleggen van een identiteitsbewijs (overtreding). Het gerechtshof Amsterdam heeft eerder overwogen dat indien zonder geldige reden of toestemming toch een dergelijke doorzoeking is gedaan, het bewijsmateriaal dan onrechtmatig is verkregen en dat op basis van artikel 359a Wetboek van Strafvordering het bewijs onder omstandigheden kan worden uitgesloten van het dossier. De rechter dient te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is.
De politierechter is gelet op alle feiten en omstandigheden van oordeel dat er sprake is van een dermate ernstig vormverzuim dat bewijsuitsluiting van alle tijdens de doorzoeking van de auto aangetroffen goederen dient te volgen. Nu de aangetroffen wapens en de amfetamine worden uitgesloten van bewijs kan geen bewezenverklaring voor die feiten volgen. De politierechter spreekt verdachte dan ook vrij van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier leidt het hof het volgende af. De verdachte heeft de Poolse nationaliteit. Mitsdien is Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (verder te noemen: de Verblijfsrichtlijn) van toepassing. Bij beschikking van 18 oktober 2019 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de verdachte tot ongewenst vreemdeling verklaard. Deze beschikking is op 25 oktober 2019 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte heeft op 10 november 2021 tegenover de politie verklaard dat hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
Artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn is een rechtstreeks werkende bepaling van het Unierecht. In deze bepaling staat dat de om redenen van openbare orde genomen maatregelen – in dit geval de ongewenstverklaring van de verdachte – uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het gedrag van de betrokkene. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving niet automatisch worden vastgesteld op basis van een eerdere strafrechtelijke veroordeling voor specifieke strafbare feiten. De omstandigheden die tot die veroordeling hebben geleid, kunnen wel in aanmerking worden genomen om een dergelijke vaststelling te rechtvaardigen, voor zover na een onderzoek van het individuele geval blijkt dat sprake is van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
De ongewenstverklaring was ten tijde van het aan de verdachte tenlastegelegde feit – 9 november 2021 – nog van kracht. Gelet hierop dient het hof de vraag te beantwoorden of de ongewenstverklaring op voornoemde tenlastegelegde datum nog steeds in overeenstemming was met de rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht.
Uit voornoemde beschikking van 18 oktober 2019 komt naar voren dat de ongewenstverklaring van de verdachte (mede) is gebaseerd op een groot aantal eerdere onherroepelijke veroordelingen ter zake van (ernstige) misdrijven. Naar ’s hofs oordeel vormde het gedrag van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde nog immer een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, nu op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat op de tenlastegelegde datum in de auto van de verdachte een tweetal verboden wapens, alsmede een hoeveelheid verdovende middelen zijn aangetroffen. De verdachte bevond zich op dat moment op de bestuurderstoel van het voertuig, waarbij de verdovende middelen onder de bestuurdersstoel zijn aantroffen. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte destijds ten overstaan van de politie een valse naam heeft opgegeven.
De omstandigheid dat de politierechter de verdachte nadien ter zake van de betreffende strafbare feiten heeft vrijgesproken, hetgeen door de raadsvrouw ten verwere is aangevoerd, doet aan het oordeel van het hof niet af, nu het hof – ook op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie – bij de beantwoording van de vraag of het gedrag van de verdachte een immer actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, acht dient te slaan op alle relevante feitelijke gegevens. Hiertoe rekent het hof in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte bekend heeft dat de aangetroffen verdovende middelen amfetamine betroffen en dat deze aan hem toebehoorden. Het hof acht voormelde omstandigheden, mede gelet op het feit dat niet is gebleken van objectieve gegevens waaruit zou blijken dat het gedrag van de verdachte ten positieve is veranderd, voldoende redengevend voor de slotsom dat sprake is van vorenbedoelde actuele bedreiging.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt mitsdien verworpen in al zijn onderdelen.’ 13. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 29 augustus 2022 blijkt dat de raadsvrouw van verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘8. Getoetst dient te worden of cliënt ten tijde van de tenlastegelegde feiten, dus op 9 november 2021, nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dat is duidelijk niet het geval.
Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.’ 17. Deze exceptie van openbare orde vormt volgens een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 juli 2017 ‘een afwijking van het verblijfsrecht van Unieburgers en hun familieleden, die strikt moet worden opgevat en waarvan de reikwijdte niet eenzijdig door de lidstaten kan worden bepaald’. Maatregelen tot beperking van het verblijfsrecht van een Unieburger moeten ‘om gerechtvaardigd te zijn in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel’ en mogen ‘uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene’. In de regel vereist de vaststelling dat het persoonlijke gedrag van de betrokkene een ‘reële en actuele bedreiging’ vormt voor ‘een fundamenteel belang van de samenleving of van het betrokken gastland’ dat de betrokkene ‘een neiging vertoont om dit gedrag in de toekomst voort te zetten.’ 18. Richtlijn 2004/38/EG werd voorafgegaan door Richtlijn 64/221/EEG. De bepalingen van deze richtlijn hadden (onder meer) ‘betrekking op de onderdanen van een Lid-Staat die verblijf houden in of zich begeven naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap om er al dan niet in loondienst werkzaamheden te verrichten’ (artikel 1, eerste lid). De richtlijn zag ‘op de voorschriften betreffende de toelating op het grondgebied, de afgifte of verlenging van de verblijfsvergunning en de verwijdering van het grondgebied, die door de Lid-Staten worden vastgesteld om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid’ (artikel 2, eerste lid). De maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid moesten ‘uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene’; ‘(h)et bestaan van strafrechtelijke veroordeling vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen’ (artikel 3, eerste en tweede lid).
Inzake deze bepalingen heeft het Hof van Justitie overwogen dat ‘het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling slechts ter zake doet voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt’. En dat ‘in het algemeen de vaststelling van een bedreiging van dien aard weliswaar inhoudt dat bij de betrokkene een neiging bestaat om dit gedrag in de toekomst te handhaven, doch dat het ook mogelijk is dat het enkele feit van het voorafgaand gedrag voldoet aan de voorwaarden voor een dergelijke bedreiging van de openbare orde’.
Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr dient de rechter dus in voorkomende gevallen te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat de ongewenstverklaring berust op enig wettelijk voorschrift. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573.) (…) 2.4.2. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte bij beschikking van 7 september 2000 tot ongewenst vreemdeling is verklaard, dat hij op 25 februari 2015 in Roosendaal is aangehouden en dat bij hem na zijn aanhouding 300 gram hennep en een kleine hoeveelheid xtc en cocaïne werd aangetroffen.
2.4.3. Op grond van het voorgaande is het Hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte op het moment van zijn aanhouding op 25 februari 2015 nog een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving als bedoeld in art. 27, tweede lid, van de Richtlijn vormde, op grond waarvan de eerder genomen maatregel van ongewenstverklaring nog rechtskracht had. (…) 2.6.1. In de beslissing van het Hof ligt besloten dat het Hof zich – na te hebben vastgesteld dat de betrokkene op grond van enig wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling was verklaard - gehouden achtte te onderzoeken of de ongewenstverklaring ten tijde van de tenlastegelegde gedraging in strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is vooropgesteld, is dat oordeel juist.
2.6.2. Voorts ligt in 's Hofs oordeel besloten dat de enkele door het Hof vastgestelde omstandigheid dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding in het bezit was van voormelde hoeveelheid verdovende middelen, met zich brengt dat het gedrag van de verdachte een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of een ander fundamenteel belang van de samenleving vormde als bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Richtlijn. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk.’ 25. Anders was de uitkomst in een arrest van Uw Raad van 9 mei 2023. Het hof had vastgesteld dat uit de beschikking van 7 januari 2019 bleek ‘dat de ongewenstverklaring is gebaseerd op eerdere onherroepelijke veroordelingen voor misdrijven. Dat de verdachte ook op de datum van de tenlastelegging nog altijd een bedreiging vormde, blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 9 september 2021, waaruit volgt dat de verdachte na de ongewenstverklaring en voor de datum in de tenlastelegging d.d. 13 augustus 2020, onherroepelijk is veroordeeld voor twee strafbare feiten te weten op 12 februari 2020 en 21 juli 2020.’ Het hof stelde voorts vast ‘dat niet is gebleken van objectieve gegevens waaruit zou blijken dat het gedrag van de verdachte ten positieve is veranderd’. Uw Raad overwoog: ‘In aanmerking genomen dat het hof bij de bewezenverklaring ook heeft gelet op de justitiële documentatie en het daaruit blijkende gedrag van de verdachte, met name op (i) de veroordeling voor rijden onder invloed van drugs gepleegd op 9 juni 2019 en (ii) de veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd op 9 februari 2020, heeft het hof kunnen concluderen dat de verdachte op de pleegdatum van het in deze zaak bewezenverklaarde feit (13 augustus 2020) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde, in de zin van artikel 27 van de Richtlijn.’ Bespreking van het middel 26. De steller van het middel meent dat het hof ten onrechte van oordeel is dat uit de omstandigheid dat verdachte ‘heeft verklaard dat de amfetaminen aan hem toebehoorden’ en uit de omstandigheid dat uit objectieve gegevens niet is gebleken dat verdachte ‘ten positieve is veranderd’, kan worden afgeleid dat het gedrag van verdachte een ‘immer actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving’. Hij wijst erop dat de verdachte ‘is vrijgesproken van het bezit van amfetaminen’ en dat het hof ‘niet heeft gemotiveerd waarom in dit concrete geval het voorhanden hebben van een geringe hoeveelheid verdovende middelen vorenbedoelde actuele bedreiging vormt’. Daarbij zou het gaan om voorhanden hebben ‘enkel voor eigen gebruik’ en zou niet zijn gebleken dat verdachte ‘verslaafd is aan verdovende middelen’. De steller van het middel wijst er verder op dat ‘de periode tussen de ongewenstverklaring en de pleegdatum van het tenlastegelegde feit 3 jaren betreft, de laatste veroordeling (…) van 13 maart 2019 dateert en de pleegperiode daarvan oktober 2017 betreft’.
Afronding 42. Het middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Indien Uw Raad, met mij, van oordeel is dat het cassatieberoep slaagt, kan het tijdsverloop na terugwijzing bij het hof aan de orde worden gesteld. Ook voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het artikel is het laatst gewijzigd door de Wet van 15 december 2011, Stb. 2011, 663.
Stb. 2000, 495.
Voluit: Richtlijn 2004/38/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
HvJ EU 13 juli 2017, C-193/16, ECLI:EU:C:2017:542, rov. 18, 19, 22 en 23, met verwijzingen.
Voluit: Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, PB 56 van 4.4.1964, blz. 850-857.
HvJ EG 27 oktober 1977, C-30/77, ECLI:EU:C:1977:172 (Bouchereau), rov. 28-29. Zie voorts HvJ EG 19 januari 1999, C-348/96, ECLI:EU:C:1999:6 (Donatella Calfa), rov. 24 en HvJ EG 7 juni 2007, C-50/06, ECLI:EU:C:2007:325, rov. 42-45.
COM(2009) 313 definitief. In de voetnoten bij de tekst wordt verwezen naar rechtspraak. Na het tenlastegelegde feit is een nieuwe mededeling gepubliceerd over hetzelfde onderwerp (Mededeling van de Commissie, Richtsnoeren betreffende het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun familieleden (C/2023/1392). De passages over dit onderwerp komen (praktisch) overeen met de geciteerde passage uit de mededeling van 2009.
HvJ EG 4 oktober 2007, C-349/06, ECLI:EU:C:2007:581 (Polat).
ABRvS 19 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:186.
ABRvS 18 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:62. Ook in deze uitspraak werd naar het arrest Polat verwezen.
HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:700.
HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:617, NJ 2021/181 m.nt. N. Jörg.
HR 9 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:687.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:561, NJ 2016/203. Vgl. F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 181.
EHRM 12 juli 2013, nr. 25424/09 (Allen tegen het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 11 juni 2024, nrs. 32483/19 en 35049/19 (Nealon en Hallam tegen het Verenigd Koninkrijk).
ABRvS 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1958.
Vgl. in dit verband J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 431, die het in het algemeen ‘ontoelaatbaar (acht) na vrijspraak nog uit te spreken dat de verdachte wel zou zijn veroordeeld als (…) niet wegens onrechtmatigheden in het vooronderzoek tot bewijsuitsluiting was gekomen’.
Ik merk in dat verband op dat, in geval één of meer veroordelingen wegens ernstige delicten tot de ongewenstverklaring hebben geleid, aanvullende vaststellingen inzake strafbaar gedrag na de ongewenstverklaring naar het mij voorkomt niet per definitie noodzakelijk zijn voor een strafrechtelijke veroordeling wegens het misdrijf van art. 197 Sr. Vgl. in dat verband HvJ EU 14 september 2017, C-184/16, ECLI:EU:C:2017:684 (Petrea), randnummers 39-48 en daarover de conclusie van A-G Knigge voor HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:617, NJ 2021/181 m.nt. Jörg, randnummers 4.35 en 4.36. Vgl. in dit verband ook HvJ EU 2 mei 2018, C-331/16, ECLI:EU:C:2018:296 (K en H.F.).
Vgl. in dit verband de NJ-noot van Jörg, onder 7. A-G Knigge had in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest laten zien dat een andere inkadering ook denkbaar is (randnummer 4.11). Zie recentelijk in verband met het beginsel van de formele rechtskracht HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1621 en de voorafgaande conclusie van plv. A-G van Wees.