PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/02608 Datum 2 februari 2024 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Dividendbelasting – 2012 t/m 2014 Nr. Gerechtshof 22/00347 t/m 22/00349 Nr. Rechtbank 17/4440 t/m 17/4442 CONCLUSIE P.J. Wattel Met bijlage In de zaak van [X] tegen Staatssecretaris van Financiën 1De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 1.1 De belanghebbende is een naar Duits recht opgericht en in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. Hij heeft geen vaste inrichting in Nederland en is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. 1.2 De belanghebbende heeft voor de jaren 2012 t/m 2014 teruggaaf van dividendbelasting verozhct. Die verzoeken zijn door de Inspecteur afgewezen. De belanghebbende heeft vergeefs bezwaar gemaakt. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1.3 De belanghebbende stelde voor de Rechtbank dat het vrije kapitaalverkeer hem recht op teruggaaf van dividendbelasting geeft tot een bedrag gelijk aan de afdrachtvermindering waarop een ingezeten fiscale beleggingsinstelling (fbi) nationaalrechtelijk recht zou hebben, omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. 1.4 De Rechtbank overwoog dat u in HR BNB 2021/89 heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat niet-ingezeten beleggingsinstellingen, gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een afdrachtvermindering op die inhouding. De Rechtbank oordeelde daarom dat de Inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1.5 De belanghebbende stelde ook in hoger beroep met een beroep op Unierecht dat hij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting tot het bedrag aan afdrachtvermindering waarop een ingezeten fbi recht zou hebben, omdat hij behoudens zijn vestigingsplaats vergelijkbaar is met een ingezeten fbi. De Inspecteur stelde dat de belanghebbende geen dividendnota’s heeft overgelegd zodat (de omvang van) het bedrag waarvoor recht op teruggaaf zou bestaan onvoldoende aannemelijk is gemaakt en reeds daarom geen recht op teruggaaf bestaat. De Inspecteur achtte de belanghebbende overigens ook objectief onvergelijkbaar met een dooruitdelings- en inhoudingsplichtige fbi. 1.6 Het Hof heeft overwogen dat de term “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in art. 10 Divb betekent dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.