PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 23/04275 Br Zitting 27 februari 2024 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de klager 1Het cassatieberoep 1.1 De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 oktober 2023 het op grond van art. 5.4.10 jo art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen voorwerpen, ongegrond verklaard. 1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. 2Aanleiding en verloop van de procedure 2.1 Op 10 augustus 2022 is door het Duitse openbaar ministerie bij de arrondissementsrechtbank te München in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: de Duitse autoriteiten) een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal van modellocomotieven en -wagons. Naar aanleiding van dit bevel is op 4 april 2023 onder de klager een aantal modeltreinen in beslag genomen op de voet van art. 94 lid 1 Sv (om de waarheid aan de dag te brengen). 2.2 De Duitse autoriteiten hebben om geheimhouding van dit EOB gevraagd. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom niet aan de verdediging verstrekt. 2.3 Namens de klager is op 19 april 2023 een op art. 5.4.10 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen goederen. Het klaagschrift is op 27 september 2023 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft op 11 oktober 2023 het beklag ongegrond verklaard. 2.4 Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van het EOB niet verenigbaar is met het eigendomsrecht van de klager. 3De beschikking 3.1 De rechtbank heeft het standpunt van klager voor zover relevant voor de bespreking van het middel als volgt weergegeven: “Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen en teruggave aan de klager van de in beslag genomen goederen: Daartoe is het volgende aangevoerd. Overdracht aan de Duitse autoriteiten van de inbeslaggenomen goederen levert een flagrante schending van het eigendomsrecht van klager op omdat de Duitse autoriteiten de goederen waarschijnlijk niet zullen retourneren aan klager. De vraag of klager eigenaar van de goederen is, is een civielrechtelijke kwestie die uitgezocht dient te worden wanneer de goederen aan klager zijn geretourneerd. Klager verzet zich niet tegen het onderzoek dat verricht dient te worden, maar wil de goederen daarna terug. Subsidiair is daarom het verzoek gedaan aan de uitvoering van het EOB de voorwaarde te verbinden dat de goederen aan klager worden geretourneerd.” In aanvulling hierop maak ik melding van hetgeen de raadsman blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting op 27 september 2023 naar voren heeft gebracht: “De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en deelt mee: De vraag die voorligt is of er sprake is van een flagrante schending van het eigendomsrecht van mijn cliënt. Opgemerkt moet worden dat - anders dan de officier van justitie in het schriftelijk standpunt stelt - die schending er wel is. Het eigendomsrecht is een fundamenteel recht. De Hoge Raad zegt dat bij de beantwoording van de vraag de rechter niet behoort te treden in burgerlijke eigendomsgeschillen en bezitskwesties. We weten helemaal niet of de beste man in Duitsland wel de rechtmatige eigenaar van de modeltreinen was. Dit is bij uitstek een burgerlijke kwestie die bij de civiele rechter thuishoort. Vaststaat dat mijn cliënt te goeder trouw heeft gehandeld. Bij geen van zijn aankopen heeft hij enige twijfel gehad. Alleen bij de laatste aankoop heeft hij na de afronding van de koop bij de fabrikant geïnformeerd. Zo is het balletje gaan rollen. Als hij niets gezegd had was er geen agent aan te pas gekomen. Ik wil met name het uitgangspunt uit artikel 116 Sv opmerken. Spullen moeten terug naar de beslagene. Het Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) is bedoeld om de waarheid aan de dag te leggen, maar het is niet de bedoeling dat de Duitse autoriteiten kunnen bepalen dat de treinen terug moeten naar de Duitse eigenaar. Als dat wel het gevolg is, dan is er sprake van een flagrante schending van het eigendomsrecht van mijn cliënt. De Duitse wet kent geen regeling zoals de Nederlandse wet. Het Duitse recht zet mijn cliënt op achterstand. Het laatste wat ik wil opmerken is dat uit de e-mails blijkt dat de Duitsers voornemens zijn om de spullen terug te geven aan de eigenaar. Er wordt in de e-mail van 2 augustus jl. gezegd dat als blijkt dat de producten niet van diefstal afkomstig zijn, mijn cliënt de spullen terug zou krijgen. Met andere woorden: indien de spullen wel van diefstal afkomstig blijken te zijn, dan krijgt mijn cliënt ze niet terug. Dan kan mijn cliënt zelfschade gaan verhalen in Duitsland op degene die de spullen gestolen heeft. Mijn cliënt heeft gedaan wat van een goede burger verwacht wordt: hij heeft zelf de politie gebeld. Hij verzet zich ook niet tegen verder onderzoek, maar hij wil daarna de treinen terug. Ik heb ook nog gevraagd of het onderzoek in Nederland gedaan kan worden, maar dat gaat niet. Daarom wil mijn cliënt de treinen graag terug als het onderzoek klaar is, en dan kan er eventueel een civielrechtelijke procedure worden gestart. (…) De voorzitter houdt voor dat noch artikel 17 van het Handvest noch artikel 1 van het 1 e. Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) een absoluut eigendomsrecht kent. De raadsman reageert: Dat ontken ik ook niet, Ook het 1e Protocol van het EVRM is van toepassing door artikel 6 van het EVRM. Er zijn natuurlijk altijd mogelijkheden om dat recht in te perken, maar dat neemt niet weg dat heel veel van die rechten bij wet kunnen worden beperkt De vraag is of, wanneer dat als weigeringsgrond is opgenomen, die bepalingen er dan toe leiden dat het eigendomsrecht kan worden ingeperkt en of je dan daardoor niet een soort dode letter creëert. We kunnen dan niets meer.” 3.2 De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen: “ToetsingskaderGelet op hetgeen de Hoge Raad hierover in zijn beschikking van 21 december 2021 (ECLLNL:HR:2021:1940) heeft overwogen, wordt het volgende voorop gesteld. Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten van de Europese Unie. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41 /EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten. Bij de behandeling van een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 juncto artikel 552a Sv doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB waarvan de uitvoering heef geleid tot indiening van het klaagschrift (artikel 5.4.10 lid S Sv). De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid I Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagnemingen van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich, gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten. Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is - anders dan wanneer het gaat om de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming die ten behoeve vaneen Nederlandse strafzaak heeft plaatsgevonden - dus niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat - in de zin van het belang van de uitvaardigende staat bij de uitvoering van het EOB en de overdracht van de resultaten daarvan ten behoeve van de strafrechtelijke procedure in de uitvaardigende staat - wordt verondersteld aanwezig te zijn. Overwegingen De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de diefstal van een hoeveelheid modeltreinen. Dit EOB is door de officier van justitie erkend. De inbeslagneming die naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden, heeft overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94 en 96 Sv, plaatsgevonden. De inzet van deze bevoegdheid is naar Nederlands recht rechtmatig geschied. De inbeslaggenomen goederen betreffen het bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft en hetgeen de Duitse autoriteiten met dit EOB beogen te verkrijgen. Deze goederen zijn dus in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Duitse strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek loopt nog en daarmee is het belang van strafvordering gegeven. Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen weigeringsgronden op grond van de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 Sv voordoen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de uitvoering van het bevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie(HvEU) op Nederland als uitvoerende staat rusten, meer specifiek met het eigendomsrecht van klager. Artikel 17 van het HvEU noch artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) erkennen een absoluut eigendomsrecht. In beide gevallen is bepaald dat het recht kan worden beperkt in het algemeen belang en in gevallen en onder voorwaarden bij wet voorzien. Op voorhand bij de Duitse autoriteiten bedingen dat de goederen na het onderzoek aan de klager dienen te worden geretourneerd zou dan ook vooruitlopen op de feiten zijn, en misschien ook een schending van andermans eigendomsrecht kunnen betekenen. Gelet op het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard en zal ook het subsidiaire verzoek van de klager om te bepalen dat de goederen na het onderzoek door de Duitse autoriteiten aan hem dienen te worden geretourneerd, worden afgewezen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de klager zich, na overdracht van deze goederen, (alsnog) tot de Duitse autoriteiten kan wenden met een verzoek tot teruggave van deze goederen of de officier van justitie kan verzoeken deze wens van klager bij overdracht aan de Duitse autoriteiten te vermelden.” 4Het middel 4.1 Het middel bevat twee deelklachten die gezamenlijk kunnen worden besproken. De klachten hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.